id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.231 Rolnummer: A. 76224/XII-651 Zaak: Arrest 166231 - ION - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-16 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 12:12 Fiche Arrest nr 166.231 van 21 december 2006 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.231 van 21 december 2006 in de zaak A. 76.224/XII-
- In zake : Marc VANVOORDEN wonende te Stevoort Broekstraat 109 tegen : de PROVINCIE LIMBURG. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Vanvoorden op 31 oktober 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 17 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij zijn ongunstige evaluatie wordt behouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 11 januari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2006; XII-651-1/18 Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris T. Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : Sinds 1 juli 1982 is verzoeker in dienst van de provincie Limburg als telefonist bij de provinciale dienst centrale gebouwen. Hij wordt in deze functie in vast verband benoemd met ingang van 1 oktober
- Met ingang van 5 februari 1996 wordt verzoeker overgeplaatst naar het provinciaal centrum voor Beeldende Kunsten en daar belast met nieuwe taken. Luidens de evaluatieverslagen van 10 december 1996 en 30 juni 1997 heeft verzoeker de graad van beambte. Op 30 januari 1997 wordt met verzoeker een functioneringsgesprek gehouden dat resulteert in volgende afspraken: AAlgemeen Positieve ingesteldheid continueren Vorming P.C. cursus (vooral adressenbestand)@. Op 30 juni 1997 stellen verzoekers eerste en tweede evaluator zijn evaluatieverslag op, met als eindevaluatie Aongunstig@. Verzoeker krijgt een ongunstige evaluatie voor volgende criteria: aanpassingsvermogen met als XII-651-2/18 verklaring Aniet loyaal@, houding ten aanzien van leiding met als verklaring Aniet loyaal@, houding ten aanzien van publiek (essentieel criterium) met als verklaring Avermengt eigenbelang met belang van instelling; brengt eigenbelang naar publiek@, verantwoordelijkheid met als verklaring Adeontologie !@ en kwaliteit (essentieel criterium) met als verklaring A? zie voorgaande@. Als algemene opmerking wordt ook nog vermeld: Avertrouwen in betrokkene is zoek@. Overeenkomstig artikel 119 van het administratief statuut provinciepersoneel tekent verzoeker bij schrijven van 23 juli 1997 bij de bestendige deputatie beroep aan tegen voormelde evaluatie. Na verzoeker en de beide evaluatoren op 26 augustus 1997 te hebben gehoord, neemt de bestendige deputatie op 17 september 1997 de bestreden beslissing, die als volgt wordt gemotiveerd : "Overwegende dat deze evaluatie >ongunstig= gevolg was van de vermeldingen >ongunstig= op de volgende beoordelingscriteria : -aanpassingsvermogen; -houding t.a.v. de leiding; -houding t.a.v. publiek (essentieel criterium); -verantwoordelijkheid; -kwaliteit (essentieel criterium); Overwegende dat de heer Marc Vanvoorden naar aanleiding van zijn beroep op 26 augustus 1997 door de Bestendige Deputatie werd gehoord, en dat hiervan proces-verbaal is opgesteld; Overwegende dat hij zijn standpunt schriftelijk heeft neergelegd en dat dit document aan het proces-verbaal is gehecht en er integrerend deel van uitmaakt; Overwegende dat mevrouw XXXXX, bestuurssecretaris 1ste evaluator en de heer Piet Vanrobaeys, diensthoofd 2de evaluator, naar aanleiding van het beroep van de heer Vanvoorden, op 26 augustus 1997 door de Bestendige Deputatie werden gehoord en dat hiervan proces-verbaal werd opgesteld; Overwegende dat het verslag van dit verhoor aan het proces-verbaal werd gehecht en er integrerend deel van uitmaakt; Overwegende dat in het verweerschrift onder de rubriek >achtergronden= gesteld wordt dat het evaluatierapport van de heer M. Vanvoorden weinig consciëntieus opgesteld werd; dat bij zes criteria commentaar geschreven is; dat deze commentaar daarenboven schaars en uiterst hermetisch is, en dat hierdoor noch het personeelslid noch de raadsman voldoende geïnformeerd worden; XII-651-3/18 dat door gebrek aan confrontatie met de evaluatoren tijdens de beroepsprocedure dit manco onmogelijk goed te maken is; verder wordt gesteld dat betreffende de vorm van het evaluatierapport betrokkene zich vragen stelt of de evaluatoren wel een specifieke opleiding hebben gevolgd; dat in het rapport >onttakelende opmerkingen= als >vertrouwen in betrokkene is zoek=, te lezen staan; dat dit niet volgens de richtlijnen van het provinciebestuur is; dat deze opmerking fundamentele vragen oproept en men hierdoor de vraag kan stellen of de evaluatoren wel geneigd waren een objectiverend en accuraat rapport af te leveren; De heer Vanvoorden herhaalt in zijn verweer dat de evaluatoren geen moeite doen om fundamentele en uiterst belangrijke aspecten betreffende zijn functioneren te becommentariëren; dat betrokkene voor al deze belangrijke aspecten een gunstige beoordeling heeft gekregen; dat tot slot in het verweer de vraag gesteld wordt vanwaar die plotse negatieve evaluatie komt; dat de vorige >positieve evaluatie= slechts dateert van 18 december 1996; dat bij de lste verkorte evaluatie de heer Vanvoorden slechts voor 1 criterium een negatieve beoordeling kreeg waar hij nu nauwelijks een half jaar later een ongunstige eindbeoordeling krijgt; Overwegende dat beide evaluatoren mevrouw XXXXX en de heer Piet Vanrobaeys beiden een opleiding evaluatoren volgden en dus beiden inderdaad aan alle voorwaarden voldoen om als evaluator op te treden; dat in het administratief statuut alle mogelijke waarborgen opgenomen zijn om de evaluaties zo objectief mogelijk te laten gebeuren; de evaluatie gebeurt door twee daartoe opgeleide evaluatoren en de éénvormigheid van de evaluaties wordt bewaakt door de cel P&O; Overwegende dat naar aanleiding van de tweede verkorte evaluatie, door de cel P & O in overleg met de griffier en de bevoegde gedeputeerde, aan alle evaluatoren richtlijnen werden gegeven betreffende het opstellen van het evaluatierapport; dat deze richtlijnen bepalen dat de evaluatiecriteria geclusterd werden en hierdoor een gezamenlijke omschrijving van de cluster volstaat, behalve voor de criteria die ongunstig beoordeeld worden; Overwegende dat in het evaluatierapport van de heer Vanvoorden alle ongunstig beoordeelde criteria apart becommentarieerd werden; dat de beschrijvende evaluatie in wezen beperkt is (zie lay-out evaluatierapport); dat de summiere omschrijving van de beoordeling niets wijzigt aan de inhoud van de beoordeling; dat de Bestendige Deputatie tijdens het verhoor van de evaluatoren dd. 26 augustus 1997 voldoende heeft gepeild naar de motivering van de evaluatie, getuige het proces-verbaal; dat het evaluatierapport werd toegelicht in een evaluatiegesprek waarin de beoordeling voldoende gemotiveerd werd; XII-651-4/18 Overwegende dat de algemene opmerking >vertrouwen in betrokkene is zoek= voldoende becommentarieerd werd tijdens het verhoor van de evaluatoren door de Bestendige Deputatie; dat deze commentaar in het verslag werd opgenomen en integrerend deel uitmaakt van het proces-verbaal; Overwegende dat de eerste verkorte evaluatie waarop de heer M. Vanvoorden een gunstige evaluatie ontving, betrekking heeft op een andere evaluatieperiode dan de tweede verkorte evaluatie waarop betrokkene een ongunstige beoordeling ontving; dat de eerste verkorte evaluatie werd opgemaakt door mevrouw M. Balcer en de heer J.P. Dewael; dat de tweede verkorte evaluatie werd opgemaakt door andere evaluatoren namelijk mevrouw XXXXX en de heer P. Vanrobaeys; dat daarenboven bij de eerste verkorte evaluatie vanuit het beleid als richtlijn werd meegegeven om >soepel te evalueren= dat bij de tweede verkorte evaluatie dit niet meer het geval was; dat het dus vanzelfsprekend is dat de tweede verkorte evaluatie verschillend kan zijn van de eerste verkorte evaluatie; Overwegende dat de argumenten aangehaald onder de rubriek >achtergronden= dus geen reden zijn om de evaluatie te wijzigen; Overwegende dat de heer Vanvoorden in zijn verweer aanhaalt dat hij slechts op een minimaal aantal criteria ongunstig werd beoordeeld; dat de gunstig beoordeelde criteria niet omschreven werden; dat daarenboven bij bepaalde criteria dezelfde commentaar herhaald werd; Overwegende dat de ongunstige eindbeoordeling tot stand kwam op basis van statutair vastgelegde beslissingsregels; dat de ongunstige beoordeling op 2 essentiële en 3 niet essentiële criteria op basis van de beslissingsregels, inderdaad resulteert in een ongunstige eindbeoordeling ondanks 15 (en niet 16) gunstig beoordeelde criteria; dat zoals reeds eerder gesteld de richtlijnen inzake de tweede verkorte evaluatie bepalen dat door de clustervorming het niet meer noodzakelijk is om alle criteria apart te omschrijven; dat noch in het personeelsstatuut noch in de richtlijnen bepaald is dat de omschrijving van de criteria verschillend moet zijn met andere woorden dat de commentaar niet herhaald mag worden; dat er dus geen reden is om de ongunstige beoordeling in twijfel te trekken; Overwegende dat in het verweer betreffende het criterium >aanpassings-vermogen= gesteld wordt dat de commentaar >niet loyaal= een onjuist gebruikt begrip is dat niet van toepassing kan zijn op het criterium >aanpassings-vermogen=; dat deze beoordeling haaks staat op de gunstige beoordeling voor >bereidheid tot werken=; Overwegende dat het criterium >aanpassingsvermogen= een andere betekenis heeft dan >werkbereidheid=; dat beide criteria onder verschillende clusters resulteren; dat er geen contradictie is tussen de ongunstige beoordeling voor >aanpassingsvermogen= en de gunstige beoordeling voor >werkbereidheid=; XII-651-5/18 Overwegende dat de evaluatoren in hun verhoor de commentaar >niet loyaal= terdege hebben toegelicht met name dat de heer Vanvoorden zich niet op een correcte loyale manier heeft geïntegreerd in zijn werkomgeving daar hij de eigen kunstenaarsbelangen vermengt met de belangen van de instelling; dat er bijgevolg geen elementen noch argumenten zijn om de ongunstige evaluatie in twijfel te trekken; Overwegende dat de heer Vanvoorden in zijn verweer betreffende het criterium >houding ten aanzien van de leiding= aanhaalt dat de commentaar >niet loyaal= hier herhaald wordt; dat hij zich afvraagt of loyaliteit een vereist principe kan zijn; dat loyaliteit zonder voorwaarden een >fürherprincipe= is; betrokkene vraagt zich hierbij af in welke situatie hij niet loyaal was; dat vanwege de summiere omschrijving van de beoordeling hij in het geheel niet weet waarop deze evaluatie gestoeld is; Overwegende dat de kritiek op de summiere omschrijving van de beoordeling reeds weerlegd werd; dat in het verhoor door de Bestendige Deputatie beide evaluatoren stelden dat de algemene omschrijving >vertrouwen in betrokkene is zoek= inderdaad de rode draad vormt in dit evaluatierapport; dat dit ondermeer gebaseerd is op >zijn houding ten opzichte van de leiding=, dat de constante vermenging van het eigenbelang met het belang van de instelling ook tot uiting komt in zijn houding ten opzichte van de leiding; dat men hier geen >loyaliteit zonder voorwaarden= verwacht; doch dat het beleid van de instelling mede door de leiding wordt bepaald; dat men hier vanuit het personeel de nodige loyaliteit verwacht; dat de heer Vanvoorden in dit kader dingen doet die deontologisch niet verantwoord zijn; dat dit herhaaldelijk aan de heer Vanvoorden duidelijk werd gemaakt ondermeer tijdens het evaluatiegesprek; dat het verweer betreffende dit criterium de oorspronkelijke evaluatie dus niet kan wijzigen; Overwegende dat de heer Vanvoorden in zijn verweer betreffende het criterium >verantwoordelijkheid= stelt dat de ongunstige beoordeling gebaseerd is op een begrip >deontologie=; dat hij hier eens te meer voor raadsels wordt geplaatst; Overwegende dat de evaluatoren in hun verhoor, zoals reeds gesteld aanhaalden dat >de vermenging van het eigenbelang met het belang van de instelling=, de evaluatie van de heer Vanvoorden hoofdzakelijk heeft bepaald; dat deze vermenging tot uiting komt en verschillende onderdelen (criteria) van zijn functioneren; dat het dus juist is dat bij het criterium >verantwoordelijkheid= verwezen wordt naar >deontologie=; dat met name de heer Vanvoorden in zijn functie een bepaalde verantwoordelijkheid heeft ook ten opzichte van de instelling en het aldaar gevoerde beleid; dat dit vooral in een specifieke instelling als het Kunstencentrum zeer gevoelig ligt; ook hier benadrukken beide evaluatoren dat de heer Vanvoorden herhaaldelijk gewezen werd op zijn verantwoordelijkheid; dat er bijgevolg geen redenen zijn om de ongunstige vermelding te wijzigen; XII-651-6/18 Overwegende dat de heer Vanvoorden inzake het criterium >houding t.a.v. het publiek= in zijn verweer stelt dat hij zich afvraagt hoe de belangenvermenging zich volgens de evaluatoren uitdrukte in de praktijk; hij vraagt zich hierbij af of het hier handelt om opinies of om fundamentele onverenigbaarheden tussen zijn werk als ambtenaar en hemzelf in de rol van kunstenaar; De heer Vanvoorden pleit in zijn verweer voor openheid van geest daar hijzelf als kunstenaar eigen ideeën heeft die hij graag wenst te verwezenlijken; dat betrokkene de grijsheid wil inkleuren, dat een overheid die met cultuur begaan is dit zeker zou moeten tolereren daar de creativiteit van mensen een groot goed is; dat indien de evaluatoren hier problemen mee hebben dit niet in een evaluatiedossier maar wel in een gesprek dient geventileerd te worden; dat daarenboven de kunst van de heer Vanvoorden wel gewaardeerd wordt als het zo uitkomt; Overwegende dat de evaluatie van de heer Vanvoorden inderdaad een evaluatie is van de heer Vanvoorden als ambtenaar en niet als kunstenaar; dat de evaluatie betrekking heeft op zijn functioneren als onthaalbediende daar hij ook als dusdanig werd aangesteld bij het provinciebestuur; dat de evaluatoren en het beleid inderdaad appreciatie hebben voor de creativiteit van mensen en tevens voor deze van de heer Vanvoorden in het bijzonder; dat echter niet de creativiteit aan de grond ligt van de ongunstige eindbeoordeling doch wel zoals reeds eerder gesteld de vermenging van het eigenbelang met het belang van de instelling; dat de heer Vanvoorden er niet in slaagt beiden te scheiden; meer nog dat betrokkene zijn eigenbelang overbrengt naar het publiek en zijn ongenoegen toont aan het publiek; dat daarenboven zoals reeds gesteld, de heer Vanvoorden hier herhaaldelijk op gewezen werd; dat er bijgevolg voldoende redenen zijn om de ongunstige beoordeling te behouden; Overwegende dat M. Vanvoorden aanhaalt dat betreffende het criterium >kwaliteit= de ongunstige evaluatie omschreven wordt als >zie voorgaande=; dat de heer Vanvoorden zich hierbij afvraagt op welke voorgaande dit betrekking heeft; dat hij zich afvraagt, rekening houdend met de gunstige beoordeling op criteria als >initiatief, vakkennis, vakbekwaamheid, werkbereidheid en zin voor efficiënt werken/resultaten= wat er dan fundamenteel schort aan de kwaliteit; dat hierover een gesprek dient te worden gevoerd, een gesprek dat er volgens betrokkene nooit is geweest; Overwegende dat reeds herhaaldelijk werd gesteld en beaamd door beide evaluatoren dat er naast het evaluatiegesprek nog andere gesprekken hebben plaatsgevonden tussen betrokkene en de evaluator(en); dat het niet wil zeggen dat de juiste vakkennis, vakbekwaamheid, initiatief, werkbereidheid en zin voor efficiënt werken leidt tot de gevraagde kwaliteit; dat bij het criterium kwantiteit gewezen wordt op de beperkte taakomschrijving, dat betrokkene meer werk op zich kan nemen; XII-651-7/18 dat in het verhoor door de Bestendige Deputatie dd. 26 augustus 1997 de evaluatoren een duidelijke omschrijving van deze beoordeling hebben gegeven, welke de juistheid ervan bevestigt; dat ook hier weer door het gebrek aan trekken van grenzen tussen zijn eigen tussenkomsten en zijn functie=, de evaluatoren niet tevreden zijn over de geleverde dienstverlening; dat de vormelijke vereisten weliswaar aanwezig zijn maar dat dit niet automatisch inhoud dat kwalitatief, inhoudelijk de dienstverlening op peil staat; dat de ongunstige beoordeling hier dus niet in twijfel getrokken kan worden; Tot algemeen besluit stelt de heer Vanvoorden in zijn verweer dat er in de instelling een fundamenteel communicatieprobleem bestaat; dat de heer Vanvoorden mede beoordeeld werd door de directeur met wie hij nooit een werkgesprek voerde; Overwegende dat de heer Vanvoorden beoordeeld werd door twee evaluatoren, dat de heer Vanrobaeys, directeur aan alle voorwaarden zoals bepaald in het personeelsstatuut voldoet om als tweede evaluator te fungeren; dat rekening houdend met het verhoor van beide evaluatoren zich hier inderdaad de vraag rond communicatieproblemen stelt; dat deze communicatieproblemen echter niet zozeer betrekking blijken te hebben op de hoeveelheid gesprekken dan wel op het begrip en het aanvaarden van welbepaalde richtlijnen; Overwegende dat de evaluatie overeenkomstig de omzendbrief van 14 juli 1993 niet mag worden opgevat als een sanctiemiddel maar wel als begeleidingsmiddel; dat de evaluatoren in dit evaluatierapport duidelijk een aantal tekortkomingen aanhaalden waaraan in de toekomst gewerkt dient te worden; Overwegende dat de heer Vanvoorden verder in zijn verweer aanhaalt dat het functioneringsgesprek werd gevoerd door een medewerker die ondertussen het Kunstencentrum verlaten heeft; dat er nooit een ander werkgesprek is gevoerd met de huidige eerste evaluator mevrouw XXXXX; dat het evaluatiegesprek het eerste gesprek is dat betrokkene met mevrouw XXXXX had; Overwegende dat statutair slechts één functioneringsgesprek verplicht moet plaatsvinden voor de evaluatie; dat statutair nergens bepaald is door wie dit functioneringsgesprek dient gevoerd te worden; dat dus statutair ook nergens bepaald is dat het functioneringsgesprek door de eerste evaluator gevoerd moet worden; dat de afspraken gemaakt tijdens het functioneringsgesprek vermeld worden in het verslag van het functioneringsgesprek; dat mevrouw XXXXX in het bezit is van alle verslagen van functioneringsgesprekken die ooit gevoerd zijn met de heer M. Vanvoorden; Overwegende dat het functioneringsgesprek weliswaar een verplicht onderdeel is van de evaluatie, maar daar toch duidelijk van onderscheiden is; XII-651-8/18 dat het functioneringsgesprek waarnaar wordt gerefereerd, een formeel voorgeschreven stadium is in de evaluatieprocedure; dat iedere hiërarchische chef op ieder ogenblik gesprekken over het werk kan houden met zijn medewerkers en hierbij al dan niet opmerkingen kan formuleren over de wijze van taakvervulling van het personeelslid; dat het zelfs aangewezen is dat een leidinggevende die opmerkingen wenst te formuleren over de taakvervulling van zijn medewerkers, die opmerkingen niet >opspaart= voor het functioneringsgesprek; Overwegende dat nergens formeel kan aangetoond worden dat er geen gesprekken plaatsvonden tussen de leidinggevende en het betrokken personeelslid; dat mevrouw XXXXX tijdens haar verhoor door de Bestendige Deputatie herhaaldelijk het tegendeel beweerde; dat daarenboven elk personeelslid zelf initiatief kan nemen om bijkomende functioneringsgesprekken aan te vragen; Overwegende dat er bijgevolg geen redenen zijn om de evaluatie in twijfel te trekken; Overwegende dat de heer Vanvoorden verder aanhaalt dat de evaluatoren in het rapport verwijzen naar de taakomschrijving van betrokkene; Overwegende dat de verwijzing naar >taakomschrijving= in het evaluatierapport van de heer Vanvoorden plaats vond bij het criterium >kwantiteit=; een criterium waarop betrokkene een gunstige beoordeling ontving; Overwegende dat het administratief statuut van het provinciepersoneel zoals vastgesteld door de provincieraad op 20 december1995 bepaalt dat een personeelslid enkel beroep kan instellen indien de eindevaluatie ongunstig is; dat de ongunstige beoordeling tot stand kwam op basis van statutair vastgelegde beslissingsregels; dat de ongunstige eindbeoordeling aldus gebaseerd is op de ongunstige beoordeling van de criteria aanpassingsvermogen, houding t.a.v. de leiding, houding t.a.v. publiek, verantwoordelijkheid en kwaliteit; Overwegende dat het bestuur de heer Vanvoorden niet kan begunstigen t.o.v. andere personeelsleden die statutair geen beroep kunnen instellen tegen de omschrijving van gunstig beoordeelde criteria; dat net als voor alle andere personeelsleden opmerkingen inzake deze criteria opgenomen wordt in het individueel personeelsdossier; dat het verweer betreffende deze criteria dus niet als bewijsmateriaal kan fungeren en dan ook niet weerlegd dient te worden; Overwegende dat in het verweer tot slot wordt aangehaald dat tijdens het laatste functioneringsgesprek met de heer S. Dusoleil één essentieel criterium nummer 10 wordt gewijzigd in nummer 8; dat in het evaluatierapport hier geen rekening mee werd gehouden dat nr. 10 nog steeds als essentieel criterium wordt gehanteerd; dat dit een zeer pijnlijke aangelegenheid is want indien nr. 10 geen essentieel criterium meer was de heer M. Vanvoorden geen ongunstige eindevaluatie had gehad; De heer Vanvoorden stelt in zijn verweer dat de evaluatoren hier oneigenlijk en zeer slordig omsprongen met de methodiek van het evaluatiesysteem; XII-651-9/18 Overwegende dat de heer Vanvoorden een ongunstige beoordeling ontving op twee essentiële criteria en drie niet essentiële criteria; dat de ongunstige eindbeoordeling bepaald wordt door statutair vastgelegde beslissingsregels; dat als zouden de evaluatoren de verkeerde essentiële criteria gehanteerd hebben en het criterium 10 niet-essentieel zou zijn; de eindbeoordeling dan nog steeds ongunstig was geweest; dat de eindbeoordeling dan tot stand was gekomen door één maal ongunstig op een essentieel criterium en vier maal ongunstig op een niet- essentieel criterium; dat de beslissingsregels duidelijk stellen dat men enkel een gunstige beoordeling krijgt indien betrokkene maximum één maal ongunstig heeft op een essentieel criterium en drie maal ongunstig op een niet essentieel criterium; Overwegende dat naar aanleiding van de tweede verkorte evaluatie de criteria geclusterd werden en naar aanleiding hiervan ook een nieuwe nummering kregen; dat deze clustering en nieuwe nummering door de Bestendige Deputatie werden goedgekeurd in zitting dd. 29 mei 1997; dat op basis van het verslag van het functioneringsgesprek de heer Dusoleil in samenspraak met de heer Vanvoorden inderdaad het essentieel criterium 10 omvormden in een niet-essentieel criteria en dat in plaats hiervan nr. 8 een essentieel- criterium werd; dat met andere woorden op basis van het oude evaluatieboekje het essentieel criterium nr. 10 zijnde >ordelijkheid en netheid= vervangen werd als essentieel criterium door nr. 8 >namelijk houding ten aanzien van het publiek=; dat na het functioneringsgesprek afgesproken werd dat de volgende essentiële criteria golden voor de tweede verkorte evaluatie; vakbekwaamheid
(2), werkbereidheid
(7), kwaliteit
(5), houding t.a.v. publiek
(8)en nauwkeurigheid
(20); Overwegende dat de evaluatoren tijdens de tweede verkorte evaluatie de volgende essentiële criteria hanteerden op basis van de nieuwe nummering; vakbekwaamheid
(2), werkbereidheid
(7), houding t.a.v. publiek
(10), kwaliteit
(15)en nauwkeurigheid
(20); Overwegende dat de juiste essentiële criteria, zoals afgesproken tijdens het functioneringsgesprek, gehanteerd werden; dat dit tevens als bevestiging van de eerder aangehaalde communicatieproblemen gezien kan worden, namelijk het probleem van begrip van afspraken; dat dit dus integendeel duidelijk stelt dat de evaluatoren wel degelijk rekening hielden met de gevoerde functioneringsgesprekken en wel degelijk het evaluatiesysteem juist hanteerden; dat er bijgevolg geen enkele reden is om te twijfelen aan de juistheid van de beoordeling@; XII-651-10/18
- De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie aanvoert dat luidens artikel 112 van het administratief statuut provinciepersoneel, een gunstige evaluatie nodig is om over te gaan naar de volgende weddeschaal in de functionele loopbaan en om te mogen deelnemen aan een bevorderingsexamen, dat verzoeker op 25 juni 1999 opnieuw ongunstig werd geëvalueerd en de bestendige deputatie op 26 augustus 1999 in beroep besloot deze ongunstige evaluatie te behouden, dat verzoeker heeft nagelaten tegen laatstgenoemde beslissing een ontvankelijk beroep tot nietigverklaring in te stellen zodat zijn ongunstige evaluatie voor de betrokken periode definitief is geworden, dat hij bijgevolg geen belang meer heeft bij voorliggend beroep aangezien de mogelijke nadelige gevolgen op het vlak van de functionele loopbaan en op dat van de bevorderingsmogelijkheden rechtstreeks voortvloeien uit het definitief geworden besluit van 26 augustus 1999; Overwegende dat artikel 114 van het administratief statuut provinciepersoneel onder meer bepaalt dat het evaluatiedossier ADe beschrijvende kwalitatieve evaluatieverslagen@ en AHet beroep tegen de evaluatie en de beslissing in beroep@ omvat; dat voorts uit artikel 122 van voormeld administratief statuut volgt dat enkel een Ageannuleerde@ ongunstige evaluatie uit het evaluatiedossier wordt verwijderd; dat, gelet op het te dezen geldende administratief statuut, het betoog van verwerende partij niet volstaat om zekerheid te verschaffen dat een toekomstige ongunstige weerslag uit te sluiten valt; dat verzoeker derhalve geen actueel belang bij de zaak kan worden ontzegd; dat de exceptie niet wordt aangenomen;
- De grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoeker in het eerste middel onder meer een schending van het motiveringsbeginsel inroept; dat hij betoogt dat slechts zes van de twintig criteria zijn voorzien van een negatieve Amotivatie@, dat dezelfde XII-651-11/18 argumenten bij deelcriteria worden herhaald en deze argumenten algemeen en nietszeggend zijn, dat de vijf ongunstig beoordeelde criteria steunen op hetzelfde argument, namelijk belangenvermenging, dat hiervoor evenwel geen enkel feit of bewijs wordt aangevoerd, dat de opmerking bovenaan het evaluatieverslag doet vermoeden dat het eindoordeel reeds vaststond en de evaluatoren slechts een voldoende aantal ongunstige criteria moesten vinden; dat verzoeker voorts argumenteert dat de bestreden beslissing enkel algemene en theoretische argumenten inroept, zonder rekening te houden met zijn concrete argumenten, dat er zo objectief mogelijk en niet soepel of streng moet worden geëvalueerd, dat de eerste en tweede evaluator nauwelijks op de hoogte waren van zijn werkzaamheden en de tweede evaluator het oordeel van de eerste evaluator heeft gevolgd, dat hij geen exhaustieve opsomming van alle tekortkomingen verwacht, maar er te dezen bijna niets wordt gemotiveerd, dat het op abstracte manier afwijzen van alle door hem aangevoerde argumenten erop wijst dat met zijn zeer concrete argumenten geen rekening werd gehouden; 3.
- Overwegende dat verwerende partij in de eerste plaats doet gelden dat de door verzoeker ingeroepen middelen niet ontvankelijk zijn voor zover zij zijn gericht tegen het evaluatieverslag, dat eventuele tekortkomingen in het evaluatie-rapport niet langer ter discussie staan aangezien het werd vervangen door de bestreden beslissing; dat zij voorts stelt dat alle ongunstig beoordeelde criteria in het evaluatieverslag apart werden becommentarieerd en noch het personeelsstatuut, noch de richtlijnen van de bestendige deputatie bepalen dat bij het motiveren van een criterium niet zou mogen worden verwezen naar de motivering van een ander criterium, dat derhalve de evaluatoren bij meerdere criteria mochten vermelden dat verzoeker zich niet loyaal gedroeg of dat hij eigenbelang vermengde met het belang van het provinciaal centrum, dat het evaluatierapport ook mondeling nog uitvoerig werd toegelicht op 15 juli 1997, dat uit de voorafgaande vermelding Ahet vertrouwen in betrokkene is zoek@ niet kan worden besloten dat de evaluatoren vooraf reeds hadden besloten verzoeker ongunstig te evalueren, dat de eindbeoordeling immers voortvloeit uit het aantal ongunstige scores; dat zij verder betoogt dat uit eenvoudige lezing duidelijk blijkt XII-651-12/18 dat zij is ingegaan op elk verweer dat door verzoeker werd geformuleerd, dat beide evaluatoren wel degelijk op de hoogte waren van verzoekers werkzaamheden, dat bij de tweede evaluatie geen Asoepele houding@ meer wordt aangenomen, dat geen gedetailleerde opsomming van alle mogelijke tekortkomingen werd gegeven aangezien een ongunstige evaluatie dient te steunen op de algemene taakinvulling en niet op één of meer feiten, dat een ongunstige beoordeling op meer dan één hoofdcriterium en op drie niet-essentiële criteria sowieso tot een ongunstige eindbeoordeling leidt; 3.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord verwijst naar zijn positieve beoordeling in het eerste evaluatieverslag, het gebrek aan gesprekken met de evaluatoren en de onduidelijkheid omtrent zijn functie-omschrijving; dat hij tevens stelt dat voor zover de bestreden beslissing de motivering van het evaluatieverslag overneemt zonder de tekortkomingen ervan recht te zetten, zij alleen hierdoor reeds gebrekkig is gemotiveerd, dat, ook al wordt de motiveringsplicht niet expliciet herhaald in de richtlijnen, het evaluatieverslag eraan onderworpen blijft, dat het dubbel gebruiken van omschrijvingen voor verschillende criteria het evaluatiesysteem uitholt aangezien het nut en het belang van de verschillende criteria erdoor worden miskend, dat de eerste evaluator wordt geacht op de hoogte te zijn van zijn werkzaamheden terwijl zij noch over zijn werkzaamheden, noch over zijn ervaringen of suggesties met hem communiceerde, dat het evaluatieverslag veel slordiger is opgesteld dan rapporten van andere evaluatoren, dat geen voorbeelden van vermeende tekort- komingen worden aangevoerd, dat het niet logisch is dat tegen hem geen tuchtprocedure werd aangespannen indien hij handelingen zou hebben gesteld die van een ambtenaar niet kunnen worden getolereerd; 3.
- Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie betoogt dat wanneer zij uitspraak doet over een tegen een ongunstige evaluatie ingesteld beroep, zij de oorspronkelijke evaluatie, rekening houdend met het beroepschrift en de tijdens de hoorzitting geformuleerde opmerkingen, beoordeelt en zij in haar besluit zelf dient te motiveren waarom de ongunstige evaluatie al dan XII-651-13/18 niet wordt behouden, dat zij definitief uitspraak doet over het bij haar ingediende administratief beroep en haar beslissing in de plaats komt van de oorspronkelijke evaluatie, dat de vermelding dat de ongunstige evaluatie behouden blijft enkel slaat op het eindoordeel van de evaluatie, dat bijgevolg met verzoekers kritiek op de motivering van de oorspronkelijke evaluatie geen rekening dient te worden gehouden, dat het beoordelen van de afzonderlijke functioneringscriteria een discretionaire bevoegdheid is zodat de Raad van State inzake de feiten en de beoordeling zijn mening niet in de plaats kan stellen, behoudens een kennelijk onredelijke beoordeling, dat zij, om reden van de bij besluit van 7 mei 1997 bepaalde beslissingsregels, wel een gebonden bevoegdheid heeft met betrekking tot het toekennen van het eindoordeel; Overwegende dat verwerende partij voorts stelt dat wanneer een bepaalde ingesteldheid, te dezen belangenvermenging, een negatieve invloed heeft op meerdere aspecten van verzoekers functioneren, het normaal is dat bij het beoordelen van die deelaspecten via deelcriteria melding wordt gemaakt van die ingesteldheid, zo niet zou verzoeker slechts op één deelcriterium ongunstig worden beoordeeld en zou voor de overige criteria een positieve of valse motivering moeten worden gegeven, dat de in de bestreden beslissing aangevoerde motieven niet enkel feitelijk juist zijn, doch ook correct werden beoordeeld en draagkrachtig zijn, dat de Raad van State niet tot taak heeft uit te maken welke de juiste toedracht is van de aan de bestreden beslissing ten grondslag liggende feiten, doch enkel mag nagaan of de administratieve overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen; dat zij verder argumenteert dat noch uit het administratief statuut, noch uit de geldende ministeriële omzendbrieven, noch uit de richtlijnen van de bestendige deputatie blijkt dat het niet toegelaten zou zijn twee of meer evaluatiecriteria die tot een verschillende cluster behoren aan de hand van dezelfde feitelijke omstandigheden ongunstig te beoordelen, zolang het functioneren maar wordt beoordeeld aan de hand van de verschillende evaluatie- criteria, dat het inhoudelijk beoordelen van de verschillende evaluatiecriteria enkel kan worden getoetst aan het beginsel van de motiveringsplicht; XII-651-14/18 3.
- Overwegende dat het middel de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing betwist; Overwegende dat, krachtens een besluit van 7 mei 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad, de personeelsleden de evaluatie Agunstig voor de functionele loopbaan@ verkrijgen indien zij op de algemene en specifieke criteria samen hetzij maximaal één maal ongunstig op een essentieel criterium en maximaal drie maal ongunstig op een niet-essentieel criterium behalen, hetzij nul maal ongunstig op een essentieel criterium en maximaal vijf maal ongunstig op een niet-essentieel criterium; dat de bestreden beslissing steunt op de evaluatie ongunstig voor twee essentiële en voor drie niet-essentiële criteria; Overwegende dat de bestreden beslissing het oordeel van de oorspronkelijke evaluatoren bijvalt omdat er geen enkele reden is om de juistheid van hun beoordeling te betwijfelen; dat zodoende de bestendige deputatie verzoeker voor het criterium aanpassingsvermogen ongunstig evalueert vanwege Aniet loyaal@, hetgeen in die zin te begrijpen is dat Adat de heer Vanvoorden zich niet op een correcte loyale manier heeft geïntegreerd in zijn werkomgeving daar hij de eigen kunstenaarsbelangen vermengt met de belangen van de instelling@; dat hetzelfde gebrek aan loyaliteit -alleen verduidelijkt door de toevoeging dat verzoeker Adingen doet die deontologisch niet verantwoord zijn@- ook de ongunstige evaluatie voor het criterium houding ten aanzien van de leiding motiveert; dat het voorts in de bestreden beslissing bij het criterium verantwoordelijkheid heet dat de verwijzing naar Adeontologie@ Ajuist@ is, gelet op de vermenging van het eigenbelang met het belang van de instelling; dat die vermenging en Ahet gebrek aan trekken van grenzen tussen zijn eigen tussenkomsten en zijn functie@ eveneens de negatieve waardering voor het criterium houding ten aanzien van het publiek en het criterium kwaliteit verantwoorden; dat, met andere woorden, verzoekers ongunstige beoordeling voor de functionele loopbaan geheel en al steunt op zijn niet deontologisch verantwoorde vermenging van het eigenbelang als kunstenaar en het belang van de instelling, waarin hij onthaalbediende is; XII-651-15/18 Overwegende dat verzoeker bij herhaling vóór de bestendige deputatie heeft gevraagd hoe zijn gebrek aan loyaliteit, deontologische opstelling en belangenvermenging in de praktijk tot uiting mag zijn gekomen; dat de bestendige deputatie in de gelegenheid is geweest de evaluatoren daarover te horen; dat zij hen ná verzoeker aan het woord liet, overigens buiten zijn aanwezigheid en zonder dat hij nog kon reageren; dat niettemin de bestreden beslissing als enige bijzonderheid doet kennen dat verzoeker Azijn ongenoegen toont aan het publiek@; Overwegende dat de zogenaamde wezenlijke beknoptheid van de beschrijvende evaluatie geen verantwoording ervoor kan zijn dat de beoordeling tot inhoudsloze algemeenheden wordt beperkt; dat ook een beknopte evaluatie op concrete en verifieerbare grond moet steunen; dat er des te meer reden is om die grond tenminste in graad van -administratief- beroep te reveleren wanneer degene die beroep indient precies de onduidelijkheid terzake aanklaagt; dat de omstandigheid dat de bestendige deputatie tijdens het verhoor van de evaluatoren naar hun motivering heeft gepeild, alleen relevant is indien dat peilen en zoeken concrete stavingselementen heeft aangetoond; dat zulks blijkbaar niet het geval is geweest; dat verwerende partij in de aangevochten beslissing als enig dergelijk element weet te vermelden dat verzoeker Azijn ongenoegen toont aan het publiek@; dat zij ook in haar procedurestukken voor de Raad van State van geen andere gewag heeft gemaakt; dat bewuste omstandigheid al te karig en weinigzeggend is; Overwegende, tenslotte, dat verwerende partij zich niet geloofwaardig achter de beweerde mondelinge toelichting verstopt die verzoeker op 15 juli 1997 bij de initiële evaluatie zou hebben gekregen; dat, ten eerste, die bewering niet wordt bewezen, wijl verzoeker ze formeel betwist: AVerzoeker stelt dat tijdens het laatste evaluatiegesprek van 15/07/1997 de inhoud van het evaluatierapport door mevr. XXXXX zeker niet werd toegelicht@; dat, ten tweede, de verwerende partij in de laatste memorie juist met de meeste nadruk argumenteert dat Aons college, in beroep, de motieven geenszins zonder meer heeft XII-651-16/18 overgenomen en uit het bestreden besluit duidelijk blijkt dat ons college een eigen gemotiveerd besluit heeft genomen inzake het beroep van de verzoekende partij tegen de ongunstige evaluatie die haar werd toegekend@; dat, ten derde, indien tijdens het genoemde onderhoud effectief de vereiste concrete elementen geopenbaard zouden zijn, dan de vraag rijst waarom verwerende partij er nadien nooit in geslaagd is die gegevens te herhalen - bijvoorbeeld in de bestreden beslissing, in antwoord op verzoekers bezwaren; Overwegende, samenvattend, dat niet blijkt dat de motieven van het aangevochten provincieraadsbesluit draagkrachtig zijn; dat het eerste middel derhalve gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 17 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de ongunstige evaluatie van Marc Vanvoorden wordt behouden. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. XII-651-17/18 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-651-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.231 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div