id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.227 Rolnummer: A. 81610/XII-1778 Zaak: Arrest 166227 - ION- Reglementen - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-10 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 12:11 Fiche Arrest nr 166.227 van 21 december 2006 Openbaar ambt - ION- Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.227 van 21 december 2006 in de zaak A. 81.610/XII-
- In zake : Patrick CARLIER, wonende te Gistel, P.A. Vanheestraat 7 tegen :
- de PROVINCIE WEST-VLAANDEREN,
- het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij advocaat B. Staelens, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Patrick Carlier op 7 december 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “de beslissing van de heer Minister Leo Peeters [...] van 30/11/98”, “namelijk dat de beslissing en gevolgde procedure van Raad van Beroep van het provinciebestuur West-Vlaanderen niet strijdig zou zijn met de wet of dat deze beslissing het algemeen belang zou schaden”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 5 november 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van verzoeker en tweede verwerende partij; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; XII-1778-1/7 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van adjunct-adviseur J. Deruyck, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat N. De Clercq, die loco advocaat B. Staelens verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Verzoeker is adjunct-systeemverantwoordelijke bij de dienst informatica-technologie. Bij brief van 8 januari 1998 wordt hem een afschrift bezorgd van het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag waarvan de conclusie luidt “ongunstig, vermits manifest onvoldoende op volgende criteria: communicatie, kwaliteit”. Bij brief van 10 januari 1998 stelt verzoeker tegen voormelde evaluatie beroep in bij de raad van beroep. Na verzoeker en diens eerste evaluator te hebben gehoord, verklaart de raad van beroep verzoekers beroep op 11 februari 1998 “ontvankelijk doch ongegrond”. De beslissing wordt verzoeker meegedeeld met een brief van 24 februari 1998 waarin is vermeld: “Tegen deze beslissing kan u binnen de zestig dagen na ontvangst van deze brief per aangetekend schrijven een beroep tot nietigverklaring indienen bij de afdeling administratie van de Raad van State”. Bij brieven van 13 en 25 februari 1998 schrijft verzoeker een zekere “Johan” aan inzake zijn vraag een beroep tot nietigverklaring in te dienen bij de Raad van State. In een brief van 18 maart 1998, gericht aan de rechtskundige dienst van zijn vakorganisatie, informeert hij naar de haalbaarheid van dergelijk beroep tot nietigverklaring. Op 1 april 1998 schrijft verzoeker de rechtskundige dienst van zijn vakorganisatie aan en vraagt hij onder meer of “de klacht reeds [werd] doorgestuurd aan de Raad van State? We hebben slechts 60 dagen tijd!”. Met een XII-1778-2/7 brief van 23 april 1998 stuurt hij bewijsstukken door en dankt hij de vakorganisatie voor de snelle interventie. Met een brief van 19 mei 1998 deelt de juridische dienst van de vakorganisatie aan verzoeker onder meer mee “dat [zij] geen mogelijkheid zien om [zijn] evaluatie onvoldoende te bestrijden noch in een procedure voor de Raad van State noch in een procedure voor de correctionele rechtbank wegens laster en eerroof”. Bij brief van 11 juni 1998 vraagt verzoeker de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting onder meer: “Graag uw bemerkingen hierrond en uw advies, hoe ik deze uitspraak nog kan aanvechten zonder deze gehele zaak in het publiek te brengen, want er gebeurt al genoeg in ons landje”. Bij brief van 30 november 1998 antwoordt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting : “Naar aanleiding van uw bovenvermelde klacht werd nagegaan of de gevolgde procedure overeenkomt met de regels inzake evaluatie zoals ze werden vastgesteld in het personeelsstatuut van uw werkgever. De toezichthoudende overheid kan ten opzichte van de lokale en regionale besturen alleen maar nagaan of de beslissingen van deze besturen al dan niet strijdig zijn met de wet of het algemeen belang schaden. In het dossier dat hier onderzocht werd konden geen procedurehandelingen of vormgebreken worden vastgesteld in strijd met de geldende wettelijke regels, voornamelijk de bepalingen van uw administratief statuut, of in strijd met het algemeen belang. Bovendien is de evaluatieprocedure bij het provinciebestuur van West- Vlaanderen zodanig georganiseerd dat de evaluatie na beroep niet wordt uitgesproken door de provincieraad of de bestendige deputatie, maar door een Raad van Beroep, waarvan de stemming geheim is, en waarin ook 3 representatieve syndicale organisaties zetelen met telkens 1 vertegenwoordiger. Tegen de beslissing van deze Raad van Beroep is er geen georganiseerd beroep voorzien bij de Vlaamse regering. Wel kan u beroep aantekenen bij de afdeling Administratie van de Raad van State, waarvan het adres op uw verzoek u reeds werd medegedeeld, per brief van 17 september
- Om bij de afdeling Administratie van de Raad van State in beroep te gaan heeft u van niemand de toestemming nodig. Wel is de procedure bij de Raad van State streng gereglementeerd. Zo is bijvoorbeeld de termijn waarbinnen het beroep moet worden ingediend zeker niet onbeperkt”; XII-1778-3/7 De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat eerste verwerende partij aanvoert dat verzoeker bij aangetekend schrijven van 24 februari 1998 in kennis werd gesteld van de beslissing van de raad van beroep, dat in voormeld schrijven uitdrukkelijk werd gewezen op de termijn waarover hij beschikte om bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in te dienen, dat verzoeker heeft nagelaten binnen deze termijn dergelijk beroep in te stellen, dat hij pas op 13 oktober 1998 klacht indiende bij de administratie Binnenlandse Aangelegenheden van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, dat de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting bij brief van 30 november 1998 antwoordde, dat het beroep bij een toezichthoudende overheid de termijn voor het indienen van een beroep tot nietigverklaring stuit, doch enkel indien het bezwaar wordt ingediend bij de toezichthoudende overheid die een schorsings- of vernietigingsbevoegdheid heeft en als het wordt ingediend voor het verstrijken van de termijn voor het indienen van het beroep tot nietigverklaring en gedurende de termijn waarover de toezichthoudende overheid beschikt om de betrokken beslissing te schorsen of in te trekken, dat het niet volstond dat verzoeker het antwoord van de toezichthoudende overheid afwachtte vooraleer hij een beroep tot nietigverklaring indiende, dat de termijn om dergelijk beroep in te dienen op dat ogenblik reeds ruimschoots overschreden was; Overwegende dat tweede verwerende partij in de memorie van antwoord onder meer doet gelden dat de bestreden beslissing geen administratieve rechtshandeling is, dat de minister geen uitspraak deed in een administratieve beroepsprocedure en evenmin is opgetreden als toezichthoudende overheid, dat overigens een toezichthoudende overheid, wanneer zij besluit dat er geen reden is om gebruik te maken van de haar toegekende bevoegdheid, niet wordt geacht een administratieve beslissing te nemen, dat de bestreden beslissing “een inlichting [is] nadat een administratieve rechtshandeling werd genomen”, dat verzoeker wist dat de beslissing van de raad van beroep met een annulatieberoep kon worden bestreden, dat hij de juridische diensten waaraan hij advies vroeg zelf heeft gewezen op de beroepstermijn van zestig dagen, dat verzoeker, nadat de termijn om een beroep tot nietigverklaring in te dienen was verstreken, bij de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting advies en inlichtingen heeft gevraagd en gekregen, dat een antwoord op een vraag om inlichtingen geen voor vernietiging vatbare rechtshandeling is, dat verzoeker geen XII-1778-4/7 nieuwe beroepstermijn kan “forceren” door na het verstrijken ervan een klacht in te dienen bij de minister en de ombudsman; Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord repliceert dat zijn beroep tot nietigverklaring werd ingediend binnen de vooropgestelde termijn na de uitspraak van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting, dat zijn “verzoekschrift tot annulatie [...] het termijn voor het indienen v.e. annulatieverzoek [schorst] omdat de heer Minister [hem] medegedeeld heeft dat hij niet zal optreden tegen de beslissing v.d. Raad van Beroep”, dat zijn klachtbrief van 2 december 1998 werd gevolgd door een verzoekschrift tot nietigverklaring, dat de rechtskundige dienst van de syndicale organisatie zijn verzoek om een beroep tot nietigverklaring in te dienen heeft verworpen en tot de laatste dag van de beroepstermijn heeft gewacht om deze beslissing mee te delen, dat hij aldus geen enkele kans kreeg zelf tijdig een beroep tot nietigverklaring in te dienen, dat hij, zonder resultaat, tot de laatste dag heeft aangedrongen; Overwegende dat in het auditoraatsverslag wordt uiteengezet en beargumenteerd dat de ministeriële brief van 30 november 1998 geen aanvechtbare handeling uitmaakt, dat hij dan ook niet ontvankelijk bestreden kan worden en dat het beroep moest zijn ingesteld binnen de zestig dagen na ontvangst van de eindbeslissing inzake het beroep tegen zijn ongunstige evaluatie, hem met een brief van 24 februari 1998 toegestuurd; Overwegende dat verzoeker in de laatste memorie onder meer reageert : “Ik begrijp niet waarom de Provincie West-Vlaanderen blijft deel uitmaken van de verwerende Partij, dit naast de heer Minister Leo Peeters, waar tegen ik eigenlijk mijn bezwaar hebt ingediend. Het provinciebestuur heeft in deze zaak eigenlijk niets. Zij is niet de tegenpartij waartegen ik klacht heb ingediend. Zij hoeft haar ook niet te verdedigen t.o.v.? Mij want de klacht is tegen de heer Minister. De provincie kan hierdoor bij mijn ongelijk bij de Raad van State ook geen kosten aanrekenen. Het is een zuivere aangelegenheid tussen de heer Minister en mijzelf”; Overwegende dat, voor zoveel er na al het voorgaande nog twijfel over kan bestaan dat verzoeker het voorwerp van onderhavig beroep zeer uitdrukkelijk tot de brief van 30 november 1998 van de minister beperkt wil zien, hij die twijfel alleszins wegneemt in een op 31 mei 2006 verstuurd faxbericht : XII-1778-5/7 “Ik heb geen verzoekschrift ingediend bij de Raad van State omdat het provinciebestuur bepaalde beslissingen heeft genomen rond mijn evaluatie. Ik begrijp dan ook niet waarom de Provincie West-Vlaanderen vermeld[...] werd als verwerende partij. Ik erken dan ook niet de Provincie West-Vlaanderen als verwerende partij”; Overwegende dat, met de meer vermelde brief van 30 november 1998, de Vlaamse minister bevoegd voor binnenlandse aangelegenheden verzoeker er in wezen alleen maar van heeft ingelicht dat tegen de beslissing van 11 februari 1998 van de raad van beroep geen georganiseerd beroep bij de Vlaamse regering openstaat en dat er ook geen reden is om de beslissing in het kader van het algemeen administratief toezicht te sanctioneren, als dat toezicht al niet uitgesloten zou zijn omdat “de evaluatie na beroep niet wordt uitgesproken door de provincieraad of de bestendige deputatie, maar door een Raad van Beroep”; dat een dergelijke mededeling verzoekers rechtstoestand geheel onverlet laat en dan ook geen voor vernietiging vatbare handeling uitmaakt; dat het beroep ertegen niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. XII-1778-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1778-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.227 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.