id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.234 Rolnummer: A. 76223/XII-648 Zaak: Arrest 166234 - ION - Aanwerving en loopbaan - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-07-01 12:13 Fiche Arrest nr 166.234 van 21 december 2006 Openbaar ambt - ION - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.234 van 21 december 2006 in de zaak A. 76.223/XII-
- In zake : Marc VANDERSTEEGEN wonende te Hasselt Sint-Corneliusstraat 43, bus 3 tegen : de PROVINCIE LIMBURG. -------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc Vandersteegen op 31 oktober 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij zijn ongunstige evaluatie wordt behouden; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur P. De Somere; Gelet op de beschikking van 11 januari 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; XII-648-1/19 Gelet op de beschikking van 5 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 mei 2006, datum waarop de zaak is uitgesteld tot de terechtzitting van 13 juni 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. Martens, die verschijnt voor verzoeker, en van bestuurssecretaris T. Roosen, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: Verzoeker werkt sinds 1 december 1973 als tijdelijke bode voor de dienst der gebouwen van de provincie Limburg. Hij wordt in deze functie vast benoemd met ingang van 1 januari
- Met ingang van 16 oktober 1995 wordt verzoeker overgeplaatst naar de sector cultuurconservering - provinciaal museum en daar belast met nieuwe taken. Luidens de evaluatieverslagen van 10 december 1996 en 30 juni 1997 heeft hij de graad van beambte. Overeenkomstig artikel 106 van het administratief statuut wordt op 22 april 1996 met verzoeker een functioneringsgesprek gehouden dat resulteert in een afsprakennota. Volgende afspraken worden gemaakt : XII-648-2/19 ALeiding:
- Rapportering is belangrijk voor beide partijen. Wijzigingen moeten op tijd worden doorgegeven door de leiding, liefst schriftelijk.
- Kasten voorzien om infobrochures te verspreiden. Medewerker:
- Onthaal : correcte informatie doorspelen, u op de hoogte houden en goed doorverwijzen
- Systeem uitwerken dat analyse van bezoekersaantallen moet mogelijk maken@. Op 10 december 1996 wordt verzoekers evaluatieverslag door de eerste en tweede evaluator opgemaakt, de eindevaluatie is gunstig. Volgende vijf beoordelingscriteria zijn essentieel: vakbekwaamheid, werkbereidheid, kwaliteit van het werk, houding ten aanzien van het publiek en nauwkeurigheid. Verzoeker krijgt enkel een ongunstige beoordeling voor het criterium vakkennis met als verklaring Aopleiding volgen@. Op 31 januari 1997 wordt opnieuw een functioneringsgesprek met verzoeker gehouden, dat resulteert in volgende afspraken : AAlgemeen Criterium 10 wijzigen naar criterium 8 Vorming Nagaan of er nog vorming nodig is@. Op 30 juni 1997 wordt verzoekers evaluatieverslag opgemaakt door de eerste en tweede evaluator, de eindevaluatie is ongunstig. Verzoeker krijgt een ongunstige evaluatie voor volgende criteria : vakbekwaamheid met als verklaring Abetrokkene is niet geschikt voor de functie@, kwantiteit en zin voor efficiënt werken en voor resultaten met als verklaring Ate beperkte functieinhoud, is administratief noch technisch geschikt voor ruimere taakomschrijving@, kwaliteit met als verklaring A?, slaagt er niet in een overzichtelijke bezoekers- en inkomstenadministratie bij te houden@ en nauwkeurigheid met als verklaring Aslaagt er niet in een overzichtelijke bezoekers- en inkomstenadministratie bij te houden (cfr 15)@. Bij schrijven van 14 juli 1997, gericht aan de eerste evaluator, vraagt verzoeker de beoordeling van de criteria vakbekwaamheid, kwantiteit en zin voor efficiënt werken en voor resultaten te verklaren en te motiveren. XII-648-3/19 Overeenkomstig artikel 119 van het administratief statuut tekent verzoeker bij schrijven van 18 juli 1997 bij de bestendige deputatie beroep aan tegen zijn ongunstige evaluatie. Na verzoeker en beide evaluatoren op 26 augustus 1997 te hebben gehoord, neemt de bestendige deputatie op 11 september 1997 de bestreden beslissing, die als volgt wordt gemotiveerd : AOverwegende dat deze evaluatie >ongunstig= gevolg was van de vermeldingen >ongunstig= op volgende beoordelingscriteria : - vakbekwaamheid (essentieel criterium); - kwantiteit; - zin voor efficiënt werken en resultaten; - kwaliteit (essentieel criterium); - nauwkeurigheid (essentieel criterium); Overwegende dat de heer Vandersteegen naar aanleiding van zijn beroep op 26 augustus 1997 door de Bestendige Deputatie werd gehoord en dat hiervan proces-verbaal werd opgesteld; Overwegende dat het verweerschrift opgesteld door de heer Marc Vandersteegen aan dit proces-verbaal werd gehecht en er integrerend deel van uitmaakt; Overwegende dat mevrouw XXXXX, bestuurssecretaris 1ste evaluator en de heer P. Vanrobaeys, diensthoofd 2de evaluator, naar aanleiding van het beroep van de heer Vandersteegen, op 26 augustus 1997 door de Bestendige Deputatie werden gehoord en dat hiervan proces-verbaal werd opgesteld; Overwegende dat het verslag van dit verhoor aan het proces-verbaal werd gehecht en er integrerend deel van uitmaakt. Overwegende dat de heer Vandersteegen in zijn verweerschrift vooreerst aanhaalt dat het statutair verplichte functioneringsgesprek niet gevoerd werd door mevrouw XXXXX, 1ste evaluator; dat hij voorafgaand aan de evaluatie nooit enig gesprek in de zin van functioneringsgesprek met mevrouw XXXXX heeft gehad; dat mevrouw XXXXX zelf bevestigde dat ze niet zo precies op de hoogte is van zijn functioneren; Verder vermeldt de heer Vandersteegen in zijn verweer dat volgens de nieuwsbrief dd. december 1995 het belang van het functioneringsgesprek is het naleven van afspraken die gemaakt worden in een functioneringsgesprek en dat dit onrechtstreeks meespeelt in de evaluatie van de medewerker; dat de bedoeling van een functioneringsgesprek is dat de ambtenaar en zijn leidinggevende regelmatig rond de tafel gaan zitten om over het werk en elkaars functioneren te praten. XII-648-4/19 Overwegende dat statutair slechts één functioneringsgesprek verplicht moet plaatsvinden voor de evaluatie; dat statutair nergens bepaald is door wie dit functioneringsgesprek dient gevoerd te worden; dat dus statutair ook nergens bepaald is dat het functioneringsgesprek door de 1ste evaluator gevoerd moet worden; dat de afspraken gemaakt tijdens het functioneringsgesprek dienen vermeld te worden in het verslag van het functioneringsgesprek; dat mevrouw XXXXX in het bezit is van alle verslagen van functioneringsgesprekken die ooit gevoerd zijn door Marc Vandersteegen; dat mevrouw XXXXX dus wel degelijk op de hoogte was van de hoger vermelde afspraken; Overwegende dat een zeer duidelijk onderscheid moet worden gemaakt tussen het functioneringsgesprek enerzijds en de evaluatie anderzijds, onderscheid dat uitgebreid toegelicht werd in onder andere Nieuwsbrief nr. 59 van december 1995; dat een functioneringsgesprek overeenkomstig de definitie van het administratief statuut een gesprek is tussen het personeelslid en één of meer van zijn hiërarchische chefs dat tot doel heeft het personeelslid te begeleiden naar de optimale uitoefening van zijn functie, terwijl onder evaluatie wordt verstaan het beoordelen van het personeelslid in zijn huidige functie; Overwegende dat het functioneringsgesprek weliswaar een verplicht on- derdeel is van de evaluatie, maar daar toch duidelijk van onderscheiden is; dat het functioneringsgesprek waarnaar wordt gerefereerd, een formeel voorgeschreven stadium is in de evaluatieprocedure; dat iedere hiërarchische chef op ieder ogenblik gesprekken over het werk kan houden met zijn medewerkers en hierbij al dan niet opmerkingen kan formuleren over de wijze van taakvervulling van het personeelslid; dat het formeel voorgeschreven functioneringsgesprek bijgevolg niet het enige moment van gesprek hoeft te zijn tussen leidinggevende en medewerker; dat het zelfs aangewezen is dat een leidinggevende die opmerkingen wenst te formuleren over de taakvervulling van zijn medewerkers, die opmerkingen niet >opspaart= voor het functioneringsgesprek; Overwegende dat er bijgevolg geen oorzakelijk verband bestaat tussen het functioneringsgesprek en de evaluatie in die zin dat enkel punten die in het formele functioneringsgesprek behandeld werden, de basis kunnen vormen voor een evaluatie; Overwegende bijgevolg dat dit argument van de heer Vandersteegen niet kan worden aanvaard; Overwegende dat mevrouw XXXXX als leidinggevende die ondermeer een controlerende en superviserende opdracht heeft, een voldoende beeld heeft over het functioneren van de heer Vandersteegen; dat er geen aanleiding bestaat om in dit concreet geval aan het inschattingsvermogen van de leidinggevende te twijfelen; dat mevrouw XXXXX dit tijdens het verhoor van de Bestendige Deputatie op 26 augustus nogmaals bevestigde; XII-648-5/19 Overwegende dat de heer Vandersteegen in zijn verweer refereert naar de evaluatie van de krachtlijnennota waarin gemeld wordt dat contractuele personeelsleden enkel indien, gelet op de bijzondere aard van de situatie zich geen andere mogelijkheid aandient, toegelaten wordt om te evalueren; dat niet wordt vermeld welke die welbepaalde concrete en uitzonderlijke situaties zijn; Overwegende dat in de >beleidsnota bij het organogram en het personeelsbehoefteplan van het provinciebestuur Limburg= betreffende het Centrum voor Kunsten- Begijnhof duidelijk vermeld staat dat de intendantie-functie in een eerste aanloopfase contractueel voorzien is omwille van twee essentiële factoren: >het actuele kunstgegeven noopt tot een permanente actualisering van de functie= en >de functie vergt een regelmatige creatieve afwisseling=; overwegende dat het personeelsbehoefteplan de basis vormt voor de personeelsformatie, die door de provincieraad werd vastgesteld en door de bevoegde minister werd goedgekeurd; dat deze beslissingen als een in >de evaluatie van de krachtlijnen= geformuleerde bijzondere aard van situatie kunnen gelden; dat de leidinggevenden in het Centrum voor Kunsten - Begijnhof het best geschikt zijn om het functioneren van de heer Marc Vandersteegen te beoordelen; dat daarom het beleid hier, van zodra de Hogere Overheid dit mogelijk maakte, gekozen heeft om contractuelen te betrekken in de evaluatie in plaats van personen (extern aan het Centrum voor Kunsten) in te schakelen die enkel omwille van een statutaire betrekking bij de beoordeling betrokken zouden worden; dat hiermee het provinciebestuur nu juist tegemoet komt aan de reeds aangehaalde vrees van de heer Vandersteegen, da[t] hij zou geëvalueerd worden door iemand die geen juiste inschatting kan maken van zijn functioneren; Overwegende dat de heer Vandersteegen in zijn verweerschrift betreffende het criterium vakbekwaamheid aanhaalt dat op geen enkele manier criteria worden opgegeven waarop evaluatoren zich steunen om de beoordeling >ongunstig= te motiveren. Dat mevrouw XXXXX mondeling zelf stelde dat zij over te weinig gegevens beschikte en hierdoor ook moeilijk een beoordeling kon geven. Verder haalt de heer Vandersteegen aan dat tijdens het functioneringsgesprek dd. 22 april 1996 geen opmerkingen werden geformuleerd, dat hij deelnam aan een vormingsprogramma welke verplicht werd gesteld. Dat hem hiervoor een attest >met gunstig gevolg= werd overgemaakt; De heer Vandersteegen stelt dat hij op 12 december 1996 bij de 1ste evaluatie een gunstige beoordeling ontving voor het criterium vakbekwaamheid; dat tijdens het functioneringsgesprek op 31 januari 1997 geen opmerkingen werden gemaakt inzake het criterium >vakbekwaamheid=, dat hierover nooit opmerkingen mondeling noch schriftelijk werden gemaakt; XII-648-6/19 dat er zich sedert de laatste evaluatie geen feiten hebben voorgedaan welke het gunstige resultaat van de eerste evaluatie kunnen wijzigen; Overwegende dat de 1ste verkorte evaluatie waarop de heer Vandersteegen een gunstige evaluatie ontving betrekking heeft op een andere evaluatieperiode dan de 2de verkorte evaluatie waarop de betrokkene een ongunstige beoordeling ontving; dat de 1ste verkorte evaluatie werd opgemaakt door mevrouw M. Balcer en de heer J. P. Dewael; dat de 2de verkorte evaluatie werd opgemaakt door andere evaluatoren namelijk mevrouw XXXXX en de heer P. Vanrobaeys; dat daarenboven bij de 1ste verkorte evaluatie vanuit het beleid als richtlijn werd meegegeven om >soepel te evalueren=; dat bij de 2de verkorte evaluatie dit niet meer het geval was; Dat het dus vanzelfsprekend is dat de 2de verkorte evaluatie verschillend kan zijn van de 1ste verkorte evaluatie; Overwegende dat zoals reeds aangehaald, het functioneringsgesprek het formele maar niet het enige gesprek is tussen de medewerker en leidinggevende; Overwegende dat er bijgevolg geen redenen zijn om de evaluatie op dit criterium te wijzigen; Overwegende dat de heer Vandersteegen een gunstige beoordeling ontving voor het criterium >bereidheid tot bijscholing/vorming; dat het volgen van een cursus ertoe kan bijdragen vakkennis op te doen, een criterium waarop de heer M. Vandersteegen een gunstige beoordeling ontving; dat echter het volgen van een cursus niet automatisch betekent dat de kennis ook in praktijk wordt omgezet; dat heel duidelijk vakbekwaamheid resulteert onder de cluster >vaardigheden=, zijnde kunnen; dat de evaluatoren met de algemene omschrijving >betrokkene is niet geschikt voor de functie= nu net willen aantonen dat de heer Vandersteegen in de praktijk de functie niet waarmaakt; Overwegende dat reeds werd aangetoond dat er geen aanleiding bestaat om aan het inschattingsvermogen van de leidinggevende te twijfelen; dat er bijgevolg geen redenen zijn om de ongunstige vermelding te wijzigen; Overwegende dat het evaluatieverslag werd overhandigd en toegelicht tijdens een evaluatiegesprek waarin de evaluatie voldoende werd toegelicht; dat de summiere omschrijving van de beoordeling niets wijzigt aan de inhoud van de beoordeling; dat de beschrijvende evaluatie in wezen beperkt is; dat de Bestendige Deputatie tijdens het verhoor van de evaluatoren dd. 26 augustus 1997 voldoende heeft gepeild naar de motivering van de evaluatie, getuige het proces-verbaal; dat er bijgevolg geen aan elementen noch argumenten zijn om de ongunstige beoordeling in twijfel te trekken; XII-648-7/19 Overwegende dat de heer Vandersteegen in zijn verweer ingaat op de criteria zelfstandigheid en aanpassingsvermogen, criteria waarop hij een gunstige beoordeling ontving; Overwegende dat het administratief statuut van het provinciepersoneel zoals vastgesteld door de provincieraad op 20 december 1995 bepaalt dat een personeelslid enkel beroep kan instellen indien de evaluatie ongunstig is; dat de ongunstige eindbeoordeling tot stand kwam op basis van statutair vastgestelde beslissingsregels; dat de ongunstige eindbeoordeling aldus gebaseerd is op de ongunstige beoordeling van de criteria vakbekwaamheid, kwantiteit, zin voor efficiënt werken en resultaten, kwaliteit en nauwkeurigheid; Overwegende dat het bestuur de heer M. Vandersteegen niet kan begunstigen ten opzichte van andere personeelsleden die statutair geen beroep kunnen instellen tegen negatieve commentaar bij gunstig beoordeelde criteria; dat net als voor alle andere personeelsleden het verweer inzake deze criteria opgenomen wordt in het individueel personeelsdossier; dat het verweer betreffende deze criteria dus niet als bewijsmateriaal kan fungeren en dat ook niet weerlegd dient te worden; Overwegende dat in het verweerschrift betreffende de criteria >kwantiteit= en >zin voor efficiënt werken en resultaten= wordt verwezen naar een incident waarbij de heer Vandersteegen te snel wenste te werken hetgeen niet naar de zin was van het technisch personeel; dat indien >doorwerken= een ongunstige evaluatie oplevert de heer Vandersteegen al gedurende twee jaar een ongunstige beoordeling moest hebben, hetgeen nooit is gebeurd; Overwegende dat de evaluatie van de criteria >kwantiteit= en >zin voor efficiënt werken en resultaten= een evaluatie is van het functioneren van de heer Vandersteegen gedurende de volledige evaluatieperiode; dat deze evaluatie dus niet gestoeld is op één enkel feit (>incident=); dat de heer M. Vandersteegen bij de 1ste verkorte evaluatie die zoals reeds aangehaald een >soepele= evaluatie was, inderdaad een gunstige beoordeling kreeg voor deze criteria maar ook hier reeds als aandachtspunt werd gegeven >niet altijd doordacht, vlug tevreden=; dat er bijgevolg geen reden wordt aangehaald om de beoordeling van deze criteria te wijzigen; Overwegende dat de heer Vandersteegen betreffende de criteria >kwaliteit= en >nauwkeurigheid= aanhaalt dat hij sinds einde =95 werkt met de staten die werden gebruikt in het Museum; dat hij tot op heden hieromtrent geen opmerkingen ontving; dat de oorzaak van falen hier hoogstens te wijten is aan het systeem dat niet functioneert en niet de betrokkene; dat de middelen waarmee hij moet werken ontoereikend zijn; de heer M. Vandersteegen stelt dat hij heeft voorgesteld om het systeem >analytische kostenstaat= te gebruiken, dat hieromtrent echter tijdens de functioneringsgesprekken geen opmerkingen werden gemaakt; XII-648-8/19 dat hij eerder bij de 1ste verkorte evaluatie een gunstige evaluatie kreeg voor kwaliteit van het werk en dat er nadien geen feiten zijn voorgevallen welke een andere beoordeling rechtvaardigen; de heer M. Vandersteegen haalt tenslotte aan dat hij steeds naar best vermogen zijn taak heeft uitgevoerd dat hij hieromtrent herhaaldelijk schriftelijk en mondelinge dankbetuigingen ontving van bezoekers; Overwegende dat de evaluatoren betreffende de evaluatie van deze criteria duidelijk stellen dat de heer Vandersteegen rekening houdend met de beperktheid van de middelen er niet in slaagt om hiermee om te gaan; er niet in slaagt een overzichtelijke bezoekers- en inkomstenadministratie bij te houden; dat betrokkene rekening houdend met het feit dat hij een diploma boekhouden behaalde, er niet in slaagt tot de gewenste resultaten te komen; Overwegende dat reeds werd aangehaald dat de 2de verkorte evaluatie duidelijk verschilt van de 1ste verkorte evaluatie; dat het formele functioneringsgesprek niet het enige moment is waarop afspraken/opmerkingen gemaakt worden tussen medewerker en leidinggevende; dat de beoordeling van criteria tijdens de 2de verkorte evaluatie dus duidelijk kan verschillen van de 1ste verkorte evalatie; Overwegende dat de aangehaalde lof (waarvan als bewijs 2 dankbetuigingen werden toegevoegd aan het verweerschrift) vooral afkomstig is van externen; dat de verwijzing naar opinie van externen enerzijds moeilijk toetsbaar is en anderzijds in deze niet relevant is; het zijn immers niet de externen die de vooropgestelde criteria kunnen en moeten beoordelen; dat de aangehaalde argumenten dus onvoldoende zijn om de oorspronkelijk uitgesproken beoordeling te wijzigen; Overwegende dat de heer M. Vandersteegen toevoegt dat hij de door hem geformuleerde opmerkingen inzake het evaluatierapport, heeft afgegeven aan mevrouw XXXXX doch dat deze het schrijven niet wenste te ondertekenen voor kennisneming; dat deze opmerkingen nochtans conform. art. 117 bij het evaluatiedossier dienen te worden gevoegd; Overwegende dat het niet ondertekenen van opmerkingen geformuleerd naar aanleiding van een evaluatieverslag niet uitsluit dat deze opmerkingen toegevoegd worden aan het personeelsdossier; dat dit voorval niets wijzigt aan de inhoud van de oorspronkelijk opgestelde beoordeling; Overwegende dat de heer Vandersteegen besluit dat het huidige evaluatiesysteem aanleiding kan geven tot willekeur dat derhalve een degelijke onderbouwing en argumentatie van de beoordeling vereist is; dat het geven van een ongunstige beoordeling geen middel mag zijn om een geplande reorganisatie losstaand van het functioneren van de persoon in kwestie door te voeren; dat er geen enkel objectief element wordt aangehaald welke een >ongunstige= beoordeling zou rechtvaardigen; XII-648-9/19 Overwegende echter dat in het administratief statuut alle mogelijke waarborgen zijn opgenomen om de evaluaties zo objectief mogelijk te laten gebruiken; de evaluatie gebeurt door twee evaluatoren, de evaluatoren zijn opgeleid in het houden van functioneringsgesprekken en in het evalueren zelf; de éénvormigheid van de evaluaties wordt bewaakt door de cel personeel en organisatie; dat reeds eerder het verschil tussen de 1ste verkorte evaluatie en de 2de verkorte evaluatie werd aangehaald; dat zoals eerder vermeld het evaluatierapport tijdens een evaluatiegesprek werd toegelicht en de beoordeling bijkomend werd gemotiveerd; dat naar aanleiding van het beroep ingesteld door de heer M. Vandersteegen de evaluatoren werden gehoord door de Bestendige Deputatie; dat de Bestendige Deputatie mede op basis van dit verhoor de beoordeling correct achtte; Overwegende dat de evaluatie overeenkomstig de omzendbrief van 14 juli 1993 niet mag worden opgevat als een sanctiemiddel maar wel als een begeleidingsmiddel; Overwegende dat het precies de bedoeling is van de evaluatoren om de heer M. Vandersteegen te wijzen op een aantal tekortkomingen binnen het uitvoeren van zijn functie opdat hieraan kan gewerkt worden naar de volgende evaluatie toe@;
- De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie aanvoert dat verzoeker niet langer het rechtens vereiste belang heeft om de nietigverklaring van het bestreden besluit te vorderen; dat zij argumenteert dat luidens artikel 112 van het administratief statuut provinciepersoneel een gunstige evaluatie nodig is om over te gaan naar de volgende weddeschaal in de functionele loopbaan en om te mogen deelnemen aan een bevorderingsexamen, dat verzoeker bij besluit van 11 februari 1999 met ingang van 15 februari 1999 werd toegelaten tot de stage voorafgaand aan de vaste benoeming in de graad van assistent, waarna hij op 2 februari 2000 een gunstige beoordeling kreeg en hij ten slotte bij besluit van 10 februari 2000 vast werd benoemd in de graad van assistent, dat verzoeker als gevolg van deze benoeming overgaat naar een hogere weddeschaal en wordt bevorderd tot een hoger niveau, dat verzoeker bijgevolg van de bestreden ongunstige evaluatie noch een financieel nadeel, noch een nadeel inzake XII-648-10/19 bevordering heeft ondervonden, dat de nietigverklaring van het bestreden besluit verzoeker noch op het vlak van de functionele loopbaan, noch op het vlak van bevorderings-mogelijkheden enig voordeel kan opleveren; dat zij ten slotte betoogt dat de feitelijke ontwikkelingen in verzoekers loopbaan het eventuele minieme morele nadeel hebben weggenomen; Overwegende dat artikel 114 van het administratief statuut provinciepersoneel onder meer bepaalt dat het evaluatiedossier ADe beschrijvende kwalitatieve evaluatieverslagen@ en AHet beroep tegen de evaluatie en de beslissing in beroep@ omvat; dat voorts uit artikel 122 van voormeld administratief statuut volgt dat enkel een in beroep geannuleerde ongunstige evaluatie uit het evaluatiedossier wordt verwijderd; dat, gelet op het te dezen geldende administratief statuut, het betoog van verwerende partij niet volstaat om zekerheid te verschaffen dat een toekomstige ongunstige weerslag uit te sluiten valt; dat verzoeker derhalve geen actueel belang bij de zaak kan worden ontzegd; dat de exceptie niet wordt aangenomen;
- De grond van de zaak. 3.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel de motivering van de bestreden beslissing niet deugdelijk noemt; dat hij onder meer betoogt dat bij de evaluatie dezelfde argumenten bij verschillende deelcriteria worden herhaald en dat ze algemeen en nietszeggend zijn, dat hij sinds eind 1995 een bezoekers- en inkomstenadministratie bijhoudt zonder hierover ooit opmerkingen te hebben ontvangen, dat het systeem zelf niet behoorlijk functioneert en hij zelf reeds een ander systeem voorstelde, dat ook de bestendige deputatie een beroep doet op algemene en theoretische argumenten, dat als hij protesteert tegen het gebrek aan concrete tekortkomingen dat door de evaluatoren kan worden gegeven, de bestendige deputatie zich er gemakkelijk vanaf maakt zeggende dat onmogelijk alle feiten vermeld kunnen worden, dat hij echter geen exhaustieve opsomming vraagt en de manier waarop de evaluatoren zich van hun taak gekweten hebben mijlenver verwijderd is van een uitvoerige beschrijving van alle feiten, en dat de XII-648-11/19 abstracte wijze waarop de bestreden beslissing de door hem aangevoerde argumenten afwijst erop wijst dat met zijn zeer concrete argumenten geen rekening werd gehouden; 3.
- Overwegende dat verwerende partij antwoordt dat de Aweerlegging van de door de evaluatoren aangehaalde elementen@ betrekking heeft op de feiten van de zaak en niet kan worden beschouwd als een middel tot nietigverklaring; dat zij verder stelt dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet ontvankelijk is, in zoverre het is gericht tegen de evaluatie van 30 juni 1997, dat de eventuele tekortkomingen in het evaluatierapport immers niet langer ter discussie staan daar het rapport werd vervangen door de bestreden beslissing waarbij verzoekers ongunstige eindevaluatie definitief wordt vastgesteld; Overwegende dat zij voorts betoogt dat in het evaluatieverslag bij elk criterium dat ongunstig werd beoordeeld, de motivering in summiere bewoordingen werd geformuleerd, dat noch het personeelsstatuut, noch de richtlijnen van de bestendige deputatie stellen dat alle criteria uitgebreid moeten worden becommentarieerd en evenmin dat de commentaar niet bij meer dan één criterium mag worden herhaald, dat een bepaalde werkwijze meerdere criteria die belangrijk zijn voor de beoordeling kan beïnvloeden, dat het niet slagen in het bijhouden van een overzichtelijke bezoekers- en inkomstenadministratie reeds tijdens het functioneringsgesprek van 22 april 1996 ter sprake is gekomen, dat onder meer werd overeengekomen dat verzoeker een systeem zou uitwerken dat een analyse van de bezoekersaantallen mogelijk zou maken, dat het feit dat dit ter sprake kwam niettegenstaande verzoeker naar eigen zeggen reeds sinds eind 1995 een dergelijke administratie bijhield, aantoont dat dit niet volgens verwachting liep, dat in hetzelfde functioneringsgesprek afspraken werden genoteerd met betrekking tot een goed onthaal van het publiek, het verschaffen van correcte informatie, het zich op de hoogte stellen van het gebeuren binnen het begijnhof en het op een goede manier doorverwijzen, dat verzoeker wist welke problemen mede ten grondslag lagen aan de geformuleerde opmerkingen en de ongunstige beoordelingen bij de criteria, zodat ze slechts zeer summier moesten worden XII-648-12/19 becommentarieerd om duidelijk te zijn voor de betrokken partijen, dat bij eenvoudige lezing van de bestreden beslissing duidelijk blijkt dat werd ingegaan op elk verweer dat door verzoeker werd geformuleerd, dat verzoeker door de functioneringsgesprekken, de opmerkingen in het evaluatierapport en de mondelinge toelichting ervan tijdens het evaluatiegesprek de motieven kende die aan de ongunstige beoordeling ten grondslag lagen, dat de bestreden beslissing behoorlijk werd gemotiveerd; Overwegende dat verwerende partij ten slotte argumenteert dat het besluit in alle redelijkheid werd genomen op grond van een juiste feitenvinding, dat verzoeker reeds tijdens het functioneringsgesprek van 22 april 1996 kennis kreeg van de elementen die als minder gunstig werden ervaren en na meer dan één jaar geen noemenswaardige verbetering werd vastgesteld, dat zij, rekening houdend met de bij besluit van 7 mei 1997 vastgestelde beslissingsregels niet anders kon dan tot een ongunstige evaluatie besluiten; 3.
- Overwegende dat verzoeker repliceert dat de bestreden beslissing, in zoverre zij de motivering van het evaluatieverslag overneemt zonder de tekortkomingen ervan recht te zetten, alleen hierdoor reeds gebrekkig is gemotiveerd; dat hij ook doet gelden dat het dubbel gebruiken van omschrijvingen voor verschillende criteria het uitgewerkte evaluatiesysteem uitholt daar het nut en het belang van de verschillende criteria erdoor worden miskend, dat het functioneringsgesprek van 22 april 1996 dateert van vóór de eerste gunstige evaluatie en werd gevolgd door een tweede functioneringsgesprek waarin totaal andere afspraken werden gemaakt zodat een verwijzing ernaar niet kan worden beschouwd als een afdoende motivering, dat in de bestreden beslissing geen antwoord wordt gegeven op zijn concrete argumenten, dat het evaluatierapport veel slordiger werd opgesteld dan eerdere rapporten, dat het niet geoorloofd is te verwijzen naar opmerkingen uit vorige evaluatieverslagen of hieraan voorafgaande functioneringsgesprekken, daar een evaluatieverslag betrekking heeft op een welbepaalde periode; XII-648-13/19 3.
- Overwegende dat verzoeker in zijn laatste memorie stelt dat het proces-verbaal van verhoor inzake het criterium vakbekwaamheid geen nieuwe of deugdelijke argumenten heeft opgeleverd, dat hij zijn functie nog steeds uitoefent en dit op zeer bevredigende wijze, dat hij op 2 februari 2000 gunstig werd beoordeeld en op 10 februari 2000 werd benoemd in de graad van assistent na zijn stagejaar met vrucht te hebben volbracht, dat hij, ondanks de weinig overzichte- lijke dagstaten, alle vereiste gegevens correct heeft weergegeven en hij de voor- gedrukte informatie nader heeft toegelicht, dat hij de capaciteiten heeft om zijn taken naar behoren uit te voeren als hem de juiste middelen worden aangereikt; 3.
- Overwegende dat verwerende partij in de laatste memorie stelt dat wanneer de bestendige deputatie uitspraak doet over een tegen een ongunstige beoordeling ingesteld beroep, zij de oorspronkelijke evaluatie, rekening houdend met het beroepschrift en met de tijdens de hoorzitting geformuleerde opmerkingen, beoordeelt en zij in haar besluit zelf motiveert waarom de ongunstige evaluatie al dan niet wordt behouden, dat de vermelding dat de ongunstige evaluatie behouden blijft enkel slaat op het eindoordeel van de evaluatie, dat met verzoekers kritiek op de motivering van de oorspronkelijke evaluatie enkel rekening moet worden gehouden indien de motieven in beroep onverkort zouden zijn overgenomen, dat het beoordelen van de afzonderlijke evaluatiecriteria een discretionaire bevoegdheid vormt zodat de Raad van State inzake de feiten en de beoordeling zijn mening, behoudens een kennelijk onredelijke beoordeling, niet in de plaats kan stellen; dat zij daarnaast argumenteert dat het mogelijk is bij het ongunstig beoordelen van verschillende criteria te verwijzen naar dezelfde feitelijke omstandigheden, in zoverre de beoordeling geschiedt aan de hand van verschillende criteria, er per ongunstig geëvalueerd criterium een omschrijving gebeurt en deze feiten een invloed hebben op de verschillende criteria, dat de criteria kwantiteit en zin voor efficiënt werken en voor resultaten inhoudelijk sterk verwant zijn zodat de motiveringsplicht niet werd geschonden door te verwijzen naar dezelfde feitelijke omstandigheden, dat de Raad van State, wanneer in het kader van een annulatieberoep uitspraak wordt gedaan over de rechtmatigheid van een beslissing, niet in de plaats van het bestuur dient uit te maken welke de juiste XII-648-14/19 toedracht is van de aan het besluit ten grondslag liggende feiten, doch enkel mag nagaan of de betrokken overheid rechtmatig tot haar voorstelling van de feiten is kunnen komen; 3.
- Overwegende dat het middel de deugdelijkheid van de motieven van de bestreden beslissing betwist; Overwegende dat krachtens een besluit van 7 mei 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad de personeelsleden de evaluatie Agunstig voor de functionele loopbaan@ verkrijgen indien zij op de algemene en specifieke criteria samen hetzij maximaal één maal ongunstig op een essentieel criterium en maximaal drie maal ongunstig op een niet-essentieel criterium behalen, hetzij nul maal ongunstig op een essentieel criterium en maximaal vijf maal ongunstig op een niet-essentieel criterium; dat de bestreden beslissing steunt op de evaluatie ongunstig voor drie essentiële criteria en twee niet-essentiële; dat het voor een vernietiging van de bestreden beslissing dus noodzakelijk is dat tenminste de beoordeling van twee ongunstig geëvalueerde essentiële criteria niet draagkrachtig is; Overwegende, wat het essentiële criterium vakbekwaamheid betreft, dat de oorspronkelijke evaluatoren verzoeker daarvoor ongunstig beoordeelden vanwege Aniet geschikt voor de functie@; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing bij dat oordeel blijft niettegenstaande verzoekers bezwaar dat uit niets bleek waarop hun oordeel steunde; dat verwerende partij het oordeel van de evaluatoren inhoudelijk bijvalt, in essentie omdat zij niet twijfelt aan hun inschattingsvermogen, omdat verzoeker de nodige toelichting zou hebben gekregen in een evaluatiegesprek en omdat er voldoende naar de motivering van de evaluatie is Agepeild@ tijdens het verhoor van de evaluatoren; Overwegende, nochtans, dat het vertrouwen in het inschattings- vermogen van de evaluatoren als zodanig geen concrete gegevens ter staving van de gegeven beoordeling doet kennen; dat voorts verwerende partij wel beweert dat XII-648-15/19 verzoeker tijdens het evaluatiegesprek verdere toelichting kreeg, maar zulks niet bewijst, terwijl van zijn kant verzoeker juist uitdrukkelijk stelt dat hem tijdens het evaluatiegesprek géén verdere toelichting kon worden gegeven; Overwegende dat ten slotte de verwerende partij nog verwijst naar het feit dat zij tijdens het verhoor van de evaluatoren Aheeft gepeild naar de motivering van de evaluatie@; dat het peilen naar de motivering één zaak is, het vinden ervan een andere; dat er volgens verzoeker vergeefs Agepeild@ is, omdat hem tijdens het verhoor in de eerste plaats vakbekwaamheid wordt ontzegd Arekening houdend met de onmogelijkheid kennis, vaardigheden en attitudes aan te leren@, zulks terwijl hij voor de clusters kennis en attitudes gúnstig geëvalueerd werd; dat verwerende partij reageert dat de verklaringen van de evaluatoren tijdens het verhoor verkeerd worden geïnterpreteerd en uit hun context worden gelicht; dat de zienswijze van verzoeker nochtans niet van elke grond ontbloot is; Overwegende dat, door zich tijdens het verhoor uit te drukken zoals zij deden, de evaluatoren blijkbaar bedoelden dat verzoeker Ahet goed meent met de zaak maar er weinig van terechtbrengt, wil maar niet kan@; dat, zonder te betwisten dat de evaluatoren dit tijdens het verhoor voldoende concreet illustreren, niettemin moet worden vastgesteld dat hetzelfde gebrek aan kennis, vaardigheden en attitudes tijdens de evaluatie van een half jaar voordien zeer bewust werd verdisconteerd in een ongunstige beoordeling van het criterium vakkennis, zijnde een niet-essentieel criterium; dat het gebrek aan kennis, vaardigheden en attitudes op 8 juli 1999 tot een ander criterium wordt teruggebracht: het essentiële criterium vakbekwaamheid; dat niet wordt uitgelegd waarom; dat het des te minder wordt begrepen waar, eensdeels, ook nog op 31 januari 1997, getuige de afspraken gemaakt ter gelegenheid van het functioneringsgesprek, verzoekers disfuncties aan een gebrek aan vorming, hetzij dus kennis, worden toegeschreven en waar, anderdeels, niet wordt beweerd dat hij sindsdien de gelegenheid heeft gehad die kennis op te doen, zonder hem te baat te nemen; dat, integendeel, verzoeker gunstig scoort voor Abereidheid tot bijscholing/vorming@; XII-648-16/19 Overwegende dat, aldus beschouwd, met verzoeker wordt aangenomen dat niet blijkt dat de ongunstige beoordeling van zijn vakbekwaamheid op deugdelijke grond berust; Overwegende, wat de twee essentiële criteria kwaliteit en nauwkeurigheid betreft, dat verzoeker daarvoor ongunstig scoort op grond van één en hetzelfde argument dat hij, niettegenstaande de beperktheid van de middelen, geen overzichtelijke bezoekers- en inkomstenadministratie kan bijhouden; dat verzoeker die handelwijze niet ten onrechte op gespannen voet acht met het verbod, dat de verwerende partij zichzelf oplegde, om bij een ongunstige beoordeling van de criteria in een gezamenlijke be- of omschrijving ervan te voorzien (stuk 29 van het administratief dossier); Overwegende dat dit verbod zijn redenen heeft; dat het zich voordoet als een noodzakelijk onderdeel van het toegepaste evaluatiesysteem; dat dit systeem enerzijds de toetsing aan twintig verschíllende criteria inhoudt en anderzijds, zoals gezien, de globale beoordeling Agunstig voor de functionele loopbaan@ laat afhangen van het resultaat van de precieze optelsom van de onderscheiden criteria waarvoor ongunstig werd gescoord; dat het dan niet opgaat bij de beoordeling van de criteria twee of meer ervan op één hoop te gooien, alleszins niet ingeval zij ongunstig beoordeeld worden; dat immers die praktijk, vanwege de beslissingsregels in het voormelde besluit van 7 mei 1997 van de bestendige deputatie, een disproportionele weerslag dreigt te hebben op de globale evaluatie; dat onderhavig geval zulks bewijst; dat het volstaat verzoeker voor de twee onderscheiden criteria kwaliteit en nauwkeurigheid -zijnde een Aalgemeen@ criterium, respectievelijk een criterium speciaal afhankelijk van de functie- ongunstig te beoordelen op grond van één algemene appreciatie van de bezoekers- en inkomstenadministratie, zonder die appreciatie op enigerlei wijze nader te relateren aan de specifiek getoetste criteria, opdat verwerende partij in het licht van de beslissingsregels van 7 mei 1997 verplicht zou zijn hem al meteen een globaal ongunstige evaluatie voor de functionele loopbaan toe te kennen; dat wat XII-648-17/19 voorafgaat de verwerende partij ertoe moet aanzetten en zelfs noodzaakt de hand te houden aan de zelfstandigheid van de criteria en hun beoordeling; Overwegende dat daaraan niet voldaan is wat de besproken criteria kwaliteit en nauwkeurigheid betreft; Overwegende dat de motieven van het aangevochten provincieraadsbesluit tenminste draagkracht ontberen in zoverre de beslissing gesteund is op de drie ongunstig beoordeelde essentiële criteria; dat dit de vernietiging van het besluit moet meebrengen; dat het eerste middel in de besproken mate gegrond is, BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 11 september 1997 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij de ongunstige evaluatie van Marc Vandersteegen wordt behouden. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. XII-648-18/19 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-648-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.234 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.