id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.233 Rolnummer: A. 88613/XII-2386 Zaak: Arrest 166233 - ION - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-11 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-07-01 12:13 Fiche Arrest nr 166.233 van 21 december 2006 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.é van 21 december 2006 in de zaak A. 88.613/XII-
- In zake : Leopold COEN, wonende te Mechelen, Vorsenborgstraat 2 tegen : de STAD MECHELEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. Houtekier, kantoor houdende te Mechelen, Battelsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leopold Coen op 22 december 1999 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 26 oktober 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij zijn ongunstige evaluatie wordt behouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur D. Mareen; Gelet op de beschikking van 18 juni 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 23 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-2386-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat A. Huysmans, die loco advocaat A. Houtekier verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoeker sinds 1 november 1995 als vast benoemd begraver is tewerkgesteld bij de stad Mechelen; dat hij op 22 juli 1999 een evaluatieformulier ontvangt waarin zijn functioneren wordt beoordeeld op grond van zeven criteria, waarvoor een waardering van I (negatief) tot IX (positief) kan worden toegekend; dat verzoeker éénmaal een I krijgt, driemaal een IV, tweemaal een V en éénmaal een VI; dat de eindevaluatie “ongunstig” is; dat de beoordelaars, na voorlegging van voormeld evaluatieformulier aan de arbitragecommissie, op 31 augustus 1999 beslissen verzoekers evaluatie niet te wijzigen en hem voor het criterium “motivatie”, dat niet was opgenomen in het evaluatieformulier van 22 juli 1999, een score VI toe te kennen; dat verzoeker bij brief van 6 september 1999 tegen voornoemde evaluatie beroep indient bij het college van burgemeester en schepenen; dat hij op 26 oktober 1999 door het college van burgemeester en schepenen wordt gehoord, waarna het college van burgemeester en schepenen de bestreden beslissing neemt die als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat in het voorgelegde verweerschrift en de mondelinge toelichting, zoals gegeven door [verzoeker] en zijn verdedigers, geen concrete feiten uit de evaluatieperiode 12 oktober 1998 t.e.m. 12 maart 1999 worden aangevoerd die een wijziging van de evaluatie kunnen verantwoorden; [...] Beslist de ongunstige evaluatie van [verzoeker] te behouden daar tijdens het verhoor geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden”; Overwegende dat verzoeker tegen de bestreden beslissing onder meer aanvoert wat volgt : “De bestreden beslissing houdt geen rekening met de door verzoeker aangebrachte elementen. In tegenstelling tot wat de bestreden beslissing vermeld[t]; nl. dat ‘in het voorgelegde verweerschrift en de mondelingen toelichting, zoals door u en uw verdedigers gegeven, geen concrete feiten uit de evaluatieperiode XII-2386-2/4 van 12.10.1998 t.e.m. 12.03.1999 worden aangevoerd die een wijziging van de evaluatie kunnen verantwoorden;’ en ‘dat het college van Burgemeester en Schepenen besliste uw ongunstige evaluatie te behouden daar tijdens het verhoor geen nieuwe elementen zijn aangebracht die een wijziging van de beoordeling kunnen verantwoorden’. werd door verzoeker de gebreken die de beslissing aantastten, medegedeeld, zowel schriftelijk als mondeling. Met deze opmerkingen werd geen rekening gehouden, meer nog, zij worden door tegenpartij als onbestaande beschouwd”; Overwegende dat verwerende partij daarop antwoordt, in de memorie van antwoord en de laatste memorie, dat de bestreden beslissing hierdoor gemotiveerd wordt dat verzoeker geen concrete feiten aanvoerde voor de periode van de evaluatie van 12 oktober 1998 tot 12 maart 1999 en geen nieuwe elementen aanbracht die een wijziging van de evaluatie kunnen verantwoorden, dat verzoeker wel zegt dat er geen beschrijvende kwalitatieve evaluatie in het dossier zit, dat er geen afsprakennota is opgesteld en dat er geen negatieve opmerkingen over zijn werkwijze in het dossier steken, maar over zijn werkwijze geen enkel nieuw element aanhaalt en geen enkele feitelijkheid weergeeft, dat de motivering derhalve gepast, terzake en afdoende is, dat het college van burgemeester en schepenen wel degelijk de nodige aandacht aan de zaak heeft besteed, dat een beroepsinstantie geldig de motieven van de evaluatie mag overnemen en dat de overgenomen motivering, gevoegd bij de eigen motieven van de beslissing, in alle opzichten voldoende is; Overwegende dat de bestreden beslissing uitspraak doet over verzoekers beroep tegen zijn initiële ongunstige evaluatie; dat een behandeling van een zaak “in tweede aanleg” betekent dat degene die het beroep heeft ingediend er aanspraak op kan maken dat aan zijn zaak een nieuw onderzoek wordt gewijd dat logischerwijze moet resulteren in een nieuwe, al dan niet bevestigende, eindbeslissing die in haar motivering ervan moet doen blijken dat de betrokken zaak de aandacht heeft gekregen die ze verdiende; dat die eindbeslissing te dezen met betrekking tot de door verzoekster aangevoerde bezwaren enkel blijkt te vermelden dat de oorspronkelijke beoordelaars hun oorspronkelijke quotering en toelichting tijdens het verhoor hebben bevestigd; dat dergelijke motivering, gezien verzoekers bezwaren in zijn beroepschrift en tijdens zijn verhoor, al te oppervlakkig en nietszeggend voorkomt; dat dit inzonderheid het geval is waar de bestreden beslissing en de daarin besloten appreciaties door geen enkel concreet element of een verwijzing ernaar worden gestaafd, terwijl verzoeker in zijn verweernota juist uitdrukkelijk “het ontbreken van enige argumentatie waaruit het slecht functioneren van betrokkene zou blijken” heeft bekritiseerd; dat, zelfs indien moet worden aangenomen dat in het XII-2386-3/4 kader van de formele motiveringsverplichting de overheid niet verplicht is te antwoorden op elk voor haar aangevoerd argument, uit de beslissing dan toch moet blijken dat de argumentatie daadwerkelijk in de besluitvorming werd betrokken en waarom de argumenten niet werden aanvaard; dat dit te dezen niet het geval is; dat het besproken middel gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 26 oktober 1999 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Mechelen waarbij de ongunstige evaluatie van Leopold Coen wordt behouden. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-2386-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.233 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.