← België

Arrest 166226 - ION - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.226 Rolnummer: A. 77858/XII-1135 Zaak: Arrest 166226 - ION - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-09 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-01 12:10 Fiche Arrest nr 166.226 van 21 december 2006 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.226 van 21 december 2006 in de zaak A. 77.858/XII-

  1. In zake : Mauricette SERGANT, wonende te Harelbeke, René Declercqlaan 17 tegen : de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Mauricette Sergant op 13 maart 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 februari 1998 van de raad van beroep voor het provinciepersoneel van de provincie West-Vlaanderen waarbij haar beroep tegen een ongunstige evaluatie ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 26 juni 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-1135-1/9 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoekster, en van adjunct-adviseur J. Deruyck, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoekster als amanuensis is tewerkgesteld bij het Provinciaal Onderzoeks- en Voorlichtingscentrum voor Land- en Tuinbouw van de provincie West-Vlaanderen (hierna: P.O.V.L.T.); dat haar op 20 maart 1997 wordt meegedeeld dat zij met ingang van 19 maart 1997 binnen de nieuwe afdeling glasgroenten wordt tewerkgesteld en niet langer binnen de melkafdeling; dat verzoekster verantwoordelijk wordt voor orde en netheid binnen het nieuwe serrecomplex en de bijbehorende loods; dat uit een brief van 15 april 1997 blijkt dat verzoekster op dat ogenblik reeds een andere opdracht, zij het voor een beperkte duur, had gekregen, namelijk het op diskette plaatsen van de belangrijke gegevens van de bibliotheek voor het onderzoek in de serre; dat verzoekster op 16 oktober 1997 een functioneringsgesprek heeft met haar eerste evaluator waarbij zij overeenkomen volgende criteria als essentieel te beschouwen bij de uitoefening van de functie: vakkennis, communicatie, kwaliteit, betrokkenheid bij de job, en zin voor teamwork; dat het geschreven evaluatieverslag luidt : “
  3. Vakkennis Het uitvoeren van analyses, zelfs analyses met een eenvoudig voorschrift, blijkt problemen op te leveren. Al te veel worden collega’s ingeschakeld om onderdelen van de taken over te nemen. Dit wordt dan uitgespeeld om de verantwoordelijkheden af te wentelen.
  4. Communicatie Het contact met collega’s verloopt stroef. Vooral het autoritair en defensief optreden wordt door velen als negatief ervaren. Een positievere en openere opstelling zou een vlottere samenwerking met alle collega’s te weeg brengen. Indien op dit vlak er een betere dialoog zou mogelijk zijn, zou dit een oplossing kunnen zijn voor alle overige problemen.
  5. Kwaliteit Bij het uitvoeren van kwaliteitsbepalingen is kwaliteit zeer belangrijk omdat het invloed heeft op het inkomen van de landbouwers. Dit vereist een positieve ingesteldheid naar het uitvoeren van de taken. Indien het werk echter uitgevoerd wordt omdat het nu eenmaal moet, werkt dit het kwaliteitsbewustzijn niet in de hand.
  6. Betrokkenheid bij de job De betrokkenheid bij de job is eerder zwak. De taken worden uitgevoerd omdat dit nu eenmaal moet”; XII-1135-2/9 dat verzoekster bij brief van 12 januari 1998 voornoemd evaluatieverslag met de conclusie “ongunstig, vermits manifest onvoldoende op volgende criteria : communicatie, kwaliteit, betrokkenheid bij de job” ontvangt; dat zij op 21 januari 1998 tegen voormelde evaluatie een bezwaarschrift indient; dat zowel verzoekster als haar tweede evaluator op 11 februari 1998 door de raad van beroep worden gehoord; dat verzoeksters tweede evaluator onder meer verklaart : - dat verzoekster op de laagste trap van het kader staat, dat zij door de snelle vooruitgang bepaalde opdrachten niet meer aankon, dat zij er altijd handig in slaagt om hetgeen zij wel moet kunnen af te wentelen, dat zij altijd het werk doorgeeft, hetgeen onaanvaardbaar is; - dat het belangrijkste punt de communicatie is, dat zij van nature autoritair is en de mensen op stang jaagt, dat de collega’s eerder blij zijn dan spijt hebben over haar afwezigheid, dat de activiteiten door haar worden gestoord; - dat zij, door haar gebrek aan positieve ingesteldheid, in het labo problemen had met de kwaliteit van het werk; - dat zij geregeld verklaart enkel te komen werken voor de centen; - dat verzoekster in de glasgroentenafdeling verantwoordelijk was voor de globale orde in de glasloods, dat zij dit heeft geweigerd omdat zij zich geen kuisvrouw acht; Overwegende dat de raad van beroep nog dezelfde dag de bestreden beslissing neemt die als volgt wordt gemotiveerd : “4.
  7. de gevolgde procedure : uit het administratief statuut enerzijds, en de besluiten van de bestendige deputatie en de dienstorders die de uitvoering en de implementatie van de statutaire bepalingen regelen anderzijds, volgt dat de evaluatie de conclusie vormt van een procedure; in onderhavig geval werden de regels die deze procedure beheersen nageleefd : - de desbetreffende evaluatoren werden aangesteld door de bestendige deputatie; - in een functioneringsgesprek tussen de 1ste evaluator en de geëvalueerde werden afspraken gemaakt over de essentiële criteria; - de betwiste evaluatie is als conclusie opgenomen in een beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag dat op de voorziene manier tot stand is gekomen, nl. een rapportering met een voorstel van de 1ste evaluator; een kennisname en opmerkingen door de geëvalueerde n.a.v. een gesprek; een conclusie opgemaakt en ondertekend door de 1ste en de 2de evaluator; - het verslag werd via de personeelsdienst aan betrokkene bezorgd; 4.
  8. de inhoud van de uitgebrachte evaluatie: uit het geheel van het dossier en uit de aangevoerde argumenten blijkt: - dat de evaluatie wel degelijk is gebaseerd op concrete vaststellingen omtrent het functioneren van de geëvalueerde (prestaties, geschiktheid en inzet); - dat de evaluatie wel degelijk het gevolg is van een faire beoordeling van hogergenoemd functioneren”; XII-1135-3/9 2.
  9. Overwegende dat in het auditoraatsverslag het onderzoek ten gronde beperkt blijft tot het eerste middel; dat verzoekster in dit middel een “onwettigheid naar de motieven” inroept; dat zij als eerste onderdeel van het middel aanvoert dat de bestreden beslissing niet werd gemotiveerd conform de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurhandelingen, daar de betrokken motivering een stijlformule is waarin op zeer algemene en nietszeggende wijze een standpunt wordt herhaald en niet wordt aangeduid op welke beweegredenen verwerende partij zich steunt zodat de motivering als onduidelijk, onnauwkeurig, vaag en gestandardiseerd moet worden beschouwd; dat verzoekster in een tweede onderdeel van het eerste middel stelt dat er geen rechtsgeldige motieven voorhanden zijn om de bestreden beslissing te staven, dat de gestelde beweringen omtrent haar wijze van dienen niet correct zijn en niet zijn gegrond op afdoende bewijzen, dat op de door haar in haar bezwaarschrift aangebrachte elementen niet wordt ingegaan; Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat de leden van de raad van beroep zich slechts uit tweede hand een oordeel konden vormen over verzoeksters prestaties, dat zij zich hiervoor steunden op het dossier en op het horen van verzoekster en de tweede evaluator, dat de raad van beroep bijgevolg enkel kan onderzoeken of de procedure- en motiveringsvoorschriften in acht werden genomen, of er geen kennelijke beoordelingsfout werd gemaakt bij het beschrijven van de concrete vaststellingen omtrent het functioneren van de geëvalueerde en of de evaluatie geen abusief, onredelijk of buitensporig karakter vertoont, dat de door verzoekster aangevoerde argumenten door de raad van beroep niet afdoende werden geacht om de in het evaluatieverslag weergegeven beoordeling te ontzenuwen, dat de verplichting van de raad van beroep om zijn beslissing te motiveren daarenboven niet impliceert dat alle argumenten en beweringen die verzoekster heeft doen gelden moeten worden weerlegd en beantwoord, dat de beslissing van de raad van beroep wettig is voor zover hij duidelijk en passend de motieven aanduidt waarop die beslissing is gegrond, dat de motivering van de beslissing door de raad van beroep, binnen de juridische en materiële mogelijkheid van deze raad, derhalve als afdoende te beschouwen is; Overwegende dat verzoekster repliceert dat het loutere verwijzen naar het administratief dossier of naar een theoretische uiteenzetting over de handelwijze van de raad van beroep, zonder in te gaan op de grond van de zaak, niet volstaat, dat er geen materiële motieven voorhanden zijn die de bestreden beslissing XII-1135-4/9 schragen, dat zij in detail heeft aangetoond dat haar evaluatie niet correct is en bovendien niet gegrond en dat de bestreden beslissing volledig aan dit gegeven voorbijgaat; Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie betoogt dat ten gevolge van het feit dat de tweede evaluator, zijnde de directeur van het P.O.V.L.T., de evaluatie mee ondertekent, de ganse evaluatieperiode wordt overbrugd en in aanmerking genomen, dat het gegeven dat de directeur van het P.O.V.L.T. ook in de volgende periode werd aangeduid als tweede evaluator wijst op de continuïteit in het evalueren van verzoeksters gedrag over de verschillende evaluatieperiodes, dat de tweede evaluator perfect kon beoordelen of het betrokken beschrijvend evaluatieverslag een getrouwe weergave was van verzoeksters functioneren tussen 1 oktober 1996 en 30 september 1997, dat het aanduiden van een tweede evaluator de objectiviteit van de evaluatie van de eerste evaluator verhoogt, dat verzoekster tijdens haar tewerkstelling in de glasgroentenafdeling gedurende 31 werkdagen afwezig was wegens ziekte “waardoor voor deze periode haar prestaties en gedrag niet konden geëvalueerd worden”, dat de raad van beroep zowel verzoekster als de tweede evaluator heeft gehoord omtrent haar functioneren gedurende de volledige evaluatieperiode, dat bijgevolg de tweede evaluator zowel bij de evaluatie als tijdens het verhoor verzoeksters functioneren gedurende de volledige evaluatieperiode in aanmerking nam, dat de raad van beroep derhalve voldoende was geïnformeerd omtrent verzoeksters functioneren gedurende voormelde periode; 2.
  10. Overwegende dat de bestreden beslissing in de plaats is gekomen van de eerste evaluatie; dat, inhoudelijk, zij ertoe beperkt is de eerste evaluatie bij te vallen op grond van “het geheel van het dossier” en “de aangevoerde argumenten”; dat verwerende partij zo doende voor de bestreden beslissing in de eerste plaats steun zoekt in de motieven van de initiële beoordeling, die zij tot de hare maakt; 2.
  11. Overwegende dat verzoeksters ongunstige evaluatie betrekking heeft op de periode van 1 oktober 1996 tot en met 30 september 1997; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster gedurende deze periode van 1 oktober 1996 tot en met 18 maart 1997, zijnde vijf maanden en achttien dagen, binnen de melkafdeling werkte, waar zij deels administratief, deels labowerk verrichtte en vervolgens van 19 maart 1997 tot en met 30 september 1997, zijnde zes maanden en twaalf dagen, binnen de glasgroentenafdeling, waar zij eerst verantwoordelijk was XII-1135-5/9 voor orde en netheid binnen het nieuwe serrecomplex en de bijbehorende loods en later instond voor het op diskette plaatsen van de belangrijke gegevens van de bibliotheek voor het onderzoek in de serre; dat bijgevolg het uitvoeren van analyses gedurende de periode van 19 maart 1997 tot 30 september 1997 niet meer tot verzoeksters takenpakket behoorde; Overwegende dat het geschreven kwalitatief evaluatieverslag dat door de eerste evaluator werd opgesteld een evaluatieve beschrijving geeft van verzoeksters gedrag met betrekking tot vier essentiële criteria; dat het gedrag kennelijk enkel de wijze betreft waarop verzoekster het haar opgedragen labowerk uitvoert en bijgevolg enkel kon worden vastgesteld toen zij de functie van amanuensis uitoefende binnen de melkafdeling; dat echter indien, zoals te dezen het geval is, middels een evaluatie het gedrag van een medewerker bij het uitoefenen van zijn functie wordt vastgesteld en geëvalueerd en deze evaluatie betrekking heeft op een periode van één jaar, rekening dient te worden gehouden met het gedrag gedurende de gánse evaluatieperiode en niet enkel met het gedrag gedurende de eerste vijf maanden en achttien dagen ervan; dat het immers niet is omdat een personeelslid gedurende de eerste vijf maanden en achttien dagen manifest onvoldoende op een aantal criteria presteert, dat hij dat manifest onvoldoende presteren hoe dan ook niet meer zou kunnen goedmaken door zijn gedrag gedurende de daaropvolgende zes maanden en twaalf dagen; dat het feit dat aan verzoekster vanaf 19 maart 1997 geen labotaken meer werden toebedeeld en zij derhalve de manier waarop zij deze taken had uitgeoefend achteraf niet meer kon goedmaken, aan deze vaststelling geen afbreuk vermag te doen, vermits niet valt in te zien waarom de criteria die als leidraad werden gehanteerd bij het opmaken van het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag zouden ophouden essentieel te zijn bij het uitoefenen van de functie van amanuensis, van zodra er bij het uitoefenen van die functie geen labotaken meer worden uitgevoerd; dat in dit verband trouwens wordt vastgesteld dat verzoekster en haar eerste evaluator op 16 oktober 1997 besloten de criteria “vakkennis”, “communicatie”, “kwaliteit”, “betrokkenheid bij de job”, en “zin voor teamwork” als essentieel te beschouwen bij het uitoefenen van haar functie, hetzij op een ogenblik dat verzoekster reeds gedurende zeven maanden geen labotaken meer had uitgevoerd; dat zij er dan ook van mocht uitgaan dat het kwalitatief evaluatieverslag zich niet zou beperken tot het vaststellen en evalueren van haar gedrag gedurende de periode van 1 oktober 1996 tot 18 maart 1997; dat het voorts helemaal niet voor de hand lag dat verzoekster gedurende de zes laatste maanden van de evaluatieperiode nog steeds onvoldoende, laat staan manifest XII-1135-6/9 onvoldoende, had gepresteerd op de voormelde criteria, nu de omstandigheid dat zij geen scheikundige vorming had van aard was de wijze van uitvoering van de haar opgedragen labotaken te beïnvloeden, omstandigheid die sedert 19 maart 1997 was weggevallen; Overwegende dat volgens de in verzoeksters evaluatieboekje opgenomen krachtlijnen, bij de evaluatie wordt gestreefd naar een objectieve en faire behandeling; dat haar eerste evaluator er zich dan ook van moest hebben vergewist hoe verzoekster zich, sedert haar tewerkstelling binnen de glasgroentenafdeling, met betrekking tot de essentiële criteria had gedragen en de hem meegedeelde bevindingen had dienen te betrekken bij het opstellen van zijn evaluatieverslag; dat het geschreven kwalitatief evaluatieverslag evenwel enkel betrekking heeft op de periode gedurende dewelke verzoekster binnen de melkafdeling was tewerkgesteld; dat uit geen enkel ander stuk van het administratief dossier blijkt dat de eerste evaluator, die in het evaluatiegebeuren de hoofdrol krijgt, of de tweede evaluator, die bij de voorbereiding helpt en een bijsturende rol heeft, de wijze waarop verzoekster haar functie sedert 19 maart 1997 uitoefent bij hun eindconclusie “ongunstig” hebben betrokken; dat uit het enkele feit dat de tweede evaluator het evaluatieverslag mee ondertekent niet automatisch volgt dat het evaluatieverslag op de volledige evaluatieperiode betrekking heeft; dat integendeel de tweede evaluator slechts een zekere continuïteit en objectiviteit kan garanderen indien hij kennis heeft van het functioneren van betrokkene gedurende de volledige evaluatieperiode, hetgeen te dezen niet is aangetoond; dat de door beide evaluatoren uitgebrachte evaluatie, nu zij de facto beperkt bleef tot de periode van 1 oktober 1996 tot 18 maart 1997, niet steunt op voldoende concrete vaststellingen omtrent verzoeksters functioneren gedurende de volledige evaluatieperiode en niet het gevolg is van een deugdelijke beoordeling van verzoeksters functioneren; 2.
  12. Overwegende dat verzoekster in het bezwaarschrift dat zij aan de raad van beroep richtte uitdrukkelijk stelde dat zij, zonder scheikundige vorming, tot 18 maart 1997 deels administratief, deels labowerk deed, dat zij sedertdien administratief werk doet en dit tot grote tevredenheid van haar huidige hiërarchische meerdere; dat zij eveneens uitdrukkelijk wees op het feit dat die hiërarchische meerdere op generlei wijze bij de evaluatie werd betrokken en dat zulks als niet redelijk voorkomt; XII-1135-7/9 Overwegende dat de raad van beroep naar eis van artikel 191 van het administratief statuut over geen verzoek mag beslissen indien het dossier niet alle gegevens bevat opdat de raad van beroep met voldoende kennis advies kan geven; dat, blijkens artikel 5 van zijn huishoudelijk reglement, de raad van beroep onderzoeksverrichtingen kan uitvoeren, waaronder het horen van personen; dat de raad van beroep zich, wat betreft het niet betrekken van het afdelingshoofd van de glasgroentenafdeling bij verzoeksters evaluatie, derhalve niet kon beperken tot de vaststelling dat de formele procedureregels werden nageleefd maar, teneinde met voldoende kennis een oordeel te kunnen vellen over de aan verzoekster toe te kennen evaluatie, zelf diende na te gaan op welke wijze verzoekster zich vanaf 19 maart 1996 tot 30 september 1997 had gedragen met betrekking tot de criteria “communicatie”, “kwaliteit” en “betrokkenheid bij de job”; Overwegende dat te dezen evenwel dient te worden vastgesteld dat de raad van beroep het niet nodig heeft geacht het afdelingshoofd van de glasgroentenafdeling te horen, maar zich heeft beperkt tot het horen van verzoekster en de tweede evaluator; dat de argumenten die door de tweede evaluator werden aangevoerd, ofwel enkel betrekking bleken te hebben op de periode waarin verzoekster binnen de melkafdeling was tewerkgesteld, ofwel dermate algemeen waren dat niet kan worden nagegaan of zij wel betrekking hebben op verzoeksters functioneren binnen de glasgroentenafdeling; dat tevens de antwoorden die hij op vragen van de leden van de raad van beroep gaf, niet geacht kunnen worden enige wezenlijke verhelderingen in te houden met betrekking tot de periode ná de tewerkstelling in de melkafdeling; dat de raad van beroep ook nog na het verhoor van de tweede evaluator niet over voldoende informatie betreffende de volledige evaluatieperiode beschikte; dat de raad van beroep, ondanks het feit dat verzoekster voorhield dat zij momenteel administratief werk doet tot grote tevredenheid van haar huidige hiërarchische meerdere, op generlei wijze heeft getracht te achterhalen in hoeverre verzoeksters gedrag gedurende de volledige evaluatieperiode alsnog tot een evaluatie “ongunstig, vermits manifest onvoldoende op de criteria communicatie, kwaliteit en betrokkenheid bij de job” aanleiding kon geven; Overwegende dat het eerste middel het mogelijk maakt de zaak op te lossen; dat het in de besproken mate gegrond is, XII-1135-8/9 BESLUIT: Artikel
  13. Vernietigd wordt het besluit van 11 februari 1998 van de raad van beroep voor het provinciepersoneel van de provincie West-Vlaanderen waarbij het beroep van Mauricette Sergant tegen haar ongunstige evaluatie ontvankelijk doch ongegrond wordt verklaard. Artikel
  14. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1135-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.226 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.