id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.222 Rolnummer: A. 84049/XII-2061 Zaak: Arrest 166222 - Zeevaart - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-11 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 12:09 Fiche Arrest nr 166.222 van 21 december 2006 Economische zaken - Zeevaart Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.222 van 21 december 2006 in de zaak A. 84.049/XII-
- In zake : Freddy DELOZ, wonende te Oostende, Waregemlaan 28 tegen : de STAD OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaten I. Larmuseau, P. De Smedt en B. Roelandts, kantoor houdende te Gent, Kasteellaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Freddy Deloz op 10 mei 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 8 maart 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende waarbij zijn ongunstige beoordeling wordt bevestigd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 20 januari 2004 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-2061-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat L. Proot, die loco advocaat B. Roelandts verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker vast benoemd sassenier is in de haven van Oostende en behoort tot niveau D; dat op 5 februari 1999 zijn functioneren gedurende de periode van 1 juli 1998 tot 31 december 1998 wordt beoordeeld; dat uit het beoordelingsverslag, dat verzoeker op 5 februari 1999 voor kennisname en ontvangst ondertekent, blijkt dat zijn functioneren tijdens voormelde periode wordt getoetst aan de beoordelingscriteria “vakkennis”, “samenwerken”, “klantvriendelijkheid”, “motivatie” en “loyauteit”; dat met betrekking tot elk van deze criteria in het beoordelingsverslag een aantal algemeen beschrijvende, kwalitatieve uitspraken worden vermeld waarvoor de beoordelaar telkens door middel van aankruising van een score 2, 1, 0, -1 of -2 aanduidt in welke mate verzoeker daaraan beantwoordt; dat de optelling van de aangekruiste scores leidt tot een score -2 voor het criterium vakkennis, -3 voor samenwerken, 0 voor klantvriendelijkheid, 0 voor motivatie en -1 voor loyauteit; dat de eindbeoordeling “ongunstig” is; dat de beoordelaar daarbij vermeldt: “Onbetrouwbaar, zeer ongeregelde aanwezigheid”; dat de beoordelaar daarnaast in een bijlage bij het beoordelingsverslag volgende commentaar op verzoekers functioneren formuleert : “Vakkennis: Is moeilijk in te schatten vanwege zijn gebrek aan interesse voor de job. Samenwerken: Wegens zijn veelvuldige afwezigheid, met onbetrouwbare gegevens, kan er moeilijk over collegialiteit en samenwerking gesproken worden. (Er werd voordien zelfs ontdekt dat dhr. Deloz, ondanks hij in werkongevalverlof was, met zijn zieke hand, schouder en arm toch aan het tennissen was.) Klantvriendelijkheid: Iemand die tegen zijn zin komt werken kan moeilijk klantvriendelijk zijn. Motivatie: Nul, anders zet men zich in voor de dienst. Loyauteit: Zie samenwerken. Tracht alle manieren toe te passen om aan het oog van zijn oversten te ontsnappen. Opmerking: Reeds sinds jaren hebben zijn collega’s klachten over het gedrag en de inzet van deze werkkracht. Er werd nochtans nooit rekening mee gehouden. Waarom weten wij niet. XII-2061-2/8 Gedurende de evaluatie-periode was dhr. Deloz de hele maand juli 1998 afwezig wegens ziekte”; Overwegende dat verzoeker bij brief van 8 februari 1999 bij het college van burgemeester en schepenen beroep instelt tegen deze ongunstige beoordeling; dat hij op 8 maart 1999, bijgestaan door een gewestelijk secretaris van de vakbond, door het college van burgemeester en schepenen wordt gehoord; dat hij ter gelegenheid van het verhoor een omstandige verweernota indient; dat het college van burgemeester en schepenen diezelfde dag nog het bestreden besluit neemt, besluit dat als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat betrokkene ongunstig werd beoordeeld over de periode van 01 juli 1998 tot 31 december 1998 door de heer Patrick Vermandel, havenkapitein. Uit het beoordelingsverslag blijkt dat hij op drie beoordelingscriteria, meer bepaald de criteria vakkennis, samenwerken en loyauteit, een negatieve score heeft gehaald zodat de eindbeoordeling in toepassing van artikel 118 bis van het Administratief Statuut van het Stadspersoneel ongunstig was; Overwegende dat in zijn commentaar de heer Vermandel onder andere vermeldt dat betrokkene onbetrouwbaar is, zeer geregeld afwezig is, tegen zijn zin komt werken en niet gemotiveerd is. In algemene zin is de vakkennis, het samenwerken en de loyauteit van betrokkene ondermaats; Overwegende dat in het beroepsschrift in eerste instantie een aantal algemene bezwaren worden geopperd tegen het beoordelingssysteem en tegen het feit dat met betrokkene voorafgaandelijk geen functioneringsgesprek werd gehouden. De bezwaren tegen het beoordelingssysteem zijn evenwel niet relevant omdat het beoordelingssysteem deel uitmaakt van het Administratief Statuut van het Stadspersoneel en dit statuut uitwerking heeft verkregen vanwege de toezichthoudende overheid. Het statuut bepaalt anderzijds niet dat een voorafgaand functioneringsgesprek verplichtend is en het blijkt dat de heer Patrick Vermandel de betrokkene persoonlijk heeft gewezen op zijn tekortkomingen; Overwegende dat in het beroepsschrift opgemerkt wordt dat betrokkene tijdens de beoordelingsperiode veel afwezig geweest is wegens ziekte waardoor de beoordelingsperiode in de praktijk maar 2,5 maanden bedraagt. Deze opmerking is correct maar doet geen afbreuk aan het feit dat hij niettemin beoordeeld moet worden en er in die periode voldoende aanwijzingen [zijn] geweest om betrokkene negatief te beoordelen. Overwegende dat in het beroepsschrift verder bezwaar wordt gemaakt tegen de negatieve scores op de beoordelingscriteria vakkennis (overgeaccentueerd), samenwerken (problemen i.v.m. arbeidsongeval worden hem onterecht kwalijk genomen) en loyauteit (betrokkene werd nooit op tekortkomingen gewezen). De scores en het commentaar tonen integendeel aan dat betrokkene op die criteria inderdaad tekort is geschoten zodat er geen aanleiding bestaat om de beoordeling te hervormen; Overwegende dat in het beroepsschrift bezwaar wordt gemaakt tegen de commentaar dat betrokkene getennist zou hebben tijdens zijn arbeidsongeval. De verdediging staaft met een verklaring van een tennisclub dat betrokkene sinds zijn arbeidsongeval niet meer getennist heeft in die club. Ook indien zou blijken dat betrokkene inderdaad niet zou getennist hebben, blijven voldoende elementen over om de ongunstige beoordeling te handhaven”; XII-2061-3/8
- De grond van de zaak. 2.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen inroept; dat hij argumenteert dat het bestreden besluit niet afdoende is gemotiveerd daar geen van zijn argumenten wordt weerlegd, dat de motivering louter steunt op subjectieve indrukken en uitspraken en dat geen enkel concreet feit wordt aangehaald; dat hij voorts stelt dat hij volgens het beoordelings- verslag een negatieve score verdient voor zijn interesse in de eigen opleiding, de optimale benutting ervan in de dienst en het vragen van advies om fouten te voorkomen, dat hij nochtans gedurende zijn 34-jarige dienst steeds interesse heeft betoond voor zijn job, dat hij altijd advies heeft gevraagd aan zijn sluismeester, dat zijn directe hiërarchische meerderen bevestigen dat zij geen klachten hebben ontvangen van gebruikers, dat het pertinent onwaar is dat hij niet bereid zou zijn spontaan in te springen en de goede verstandhouding niet zou bevorderen, dat die scores onverdiend en onterecht zijn, dat hij wegens medisch verantwoorde beperkingen tijdelijk niet inzetbaar was op alle diensten, dat dit geen gebrek aan flexibiliteit uitmaakt, dat het commentaar van de beoordelaar ongepast en onaanvaardbaar is, dat elke afwezigheid wettelijk correct was en verantwoord door ziekteattesten, dat de bewering dat ontdekt zou zijn dat hij aan het tennissen was, een pertinente onwaarheid is, dat hij in 1997 niet bij zijn tennisclub is geweest en vanaf 1998 zelfs geen lid meer ervan was, dat het om een valse beschuldiging gaat; 2.
- Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat uit de overwegingen van het bestreden besluit uitdrukkelijk blijkt dat alle door verzoeker aangevoerde argumenten werden behandeld en terecht verworpen zodat “ruimschoots voldaan is aan de verplichting tot motivering van de bestuurshandeling”; 2.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat de door verwerende partij aangevoerde elementen geen afdoende motivering kunnen uitmaken, dat de hem verweten tekortkomingen niet door concrete feiten worden gestaafd en niet aan de hand van concrete stukken of getuigenverklaringen worden bewezen; 2.
- Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie argumenteert dat de bestreden beslissing naast motieven uit de evaluatie ook eigen motieven bevat die op voldoende wijze worden weergegeven, dat het XII-2061-4/8 evaluatieverslag afdoende is gemotiveerd aangezien elk subcriterium een vooropgesteld “objectief”uitdrukt zodat met een bepaalde score wordt uitgedrukt of men al dan niet aan het vooropgestelde “objectief” voldoet, dat dit de reden insluit waarom de betrokken score werd behaald, dat het feit of men al dan niet aan een criterium voldoet een kwestie van een mathematische uitkomst is, namelijk de som van de behaalde scores, dat het waarom van een score op een criterium dus enerzijds zijn reden vindt in een mathematische bewerking en anderzijds in het geheel van de onderliggende redenen van de scores op de subcriteria, dat aanvullende en ondersteunende motieven terug te vinden zijn onder de hoofding “commentaar beoordelaars”, dat van een bestuur niet mag worden verwacht dat het zich ter staving van elk criterium een bewijsstuk verschaft, zo niet wordt van een bestuur een overdreven formalisme gevergd, dat verzoeker perfect kon begrijpen uit welke componenten en waarom de evaluatie als dusdanig was opgebouwd, dat hij uit het evaluatieformulier kan opmaken of hij al dan niet aan de respectieve vooropgestelde “objectieven” voldoet, dat ook het bestreden besluit afdoende is gemotiveerd daar het zich de afdoende motivering van de evaluatie eigen maakt en het een eigen afdoende motivering bevat, dat het bestreden besluit niet alle grieven moet beantwoorden en dat verschillende grieven wel degelijk werden beantwoord; 2.
- Overwegende dat het bestreden besluit door het college van burgemeester en schepenen in “tweede aanleg” werd genomen nadat verzoeker overeenkomstig artikel 120, 3, van het administratief statuut van het stadspersoneel bij dat college beroep had ingesteld tegen de ongunstige evaluatie die hem op 5 februari 1999 door zijn beoordelaars werd toegekend; dat dit besluit ten gevolge van de devolutieve werking van het administratief beroep in de plaats komt van de oorspronkelijke beoordeling van verzoekers functioneren; dat, te dezen, het college van burgemeester en schepen zich in het bestreden besluit bij de scores en commentaren van de initiële beoordelaar heeft aangesloten en zo doende diens motieven tot de zijne heeft gemaakt; dat deze motieven evenwel niet afdoende blijken te zijn; Overwegende immers dat het beoordelingsverslag van 5 februari 1999 een voorgedrukt formulier is waarop voor vijf verschillende beoordelingscriteria een aantal algemeen beschrijvende, kwalitatieve uitspraken worden vermeld; dat door het aankruisen van een score wordt uitgemaakt in welke mate verzoeker aan elk van de relevante uitspraken voldoet; dat het louter aankruisen van een negatieve score bij een beschrijvende, kwalitatieve uitspraak op zich evenwel onvoldoende concrete XII-2061-5/8 informatie bevat over de wijze waarop verzoeker tijdens de beoordelingsperiode heeft gepresteerd; dat hij uit het aankruisen van een negatieve score wel kan afleiden dat hij voor een bepaald aspect gedurende een welbepaalde periode onvoldoende aan de verwachtingen heeft beantwoord, doch niet welke concrete vaststellingen aan die negatieve score ten grondslag liggen; dat een dergelijk beoordelingssysteem als voldoende kan worden beschouwd wanneer verzoeker op een andere wijze kennis heeft of krijgt van de concrete vaststellingen waarop de scores steunen; Overwegende dat het commentaar van de beoordelaar een dergelijke verantwoording zou kunnen inhouden; dat dit te dezen evenwel niet het geval is; dat het commentaar in wezen even algemeen is als de beschrijvende kwalitatieve uitspraken aangaande de beoordelingscriteria zelf; dat wat de weinige gegevens betreft die enigszins het predikaat “concreet” verdienen, de verwerende partij in de bestreden beslissing dan nog inbindt; dat wordt toegegeven dat verzoeker veel afwezig was “wegens ziekte”, wat iets anders is dan “met onbetrouwbare gegevens” en dat ook niet meer wordt aangedrongen wat het beweerde tennissen tijdens het werkongevalverlof betreft; dat de vereiste concrete gegevens die tot de score hebben geleid waarin de appreciatie van verzoekers functioneren tot uiting is gebracht, evenmin elders kunnen worden ontwaard, bijvoorbeeld in persoonlijke nota’s als bedoeld in artikel 112bis, § 3, van het administratief statuut; dat verwerende partij zo ook niet kan beweren een en ander in een functioneringsgesprek aan verzoeker te hebben verduidelijkt, nu een dergelijk gesprek zelfs niet heeft plaatsgehad; dat de bestreden beslissing weliswaar stelt “dat de heer Patrick Vermandel de betrokkene persoonlijk heeft gewezen op zijn tekortkomingen”, maar deze bewering door geen enkel stuk in het administratief dossier wordt gestaafd, terwijl verzoeker van zijn kant beweert dat hij in de loop van 34-jarige loopbaan bij de stad nooit opmerkingen heeft gekregen “dat hij ondermaats zou presteren”; dat verzoeker terecht doet gelden dat de motivering van zijn ongunstige beoordeling niet op concrete feiten blijkt te zijn gesteund; dat minstens die feiten aan hem niet kenbaar zijn gemaakt; Overwegende voorts dat een behandeling van een zaak in “tweede aanleg” betekent dat degene die het beroep heeft ingediend er aanspraak op kan maken dat aan zijn zaak een nieuw onderzoek wordt gewijd dat logischerwijze moet resulteren in een nieuwe, al dan niet bevestigende, eindbeslissing die in haar motivering ervan moet doen blijken dat de betrokken zaak de aandacht heeft gekregen die ze verdiende; dat die eindbeslissing te dezen met betrekking tot de door XII-2061-6/8 verzoeker aangevoerde bezwaren tegen zijn negatieve scores en de commentaar, enkel blijkt te vermelden dat de scores en de commentaar “[aantonen] dat betrokkene op die criteria inderdaad tekort is geschoten zodat er geen aanleiding bestaat om de beoordeling te hervormen”; dat dergelijke motivering gezien verzoekers omstandige bezwaren terzake in zijn verweerschrift en tijdens zijn verhoor door het college van burgemeester en schepenen, al te oppervlakkig en nietszeggend voorkomt; dat immers, zelfs indien moet worden aangenomen dat in het kader van de formele- motiveringsverplichting de overheid niet verplicht is te antwoorden op elk voor haar aangevoerd argument, uit de beslissing dan toch moet blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de argumenten niet werden aanvaard; dat dit te dezen niet voldoende het geval is en het college van burgemeester en schepenen niet genoegzaam aantoont aan verzoekers verweer een ernstig onderzoek en weerwerk te hebben besteed; dat het derde middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 8 maart 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Oostende waarbij de ongunstige beoordeling van Freddy Deloz wordt bevestigd. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-2061-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2061-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.222 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.