id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.235 Rolnummer: A. 80883/XII-1704 Zaak: Arrest 166235 - Politie - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-11 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-07-01 12:13 Fiche Arrest nr 166.235 van 21 december 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.235 van 21 december 2006 in de zaak A. 80.883/XII-
- In zake : Eric DE MAEYER, die woonplaats kiest bij advocaat S. Stevens, kantoor houdende te Mechelen, Schuttersstraat 15-17 tegen :
- de STAD MECHELEN, die woonplaats kiest bij advocaat A. Houtekier, kantoor houdende te Mechelen, Battelsesteenweg 95,
- het VLAAMSE GEWEST. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, XIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric De Maeyer op 28 oktober 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van “Het Ministerieel Besluit van 02/09/98 houdende goedkeuring van het besluit van de gemeenteraad van Mechelen van 25/06/98 houdende het opleggen van de tuchtstraf van het ontslag van ambtswege aan de heer De Maeyer Eric, agent-hoofdbrigadier”; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgesteld door auditeur H. Colin; Gelet op de beschikking van 10 juli 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van het geding van verzoeker en de laatste memories van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 3 oktober 2006; XII-1704-1/21 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. Stevens, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Huysmans, die verschijnt voor de eerste verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Het voorwerp. Overwegende dat verzoeker formeel enkel de nietigverklaring vraagt van het goedkeuringsbesluit van 2 september 1998 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Stedelijk Beleid en Huisvesting; dat echter uit de middelen van zijn verzoekschrift blijkt dat ze ook betrekking hebben op het goedgekeurde besluit van de gemeenteraad; dat verzoekers beroep dan ook moet worden opgevat als zijnde gericht tegen beide besluiten;
- De gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt : 2.
- Verzoeker is agent-hoofdbrigadier bij de stad Mechelen. De rijkswacht van het district Leuven stelt lastens hem een proces-verbaal op wegens schending van het beroepsgeheim. In dat proces-verbaal wordt vastgesteld dat op 27 januari 1995 door de politie van Mechelen nummerplaten van de rijkswacht werden nagetrokken van wagens waarvan er één werd gebruikt bij een observatieopdracht en dat een nummerplaat werden geïdentificeerd op vraag van verzoeker, die op dat ogenblik niet met bevolen dienst was. Het Vast comité van toezicht op de politiediensten wordt een onderzoek opgedragen, waarbij naast verzoeker nog een aantal andere personen worden ondervraagd. Verzoeker verklaart dat hij een nummerplaat heeft opgevraagd op verzoek van een onbekende die hem thuis telefoneerde op aanraden van zijn broer XII-1704-2/21 en aan wie hij meedeelde dat het een beschermde nummerplaat was, dat hij voordien nog nummerplaten heeft geïdentificeerd voor personen die hem dat vroegen, dat hij “inderdaad een fout” heeft begaan door op vraag van een onbekende een nummerplaat te identificeren en mee te delen dat ze beschermd was, dat hij evenwel niet wist wat een beschermde nummerplaat is, dat hij wel wist dat het vrijgeven van informatie waartoe hij enkel vanuit zijn ambt toegang heeft gelijkstaat aan het schenden van het beroepsgeheim maar dat hij meende dat dit niet gold voor nummerplaten. Voorts verklaart een collega dat verzoeker regelmatig een drankgelegenheid bezoekt waar zich vechtpartijen, drugproblemen en diefstallen voordoen. Een andere collega verklaart dat verzoeker tijdens dienstrondes soms ergens binnengaat voor persoonlijke aangelegenheden. 2.
- Verzoeker wordt bij vonnis van 14 februari 1997 van de correctionele rechtbank te Mechelen op grond van schending van het beroepsgeheim veroordeeld bij toepassing van artikel 458 van het Strafwetboek tot een gevangenisstraf van 4 maanden, met uitstel gedurende drie jaar, alsook tot een geldboete van 200 frank, gebracht op 40.000 frank. Een afschrift van voormeld vonnis wordt bij brief van 16 mei 1997 aan de burgemeester van Mechelen bezorgd teneinde hem toe te laten disciplinair op te treden. In deze brief wordt meegedeeld dat het vonnis kracht van gewijsde heeft. 2.
- Op 30 juni 1997 stelt de korpschef lastens verzoeker een tuchtverslag op waarin hij op grond van het vonnis van 14 februari 1997 en van de door verzoeker en twee van zijn collega’s afgelegde verklaringen de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege voorstelt wegens ernstige tekortkomingen aan de beroepsplichten, namelijk het niet naleven van de dienstverplichtingen, reglementen en wetten, het schenden van het beroepsgeheim door na iedere telefonische vraag aan onbekenden gegevens te bezorgen die hij enkel kent als gevolg van zijn beroep, feiten die strafrechtelijk zijn bewezen en waarvoor hij correctioneel werd veroordeeld, het zonder voorafgaande toestemming onderbreken van zijn diensttijd voor privé- aangelegenheden en een gebrek aan loyauteit, alsook wegens het stellen van handelingen die de waardigheid van het ambt in het gedrang brengen, namelijk het schenden van het beroepsgeheim en het bezoeken van herbergen waar de politie regelmatig preventief en repressief dient op te treden. XII-1704-3/21 Op 18 december 1997 besluit de gemeenteraad van Mechelen, na verzoeker op 20 november 1997 te hebben gehoord, hem de tuchtsanctie van ontslag van ambtswege op te leggen, op grond van de eindoverweging “dat de ernst van de feiten een maximum straf verantwoordt”. Voormeld besluit wordt bij ministerieel besluit van 6 maart 1998 niet goedgekeurd. In het ministerieel besluit wordt overwogen, enerzijds, dat alle ten laste gelegde feiten als bewezen moeten worden beschouwd, doch, anderzijds, dat de loutere stijlformule “dat de ernst van de feiten een maximum straf verantwoordt” bezwaarlijk als een afdoende motivering kan worden beschouwd om een zo ingrijpende maatregel als een ontslag van ambtswege te rechtvaardigen, dat, indien redelijkerwijze zou kunnen worden aangenomen dat de tuchtoverheid het zwaarst zou hebben getild aan verzoekers correctionele veroordeling, moet worden vastgesteld dat deze veroordeling met uitstel werd uitgesproken en dat de rechter een veroordeling met uitstel een voldoende waarschuwing voor de toekomst noemt, dat weliswaar de tuchtoverheid niet gebonden is door de beoordeling van de feiten door de strafrechter zodat ook na de opschorting van de uitspraak of een straf met uitstel de zwaarste sanctie kan worden opgelegd, dat de tuchtoverheid evenwel verplicht is de beslissing van de strafrechter in haar oordeel te betrekken en het niet evident is dat in deze gevallen de zwaarste sanctie wordt uitgesproken, dat de tuchtoverheid hiervoor alleszins een wettig motief moet kunnen inroepen en dat hiervan in het gemeenteraadsbesluit van 18 december 1997 geen sprake is. Een afschrift van dat niet-goedkeuringsbesluit wordt bij aangetekende brief van 6 maart 1998 aan het stadsbestuur van Mechelen bezorgd met de mededeling dat het dat bestuur vrij staat het dossier te hernemen mits inachtneming van de motieven van niet-goedkeuring. 2.
- Verzoeker biedt zich op 9 maart 1998 met het niet- goedkeuringsbesluit aan met de vraag wanneer hij zijn dienst bij de politie kan hervatten. Op 10 maart 1998 stelt de korpschef de burgemeester voor, verzoeker bij hoogdringendheid preventief te schorsen met verlies van wedde voor een periode van vier maanden, hem zo vlug mogelijk te horen en de tuchtzaak opnieuw voor te leggen aan de gemeenteraad teneinde een nieuw gefundeerd en gemotiveerd besluit te nemen aangezien de wederindienstneming van verzoeker de goede werking van de dienst in het gedrang brengt. XII-1704-4/21 Verzoeker wordt bij besluit van 10 maart 1998 van de burgemeester met ingang van dezelfde datum bij hoogdringendheid preventief geschorst. 2.
- Verzoeker wordt bij aangetekende brief van 16 april 1998 opgeroepen om op 7 mei 1998 voor de gemeenteraad te verschijnen naar aanleiding van het “hernemen tucht-dossier gemeenteraad 18.12.97”. Verzoekers aandacht wordt gevestigd op het feit dat deze hoorzitting enkel betrekking heeft op het opnieuw bepalen van de strafmaat en op de motivering. Verzoeker wordt op 7 mei 1998 door de gemeenteraad gehoord nadat negen gemeenteraadsleden die niet aanwezig waren bij verzoekers eerste verhoor op 20 november 1997 de vergadering hebben verlaten. Uit het proces- verbaal van verhoor blijkt voorts, eensdeels, dat verzoekers raadsman vraagt dat wordt genotuleerd dat een aantal raadsleden de vergadering heeft moeten verlaten en, anderdeels, dat de voorzitter opnieuw wijst op het feit dat de hoorzitting enkel wordt gehouden voor het opnieuw bepalen van de motivering en eventueel van de strafmaat en dat verzoeker in die optiek zal worden gehoord. In de zitting van 25 juni 1998 behandelt de gemeenteraad agendapunt 63 “uitspraak strafmaatregel in het tuchtdossier ten laste van een politieagent-hoofdbrigadier” nadat dertien raadsleden die niet aanwezig waren bij verzoekers verhoor op 7 mei 1998 de raadzaal hebben verlaten. De gemeenteraad beslist in besloten vergadering en bij geheime stemming, met zestien stemmen voor en vijf stemmen tegen, verzoeker de tuchtsanctie van het ontslag van ambtswege op te leggen en deze sanctie te laten ingaan de eerste werkdag na de dag van de betekening. Dit besluit somt de “weerhouden inbreuken” op en is voorts als volgt gemotiveerd : “Overwegende : - dat het Ministerieel Besluit van 6 maart 1998 uitdrukkelijk heeft gesteld dat de feiten bewezen zijn en de niet goedkeuring van het besluit te wijten was aan de motivering van de strafmaat gezien de strafrechtelijk uitspraak met uitstel; - de beschikbaarheid van zeer gevoelige informatie bij de politie; - de evolutie van die informatisering binnen het Mechels politiekorps en de verruiming van de bevragingsmogelijkheden; - dat de totale afscherming van dergelijke informatie voor sommige personeelsleden kan leiden tot de disfunctie van de politiewerking; - dat het bevragen via collega’s niet als sluitend wordt ervaren voor enig misbruik; XII-1704-5/21 - het ontstane wantrouwen van de leiding en de collega’s ten overstaan van Eric De Maeyer; - dat de dienst waar Eric De Maeyer werkzaam was de enige dienst binnen het korps is met een zeer beperkte individuele opvraagmogelijkheid en hij er nog in lukte dergelijk misbruik te maken van informatie; - het zich openlijk met foto en volledige naam tentoonstellen in de pers waardoor de lokale bevolking de agent-hoofdbrigadier Eric De Maeyer kon herkennen als die politieagent die het niet te nauw nam met zijn beroepsgeheim; - dat hij hierdoor niet alleen het vertrouwen van zijn collega’s maar ook dit van de bevolking heeft verloren; - ondanks de veroordeling met uitstel als waarschuwing voor de toekomst: - dat wegens de aard van het misdrijf waarvoor hij veroordeeld werd, zijn aanwezigheid niet meer verenigbaar is met het belang van de dienst en dat tuchtrechtelijk zelfs de ernst van de feiten een maximum straf verantwoordt;” 2.
- Verzoeker stelt bij brief van 3 juli 1998 bij de toezichthoudende overheid beroep in tegen het voornoemde gemeenteraadsbesluit. Op 5 augustus 1998 worden zowel verzoeker, bijgestaan door zijn raadsman, als de stad Mechelen, vertegenwoordigd door de hoofdcommissaris van politie, gehoord. Het tuchtbesluit van 25 juni 1998 van de gemeenteraad van Mechelen wordt bij ministerieel besluit van 2 september 1998 goedgekeurd. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : “Overwegende dat de tuchtstraf van ontslag van ambtswege werd opgelegd voor de ten lasteleggingen opgesomd in het ministerieel besluit van 6 maart 1998 dat hierbij als integraal hernomen wordt beschouwd; Overwegende dat de verdediging op de zitting in beroep van 5 augustus 1998 verwijst naar de argumenten aangehaald naar aanleiding van het beroep tegen het eerste tuchtbesluit van 18 december 1997; dat zij erop wijst dat het nieuwe besluit van 25 juni 1998 niet tegemoetkomt aan de opmerkingen van het ministerieel besluit van 6 maart 1998 inzake de niet-naleving van de motiveringsplicht; dat bijgevolg weer geen verband wordt aangetoond tussen de ten laste gelegde feiten en de opgelegde sanctie; dat bij de nieuwe behandeling, de samenstelling van de tuchtoverheid, d. i. de gemeenteraad, in het nadeel van betrokkene was vermits een aantal leden werden geweerd, voornamelijk oppositieleden; dat in vergelijking met andere tuchtzaken betrokkene onredelijk werd behandeld; Overwegende dat wordt betwijfeld of hij geen andere taken kan vervullen binnen het stadsbestuur; dat benadrukt wordt dat indien de strafrechter gunstmaatregelen toestaat de tuchtoverheid hier slechts op uitdrukkelijk gemotiveerde wijze kan vanaf wijken; Overwegende dat in het ministerieel besluit van 6 maart 1998 op gemotiveerde wijze wordt aangetoond dat de ten laste gelegde feiten bewezen moeten geacht worden; dat het tuchtbesluit van 18 december 1998 echter op geen enkele wijze uitsluitsel geeft over de noodzaak van de opgelegde sanctie, met name ontslag XII-1704-6/21 van ambtswege; dat niet zondermeer kan voorbijgegaan worden aan de uitspraak van de strafrechter voornamelijk indien deze, zoals in casu, slechts een lichte straf uitspreekt; dat de tuchtoverheid met andere woorden rekening moet houden met die uitspraak en desgevallend slechts op gemotiveerde wijze een tuchtsanctie kan opleggen die zwaarder is dan de door de strafrechter uitgesproken straf; Overwegende dat in het nu voorliggende tuchtbesluit van 25 juni 1998 naast een opsomming van de ten laste gelegde feiten ook argumenten worden vermeld die moeten tegemoetkomen aan de bemerkingen van het ministerieel besluit van 6 maart 1998; dat algemene vaststellingen worden aangegeven in verband met het functioneren van politiediensten, met name de beschikbaarheid van gevoelige informatie bij de politie, de verruimde bevragingmogelijkheden, het feit dat afscherming van dergelijke informatie voor sommige personeelsleden kan leiden tot disfunctie van de politie en dat het bevragen via collega’s niet sluitend is; dat erop gewezen wordt dat betrokkene misbruik maakt van de informatie waarover hij binnen zijn dienst beschikte; dat betrokkene via de pers publiekelijk bekend geraakte; dat geconcludeerd wordt dat betrokkene het vertrouwen van zijn collega’s en van de bevolking heeft verloren; dat wegens de aard van het misdrijf zijn aanwezigheid niet verenigbaar is met het belang van de dienst en hierdoor de maximum tuchtstraf verantwoord is; Overwegende dat de argumenten in verband met de informatieraadpleging binnen het politiekorps aantonen dat betrokkene niet meer kan ingezet worden binnen het korps; dat volgens de motivering betrokkene op geen enkele wijze nog in contact mag worden gebracht met de gegevens die binnen het korps ter beschikking zijn; dat aan die vereiste ogenschijnlijk niet kan tegemoet worden gekomen; Overwegende dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Mechelen van 14 februari 1997 betrokkene veroordeelt omdat hij het beroepsgeheim heeft geschonden; dat het tuchtbesluit van 25 juni 1998 door zijn motivering op basis van het misbruik van informatie, zoals hiervoor uiteengezet, nagenoeg uitsluitend gebaseerd is op de schending van het beroepsgeheim; Overwegende dat het vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Mechelen van 14 februari 1997 bepaalt dat mag vermoed worden dat een veroordeling met uitstel een voldoende waarschuwing voor de toekomst is; dat zoals ook wordt vermeld in het ministerieel besluit van 6 maart 1998 de tuchtoverheid die uitspraak moet betrekken in haar oordeel; dat uit het tuchtbesluit blijkt waarom hetzelfde feit, met name de schending van het beroepsgeheim, slechts bestraft door een waarschuwing door de strafrechter, door de tuchtoverheid met de zwaarste tuchtstraf wordt gesanctioneerd; Overwegende dat de motieven van het tuchtbesluit dienen aan te geven dat de schending van het beroepsgeheim in casu impliceert dat betrokkene op geen enkele wijze in staat wordt geacht om in de toekomst nog politiewerk te verrichten; dat hij zoals uit de motivering blijkt moet geweerd worden van elke dienst waarbij hij in direct contact komt met gevoelige informatie, wat niet mogelijk is; dat het tuchtbesluit bepaalt dat de aanwezigheid van betrokkene onverenigbaar is met het belang van de dienst; Overwegende dat aan de hand van het tuchtbesluit kan worden ingezien hoe feiten die, geïnterpreteerd binnen hun context door de strafrechter slechts met een waarschuwing voor de toekomst worden bestraft, aanleiding zijn voor de tuchtoverheid om betrokkene volledig aan zijn taken te onttrekken en hem te ontslaan; dat een waarschuwing betekent dat de feiten inderdaad bewezen zijn doch dat ze van die aard zijn of gepleegd zijn in dergelijke omstandigheden dat slechts een dreiging met een straf indien betrokkene in de toekomst hervalt, volstaat; dat dit echter niet wegneemt dat de gepleegde feiten binnen de dienstverlening en de specifieke veiligheidstaak van de politie van dergelijk doorslaggevende aard zijn, dat zonder blijvende argwaan en terughoudendheid XII-1704-7/21 van de collega’s en de bevolking, betrokkene niet kan functioneren als politieagent; dat dit immers een vertrouwensfunctie is waar voornamelijk de bevolking in probleemsituaties een beroep op doet; dat gezien de bekendheid die de zaak gekregen heeft omwille van de aard van de feiten betrokkene inderdaad een kwalijke reputatie meesleept voor de toekomst met de mogelijkheid van weigering van medewerking vanwege zijn collega’s en wantrouwige reacties van de bevolking; Overwegende dat aan de hand van het tuchtbesluit van 25 juni 1998 wordt vastgesteld dat betrokkene naar de toekomst toe niet kan ingeschakeld worden bij politiewerk; dat de tuchtoverheid de feiten veel zwaarder kwalificeert dan de strafrechter en elke mogelijke inschakeling van betrokkene in de politiediensten onmogelijk acht; dat zoals supra uiteengezet en ondanks het vonnis van de strafrechter, de kwalificatie van de feiten van die aard is dat betrokkene onbekwaam moet worden geacht om zijn taak nog verder te vervullen; Overwegende dat het tuchtbesluit van 25 juni 1998 louter het feit in aanmerking neemt dat tevens door de strafrechter werd beoordeeld, met name de schending van het beroepsgeheim, met als conclusie weliswaar dat het vertrouwen in betrokkene in ogen van de collega’s en de bevolking geschonden is; dat dit slechts een conclusie is inherent aan het ten laste gelegde feit en op zich uiteraard niet volstaat om betrokkene te ontslaan maar wel van doorslaggevend belang is in functie van de politiewerking zoals aangegeven in het tuchtbesluit; Overwegende dat vermits de strafrechter ervan uitgaat dat betrokkene het voorrecht kan genieten van een straf met uitstel, ervan mag uitgegaan worden dat betrokkene strafrechtelijk voldoende berispt is met een waarschuwing en het risico dat hij in zijn strafbare activiteiten hervalt gering wordt ingeschat; dat de aard van de straf uitgesproken door de strafrechter alleszins betrokkene de kans geeft om zich te herpakken en de dreiging met de uitgestelde straf een voldoende maatregel acht om te voorkomen dat betrokkene dreigt te recidiveren; dat de tuchtoverheid in zijn tuchtbesluit van 25 juni 1998 hiermee rekening houdt; dat dit niet betekent dat betrokkene geen tuchtsanctie kan worden opgelegd, doch dat in concreto moet aangegeven worden dat voor feiten die slechts een strafrechtelijke waarschuwing opleveren geen enkele andere tuchtsanctie kan volstaan; Overwegende dat, zoals volgt uit de motieven van het tuchtbesluit, zelfs de meest eenvoudige taak die een politieagent kan opgelegd worden niets afdoet aan de specifieke kenmerken van het beroep inzake veiligheid en betrouwbaarheid; dat bovendien in de huidige maatschappelijke context het imago van veiligheidsdiensten reeds dermate geschonden werd dat criminele activiteiten van de leden van die diensten elk moeizaam opgebouwd herwonnen vertrouwen slechts hypothekeren en bijgevolg niet kunnen getolereerd worden; Overwegende dat de opmerking van de verdediging in verband met de samenstelling van de gemeenteraad, hier de tuchtoverheid, niet kan weerhouden worden; dat de tuchtprocedure ingevolge het ministerieel besluit van 6 maart 1998 niet initieel diende hernomen te worden doch slechts vanaf de procedurefase die aanleiding gaf tot de niet-goedkeuring; dat het voor de goede rechtsbedeling van de zaak evident lijkt dat, gezien de vorige behandeling van die tuchtzaak in een eerdere gemeenteraadszitting, de tuchtoverheid, dus de gemeenteraad op dezelfde wijze is samengesteld; dat men in het andere geval het risico loopt dat personen die deel uitmaken van de tuchtoverheid niet beschikken over alle gegevens om de zaak te beoordelen en een sanctie uit te spreken die in overeenstemming is met de feiten die ten laste worden gelegd”; XII-1704-8/21
- De grond van de zaak. 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in een eerste middel een schending “van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen” inroept; dat hij in een eerste onderdeel betoogt dat de stemming geheim moet zijn, terwijl te dezen bezwaarlijk sprake kan zijn van een geheime stemming aangezien de debatten werden gevoerd en afgesloten op 7 mei 1998 en er pas op 25 juni 1998 werd gestemd zodat alle partijen de kans hadden bij elkaar te komen en een gemeenschappelijk standpunt in te nemen, “wat in casu blijkbaar ook gebeurd is”; dat hij in een tweede onderdeel aanvoert dat hij in een procedure zoals deze het laatste woord moet hebben, dat daarentegen de burgemeester het nodig achtte nadat verzoeker en zijn raadsman de zitting hadden verlaten het woord te nemen om eigen bevindingen te uiten en persoonlijke opmerkingen aan het dossier toe te voegen, dat dit indruist tegen elke goede rechtsbedeling en de burgemeester hierop werd gewezen door enkele gemeenteraadsleden; 3.1.
- Overwegende dat eerste verwerende partij inzake het eerste onderdeel doet gelden dat het uitstellen van de stemming geenszins in strijd is met artikel 305, § 1, van de nieuwe gemeentewet dat bepaalt dat de tuchtoverheid binnen de twee maanden na het afsluiten van het proces-verbaal van de laatste hoorzitting uitspraak doet over de op te leggen tuchtmaatregel, dat de geheime stemming is ingevoerd om de onafhankelijkheid en de gewetensvrijheid van de gemeenteraadsleden te verzekeren, dat het eventueel bespreken van verzoekers zaak in partij- of groepsverband door de gemeenteraadsleden, geen afbreuk doet aan het feit dat zij geheim stemmen, waardoor hun vrijheid op dat ogenblik is verzekerd; dat zij met betrekking tot het tweede onderdeel uiteenzet dat de rechten van verdediging, zoals bepaald in artikel 299 van de nieuwe gemeentewet, werden nageleefd, dat het verlenen van het laatste woord aan betrokkene niet is voorgeschreven in artikel 299, maar wel in de penale rechtspleging, dat deze vereiste zonder wettekst evenwel niet kan worden overgebracht naar de tuchtrechtelijke procedure, dat verzoeker overigens geheel ten onrechte beweert dat het laatste woord hem niet zou zijn verleend, aangezien het tegendeel blijkt uit het proces-verbaal van verhoor van 7 mei 1998, dat hetgeen de burgemeester en eventueel bepaalde gemeenteraadsleden daarna zouden hebben gezegd informele gesprekken waren over de zaak en over de formulering van het te nemen besluit, wat buiten het kader van verzoekers verhoor en het uitoefenen van zijn rechten van verdediging valt; XII-1704-9/21 3.1.
- Overwegende dat tweede verwerende partij op het eerste onderdeel antwoordt dat verzoeker niet aangeeft welke substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen te dezen werden geschonden, dat de termijn van twee maanden voorzien in artikel 305, § 1, van de nieuwe gemeentewet ruimschoots werd gerespecteerd, dat al evenmin wordt betwist dat de geheime stemming, voorzien in artikel 100 van de nieuwe gemeentewet, werd nageleefd, dat verzoekers bewering dat tussen het verhoor op 7 mei 1998 en de beslissing van 25 juni 1998 afspraken werden gemaakt slechts een veronderstelling is en dat dit, zelfs indien het zou zijn gebeurd, niet verhindert dat de raadsleden vrij en onafhankelijk hebben beslist op 25 juni 1998; dat zij inzake het tweede onderdeel argumenteert dat verzoeker ook nu niet aangeeft welke substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen werden geschonden, dat hij niet aantoont dat de burgemeester achteraf uitlatingen heeft gedaan in zijn afwezigheid, dat hij wel stelt dat enkele raadsleden de burgemeester hebben gewezen op het feit dat zijn handelwijze tegen elke goede rechtsbedeling indruist, doch niet blijkt waaruit verzoeker dit afleidt, dat bovendien niet blijkt dat de achteraf geformuleerde uitlatingen of opmerkingen van de burgemeester op de beslissing van 25 juni 1998 enige invloed hebben gehad en verzoeker hierover geen enkele aanwijzing geeft, dat niet duidelijk is in welke mate dit feit enige invloed kan hebben gehad op de rechten van verdediging die hem in het kader van een goede rechtsbedeling worden gegarandeerd; 3.1.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord enkel ingaat op de antwoorden op het tweede onderdeel van zijn eerste middel; dat hij betoogt dat het logisch is dat hij niet bewijst dat de burgemeester achteraf in zijn afwezigheid het woord heeft genomen, nu hij hierover werd ingelicht door enkele raadsleden die hun ongenoegen hebben geuit over deze handelwijze en de burgemeester wist dat dit niet geoorloofd was en hij het bijgevolg niet liet notuleren, dat het feit dat de burgemeester zijn eigen mening heeft gegeven over de feiten steeds kan worden bevestigd door voornoemde gemeenteraadsleden, dat het verhoor volledig tegensprekelijk diende te gebeuren teneinde hemzelf of zijn raadsman de mogelijkheid te bieden zich te verdedigen tegen de persoonlijke visie van de burgemeester, dat als er na het afsluiten van de zaak toch nog een eigen visie naar voor werd gebracht, de rechten van de verdediging wel degelijk werden geschonden aangezien hij zich tegen deze uitspraken niet heeft kunnen verweren; XII-1704-10/21 3.1.
- Overwegende, met betrekking tot het eerste onderdeel van het eerste middel, dat luidens artikel 100 van de nieuwe gemeentewet “tuchtstraffen geschieden bij geheime stemming”; dat uit het administratief dossier blijkt dat te dezen aan deze vereiste werd voldaan; dat verwerende partijen bovendien terecht opmerken dat, ook al zouden de gemeenteraadsleden verzoekers zaak vooraf- gaandelijk hebben besproken in partij- of groepsverband, zij op 25 juni 1998 geheim hebben gestemd zodat hun onafhankelijkheid en gewetensvrijheid op dat ogenblik verzekerd was, ook al zouden er voorafgaandelijk afspraken zijn gemaakt; dat het eerste onderdeel van het eerste middel niet gegrond is; Overwegende, wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, dat uit de processen-verbaal van verhoor van 5 augustus 1998 blijkt dat verzoekers raadsman voor de toezichthoudende overheid aanvoerde dat, nadat de hoorzitting op 7 mei 1998 was beëindigd en verzoeker en diens raadsman de zitting hadden verlaten, “de burgemeester de zaak nog hernomen zou hebben en er nog opmerkingen zouden gemaakt zijn”; dat verzoeker in zijn verzoekschrift aanvoert dat de burgemeester, na behandeling van de zaak en in zijn afwezigheid, toch nog het woord nam “om een aantal van zijn eigen bevindingen te uiten” en “nog persoonlijke opmerkingen toevoegde aan het dossier”; dat evenwel in het auditoraatsverslag wordt vastgesteld dat verzoeker niet duidelijk maakt, noch in zijn verzoekschrift, noch in zijn memorie van wederantwoord waarop die “eigen bevindingen” of “persoonlijke opmerkingen” betrekking hebben en aldus het onderdeel niet op ontvankelijke wijze aanbrengt; dat verzoeker na kennisname van het auditoraatsverslag geen substantiële laatste memorie maar enkel een verzoek tot voortzetting van het geding indient en zich ter terechtzitting, wat het eerste middel betreft, naar de wijsheid van de Raad van State gedraagt; dat de Raad aldus niet bij machte is na te gaan of er te dezen sprake zou kunnen zijn van de in het middel aangevoerde schending van vormvoorschriften; dat verzoeker dienvolgens dat tweede onderdeel niet ontvankelijk aanbrengt; dat het middel in zijn geheel niet wordt aanvaard; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker een tweede middel steunt op de schending van het algemeen rechtsbeginsel volgens hetwelk niemand rechter in eigen zaak kan zijn en van “de beginselen van behoorlijk bestuur, in bijzonderheid de plicht van onpartijdigheid van bestuur” alsook op “machtsoverschrijding”; dat hij daartoe betoogt dat de burgemeester een aantal gemeenteraadsleden heeft gewraakt en hun heeft verzocht de zitting te verlaten terwijl de zaak “ab initio” diende te worden XII-1704-11/21 hernomen aangezien het ministerieel besluit van 6 maart 1998 de tuchtbeslissing tenietdeed en er dus moet worden gehandeld alsof deze beslissing nooit heeft bestaan, dat bij de gewraakte gemeenteraadsleden een groot aantal leden van de oppositiepartijen waren die de burgemeester niet naar zijn hand kon zetten en van wie hij mogelijks enige tegenkanting mocht verwachten, dat een dergelijke houding blijk geeft van machtsoverschrijding; 3.2.
- Overwegende dat eerste verwerende partij antwoordt dat het ministerieel besluit van 6 maart 1998 uitdrukkelijk stelt dat de door het tuchtbesluit van 18 december 1997 in aanmerking genomen feiten alle bewezen zijn maar dat de motivering ervan de zwaarte van de sanctie niet rechtvaardigt, dat bijgevolg de gemeenteraad de zaak niet ab initio diende te hernemen, de feiten als bewezen mocht blijven beschouwen en op die grond de zaak mocht verderzetten om tot een nieuwe beslissing te komen, dat de burgemeester er dan ook terecht over heeft gewaakt dat alleen de gemeenteraadsleden die aanwezig waren zowel bij het behandelen van de zaak op de gemeenteraadszitting van 20 november 1997 aanwezig waren zowel bij het hernemen van het geding op 7 mei 1998 als bij de uitspraak op 25 juni 1998, dat het een objectieve maatregel betrof die werd toegepast zowel op de leden van de meerderheid als op die van de oppositie; 3.2.
- Overwegende dat tweede verwerende partij verwijst naar artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet dat bepaalt dat de gemeenteraadsleden die niet permanent aanwezig waren tijdens het geheel van de hoorzittingen niet mogen deelnemen aan de beraadslaging noch aan de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel, alsook naar het feit dat de beslissing van 25 juni 1998 voortbouwt op de eerder ingestelde tuchtprocedure, voorafgaand aan het tuchtbesluit van 18 december 1997; dat zij besluit dat de burgemeester met zijn beslissing tot wraking slechts de wet heeft toegepast; 3.2.
- Overwegende dat verzoeker in zijn memorie van wederantwoord uiteenzet dat het niet meer dan logisch is dat wanneer een eerder genomen beslissing door de Vlaamse regering “vernietigd” wordt (lees : niet goedgekeurd), de zaak volledig moet worden hernomen; 3.2.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker betoogt, indien een eerder genomen beslissing door de toezichthoudende overheid niet wordt goedgekeurd en opnieuw een beslissing wordt genomen, de zaak niet volledig moet XII-1704-12/21 worden hernomen, doch het volstaat dat de onregelmatig bevonden administratieve procedure wordt hernomen vanaf het punt waar de door de toezichthoudende overheid vastgestelde onregelmatigheid zich heeft voorgedaan; Overwegende dat verzoeker tijdens de hoorzitting op 20 november 1997, de eerste en laatste hoorzitting die het tuchtbesluit van 18 december 1997 voorafging, werd gehoord inzake de materialiteit van de hem ten laste gelegde feiten en het tuchtrechtelijk laakbaar karakter ervan; dat aangezien in het tuchtverslag van de korpschef uitdrukkelijk de straf van het ontslag van ambtswege werd voorgesteld, verzoeker ook de strafmaat in zijn verdediging kon betrekken; dat in het niet- goedkeuringsbesluit van 6 maart 1998 werd vastgesteld dat de feiten als bewezen dienden te worden beschouwd; dat voorts de toezichthoudende overheid haar goedkeuring enkel onthield op grond van de vaststelling dat uit de motieven van het tuchtbesluit van 18 december 1997 niet kon worden afgeleid waarom de gemeenteraad, ondanks het feit dat de correctionele veroordeling van verzoeker met uitstel werd uitgesproken, alsnog van oordeel was dat hij definitief uit de dienst moest worden verwijderd; dat bijgevolg de gemeenteraad zich niet opnieuw over de materialiteit en het tuchtrechtelijk laakbaar karakter van de feiten diende uit te spreken en verzoeker hieromtrent niet meer diende te worden gehoord; dat indien wordt aangenomen dat wanneer een tuchtbesluit niet wordt goedgekeurd omwille van een gebrek aan formele motivering inzake de toegekende strafmaat, de tuchtoverheid ertoe gehouden is een nieuwe hoorzitting te organiseren, die hoe dan ook enkel betrekking dient te hebben op de strafmaat, hetgeen trouwens met zoveel woorden werd meegedeeld in de brief waarbij verzoeker werd opgeroepen voor de hoorzitting van 7 mei 1998; Overwegende voorts dat artikel 305, § 2, van de nieuwe gemeentewet bepaalt dat indien de tuchtstraf wordt opgelegd door de gemeenteraad, de leden van die raad die niet permanent tijdens het geheel van de hoorzittingen aanwezig waren niet mogen deelnemen aan de beraadslaging noch aan de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel; dat aangezien de hoorzitting van 20 november 1997 betrekking had op de materialiteit van de ten laste gelegde feiten, het tuchtrechtelijk karakter ervan en de strafmaat, en de hoorzitting van 7 mei 1998 enkel betrekking had op de strafmaat, de negen gemeenteraadsleden die niet aanwezig waren op de hoorzitting van 20 november 1997, alsook de vier raadsleden die wel aanwezig waren op de hoorzitting van 20 november 1997, maar niet op die van 7 mei 1998, krachtens voornoemd artikel op 25 juni 1998 niet mochten deelnemen aan de XII-1704-13/21 beraadslaging noch aan de stemming over de op te leggen tuchtmaatregel; dat aangezien het die betrokken dertien raadsleden hoe dan ook wettelijk verboden was tijdens de beraadslaging en stemming zelf tussen te komen, de voorzitter van de gemeenteraad bezwaarlijk enige vorm van machtsoverschrijding kan worden verweten doordat hij deze raadsleden verzocht de zaal te verlaten; dat al evenmin valt in te zien hoe de voorzitter van de gemeenteraad, door aldus te handelen, rechter in eigen zaak zou zijn geweest of tekort zou zijn gekomen zijn aan de plicht van onpartijdigheid van bestuur, temeer nu de eerste verwerende partij niet wordt tegengesproken als zij stelt dat deze maatregel werd toegepast op zowel de leden van de meerderheid als op die van de oppositie; dat het tweede middel niet gegrond is; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in een derde middel de schending van het redelijkheidsbeginsel inroept; dat hij daartoe argumenteert dat de minister in zijn eerste besluit van 6 maart 1998 meende dat verzoeker niet in aanmerking kwam voor de zwaarste sanctie omdat de rechter hem nog een kans had gegeven door de uitgesproken gevangenisstraf met uitstel uit te spreken, terwijl de minister hiermee in zijn tweede besluit geen rekening meer houdt, ook al bleef de situatie ongewijzigd tussen het eerste en het tweede besluit, dat de verklaringen uit het strafdossier waarnaar wordt verwezen met “het nodige korreltje zout” moeten worden genomen aangezien hij de collega’s die deze verklaringen aflegden liet oproepen en zij allen hun verantwoordelijkheid ontliepen door niet te verschijnen, dat de minister in zijn eerste besluit de beslissing teniet deed omdat er onvoldoende motivering was om tot de zwaarste straf te besluiten, dat de minister thans op grond van de in het gemeenteraadsbesluit van 25 juni 1998 opgegeven motivatie meent dat verzoeker geacht moet worden onbekwaam te zijn zijn taak als politieagent uit te oefenen, dat de praktijk evenwel het tegenovergestelde heeft aangetoond aangezien het eenmalige feit van het navragen van twee nummerplaten plaatsvond op 27 januari 1995 en verzoeker tot zijn ontslag nooit van dienst is overgeplaatst, zodat geen geloof kan worden gehecht aan het feit dat hij niet meer zou kunnen functioneren als politieagent, dat in voormelde periode geen enkel feit van schending van het beroepsgeheim werd vastgesteld, zodat mag worden aangenomen worden dat hij zijn les had geleerd, dat hij de laatste dag dat hij in dienst was nog een inbreker heeft ingerekend, waarvoor hij overuren heeft moeten maken waarvan hij bij voorbaat wist dat ze nooit zouden worden vergoed, hetgeen getuigt van zijn plichtsbesef ten aanzien van de gemeenschap, dat de belangstelling van de media hem niet kan worden verweten aangezien zij uit zijn op sensatie en hij zelf niet kan verhinderen wat men over hem schrijft, dat inzake het geschokte vertrouwen van collega’s met twee XII-1704-14/21 maten en twee gewichten wordt gewerkt aangezien onlangs een agente zich schuldig maakte aan het vervalsen van een proces-verbaal en tegen deze persoon geen stappen werden ondernomen zoals ten opzichte van hemzelf omdat zij over de “nodige armslag” bij de hiërarchische overheid beschikte om de burgemeester zodanig te beïnvloeden dat niet werd opgetreden, dat het hier bijgevolg duidelijk om een persoonlijke afrekening gaat waarbij het redelijkheidsbeginsel werd miskend; 3.3.
- Overwegende dat eerste verwerende partij antwoordt dat het bestreden besluit uitvoerig vermeldt waarom het nieuwe gemeenteraadsbesluit terecht dezelfde zware straf heeft uitgesproken, dat verzoeker zich er tevergeefs op beroept dat de getuigen die hij had laten oproepen niet zijn opgedaagd, aangezien opgeroepen getuigen niet verplicht zijn te verschijnen, dat de tuchtoverheid bijgevolg terecht steunde op de schriftelijk afgelegde verklaringen waaromtrent verzoeker zijn verweer volledig heeft kunnen voeren, dat verzoeker beweert dat deze verklaringen met enige kritiek moeten worden gelezen, doch geen miskenning van hun bewijskracht aanvoert, dat de in het bestreden besluit opgenomen motieven de uitgesproken straf en het onderscheid tussen de penale en disciplinaire beoordeling rechtvaardigen, dat het strafbaar karakter van de feiten op disciplinair gebied niet kan worden betwijfeld, dat het miskennen van het beroepsgeheim afbreuk doet aan het vertrouwen dat de politie moet wekken en waarop de burgers recht hebben, dat de ruchtbaarheid die ondertussen aan de zaak werd gegeven door krantenartikels met verzoekers foto de feiten algemeen bekend maakt, dat de sanctie die steunt op de in acht genomen feiten en op het miskennen van het vertrouwen dat de politiediensten aan de overheid en aan de bevolking moeten schenken niet manifest onevenredig is met de feiten en eveneens voldoende is gemotiveerd; 3.3.
- Overwegende dat tweede verwerende partij onder meer argumenteert dat bij het eerste ministerieel besluit van 6 maart 1998 de ten laste gelegde feiten als bewezen worden beschouwd en het gemeenteraadsbesluit enkel niet werd goedgekeurd omdat er in dat besluit onvoldoende motivering was om tot de zwaarste straf te besluiten, dat de gemeenteraad in zijn besluit van 25 juni 1998 duidelijk de argumenten aangeeft die het opleggen van het ontslag van ambtswege moeten verantwoorden, dat verzoeker niet aangeeft welk motief onterecht wordt vermeld en louter bepaalde argumenten uit dit raadsbesluit citeert, dat in het goedkeuringsbesluit uitgebreid wordt gemotiveerd waarom de minister meent dat verzoeker onbekwaam moet worden geacht zijn taak als politieagent verder te zetten, dat het feit dat verzoeker in afwachting van het resultaat van het strafrechtelijk XII-1704-15/21 onderzoek niet preventief werd geschorst, niet bewijst dat hij zijn taak als politieagent zonder problemen kan uitoefenen na te zijn veroordeeld voor schending van het beroepsgeheim, dat over de schending van het beroepsgeheim slechts zekerheid kon bestaan wanneer dit feit door de rechtbank bewezen werd geacht en het vonnis waarbij verzoeker werd veroordeeld in kracht van gewijsde was gegaan, dat verzoeker onmiddellijk nadat het tuchtbesluit van 18 december 1997 niet werd goedgekeurd bij hoogdringendheid preventief werd geschorst omdat zijn indiensthouding een negatieve impact had op de goede werking van de dienst en het aanzien van het politiekorps bij de bevolking, dat de vaststelling dat verzoeker in de periode voorafgaand aan zijn ontslag geen misbruik meer heeft gemaakt van de informatie waarover hij kon beschikken niets afdoet aan de bewezen feiten waarvoor hij werd veroordeeld, dat hetzelfde geldt voor de arrestatie die hij heeft verricht tijdens zijn laatste diensturen, dat uit de verslaggeving in de media duidelijk blijkt dat verzoeker de media zelf heeft ingelicht of het alleszins niet nodig heeft geacht de nodige discretie in acht te nemen, dat, wat betreft de schriftvervalsing waaraan een collega van verzoeker zich zou hebben bezondigd zonder dat hieraan gevolgen werden verbonden, het stadsbestuur, zoals ook het geval was bij verzoeker, wacht op een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker in de memorie van wederantwoord betoogt dat hij niet begrijpt hoe tweede verwerende partij erin slaagt te verantwoorden dat zij op 6 maart 1998 van oordeel was dat er geen reden was om de zwaarste sanctie op te leggen terwijl zij op 2 september 1998 wel meende dat de zwaarste bestraffing verantwoord was, dat haar argument dat hij niet meer kan functioneren in de dienst kant noch wal raakt daar hij sinds het voorval van 27 januari 1995 zonder enige beperking steeds in dezelfde dienst heeft gewerkt, dat geen enkele collega ooit enig voorbehoud heeft geformuleerd over zijn werkwijze of ingesteldheid tussen 27 januari 1995 en 28 december 1997, dat eerste verwerende partij weinig aandacht besteedt aan het feit dat er een groot onevenwicht bestaat tussen het door hem gepleegde eenmalige feit en het ontslag van ambtswege, dat de Raad van State deze situatie moet beoordelen, dat er te dezen duidelijk een onevenwichtigheid bestaat tussen de gepleegde feiten en de uitgesproken straf en bijgevolg het redelijkheidsbeginsel werd geschonden; 3.3.
- Overwegende dat verzoeker het redelijkheidsbeginsel geschonden acht dat in tuchtzaken vereist dat tussen de in aanmerking genomen feiten en de opgelegde sanctie een redelijk verband van evenredigheid moet bestaan; XII-1704-16/21 3.3.5.
- Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker zowel in zijn verzoekschrift als in zijn memorie van wederantwoord doet gelden, tweede verwerende partij in haar niet-goedkeuringsbesluit van 6 maart 1998 niet van oordeel was dat er, nu de strafrechter hem een kans had gegeven door de uitgesproken gevangenisstraf met uitstel uit te spreken, geen reden was om de tuchtsanctie van ontslag van ambtswege op te leggen; dat integendeel in dat besluit uitdrukkelijk wordt overwogen dat de tuchtoverheid ook na een straf met uitstel de zwaarste sanctie kan opleggen; dat wel - en enkel - wordt vastgesteld dat, aangezien de tuchtoverheid verplicht is de beslissing van de strafrechter in haar oordeel te betrekken, het opleggen van de zwaarste tuchtstraf in een dergelijk geval niet evident is en dat de tuchtoverheid, indien er motieven zijn om alsnog de zwaarste sanctie op te leggen, deze motieven duidelijk kenbaar moet maken, hetgeen te dezen, door het hanteren van de loutere stijlformule dat “de ernst van de feiten een maximum straf verantwoordt”, niet het geval was; Overwegende dat de gemeenteraad in zijn besluit van 25 juni 1998 in elk geval formeel aan het bezwaar van de toezichthoudende overheid tegemoetkomt door een aantal motieven in te roepen die, ondanks de strafrechtelijke veroordeling met uitstel, alsnog het opleggen van de -op één na zwaarste- tuchtstraf van het ontslag van ambtswege moeten verantwoorden, motieven die een samenvatting zijn van de motieven van het aanvullend verslag van 10 maart 1998 van de korpschef, aanvullend verslag waarnaar in de aanhef van het gemeenteraadsbesluit uitdrukkelijk wordt verwezen en dat verzoeker bekend was; dat in dat gemeenteraadsbesluit aldus wordt overwogen dat wegens de aard van het misdrijf waarvoor verzoeker werd veroordeeld, zijn aanwezigheid niet langer verenigbaar is met het belang van de dienst; dat bezwaarlijk kan worden betwist dat, zoals in het aanvullend verslag van de korpschef werd gesteld, het kunnen bewaren van het beroepsgeheim een fundamentele waarde en norm is waaraan het politiepersoneel absoluut moet voldoen en dat de gemeenteraad, bij het bepalen van de strafmaat, de aard van het misdrijf waarvoor verzoeker werd veroordeeld in verband mocht brengen met de aard van de door hem beklede functie, ook al werd hij voor dat misdrijf op strafrechtelijk vlak met uitstel veroordeeld; dat de gemeenteraad bovendien niet zonder meer tot de vaststelling komt dat verzoekers verdere aanwezigheid wegens de aard van het door hem begane misdrijf niet langer verenigbaar is met het belang van de dienst, doch concreet aangeeft waarom het verder in dienst houden van verzoeker onmogelijk is geworden; dat immers wordt verwezen naar de beschikbaarheid van zeer gevoelige informatie bij de politie, naar XII-1704-17/21 de evolutie van de informatisering binnen het politiekorps waardoor de bevragingsmogelijkheden van deze informatie worden verruimd, naar het feit dat de totale afscherming van dergelijke informatie voor sommige personeelsleden kan leiden tot de disfunctie van de politiewerking en het bevragen via collega’s geen sluitende oplossing biedt voor enig misbruik, naar het wantrouwen dat ten overstaan van verzoeker bij leiding en collega’s is ontstaan en naar het feit dat verzoeker met naam en foto in de pers verscheen, waardoor hij, nu de lokale bevolking hem kon herkennen als een politieagent die het niet te nauw nam met het beroepsgeheim, ook het vertrouwen van de bevolking heeft verloren; Overwegende dat in het bestreden besluit van de minister inzake de door de gemeenteraad opgegeven motieven onder meer wordt overwogen “dat de argumenten in verband met de informatieraadpleging binnen het politiekorps aantonen dat betrokkene niet meer kan ingezet worden binnen het korps”, “dat aan de hand van het tuchtbesluit kan worden ingezien hoe feiten die, geïnterpreteerd binnen hun context door de strafrechter slechts met een waarschuwing voor de toekomst worden bestraft, aanleiding zijn voor de tuchtoverheid om betrokkene volledig aan zijn taken te onttrekken en hem te ontslaan”, “dat de gepleegde feiten binnen de dienstverlening en de specifieke veiligheidstaak van de politie van dergelijk doorslaggevende aard zijn, dat zonder blijvende argwaan en terughoudendheid van de collega’s en de bevolking, betrokkene niet kan functioneren als politieagent; dat dit immers een vertrouwensfunctie is waar voornamelijk de bevolking in probleemsituaties een beroep op doet; dat gezien de bekendheid die de zaak gekregen heeft omwille van de aard van de feiten betrokkene inderdaad een kwalijke reputatie meesleept voor de toekomst met de mogelijkheid van weigering van medewerking vanwege zijn collega’s en wantrouwige reacties van de bevolking”, en “dat, zoals volgt uit de motieven van het tuchtbesluit, zelfs de meest eenvoudige taak die een politieagent kan opgelegd worden niets afdoet aan de specifieke kenmerken van het beroep inzake veiligheid en betrouwbaarheid; dat bovendien in de huidige maatschappelijke context het imago van veiligheidsdiensten reeds dermate geschonden werd dat criminele activiteiten van de leden van die diensten elk moeizaam opgebouwd herwonnen vertrouwen slechts hypothekeren en bijgevolg niet kunnen getolereerd worden”; Overwegende dat verzoeker aldus bezwaarlijk kan beweren dat de minister de gemeenteraadsbeslissing van 25 juni 1998 “zonder enige reden” is bijgetreden, of nog dat hij “niet begrijpt hoe [de minister] erin slaagt om te XII-1704-18/21 verantwoorden dat [hij] op 06/03/98 van oordeel was dat er geen reden was om de zwaarste sanctie op te leggen als de strafrechter van oordeel was dat de beklaagde nog een kans moet geboden worden om zich te herpakken waardoor een straf met uitstel een voldoende bestraffing was terwijl [hij] op 02/09/98 dan wel van oordeel was dat de zwaarste bestraffing mocht toegekend worden”; 3.3.5.
- Overwegende dat verzoeker, om alsnog te bewijzen dat de minister door te oordelen dat hij onbekwaam moet worden geacht zijn taak als politieagent verder te zetten het redelijkheidsbeginsel heeft geschonden, zowel in zijn verzoekschrift als in zijn memorie van wederantwoord doet gelden dat de minister vergeten is dat het eenmalige feit van het navragen van twee nummerplaten plaatsvond op 27 januari 1995 en hij nooit van dienst is overgeplaatst tot aan zijn ontslag op 28 december 1997, dat gedurende die periode geen enkel feit van schending van het beroepsgeheim werd vastgesteld en geen enkele collega ooit enig voorbehoud heeft geformuleerd over zijn werkwijze of ingesteldheid, dat hij de laatste dag dat hij in dienst was een inbreker inrekende, wat getuigt van plichtsbesef ten opzichte van de gemeenschap, dat de belangstelling van de media hem niet kan worden verweten aangezien de media uit zijn op sensatie en hij niet kan verhinderen wat men over hem schrijft; Overwegende dat, los van de vaststelling dat uit het proces-verbaal van verhoor van 5 augustus 1998 niet blijkt dat verzoeker deze argumenten heeft aangevoerd voordat de minister het bestreden besluit nam, tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord niet onterecht opmerkt dat de indiensthouding van verzoeker tot aan zijn ontslag, het feit dat hij in die periode niet opnieuw misbruik heeft gemaakt van de informatie waarover hij kon beschikken en het feit dat hij tijdens zijn laatste uren een arrestatie verrichtte geen afbreuk doen aan zijn veroordeling en, a fortiori, aan de gevolgen die de gemeenteraad daaraan kon verbinden en dat uit de verslaggeving in de media duidelijk blijkt dat verzoeker de media zelf heeft ingelicht of het alleszins niet nodig heeft geacht de nodige discretie in acht te nemen; dat deze argumenten van verzoeker dan ook niet van aard zijn om aan te nemen dat een disproportionele bestraffing voorhanden is; 3.3.5.
- Overwegende dat verzoeker nog aanvoert dat de in het strafdossier voorkomende verklaringen van collega’s, waarnaar tijdens de eerste hoorzitting werd verwezen, met een “korreltje zout” moeten worden genomen; XII-1704-19/21 Overwegende dat verzoekers argument niet tot de gegrondheid van het middel kan bijdragen; dat het middel immers niet het bewijs van feiten betreft maar de evenredigheid tussen die feiten en hun tuchtrechtelijke bestraffing; 3.3.5.
- Overwegende dat verzoeker daarnaast nog inroept dat, wat betreft het geschokte vertrouwen van de collega’s, met twee maten en twee gewichten wordt gewerkt aangezien ten aanzien van een vrouwelijke collega die zich schuldig maakte aan het vervalsen van een proces-verbaal geen stappen werden ondernomen zoals deze wel werden ondernomen ten opzichte van hemzelf; Overwegende dat verzoekers door geen enkel stuk gestaafde bewering niet van aard is te doen besluiten dat enige gemeentelijke overheid de haar bij wet toegekende bevoegdheden heeft misbruikt om “persoonlijk af te rekenen” met verzoeker, temeer nu verzoekers raadsman dat argument reeds aanvoerde op de hoorzitting van 5 augustus 1998, het stadsbestuur hierop antwoordde dat het een zaak betrof waarover nog geen definitieve uitspraak werd gedaan, tweede verwerende partij in haar memorie van antwoord opnieuw uitdrukkelijk stelt dat net zoals bij verzoeker wordt gewacht op een vonnis dat in kracht van gewijsde is gegaan en verzoeker in zijn memorie van wederantwoord desondanks niet verder komt dan een loutere herhaling van hetgeen hij in zijn verzoekschrift beweert; 3.3.5.
- Overwegende dat, alle hiervoor besproken gegevens van de zaak in acht genomen, en de feiten stellende tegenover de sanctie, de Raad van State niet vaststelt dat te dezen de opgelegde sanctie niet in een evenredige verhouding staat tot de feiten die er aanleiding toe gaven; dat daarmee niet gezegd wil zijn dat de tuchtoverheid voor de bedoelde feiten geen lichtere straf had kunnen opleggen die evengoed binnen de grenzen van haar beoordelingsbevoegdheid lag; dat het nu immers eenmaal eigen is aan de uitoefening van discretionaire bevoegdheid, zoals de tuchtbevoegdheid, dat uiteenlopende beslissingen denkbaar zijn die nochtans elk de toets aan het evenredigheidsbeginsel doorstaan; dat het middel niet gegrond is, XII-1704-20/21 BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december 2006, door de XIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. D. VERBIEST, kamervoorzitter, J. LUST, staatsraad, G. VAN HAEGENDOREN, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-1704-21/21 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.235 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div