id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.224 Rolnummer: A. 103902/XII-3075 Zaak: Arrest 166224 - Politie - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-09 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-01 12:09 Fiche Arrest nr 166.224 van 21 december 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.224 van 21 december 2006 in de zaak A. 103.902/XII-
- In zake : Robert MONTENY, wonende te Oostende, Schermplantenstraat 50 tegen : de STAD OOSTENDE, die woonplaats kiest bij advocaat B. Roelandts, kantoor houdende te Gent, Visserij 157 A. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert Monteny op 26 april 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 22 februari 2001 van de burgemeester van Oostende waarbij zijn ongunstige beoordeling wordt bevestigd, evenals van “het beoordelingsverslag opgemaakt op 12 [lees : 15] december 2000”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 12 augustus 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 12 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-3075-1/11 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, en van advocaat L. Proot, die loco advocaat B. Roelandts verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat verzoeker vast benoemd agent-brigadier is bij de politie van Oostende; dat hij tussen 1 januari 1999 en 1 december 1999 is tewerkgesteld bij de verkeersbrigade en vervolgens vanaf 1 april 2000 bij de interventiedienst; dat op 15 december 2000 zijn functioneren gedurende de periode van 1 januari 1999 tot 31 augustus 2000 wordt beoordeeld; dat de eindbeoordeling “ongunstig” is en de beoordelaars als commentaar vermelden : “Ervaren medewerker die door zijn asociale houding t.o.z. van collega’s en meerderen contra-productief werkt. Betrokkene ontwijkt een aantal aspecten van zijn functie en hypoth[e]keert de goede werking van de dienst”; dat voornoemd beoordelingsverslag, dat verzoeker weigert voor kennisname en ontvangst te ondertekenen, het tweede voorwerp van verzoekers beroep tot nietigverklaring is; Overwegende dat verzoeker bij brief van 19 december 2000 bij de burgemeester van Oostende beroep instelt tegen zijn ongunstige beoordeling; dat op 12 februari 2001 zowel verzoeker, bijgestaan door een verdediger, als zijn twee beoordelaars door de burgemeester worden gehoord; dat de burgemeester bij besluit van 22 februari 2001 verzoekers ongunstige beoordeling bevestigt; dat dit de eerste bestreden beslissing is;
- De ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verwerende partij de ontvankelijkheid ratione materiae betwist in de mate waarin het beroep de nietigverklaring van het beoordelingsverslag van 15 december 2000 viseert, aangezien er op grond van artikel 120 en volgende van het administratief statuut tegen dat beoordelingsverslag een XII-3075-2/11 georganiseerd administratief beroep openstond bij de burgemeester, beroep dat verzoeker heeft uitgeput; Overwegende dat uit de artikelen 121 tot en met 126 van het administratief statuut blijkt dat het door verzoeker tegen zijn ongunstige beoordelingsverslag ingestelde beroep een administratief beroep is waarbij het beroepsorgaan verplicht is zich over het beroep uit te spreken en waarbij het de oorspronkelijke beslissing kan wijzigen en een eigen beslissing in de plaats kan stellen; dat bijgevolg de beslissing van 22 februari 2001 van de burgemeester in de plaats is gekomen van de beslissing van 15 december 2000 van de beoordelaars, zodat enkel eerstgenoemde beslissing vatbaar is voor beroep bij de Raad van State; dat de exceptie gegrond is; 2.
- Overwegende dat verwerende partij in een tweede exceptie doet gelden dat het verzoekschrift “bijzonder warrig en ongestructureerd [is] opgesteld, derwijze dat het voor de verwerende partij onmogelijk is om er de juiste middelen uit te distilleren en te beantwoorden”; Overwegende dat het verzoekschrift inderdaad een moeilijk toegankelijk kluwen is; dat niettemin verwerende partij heeft gemeend er “enkele middelen” in te kunnen “onderscheiden”; dat de Raad van State dan ook zijn onderzoek van de middelen, vanwege de rechten van verdediging van de verwerende partij, beperkt tot de middelen zoals zij door verwerende partij zijn ontcijferd en verstaan; dat de exceptie van onontvankelijkheid onder die restrictie verworpen wordt; 2.
- Overwegende dat, ter terechtzitting, verwerende partij ook nog de onontvankelijkheid van het beroep doet gelden bij gebrek aan belang, omdat verzoeker ondertussen gepensioneerd blijkt te zijn; Overwegende dat over de exceptie geen uitspraak hoeft gedaan; dat, zoals hierna zal blijken, het beroep hoe dan ook moet worden verworpen bij ontstentenis van gegronde middelen; XII-3075-3/11
- De grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat verwerende partij als een eerste middel begrijpt: “dat het bestreden besluit (kennelijk) onredelijk is, nu [verzoeker] -naar eigen zeggen ‘3 maal wordt gestraft voor hetzelfde feit’ (veroordeling politierechtbank, tuchtstraf en ongunstige beoordeling)”; Overwegende dat verzoeker dit bezwaar ook al vóór de burgemeester deed gelden; dat deze er in de bestreden beslissing als volgt op antwoordt : “Overwegende dat de heer Monteny wijst op het feit dat de hem op 10 januari 2000 en 30 mei 2000 opgelegde tuchtstraffen betrekking hebben op zijn privé- leven en dat hij geen tweemaal kan gestraft worden voor dezelfde feiten. De heer Monteny werd bij mijn besluit van 10 januari 2000 de tuchtstraf ‘inhouding van wedde gedurende twee dagen’ werd opgelegd. Deze tuchtstraf was een gevolg van zijn veroordeling door de politierechtbank op 21 mei 1999 wegens alcoholintoxicatie en van zijn houding tegenover de rijkswacht naar aanleiding van de vaststelling van de feiten. De heer Monteny werd bij mijn besluit van 30 mei 2000 de tuchtstraf ‘schorsing gedurende veertien dagen’ opgelegd. Deze tuchtstraf een gevolg was van zijn veroordeling door de politierechtbank op 14 januari 2000 wegens nachtlawaai en wegens zijn houding tegenover de rijkswacht naar aanleiding van de vaststelling van de feiten. Mijn voormeld besluit van 30 mei 2000 werd bij Ministerieel Besluit van 28 augustus 2000 goedgekeurd. Beide voormelde veroordelingen door de politierechtbank waren een gevolg van feiten uit het privé-leven van de heer Monteny en hebben geen rechtstreeks gevolg op het functioneren van de betrokkene. Beide tuchtstraffen hadden evenwel betrekking op zijn gedrag naar aanleiding van zijn verhoor dat door de rijkswacht als hoogst arrogant, irritant en provocerend werd ervaren, waardoor hij in zijn functie van politieagent niet alleen zichzelf maar ook het politiekorps van de stad Oostende in een slecht daglicht heeft gesteld en zware schade heeft toegebracht. Bovendien heeft de heer Monteny geen blijk gegeven van een loyale houding, wat de negatieve score op de uitspraak ‘houdt het imago van de dienst hoog’ rechtvaardigt”; Overwegende dat één van de criteria die in het kader van de bestreden evaluatie te beoordelen vielen, verzoekers loyauteit betrof; dat daarbij de vraag ter sprake komt of hij het imago van de dienst hoog houdt; dat het niet de grenzen van de redelijkheid te buiten gaat om die vraag negatief te beantwoorden, wanneer blijkt dat betrokkene tot twee keer toe een tuchtstraf heeft gekregen die mee hierdoor verantwoordt wordt dat hij een houding heeft aangenomen die “niet alleen zijn eigen imago maar ook dat van het politiekorps van de stad Oostende schade [heeft] toegebracht” of die “niet alleen een ongunstige weerslag [heeft] op het aanzien van de betrokkene maar ook, zoals hier het geval is, op het aanzien van het ambt van politieagent en van de dienst in het algemeen”; dat, door aldus de XII-3075-4/11 voormelde vraag naar waarheid te beantwoorden, verwerende partij nog geenszins geacht kan worden verzoeker een nieuwe tuchtstraf te hebben opgelegd; dat het eerste middel ongegrond is; 3.
- Overwegende dat verwerende partij als een tweede middel, eerste onderdeel, begrijpt: “dat een onredelijk lange termijn is verstreken tussen het einde van de beoordelingsperiode, i.c. 31 augustus 2000 en de overhandiging van het beoordelingsverslag op 15 december
- De verzoekende partij lijkt een schending aan te voeren van artikel 119 van het administratief statuut, op basis waarvan - zo poneert de verzoekende partij- het beoordelingsverslag binnen 10 dagen aan de beoordeelde moet worden overhandigd”; Overwegende dat naar eis van het artikel 119 van het administratief statuut, de beoordelingsverslagen binnen tien kalenderdagen voor kennisneming ter ondertekening aan de beoordeelde worden overhandigd tegen ontvangstbewijs of, indien dit onmogelijk is, hem per aangetekende brief worden toegezonden; dat de voormelde tien kalenderdagen betrekking hebben op de periode waarbinnen de beoordelingsverslagen, na te zijn opgesteld, aan de beoordeelde moeten worden meegedeeld; dat niet het einde van de beoordelingsperiode, maar het opstellen van het beoordelingsverslag de besproken termijn doet lopen; dat het eerste onderdeel van het tweede middel ongegrond is; Overwegende dat verwerende partij als een tweede middel, tweede onderdeel, begrijpt: “Verder maakt de verzoekende partij de parallel met een K.B. van 17 september 2000 waarin zou zijn bepaald dat een ambtenaar binnen 3 maanden na mededeling van een evaluatierooster in kennis moet worden gesteld van diens evaluatie. Nu het in casu 3 maanden en 15 dagen duurde vooraleer het beoordelingsverslag aan de verzoekende par[tij] werd meegedeeld, zou een redelijke termijn zijn overschreden”; Overwegende dat verzoeker, getuige zijn stuk 11, het koninklijk besluit van 17 september 2000 tot wijziging van het koninklijk besluit van 2 oktober 1937 houdende het statuut van het rijkspersoneel en van het koninklijk besluit van 7 augustus 1939 betreffende de evaluatie en de loopbaan van het rijkspersoneel bedoelt; dat evenwel verzoeker niet tot het rijkspersoneel behoort; dat overigens het koninklijk besluit niet voorschrijft dat de evaluatie ter kennis wordt gebracht binnen drie maanden na afloop van de evaluatieperiode, maar binnen drie maanden na de XII-3075-5/11 mededeling van het evaluatieróóster; dat, volgens genoemd stuk 11, voor de mededeling van dat rooster zelf, een termijn van een maand na de evaluatieperiode of soms zelfs geen termijn geldt; dat het koninklijk besluit dus niet van aard is om aannemelijk te maken dat te dezen de redelijke termijn werd overschreden doordat verzoeker pas op 15 december 2000 het verslag overhandigd kreeg van zijn beoordeling met betrekking tot een periode die tot 31 augustus 2000 liep; dat ook het tweede onderdeel van het tweede middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verwerende partij als een derde middel begrijpt : “dat het functioneringsgesprek pas plaats vond in de laatste maand van de evaluatieperiode, zodat [verzoekende partij] hierdoor geen afdoende gelegenheid meer had om aan de geformuleerde opmerkingen tegemoet te komen”; Overwegende dat volgens artikel 111, § 2, van het administratief statuut, een functioneringsgesprek, gericht op het beter functioneren, kan plaats vinden op initiatief van de hiërarchische meerdere of van zijn ondergeschikte en in elk geval tenminste éénmaal per jaar wordt gehouden; dat er in 2000 ook effectief een dergelijk functioneringsgesprek met verzoeker is gehouden, op 21 augustus 2000; dat dit inderdaad dicht bij het einde van de beoordelingsperiode was; dat er evenwel niet ipso facto uit volgt dat het functioneringsgesprek te laat plaatshad; dat het tijdstip van het functioneringsgesprek moet worden beoordeeld in het licht van de concrete omstandigheden van de zaak; dat het gesprek van 21 augustus 2000 essentieel verzoekers disfuncties bij de interventiedienst tot voorwerp had; dat het functioneringsgesprek bezwaarlijk veel eerder kon worden gehouden aangezien verzoeker nog maar sinds 1 april 2000 bij die dienst werkzaam was en hij er, ten gevolge van ziekteverlof, op de datum van het functioneringsgesprek nog maar een kleine veertig dagen effectieve werktijd telde; dat het functioneringsgesprek aldus niet laattijdig mag worden genoemd; dat het derde middel niet gegrond is; 3.
- Overwegende dat verwerende partij als een vierde middel begrijpt: “dat de afwezigheid van een functioneringsgesprek in 1999 impliceert dat mag/kan worden aangenomen dat de verzoekende partij goed functioneerde (eerste onderdeel) en dat het logischer ware geweest dat de beoordelaars de mening hadden gevraagd van de heer Dutry die in 1999 (1 januari - 1 december) chef was van de verzoekende partij (tweede onderdeel)”; XII-3075-6/11 Overwegende, wat het eerste onderdeel van het middel betreft, dat als de bestreden beslissing verzoeker negatief beoordeelt, zulks in wezen gebeurt op grond van zijn functioneren, sinds 1 april 2000, bij de interventiedienst en niet op grond van zijn prestaties van voordien bij de verkeersbrigade; dat in dit licht verzoeker geredelijk wordt bijgevallen waar hij meent dat uit de ontstentenis van een functioneringsgesprek in 1999 kan worden afgeleid dat er alsdan niet veel bij te sturen viel; dat daaruit echter geen gevolgtrekkingen gehaald kunnen worden wat de deugdelijkheid betreft van de motieven in verband met verzoekers prestaties sedert 1 april 2000 bij de interventiedienst; dat het eerste onderdeel van het middel verworpen wordt; Overwegende, wat het tweede onderdeel van het middel betreft, dat allicht verzoekers toenmalige chef het beste kan oordelen over verzoekers functioneren in 1999; dat, als gezien, evenwel niet verzoekers prestaties in 1999 bij de verkeersbrigade tot de bestreden ongunstige beoordeling aanleiding hebben gegeven, maar zijn wijze van dienen bij de interventiedienst; dat terzake de mening van verzoekers chef bij de verkeersbrigade niet relevant kon zijn; dat ook het tweede onderdeel van het vierde middel verworpen wordt; 3.
- Overwegende dat verwerende partij als een vijfde middel begrijpt: “In een vijfde overweging betwist de verzoekende partij de beoordeling van het subcriterium ‘is bereid verschillende ‘soorten’ werk te doen en kan dit aan’ (zie criterium 1 - ‘vakkenis’ in het beoordelingsverslag”); Overwegende dat verzoekers beoordeling steunt op zeven (hoofd)criteria: vakkennis, samenwerken, klantvriendelijkheid, motivatie, rapportering, communicatievaardigheid en loyauteit; dat per (hoofd)criterium een aantal subcriteria moeten worden getoetst en de betreffende scores worden opgeteld; dat, naar voorschrift van artikel 118bis van het administratief statuut, de eindscore van de evaluatie ongunstig is wanneer de som van de scores voor de subcriteria “op tenminste twee beoordelingscriteria” negatief is; dat verzoekers eindscore globaal negatief is vanwege het negatieve totaal op het criterium samenwerken, op het criterium motivatie en op het criterium loyauteit; Overwegende dat het subcriterium waarop het middel betrekking heeft, verband houdt met het criterium vakkennis; dat de totaalscore voor dat criterium positief is; dat bijgevolg het door het middel bekritiseerde motief niet mee XII-3075-7/11 tot de grondslag van de bestreden negatieve evaluatie kan worden gerekend en verzoekers kritiek dienvolgens niet tot de nagestreefde vernietiging kan leiden; dat het vijfde middel wordt verworpen; 3.
- Overwegende dat verwerende partij als een zesde middel begrijpt: “In een zesde overweging betwist de verzoekende partij de beoordeling van het subcriterium ‘houdt rekening met collega’s, in het bijzonder met hun veiligheid, bij de uitvoering van zijn/haar werk’ (zie criterium 2 - ‘samenwerken’ in het beoordelingsverslag)”; Overwegende dat verzoeker voor het besproken subcriterium, onderdeel van het criterium samenwerken, -2 scoort; dat blijkt dat de reden daarvoor is dat de veiligheid van de collega’s bij de uitvoering van het werk in het gedrang komt “door het niet bestaan van de noodzakelijke vertrouwensband”; dat verzoeker de betrokken score terecht betwist in zoverre zij gesteund wordt op een petitie die vijftien collega’s zouden hebben ondertekend en waarin zij zouden verklaren niet meer met hem te willen samenwerken; dat verzoeker herhaaldelijk, maar steeds vergeefs, om mededeling van de petitie heeft gevraagd; dat de petitie nog altijd niet is voorgebracht; dat zij in de gegeven omstandigheden voor onbestaande wordt gehouden; dat daar evenwel nog niet uit volgt dat de vertrouwensproblemen met de collega’s onbewezen zouden zijn en dat het besproken subcriterium niet op goede grond ongunstig is beoordeeld; dat immers uit de door verzoeker mee ondertekende afsprakennota naar aanleiding van het functioneringsgesprek van 21 augustus 2000 kan worden afgeleid dat zijn sociale contacten met de collega’s kunnen “verbeteren”, dat hij ermee zal ophouden bandopnamen van gespreken met collega’s te maken omdat het een “wantrouwen schept in de groep”, dat hij zal trachten “beter te functioneren in het korps, dit door de sociale contacten te verbeteren en ook door een meer soepele houding aan te nemen t.o.z. van andere collega’s”; dat verwerende partij dan ook niet ten onrechte van mening kon zijn dat tussen verzoeker en zijn collega’s niet de “noodzakelijke vertrouwensband” bestond; dat het zesde middel niet wordt aangenomen; 3.
- Overwegende dat verwerende partij als een zevende middel begrijpt: “In een zevende overweging betwist de verzoekende partij de beoordeling van het subcriterium ‘is in uiterst dringende gevallen bereid een extra inspanning te leveren of over te werken’ (zie criterium 4 - ‘motivatie’ in het beoordelingsverslag)”; XII-3075-8/11 Overwegende dat bewust subcriterium binnen het raam van de toetsing van het criterium motivatie valt, zijnde één van de drie criteria waarvoor verzoeker een negatieve totaalscore boekte; dat het, zoals gezien, volstaat dat de totaalscore voor twee beoordelingscriteria negatief is opdat de eindevaluatie overeenkomstig artikel 118bis reeds ongunstig moet zijn; dat het besproken middel dan ook alleen vermag de bestreden beslissing te vitiëren in zoverre verzoeker er in slaagt ook nog de negatieve totaalscore voor hetzij het criterium samenwerken, hetzij het criterium loyauteit onderuit te halen; dat dit alvast niet in de hiervoor besproken middelen is gelukt; dat, onder het voorbehoud dat het evenmin hierna in het achtste en laatste middel gebeurt, het zevende middel niet tot nietigverklaring kan leiden; 3.
- Overwegende dat verwerende partij als een achtste middel begrijpt: de schending van artikel 112bis, § 1, 3/, en § 4, van het administratief statuut; dat verzoeker toelicht dat in het dossier geen negatieve bewijsstukken voorkomen en dat hij dus goed functioneerde, dat negatieve punten in het functioneringsgesprek besproken moesten worden zodat hij er rekening mee kon houden, welke mogelijkheid hij nu niet had, dat de petitiebrief niet in aanmerking mag worden genomen en dat zijn beoordeling niet de negatieve punten staaft, maar op een subjectieve manier is gebeurd; Overwegende dat volgens de aangevoerde bepalingen het individueel beoordelingsdossier dat van elk aan de beoordeling onderworpen personeelslid in de personeelsdienst wordt bijgehouden, onder meer de persoonlijke nota’s van de beoordelaar en de opmerkingen van de beoordeelde omvat, dat die persoonlijke nota’s een relaas weergeven van alle gunstige en ongunstige feiten die als beoordelingsgrond kunnen dienen, dat geen enkele persoonlijke nota in het beoordelingsdossier mag worden opgenomen tenzij de beoordeelde die nota voor kennisneming heeft ondertekend, dat de beoordeelde de nota viseert en er binnen vijftien dagen na de datum van kennisneming zijn opmerkingen kan aan toevoegen; Overwegende dat ten onrechte verzoeker uit het voorgaande afleidt dat bij ontstentenis van voormelde persoonlijke nota’s “geen enkele negatieve bewijsstukken” in zijn dossier kunnen voorkomen en bijgevolg gesteld moet worden dat hij “goed functioneerde”; dat, zoals gezien bij de bespreking van het zesde middel, ook de afsprakennota die ter gelegenheid van het functioneringsgesprek op 21 augustus 2000 werd opgesteld als een bewijsstuk aangaande zijn functioneren kan gelden; dat dit, blijkens de bespreking van het eerste middel, eveneens het geval is XII-3075-9/11 met opgelopen tuchtstraffen; dat met de petitiebrief, dan weer, in rechte geen rekening te houden is, om de sub 3.6 vermelde reden; dat het argument dat verzoeker “zich niet kon bijschaven” doordat het functioneringsgesprek op 21 augustus 2000 plaatshad en de beoordelingsperiode afliep op 31 augustus 2000, reeds hiervoor, bij de bespreking van het derde middel, is ontmoet en verworpen; dat ten slotte, in zoverre verzoeker meent dat onvoldoende concrete gegevens aan de basis liggen van zijn beoordeling, tevens moet worden gewezen op de verduidelijking die de initiële beoordelaars, in aanwezigheid van verzoeker, hebben gegeven tijdens hun verhoor door de burgemeester en waarnaar de bestreden beslissing, onder meer wat het subcriterium “stelt zich collegiaal op inzake verlofregeling in functie van het werk” betreft, zelfs uitdrukkelijk verwijst; dat ook het achtste middel verworpen wordt; 3.
- Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie meedeelt “de zaak ‘Snorfiets’” naar voor te willen brengen, aangezien zij “geëscaleerd is tot de negatieve boordeling”; dat, daargelaten de precieze onwettigheid die verzoeker met deze “zaak” wenst aan te tonen, het “middel” in elk geval laattijdig is; dat de bedoelde zaak en de beweerde mededeling aan verzoeker dat hij ten gevolge ervan een negatieve beoordeling zou krijgen zich blijkbaar in november 2000 situeren; dat dit ettelijke maanden vóór het indienen van onderhavig beroep is; dat de betrokken onwettigheid dus in het verzoekschrift kon zijn aangevoerd; dat zulks niet gebeurd is; dat de beweerde vrees “voor represaillemaatregelen” daar geen verantwoording voor is, des te minder waar de bestreden beslissing, althans in de visie van verzoeker, juist de realisatie van die vrees is; dat het “middel” niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : XII-3075-10/11 de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-3075-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.224 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div