id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.228 Rolnummer: A. 82672/XII-4665 Zaak: Arrest 166228 - ION - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-23 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-07-03 06:45 Fiche Arrest nr 166.228 van 21 december 2006 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.228 van 21 december 2006 in de zaak A. 82.672/XII-
- In zake : Vera UYTTENHOVE, die woonplaats kiest bij advocaten W. Van der Gucht en F. Dieu, kantoor houdende te Gent, Sint-Denijslaan 201 tegen : de GEMEENTE BEERSEL. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Vera Uyttenhove op 25 februari 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 29 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van Beersel waarbij haar ongunstige evaluatie wordt gehandhaafd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien de “memorie van wederantwoord” van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door auditeur B. Thys; Gelet op de beschikking van 25 september 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4665-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. Dieu, die verschijnt voor verzoekster; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 1.
- Verzoekster is sinds 5 maart 1982 in dienst van de gemeente Beersel. Zij is als vast benoemd administratief medewerkster tewerkgesteld op de dienst bevolking en burgerlijke stand van het gemeentebestuur. 1.
- Op 19 augustus 1998 stelt de gemeentesecretaris een tuchtverslag op waarin hij verzoekster verwijt dat zij misbruik heeft gemaakt van “haar positie van hiërarchische meerdere” om een lager personeelslid aan te zetten tot het afleggen van “valse verklaringen” in een tuchtprocedure die ten laste van de adjunct- politiecommissaris werd gevoerd. 1.
- Op 30 september 1998 wordt verzoeksters functioneren geëvalueerd. Overeenkomstig artikel 4.1.
- van het administratief statuut van het personeel van de gemeente Beersel gebeurt deze evaluatie op grond van vier rubrieken: taakuitvoering, persoonlijke vaardigheden, kliëntgerichtheid en waardering van de organisatie-aspecten. Voor elke rubriek wordt een score toegekend die wordt bepaald door het product van de scores die voor de onderscheiden evaluatiecriteria binnen elke rubriek werden behaald en de respectieve wegingsfactoren van deze evaluatiecriteria. Voor de rubrieken taak en persoon krijgt verzoekster telkens de score 0/-
- Voor de rubriek cliënt krijgt zij de score +7/0 en voor de rubriek organisatie de score 0/-
- De totale score bedraagt derhalve +7/-
- Het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag luidt : “A. Taak Mevrouw Uyttenhove is behoorlijk goed op de hoogte van de gemeentelijke reglementen nodig voor het uitvoeren van haar huidige werkzaamheden. Haar technische vaardigheden zijn aan de zwakke kant. Ondanks het feit dat mevrouw XII-4665-2/8 Uyttenhove een basiscursus PC heeft gevolgd kan zij hier niet goed mee overweg zodat een nieuwe opleiding wenselijk is. Typen is redelijk. Tevens dient mevrouw Uyttenhove dringend aandacht te besteden aan klasseertechnieken. Het gebruik van uitrusting en materiaal is behoorlijk. Zij moet aandacht besteden om de gesprekken te beperken tot het vakgebied en tevens beknopt te houden. Het doorzicht in haar werk is goed. Mevrouw Uyttenhove zoekt steeds zelf naar gepaste oplossingen voor problemen. Zij volgt haar werkzaamheden behoorlijk op. Wel dient zij aandacht te besteden aan de interne dossieropbouw. Zij moet zoeken naar een logische en overzichtelijke dossieropbouw zodat ingeval van afwezigheid de collega’s en het diensthoofd weten hoever een dossier staat. B. Persoon Mevrouw Uyttenhove werkt steeds zelfstandig en voelt zich verantwoordelijk voor haar werk. Regelmatige briefing aan het diensthoofd kan beter (stand van zaken). Bij probleemgevallen sneller het diensthoofd op de hoogte brengen en niet wachten tot het probleem boven komt. Zij stelt zich flexibel op. Haar werkzaamheden vragen een grote flexibiliteit. Wel aandacht voor het tijdig maken van duidelijke afspraken met collega’s (bvb. telefoon). Het eindresultaat van haar werk is verzorgd en nauwkeurig. Wel aandacht voor het respecteren van het uurrooster (sinds functioneringsgesprek reeds verbeterd) en voor orde in de kantoorruimte en in het dossierbeheer. Het werktempo is goed doch zou door een efficiëntere planning ook beter kunnen renderen. Zoals hoger reeds vermeld kunnen de gesprekken met de cliënten bondiger. Zij neemt voldoende initiatief in het zelfstandig afhandelen van haar dossiers. Zij is zeer begaan met haar werk. De klanten liggen haar nauw aan het hart. C. Cliënt Mevrouw Uyttenhove hecht zeer veel belang aan de cliënttevredenheid. Zij kan zich zeer goed inleven in de leefwereld van de klant en heeft steeds oor voor zijn of haar problemen. Aandacht echter om enige professionaliteit te bewaren en niet al te vriendschappelijk om te gaan met de klant (overdreven luisterbereidheid). Zij benadert de bezoekers steeds zeer beleefd en met een gepast voorkomen. Het taalgebruik kan nog verbeterd worden (aandacht voor ABN). D. Organisatie Tijdens deze evaluatieperiode zijn, vooral rekening houdende met de huidige werkzaamheden van mevrouw Uyttenhove, gedragingen met nefaste invloed tegenover de organisatie aan het licht gekomen die geleid hebben tot het instellen van een tuchtprocedure door tweede beoordelaar bij tuchtverslag dd. 19 augustus
- Het feit van het instellen van deze procedure heeft aldus een zeer negatieve beoordeling inzake de rubriek ‘voorkomen en gedrag aangepast aan de functie’ tot gevolg. De andere rubrieken onder de hoofding ‘organisatie’ worden als normaal ervaren”. De eindevaluatie is ongunstig. 1.
- Met een op 26 oktober 1998 ter post aangetekend verzonden brief deelt verzoekster aan het college van burgemeester en schepenen haar opmerkingen over haar ongunstige evaluatie mee. Met een op 4 november 1998 ter post aangetekend verzonden brief dient zij vervolgens bij het college van burgemeester en schepenen beroep in tegen haar ongunstige evaluatie. XII-4665-3/8 1.
- Op 12 november 1998 besluit het college van burgemeester en schepenen verzoekster bij tuchtmaatregel één maand te schorsen met verlies van wedde. 1.
- Na onderzoek van de door verzoekster aangevoerde bezwaren neemt het college van burgemeester en schepenen op 29 december 1998 de bestreden beslissing. 1.
- Op 9 februari 1999 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting het besluit van 12 november 1998 van het college van burgemeester en schepenen niet goed te keuren. Hij overweegt dat het ten laste gelegde tuchtfeit niet afdoende is bewezen en dat, indien het tuchtfeit wel als bewezen zou worden beschouwd, de opgelegde tuchtsanctie onevenredig is. 1.
- Op 16 februari 1999 besluit het college van burgemeester en schepenen verzoekster voor hetzelfde tuchtfeit bij tuchtmaatregel een berisping op te leggen. Op 10 mei 1999 beslist de gouverneur van Vlaams-Brabant, op grond van de overweging dat het tuchtfeit onvoldoende bewezen is, dit tuchtbesluit niet goed te keuren;
- De procedure. Overwegende dat verwerende partij op 18 oktober 1999, in reactie op de memorie van wederantwoord van verzoeker, een “memorie van wederantwoord” heeft ingediend; dat het procedurereglement niet in een dergelijke memorie voorziet; dat de memorie derhalve uit de debatten wordt geweerd;
- De grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, van de materiële motiveringsplicht en van het redelijkheidsbeginsel; dat zij betoogt dat bij haar evaluatie, die door het bestreden besluit wordt bevestigd, in belangrijke mate rekening werd gehouden met de tegen haar ingestelde tuchtvordering, hetgeen blijkt uit het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag en door het bestreden besluit noch ontkend, noch ontkracht wordt, dat het in aanmerking nemen van het haar ten laste gelegde tuchtfeit bovendien doorslaggevend is geweest voor het toekennen van de ongunstige evaluatie daar de XII-4665-4/8 score die zij kreeg voor de rubriek organisatie het laagst was en haar evaluatie zonder die lage score gunstig zou zijn geweest; dat zij daarnaast stelt dat het zorgvuldigheidsbeginsel werd geschonden doordat rekening werd gehouden met een tuchtfeit waartegen zij zich nog niet had kunnen verdedigen en waarvan het bestaan en de ernst op het ogenblik van de evaluatie derhalve nog niet vaststonden, dat eveneens het redelijkheidsbeginsel werd geschonden aangezien naderhand uit de beslissingen van de toezichthoudende overheden is gebleken dat het bestaan van het haar ten laste gelegde tuchtfeit niet vaststaat en het overigens niet de ernst heeft die verwerende partij eraan toeschreef; dat zij ten slotte doet gelden dat ook de materiële motiveringsplicht werd geschonden doordat haar evaluatie en de bevestiging ervan door het bestreden besluit steunen op een verkeerd motief, namelijk een haar ten laste gelegd tuchtfeit waarvan het bestaan niet is aangetoond, dat de motivering van haar ongunstige evaluatie tegenstrijdig is daar zij enerzijds voor het evaluatiecriterium nauwkeurigheid een score -1 heeft gekregen en het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag anderzijds stelt dat “het eindresultaat van haar werk [...] verzorgd en nauwkeurig [is]”; 3.
- Overwegende dat verwerende partij in de memorie van antwoord betwist dat de negatieve score voor de rubriek organisatie doorslaggevend zou zijn geweest voor de ongunstige eindevaluatie, stellende dat indien verzoekster voor de overige rubrieken een hogere score had behaald, zij een gunstige eindevaluatie had kunnen krijgen; dat zij voorts betoogt dat verzoekster eraan voorbijgaat dat haar evaluatie gebeurde op 30 september 1998 en dat haar beroep werd behandeld op 29 december 1998, terwijl de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting pas op 9 februari 1999 heeft beslist de tuchtmaatregel niet goed te keuren, dat het ministeriële niet-goedkeuringsbesluit bovendien “in al zijn onderdelen” moet worden gelezen, met inbegrip dus van de overweging dat “indien [...] de feiten toch als bewezen zouden worden verklaard, de tuchtsanctie van één maand inhouding van wedde als onredelijk moet worden beschouwd”, dat de beoordelaars uitsluitend hebben verwezen naar het feit dat een tuchtprocedure werd ingeleid, dat de loutere omstandigheid dat de tuchtmaatregel uiteindelijk niet werd goedgekeurd door de toezichthoudende overheid er niet aan in de weg staat dat verzoeksters gedrag aanleiding kan geven tot een negatieve evaluatie, dat ook de materiële motiveringsplicht niet werd geschonden daar het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag er ruimschoots aan voldoet; XII-4665-5/8 3.
- Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord stelt dat zij voor het evaluatiecriterium voorkomen en gedrag aangepast aan de functie een score - 2 heeft gekregen die, gelet op de wegingsfactor 3, tot het resultaat - 6 heeft geleid, dat deze negatieve score in het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag uitsluitend wordt gemotiveerd door “gedragingen [van verzoekster] met nefaste invloed tegenover de organisatie”, die het voorwerp uitmaakten van een tuchtprocedure, dat, indien met die gedragingen geen rekening zou zijn gehouden, zij geen negatieve score voor voormelde rubriek zou hebben gekregen daar haar functioneren, getoetst aan de overige evaluatiecriteria van de rubriek organisatie, als normaal werd ervaren, dat ook de eindevaluatie gunstig zou zijn geweest zonder de negatieve score voor deze rubriek; dat zij verder argumenteert dat verwerende partij nog steeds aanneemt dat het haar ten laste gelegde tuchtfeit wel degelijk heeft plaatsgevonden, ook al werden beide opgelegde tuchtmaatregelen door de toezichthoudende overheid verworpen, dat de overweging van het ministeriële niet- goedkeuringsbesluit dat “indien [...] de feiten toch als bewezen zouden worden verklaard, de tuchtsanctie van één maand inhouding van wedde als onredelijk moet worden beschouwd”, waarop verwerende partij zich steunt, slechts ten overvloede geldt en geen afbreuk doet aan de voorafgaande vaststelling dat het ten laste gelegde tuchtfeit niet bewezen is, visie die overigens werd bijgetreden door de gouverneur bij zijn niet-goedkeuring van het tuchtbesluit van 16 februari 1999, dat zowel het niet- goedkeuringsbesluit van de minister als dat van de gouverneur definitief is geworden daar verwerende partij ze niet heeft bestreden met een beroep tot nietigverklaring; 3.
- Overwegende dat verzoekster voor het evaluatiecriterium voorkomen en gedrag aangepast aan de functie onder de rubriek organisatie een score - 2 heeft gekregen; dat, gelet op de wegingscoëfficiënt 3 die aan dit evaluatiecriterium werd toegekend en op het feit dat verzoekster voor de overige evaluatiecriteria onder de rubriek organisatie telkens een score 0 behaalde, haar totale score voor de rubriek organisatie 0/-6 bedraagt; dat niet kan worden betwist dat indien verzoekster voor het evaluatiecriterium voorkomen en gedrag aangepast aan de functie een positieve score had gekregen, ook haar score voor de rubriek organisatie positief zou zijn geweest en haar eindevaluatie, gezien de scores behaald voor de overige rubrieken, gunstig zou zijn geweest; dat de ongunstige score voor het evaluatiecriterium voorkomen en gedrag aangepast aan de functie blijkens het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag uitsluitend hierdoor wordt gemotiveerd : “gedragingen met nefaste invloed tegenover de organisatie [...] die geleid hebben tot het instellen van een tuchtprocedure door tweede beoordelaar bij tuchtverslag XII-4665-6/8 dd. 19 augustus
- Het feit van het instellen van deze procedure heeft aldus een zeer negatieve beoordeling inzake de rubriek ‘voorkomen en gedrag aangepast aan de functie’ tot gevolg”; dat in het bestreden besluit op verzoeksters bezwaar dat aldus werd vooruitgelopen op het resultaat van de tuchtprocedure, niettegenstaande in haren hoofde geen ernstige tekortkomingen waren bewezen, wordt geantwoord : “Overwegende nochtans dat de omstandigheid alleen dat de tweede beoordelaar zich verplicht ziet een tuchtprocedure te moeten instellen, op zichzelf reeds een element vormt die de beoordeling over het gedrag van iemand negatief kan beïnvloeden, zonder dat daarom reeds een uitspraak dient gedaan over het al dan niet opleggen van een straf voor de feiten die aan de basis liggen van deze tuchtprocedure. Het spreekt vanzelf dat voor wat betreft het opleggen van een straf in casu enkel en alleen het college bevoegd is en dat bij de evaluatie enkel het feit van het instellen van een procedure geleid heeft tot een negatieve beoordeling op dat vlak”; Overwegende dat het feit dat verzoekster ten laste werd gelegd, namelijk het misbruik maken van “haar positie van hiërarchische meerdere” om een lager personeelslid aan te zetten tot het afleggen van “valse verklaringen” in een tuchtprocedure die ten laste van de adjunct-politiecommissaris werd gevoerd, slechts een deugdelijk motief kan vormen voor de ongunstige beoordeling van haar functioneren, indien mag worden aangenomen dat voormeld feit zich daadwerkelijk heeft voorgedaan; dat de loutere omstandigheid dat voor dat feit een tuchtprocedure werd ingeleid op zich ontoereikend is om zulks te staven; dat beide aan verzoekster opgelegde tuchtmaatregelen telkens niet werden goedgekeurd door de toezichthoudende overheid omdat precies het ten laste gelegde feit niet bewezen werd bevonden; dat de respectieve niet-goedkeuringsbesluiten door verwerende partij niet met een beroep tot nietigverklaring werden bestreden; dat verwerende partij in haar memorie van antwoord bovendien niet aannemelijk maakt dat het aan verzoekster ten laste gelegde feit wel degelijk bewezen was; dat zij enkel stelt dat het beschrijvend kwalitatief evaluatieverslag uitsluitend verwijst naar “het instellen van een tuchtprocedure” en dat de loutere omstandigheid dat de opgelegde tuchtmaatregel naderhand door de toezichthoudende overheid werd verworpen niet belet dat het ten laste gelegde feit aanleiding kon geven tot een ongunstige evaluatie; dat weliswaar niet is uit te sluiten dat een bepaalde gedraging van een personeelslid aanleiding kan geven tot een ongunstige evaluatie, ook al heeft de tuchtprocedure die wegens die gedraging werd ingeleid niet tot een tuchtsanctie geleid; dat echter wanneer de tuchtprocedure zonder resultaat is gebleven omdat de aan het personeelslid verweten tekortkoming niet bewezen blijkt te zijn, dit uitwijst -eventueel retrospectief- dat diezelfde gedraging ook geen ongunstige evaluatie kan XII-4665-7/8 verantwoorden; dat de loutere omstandigheid dat een tuchtprocedure werd ingesteld en er op het ogenblik van de evaluatie nog geen uitspraak was over de tuchtvordering, daar niets aan verandert; dat het bestreden besluit een deugdelijke materiële grondslag ontbeert; dat het eerste middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 29 december 1998 van het college van burgemeester en schepenen van Beersel waarbij de ongunstige evaluatie van Vera Uyttenhove wordt gehandhaafd. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4665-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.228 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.