id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 21 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.246 Rolnummer: A. 179352/VII-36796 Zaak: Arrest 166246 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 21/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2006-12-28 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-07-01 12:18 Fiche Arrest nr 166.246 van 21 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.246 van 21 december 2006 in de zaak A. 179.352/VII-36.
- In zake : de n.v. ORINSO, die woonplaats kiest bij advocaat M. VAN PASSEL, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (OVAM), die woonplaats kiest bij advocaten H. SEBREGHTS en F. SEBREGHTS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- ------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. ORINSO op 13 december 2006 heeft ingediend om de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te vorderen van de tenuitvoerlegging van
- “de niet gedateerde beslissing van de OVAM met referte AB/BA/KS/2006-561, ontvangen door NV ORINSO op 2 november 2006, waarbij de toelating voor uitvoer van afvalstoffen BE 269966 wordt ingetrokken”,
- “de beslissing van 6 december 2006 van de OVAM met referte AB/BA/KS/2006-621, waarbij NV ORINSO met onmiddellijke ingang wordt geschrapt uit het register van overbrengers van afvalstoffen”, en
- “de beslissing van 6 december 2006 van de OVAM met referte AB/BA/KS/2006-620, waarbij de OVAM de toelatingen voor uitvoer van afvalstoffen BE 270328, BE 270363, BE 270364 aan NV ORINSO intrekt en beslist dat NV ORINSO niet meer als kennisgever voor overbrenging van afvalstoffen kan optreden” Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2006; VII-36.796-1/20 Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaten M. VAN PASSEL en I. CUYPERS, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van advocaten H. SEBREGHTS en F. SEBREGHTS, die verschijnen voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de feitelijke toedracht van de zaak op het eerste gezicht als volgt kan worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij werd opgericht op 24 oktober 2002 en heeft als doel de commercialisatie van diensten van ophaling met het oog op de eindver- werking van niet-gevaarlijk organisch biologisch afval. Zij is zelf geen verwerker van afvalstoffen, slaat zelf geen afvalstoffen op en beschikt ook niet over vrachtwagens om het transport van afvalstoffen te doen plaatsvinden. Zij is een handelaar of makelaar die ten behoeve van anderen regelingen treft voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen, waarvan sprake in artikel 14, §2 van het afvalstoffendecreet. Dergelijke handelaars of makelaars zijn onderworpen aan een door de Vlaamse regering te verlenen erkenning, en verzoekster heeft zo’n erkenning ook verworven onder het nummer
- Een overbrenger moet ook worden opgenomen in een register van overbrengers. Wie aan grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen wil doen moet dit ter kennis brengen van de bevoegde overheden, en dit gebeurt met een kennisgevingsformulier. Op dat formulier wordt dan ook de toelating aangebracht voor de overbrenging van afvalstoffen. Verzoekster beschikte over een aantal van die kennisgevingsformulieren. 1.
- Op 22 februari 2006 vindt een gesprek plaats met OVAM i.v.m. het invullen van het register en de identificatieformulieren door de verzoekende partij. De reden is dat de verzoekende partij haar documenten op zo’n wijze opsplitste dat de klant en de eindverwerker elkaar niet rechtstreeks zouden kunnen kennen, VII-36.796-2/20 waardoor immers de tussenkomst van de verzoekende partij overbodig zou worden. OVAM verzet zich evenwel tegen deze praktijk. 1.
- Op 28 maart 2006 stuurt OVAM aan de verzoekende partij een brief waarin verschillende opmerkingen worden gemaakt over het gebruikte register en de identificatieformulieren. Deze brief luidt als volgt : “Register- en identificatiecontrole Geachte, Tijdens het overleg op 20.02.06 met Johan Windels en Marc Van Bets werden uittreksels van het register evenals identificatieformulieren overgemaakt aan ons. Ondertussen zijn deze nagekeken en moeten we toch verschillende fundamentele opmerkingen formuleren, naast enkele bijkomende vragen. Het register : - de EURAL-code ontbreekt; - de verwerkings- of toepassingswijze ontbreekt; - in het geval van dierlijke bijproducten ontbreekt de vermelding ‘categorie 3 - niet voor menselijke consumptie’ of ‘categorie 2 - niet voor dierlijke consumptie’; - (de link met de identificatieformulieren ontbreekt indien ze niet werden opgesteld door Orinso; voor de goede traceerbaarheid van vooral dierlijke bijproducten is dit aan te raden, evenals de link met de facturen). Het identificatieformulier : - Orinso kan onmogelijk op de plaats van geadresseerde, ontvanger worden gezet; - bestemming en afzender kunnen niet Orinso zijn; de goederen komen daar niet langs, worden daar niet afgezet (of is er wel een stockageplaats ...?); bij wegcontroles zal dit voor problemen zorgen en het strookt niet met de wetgeving; - bestemming ‘Orinso Boomsesteenweg Willebroek’ klopt niet; in register is de ontvanger ‘Th’: indien dit staat voor Thermofeed, dan kloppen de gegevens ook niet; Orinso is ook niet gelegen op de Gansdijkweg; - in het geval van dierlijke bijproducten ontbreekt soms de vermelding ‘categorie 3 - niet voor menselijke consumptie’ of ‘categorie 2 - niet voor dierlijke consumptie’; - de EURAL-code ontbreekt soms; - de verwerkingscode ontbreekt soms; De naam Orinso kan vermeld worden bv in het grote vak als trader, opdrachtgever ... maar dus niet als afzender of bestemming. Dit formulier is van groot belang wat betreft de traceerbaarheid van de stroom. Hier moet dus voldoende aandacht aan gegeven worden. Bepaalde transporten gaan van Lommel over Duitsland om uiteindelijk in Lanaken terecht te komen. Wat is daar de meerwaarde van (ontbrekende codes ...)? In het register is de tussenstap via Duitsland niet terug te vinden. Aangezien dit niet de eerste keer is dat de opmerkingen op de identificatiefor- mulieren worden doorgegeven (meermaals mondeling en via klanten als Op De Beeck, Biofer) zijn wij genoodzaakt om dit streng op te volgen. In de nabije toekomst zal opnieuw een opvraging gebeuren”. 1.
- Met een brief van 10 april 1006 deelt OVAM aan de verzoekende partij mee dat “Orinso” nooit mag worden ingevuld op de plaats voor afzender of VII-36.796-3/20 bestemmeling. OVAM rekent er op dat de verzoekende partij zo snel mogelijk de toestanden zal rechttrekken. 1.
- De verzoekende partij blijkt hieraan gevolg geven, wat tijdens een vergadering van 3 mei 2006 door OVAM wordt gecontroleerd en goed bevonden. 1.
- De verzoekende partij betoogt dat zij onvoldoende zekerheid had over de wijze van eindverwerking door een van haar bestemmelingen, de GW Umwelt, en daarom heeft zij in juni 2006 alle uitvoer onder de kennisgeving BE 269966 stopgezet. Vanaf september 2006 werden ook alle overslagactiviteiten bij de NV Thermofeed stopgezet. 1.
- Bij controles door de milieu-inspectie in de loop van de maand juni en de daarop volgende maanden van 2006 blijkt dat er zich opnieuw verschillende overtredingen op de milieuwetgeving voordoen. Op 6 oktober 2006 wordt het proces-verbaal met nummer ME64-H1-0173-06 opgemaakt. Dit PV wordt overgemaakt voor verder gevolg aan het parket van de Procureur des Konings van Mechelen. Kopij ervan wordt tevens bij aangetekend schrijven overgemaakt aan de verzoekende partij. Zij heeft ter terechtzitting een afschrift van het PV neergelegd. 1.
- Bij brief van 19 oktober 2006 van de milieu-inspectie aan OVAM krijgt de verwerende partij kennis van diverse inbreuken die de verzoekende partij ten laste worden gelegd. Deze brief luidt als volgt : “Betreft: Orinso: vraag tot schrapping uit het register van overbrengers; vraag om uw toestemming in te trekken voor kennisgeving BE269966 Geachte, Gelet op het feit dat MI op 11.08.2006 door OVAM werd ingelicht over de ontdekking van perfluorverbindingen in Duitse oppervlaktewateren en op landbouwgrond. Volgens onderzoek door de Duitse autoriteiten zou deze verontreiniging terug te brengen zijn tot slibs die door het bedrijf GW Umwelt (Borchen. Duitsland), werden behandeld en als bodemverbeterend middel op de markt gebracht. GW Umwelt voerde deze slibs in uit Vlaanderen, o.a. via de kennisgeving nr.BE
- Gelet op het feit dat kennisgeving BE269966 volgende specificaties vermeldt: Kennisgever Orinso nv Adegemstraat 128 B-2800 Mechelen Ontvanger GW Umwelt GmbH & Co Kg . Am Kleeberg 24 D-33178 Borchen Geplande vervoerder Van Der Linden Transport nv Middegaal 53 NL-5461 XC Veghel VII-36.796-4/20 Producent Thermofeed nv Vloeyenbergdreef 8 B-2970 Schi1de Afvalstoffen 020305; Afval van de bereiding en verwerking van fruit, groente, granen, spijsolie, cacao, koffie, thee en tabak, de productie van conserven, de productie van gist en gistextract en de bereiding en fermenentatie van melasse-slib van afvalwaterbehandeling ter plaatse Geldigheid 01.03.2006 - 28.02.2007 Gelet op de volgende inspecties die MI naar aanleiding van de verontreiniging in Duitsland heeft uitgevoerd: 28.08.2006 Orinso nv (Adegemstraat 128, 2800 Mechelen) 29.08.2006 TWZ nv (Durmakker 4, 994O Evergem) 07.09.2006 Thermofeed/Organofer nv (Gansdijk 6, 2830 Wille- broek) 14.09.2006 Orinso nv 21.09.2006 Thermofeed/Organofer nv 25.09.2006 Nutreco nv (nu: Pingo Poultry Maasmechelen Slakweidestraat 104, Maasmechelen) Overwegende dat op de locatie aan de Gansdijk 6 te Willebroek door Thermofeed/Organofer een bedrijfshal
(1)wordt uitgebaat voor de overslag van slibs met als eindbestemming compostering, en een bedrijfshal
(2)voor de tijdelijke opslag en droging van slibs met als eindbestemming verbranding. Deze twee hallen liggen naast elkaar en zijn met elkaar verbonden d.m.v. een grote poort. De dagelijkse leiding over deze twee hallen berust bij Dhr Willy Masco, die Thermofeed begin 2006 heeft overgekocht van Dhr. Jacco Van de Velde. Overwegende dat de firma Orinso erkend is als overbrenger van afvalstoffen, geldig tot 22.08.
- Orinso beschikt niet over verwerkingsinstallaties. De dagelijkse leiding is in handen van Dhr. Marc Van Bets en Johan Windels, werkzaam hij Orinso sinds april resp. augustus
- Tot eind 2005 werden zij bijgestaan door de vroegere eigenaar van Orinso, Dhr. Jacco Van de Velde. Overwegende dat uit de inspecties is gebleken dat Orinso onder de kennisge- ving BE269966 slibs en filterkoeken heeft uitgevoerd die afkomstig waren van producenten uit diverse sectoren als de chemie-, papier-, textiel-, cosmeticasec- tor, en van tankreinigingsbedrijven, en dit ondanks het feit dat deze kennisge- ving slechts bedoeld was voor slibs afkomstig van een beperkt segment van de voedingsindustrie. De aan- en afvoer bij Thermofeed/Organofer te Willebroek gebeurt in opdracht van Orinso. Voor elke partij slib die bij Thermofeed/Organofer te Willebroek wordt aangeleverd ontvangt Thermofeed/Organofer een instructie met betrekking tot de eindbestemming, zijnde compostering in Vlaanderen, uitvoer naar Duitsland of droging voor verbranding. Deze instructies worden door Oriniso per fax doorgegeven aan Thermofecd/Organofer. Uit de kopies die MI van deze instructies heeft ontvangen (instrutcties sinds januari 2006), kunnen wij opmaken dat Orinso opdracht heeft gegeven om slibs en filterkoeken afkomstig van de volgende bedrijven te lossen in de vakken met bestemming GW Umwelt: - Estée Lauder Cosmetica - Procter & Gamble Cosmetica - Kimberley Clarck Papierindustrie - Uco Sportswear Textielindustrie - Artilat Chemie - Degussa Chemie - Antwerp Tank Cleaning Industriële tankreiniging - TWZ Tankreiniging, afvalwaterbehandeling VII-36.796-5/20 Deze instructies tonen ook aan dat de transporten naar GW Umwelt geladen werden met materiaal uit deze vakken, onder kennisgeving BE
- Volgens een interne instructie binnen Orinso moeten ook de filterkoeken van Noordnatie (opslagbedrijf) en van WWT (industriële waterzuivering) in een vak voor GW Umwelt gestort worden. Gelet op de vaststelling op 09.06.2006 door de Duitse autoriteiten bij de firma GW Umwelt, van de aanwezigheid van slachtafval in slibs aangeleverd door Orinso. Deze vaststelling werd ons medegedeeld middels een rapport nr. 06-316 van het Rapid Alert System for Feed and Food (RASFF) van de Europese commissie van 23.08.
- Overwegende dat uit de inspecties is gebleken dat Orinso onder kennisgeving BF269966 niet enkel slibs uit de voedingsindustrie (Eural-rubriek 02 03), maar ook uit de vleesverwerkende industrie (Eura1-rubriek 02 02) heeft uitgevoerd naar GW Umwelt Sinds 01.03.2006 en Orinso heeft 34 transporten georgani- seerd, van Nutreco te Maasmechelen rechtstreeks naar GW Umwelt, onder kennisgeving BE
- Voorheen werd dit slib door Orinso afgevoerd naar Biogasanlage Witttmund GmbH & Co KG met kennisgeving BE
- Door praktische problemen kon het contract met Wittmund niet verdergezet worden. Daarop heeft Orinso besloten om deze slibs onder kennisgeving BE269966 verder te blijven exporteren. Overwegende dat naast de herkomst van de slibs, Orinso ook heeft afgeweken van de samenstellingsvoorwaarden die in de kennisgeving BE269966 werden opgelegd In de kennisgeving BE269966 wordt door OVAM overwogen dat de slibs moeten voldoen aan de VLAREA-normen voor meststof of bodemverbeterend middel Daarnaast hebben de Duitse autoriteiten in deze kennisgeving opgelegd dat de slibs moeten vo1doen aan de normen van de Bioabfallverordnung. Deze normen zijn strenger dan de VLAREA-normen. Echter, Orinso heeft hij de beoordeling van de verontreinigingsconcentratie van verhandelde slibs enkel rekening gehouden met de commerciële normen die hen door GW Umwelt meegedeeld waren. Onderstaande tabel geeft de relatie weer tussen deze verschillende normen. VII-36.796-6/20 Duitse en Vlaamse Regelgeving GWU-normen Klärschlamm- verordnung
(1)Bioabfall- verordnung verordnung "Bioschlamm" Bioabfall- "Code N" "Code K" VLAREA
(2)mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg mg/kg Arseen - - 150 - - - - Cadmium 1 1,5 6 10 1,5 1,5 10 Chroom 70 100 250 900 100 150 900 Koper 70 100 375 800 100 250 800 Kwik 0,7 1 5 8 1 0,5 8 Nikkel 35 50 50 200 50 100 200 Lood 100 150 300 900 150 150 900 Zink 300 400 900 2500 400 1100 2500 In februari 2006 maakte GW Umweld melding aan Orinso van te hoge concentraties aan bepaalde zware metalen in slibs die door Orinso aangeleverd waren onder "code N". Daarop heeft Orinso een bemonsteringscampagne uitgevoerd op de slibs die door verschillende producenten aangeleverd werden bij Thermofeed. De analyseresultaten werden vervolgens vergeleken met de GWU-normen, en op basis daarvan gaf Orinso bepaalde slibstromen een nieuwe code. Volgens Dhr Van Bets kregen de slibstromen een veiliger code (bv. van code K naar code N), maar uit de instructiebladen komen ook volgende voorbeelden naar voor: - het slib van Kimberley Clarck eerst code N, krijgt nu code K - filterkoeken van ATC, vroeger verbranding, krijgen nu code K (en zelfs éénmaal "Bioslib”). Opvallend is hier dat Otinsa niet de wettelijke normen als maatstaf gebruikt, maar wel de normen van GW Umwelt. Dit is vooral verontrustend omdat de GW Umwelt-normen enkel gebaseerd zijn op zware metalen, andere polluenten worden dus niet mee in rekening gebracht. Volgens Dhr Van Bets en Dhr Windels is deze situatie historisch gegroeid, m.a.w. zij hebben deze werkwijze overgenomen van de vorige verantwoordelijke Dhr Van deVelde. Zij geven toe dat zijzelf de voorwaarden in de kennisgeving nooit gelezen hebben. Overwegende dat Orinso door deze handelswijze het mogelijk gemaakt heeft dat duizenden tonnen afvalstoffen van andere dan voedingsindustriën via het Duits verwerkingsbedrijf terecht kwamen op Duitse landbouwgrond. Overwegende dat Orinso zich niet hield aan de afvalverwijderingsmethode die zij contractueel waren overeengekomen met derden. Orinso heeft contractuele afspraken gemaakt met andere overbrengers van afvalstoffen, voor de verwerking van slibs d.m.v. verbranding. Kopies van deze contracten werden door TWZ en Orinso overhandigd aan MI. Uit de instructies die Orinso aan Thermofeed/Organofer heeft gegeven, blijkt echter dat in bepaalde gevallen deze slibs voor compostering naar GW Umwelt werden afgevoerd, i.p.v. VII-36.796-7/20 gedroogd en verbrand te worden. Dit kan aangetoond worden met volgende voorbeelden : - Orinso heeft een contract (getekend 17.03.2006) met Indaver voor de overbrenging van slibs afkomstig van Degussa. Dit contract stipuleert dat deze slibs geleverd moeten worden bij Thermofeed, dat de eindbestemming drogen en verbranden is, en geeft ook de maximale concentraties verontreini- gende stoffen op. Deze concentraties liggen zelfs vele malen hoger dan de GWU-norm 'code N'. Toch geeft Orinso in een werkinstructie van 06.03.2006 aan Thermofeed/Organofer de opdracht om slib van Degussa te storten in het vak voor 'Code N', bestemming GW Umwelt. - Orinso heeft een contract met TWZ voor de verwerking van filterkoeken afkomstig van de fysico-chemie van TWZ. Deze filterkoeken worden samengesteld uit slibs van allerhande herkomst, soms opgemengd met andere afvalstoffen zoals afgekeurde partijen uit de chemische industrie. Het contract stipuleert duidelijk dat deze slibs verbrand zullen worden. Nochtans blijkt uit de verklaringen van de verantwoordelijke en van de werknemer van Thermofeed/Orgacom, dat deze slibs regelmatig in het vak 'code N' voor GW Umwelt werden gestort, en ook afgevoerd naar Duitsland. De instructiebla- den van Orinso aan Thermofeed/Organofer vermelden in dit verband verscheidene keren 'hoop nat verbr/overslag code N'. De verantwoordelijke van TWZ is hiervan niet op de hoogte en gaat ervan uit dat zijn slibs verbrand worden. De prijs die Orinso aanrekent voor verbranding ligt beduidend hoger dan de prijs voor compostering. Deze handelswijze van Orinso getuigt van een verregaande onzorgvuldigheid aangaande het beheer van de aan haar toever- trouwde afvalstoffen. Overwegende dat Orinso in hun afvalstoffenregister en in de gebruikte transportdocumenten consequent gebruik maakt van de techniek van ontdubbe- ling, waardoor controle zeer sterk bemoeilijkt wordt. Transporten waarbij 'producent ö Thermofeed' en een traject ‘Thermofeed ö Orinso optreedt als overbrenger, worden administratief opgesplitst in een traject eindverwerker”. Dit gebeurt zelfs indien er géén overslag gebeurt hij Thermofeed maar rechtstreeks wordt afgevoerd van de producent naar de eindverwerker. Orinso heeft hier de commerciële bedoeling om de naam van de eindverwerker verborgen te houden voor de producent. Het opgeven van een foutieve bestemming in deel 1 van het traject, en het opgeven van een foutieve producent in deel 2 van het traject, vormen overtredingen tegen de verplichtingen van het VLAREA inzake het identificatieformulier en het overbrengersregister. Uit nazicht van het register van Orinso en van de transportdocumenten (identificatieformulieren en CMR'
- s)blijkt dat Orinso deze ontdubbeling systematisch uitvoert. Als voorbeeld halen wij een transport aan op 08.06.2006 van slib uit de vleesverwerkende industrie (Nutreco) naar GW Umwelt Hiervoor werden door - CMR 1: Nutreco ö Orinso 4 documenten opgesteld : ö Thermofeed - CMR 2 : Thermofeed ö - identificatieformulier Nutreco GW Umwelt - kennisgevingsdocumentent Thermofeed Thermofeed ö GW Umwelt De EURAL-code op het identificatieformulier is correct voor wat betreft herkomst vleesverwerkende industrie (02.02.04). De EURAL-code op de CMR's komt overeen met die op de kennisgeving (BE269966), namelijk 02 03 05, alhoewel het hier over één en hetzelfde transport gaat. Door de administra- tieve ontdubbeling wekt Orinso zelfs de schijn op dat de vervoerde afvalstoffen voldoen aan de kennisgeving, die echter niet bedoeld was voor de overbrenging van dergelijk materiaal. Overwegende dat Orinso afvalstoffen (i.c. aldehydewater) voor verwijdering naar Nederland heeft overgebracht, zonder voorafgaande kennisgeving. Het VII-36.796-8/20 register van Orinso vermeldt dat in juni 2006 16 transporten van aldehydewater geladen werden bij TWZ te Evergem. Deze transporten werden volgens het register gelost bij Van der Linden (Veghel NL), Sappi (Maastricht NL) en E- water (Echt NL). Aldehydewater komt niet voor op de groene, oranje of rode lijst. Het register voor 7 transporten vermeldt de verwerkingswijze D8-D9. Voor uitvoer van voor verwijdering bestemde afvalstoffen is altijd een kennisgeving vereist. Geen van de betrokkene bedrijven beschikt echter over een kennisgeving voor het uitvoeren van deze transporten. Overwegende dat hieruit besloten kan worden dat de handelswijze van Orinso : - ernstige gevaren inhoudt voor grootschalige verspreiding van gevaarlijke stoffen in het leefmilieu en de voedselketen; - het toezicht zwaar bemoeilijkt; - concurrentievervalsend werkt; - getuigt van een ontegensprekelijke laksheid wat betreft de naleving van de wetgeving en het respect voor leefmilieu en volksgezondheid. Overwegende dat Orinso nv misbruik heeft gemaakt van haar erkenning als overbrenger van afvalstoffen om zowel illegale transporten te organiseren, als legale transporten zodanig te organiseren dat ze niet meer in overeenstemming zijn met de toepasselijke wetgeving. Overwegende dat Orinso nv misbruik heeft gemaakt van de kennisgeving BE269966 om slibs uit te voeren die niet voldeden aan de voorwaarden van deze kennisgeving. Overwegende dat MI hoger beschreven vaststellingen middels een aanvan- kelijk PV met notitienr. ME 64.H1.0173-06 heeft overgemaakt aan het parket van de procureur des Konings te Mechelen, vergezeld van de nodige bewijs- stukken. Verzoeken wij u om Orinso nv te schrappen.uit het register van overbrengers van afvalstoffen, overeenkomstig art. 5.1.2.8 van het VLAREA. Verzoeken wij u om uw toestemming voor het uitvoeren van grensoverschrij- dende transporten onder kennisgeving BE269966 in te trekken, overeen- komstig art. 28 van de Verordening (EEG) 259/93 van de Raad van 01.02.1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap". Uit een toetsing van deze brief aan het neergelegde proces- verbaal van 6 oktober 2006 blijkt dat de inhoud van deze brief integraal is gesteund op evengenoemd PV. 1.9. Op 2 november 2006 ontvangt de verzoekende partij dan de eerste bestreden beslissing die van eind oktober 2006 dateert. Volgens de bewoor- dingen ervan omvat zij enerzijds een intrekking van de toestemming van OVAM voor de kennisgeving BE 269966, en anderzijds een schrapping van Orinso uit het register van overbrengers. Deze brief luidt als volgt : “Op basis van de brief die de OVAM ontving van Milieu-inspectie op 23.10.2006, trekt de OVAM de toéstemming in voor kennisgeving BE 269966 en schrapt de OVAM Orinso nv uit het register van overbrengers. VII-36.796-9/20 Uit onderzoek van Milieu-inspectie blijkt dat er misbruik is gemaakt van de kennisgeving BE 269966 om slibs uit te voeren die niet voldeden aan de voorwaarden van deze kennisgeving. Verder blijkt duidelijk dat Orinso nv misbruik heeft gemaakt van haar erkenning als overbrenger van afvalstoffen, om zowel illegale transporten te organiseren, als legale transporten zodanig te organiseren dat ze niet meer in overeenstemming zijn met de toepasselijke wetgeving. Milieu-inspectie verwijst voor deze vaststellingen naar een aanvankelijk PV met notitienummer ME.64.H1.0173-06. De OVAM ziet zich genoodzaakt maatregelen te treffen omwille van bovenstaande vaststellingen. De toestemming wordt ingetrokken voor het uitvoeren van grensoverschrijdende transporten onder kennisgeving BE 269966, op basis van art. 28 van Verordening (EEG) 259/93 van de Raad van 01.02.1993 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap. Daarnaast wordt Orinso nv geschrapt uit het register van overbrengers, volgens art. 5.1.2.8 van Vlarea, zodat Orinso nv geen activiteit meer mag uitoefenen als erkende overbrenger. Deze schrapping blijft van kracht voor een termijn die afloopt samen met de einddatum van de erkenning, zijnde 22.08.2009. Orinso nv heeft, volgens art. 5.1.2.8 van Vlarea, de mogelijkheid om binnen een termijn van 14 dagen verweermiddelen kenbaar te maken. Op basis hiervan zal de OVAM beslissen of de schrapping van het register al dan niet wordt ingetrokken”; 1.10. Met een brief van 7 november 2006 deelt de verzoekende partij mee dat zij haar verweermiddelen zal overmaken en dat zij wenst gehoord te worden. Met een schrijven van 9 november 2006 maakt zij haar argumentatie over. Uit die brief blijkt ook dat er op 13 november een hoorzitting gepland is bij OVAM. 1.11. Op 6 december 2006 volgen dan de tweede en de derde bestreden beslissing, die er respectievelijk toe strekken enerzijds verzoekster te schrappen uit het register van overbrengers van afvalstoffen, en anderzijds drie toelatingen voor de uitvoer van afvalstoffen in te trekken (onder de nummers BE 270328, BE 270363 en BE 270364). Deze brieven luiden respectievelijk als volgt : “Per aangetekende brief van 31.10.06 heb ik u meegedeeld dat de OVAM ORINSO schrapt uit het register van overbrengers. U hebt mijn brief ontvangen OP 02.11.06. U hebt, via uw raadsman, per fax en per aangetekende brief van 09.11.06 verweer ingebracht tegen de schrapping. U hebt de gelegenheid gekregen mondeling uw verweer toe te lichten tijdens een hoorzifting op 13.11.06, conform artikel 5.1.2.8. §2 van het VLAREA. Voor wat betreft het schrappen van ORINSO uit het register van overbreng- ers, moet mijn brief van 31.10.06 terecht aanzien worden als “het meedelen van het voornemen tot schrapping’, conform artikel 5.1.2.8 §2 van het VLAREA. De OVAM en het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling, Milieu-inspectie (MI) hebben volgende vaststellingen gedaan: 1. Op 18.01.06 heeft de OVAM in het kader van haar toezichtstaken de registers opgevraagd van ORINSO NV. Wij hebben u op de tekortkoming- VII-36.796-10/20 en in het register gewezen in onze brief van 28.03.06. Er werd onder meer vermeld dat de splitsing van transportdocumenten om zo de producent en bestemmeling niet aan elkaar bekend te maken niet kan. Op 10.04.06 werd nogmaals herhaald dat het gebruik van gesplitste transportdocumenten moet beschouwd worden als een illegale praktijk. ORINSO zou dit euvel onmiddellijk rechtzetten. Ml vond deze praktijken echter nog steeds terug bij een transport op 08.06.06, ruim na de contacten tussen ORINSO en de OVAM. 2. Uit de inspecties van MI blijkt dat ORINSO onder de kennisgeving BE269966 slibs van andere afkomst heeft uitgevoerd dan toegelaten. De toelating werd slechts gegeven voor slib van een bepaald segment van de voedingsindustrie (Eural-code 02 03: afval van de bereiding en verwerking van fruit, groenten, granen, ...). De slibs die werden uitgevoerd weken qua samenstelling af van de voorwaarden die in de toelating voor kennisgeving BE269966 waren opgelegd. 3. Uit de inspecties van Ml blijkt dat ORINSO zich niet heeft gehouden aan de afvalverwijderingsmethode die contractueel overeengekomen was met derden. U stelt dat tot eind 2005 de meeste contracten werden gesloten door de toenmalige zaakvoerder. MI heeft echter verschillende vaststellingen van inbreuken gedaan in 2006, toen de vernoemde zaakvoerder niet meer aanwezig was. MI concludeert uit de vaststellingen dat de handelswijze van ORINSO: - ernstige gevaren inhoudt voor grootschalige verspreiding van gevaarlijke stoffen in het leefmilieu en de voedselketen; - het toezicht zwaar bemoeilijkt; - concurrentievervalsend werkt; - getuigt van een ontegensprekelijke laksheid wat betreft de naleving van de wetgeving en het respect voor leefmilieu en volksgezondheid. Ik besluit dat ORINSO misbruik heeft gemaakt van zijn erkenning. Om herhaling van inbreuken en overtredingen te voorkomen schrapt de OVAM ORINSO, gelegen Adegemstraat 128 te 2800 Mechelen, uit het register van overbrengers van afvalstoffen, conform art. 5.1.2.8 van VLAREA. De schrapping blijft van kracht voor een termijn die afloopt op de einddatum van de erkenning, meer bepaald 22.08.09. Als u kan aantonen dat de aanleiding voor de schrapping niet meer bestaat, kan zij worden ongedaan gemaakt. (...)”; (tweede bestreden beslissing) “Per aangetekende brief van 31.10.06 heb ik u meegedeeld dat de OVAM de toelating tot uitvoer van afvalstoffen, beschreven in kennisgeving BE269966, wordt ingetrokken. U hebt mijn brief ontvangen op 02.11.06. U betwist de rechtsgeldigheid van de intrekking van de toelating tot uitvoer met kennisgeving BE269966. U haalt aan dat de rechten van de verdediging worden geschonden omdat de wijze waarop tegen deze beslissing in beroep kan worden gegaan niet is vermeld. Tegèn dergelijke beslissing kan echter wel degelijk in beroep worden gegaan bij de Raad van State. Door het ontbreken van deze verwijzing vervalt enkel de beperkende periode van 60 dagen waarbinnen beroep kan aangetekend worden; u kan dus ook na de periode van 60 dagen nog beroep aantekenen. De beslissing zelf is omwille van het niet vermelden van de beroepsmogelijkheid niet onwettig. De geldigheid van de overige exporttoelatingen, met nummers BE270328, BE270363 en BE270364 werd getoetst aan artikel 7.4.
- a)2e en 3e gedachten- VII-36.796-11/20 streepje van Verordening (EEG) 259/93 van de Raad van 01.02.93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap. De OVAM heeft ORINSO geschrapt uit het register van overbrengers conform art. 5.1.2.8 van VLAREA, aangezien ORINSO niet werkt volgens de wettelijke bepalingen. Meer bepaald hebben de OVAM en het Departement Leefmilieu, Natuur en Energie Afdeling, Milieu-inspectie (MI) volgende vaststellingen gedaan: 1. Op 18.01.06 heeft de OVAM in het kader van haar toezichtstaken de registers opgevraagd van ORINSO NV. Wij hebben u op de tekortkoming- en in het register gewezen in onze brief van 28.03.06. Er werd onder meer vermeld dat de splitsing van transportdocumenten om zo de producent en bestemmeling niet aan elkaar bekend te maken niet kan. Op 10.04.06 werd nogmaals herhaald dat het gebruik van gesplitste transportdocumenten moet beschouwd worden als een illegale praktijk. ORINSO zou dit euvel onmiddellijk rechtzetten. MI vond deze praktijken echter nog steeds terug bij een transport op 08.06.06, ruim na de contacten tussen ORINSO en de OVAM. 2. Uit de inspecties van MI blijkt dat ORINSO onder de kennisgeving BE269966 slibs en filterkoeken heeft uitgevoerd die afkomstig waren van producenten uit diverse sectoren zoals de chemie-, papier-, textiel-, cosmeticasector en van tankreinigingsbedrijven. Dit terwijl de export slechts toegelaten werd voor de aangevraagde stroom, zijnde slib van een bepaald segment van de voedingsindustrie (Eural-code 02 03: afval van de bereiding en verwerking van fruit, groenten, granen, ...). 3. Uit de inspecties van MI blijkt dat ORINSO ook slib van de vleesverwer- kende industrie onder de betreffende kennisgeving heeft uitgevoerd naar Duitsland. 4. Uit de inspecties van MI blijkt dat ORINSO zich niet heeft gehouden aan de afvalverwijderingsmethode die contractueel overeengekomen was met derden. 5. MI heeft ook vastgesteld dat slibs werden uitgevoerd die qua samenstelling afweken van de voorwaarden die in de toelating voor kennisgeving BE269966 waren opgelegd. De OVAM-beslissing over de kennisgeving BE269966 vermeldt hierover: “Overwegende dat zowel de inkomende als uitgaande stromen moeten voldoen aan de samenstellingsvoorwaarden voor het gebruik van afvalstoffen als meststof of bodemverbeterend middel, zoals opgenomen in hoofdstuk 4 van Vlarea”. U verwijst in uw brief van 09.11.06, i.v.m. punt 5, op de verschillende afzetkanalen die het Duitse bedrijf heeft. ORINSO heeft echter enkel aanvraag gedaan voor de uitvoer van slib voor vergisting (R3). Het gebruik van slib als afdeklaag van stortplaatsen was niet aan de orde. U stelt dat tot eind 2005 de meeste contracten werden gesloten door de toenmalige zaakvoerder. MI heeft echter verschillende vaststellingen van inbreuken gedaan in 2006, toen de vernoemde zaakvoerder niet meer aanwezig was. MI concludeert uit de vaststellingen dat de handelswijze van ORINSO: - ernstige gevaren inhoudt voor grootschalige verspreiding van gevaarlijke stoffen in het leefmilieu en de voedselketen; - het toezicht zwaar bemoeilijkt; - concurrentievervalsend werkt; - getuigt van een ontegensprekelijke laksheid wat betreft de naleving van de wetgeving en het respect voor leefmilieu en volksgezondheid. Ik besluit dat ORINSO de voorwaarden voor het vervoer en de overbrenging van afvalstoffen heeft overtreden. VII-36.796-12/20 Aangezien u niet langer regelingen mag treffen voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen van derden, zoals bedoeld in artikel 14, § 2 van het decreet van 2 juli 1981 betreffende de voorkoming en het beheer van afvalstoffen, kan u niet meer optreden als kennisgever voor de grensoverschrij- dende overbrenging van afvalstoffen die u niet zelf heeft voortgebracht. Om herhaling van inbreuken en overtredingen te voorkomen trekt de OVAM de exporttoelatingen BE270328, BE270363 en BE270364 in van ORINSO, Adegemstraat 128 te 2800 Mechelen, conform art. 7.4.a 2 en 3 gedachten- streepje van Verordening (EEG) 259/93 van de Raad van 01.02.93 betreffende toezicht en controle op de overbrenging van afvalstoffen binnen, naar en uit de Europese Gemeenschap. (...)”; (derde bestreden beslissing); 2. Overwegende dat ambtshalve moet worden vastgesteld dat de vordering onontvankelijk is wat betreft de beslissing van eind oktober 2006, in de mate dat die beslissing de verzoekende partij zou schrappen uit het register van erkende overbrengers; dat immers bij nader toezien het slechts over een voornemen tot schrapping blijkt te gaan, hetgeen overigens op aandringen van de verzoekende partij expliciet zo gesteld wordt in de beslissing van 6 december 2006 die wél overgaat tot een schrapping; dat een voornemen tot schrapping op het eerste gezicht een voorbereidende handeling betreft, en dus een niet voor vernietiging vatbare administratieve rechtshandeling; 3. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.1. Overwegende dat in een enig middel de verzoekende partij de schending aanvoert van artikel 5.1.2.8 van het VLAREA, en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur in het bijzonder het motiveringsbeginsel, het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook het recht op een tegensprekelijk debat; dat in een eerste onderdeel van het middel de verzoekende partij de schending inroept van artikel 5.1.2.8 van het VLAREA en van het motiveringsbeginsel, en dat zij dit achtereenvolgens toespitst op de drie bestreden beslissingen; dat in een tweede onderdeel de schending wordt aangevoerd van het motiveringsbeginsel, het VII-36.796-13/20 redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, en dat ook dit onderdeel achtereenvol- gens wordt toegespitst op de drie bestreden beslissingen; dat in een derde onderdeel de verzoekende partij de onredelijkheid van de bestreden beslissingen aanklaagt; 3.2. Overwegende dat hierna in het licht van de grieven van de verzoekende partij de drie bestreden beslissingen prima facie zullen worden onderzocht; 3.2.1. Overwegende, met betrekking tot de beslissing van eind oktober 2006 inzoverre deze de intrekking van de toestemming voor de kennisgeving BE 269966 betreft, dat prima facie daarin afdoende wordt aangegeven waarom die maatregel genomen werd, met name : “Uit onderzoek van Milieu-inspectie blijkt dat er misbruik is gemaakt van de kennisgeving BE 269966 om slibs uit te voeren die niet voldeden aan de voorwaarden van deze kennisgeving.”; dat er ook wordt verwezen naar het PV met notitienummer ME.64.H1.0173-06, en dat uit het verweerschrift van de verzoekende partij van 9 november 2006 duidelijk blijkt dat zij wist wat haar op dit punt werd verweten; dat wordt vastgesteld dat de verzoekende partij in dat verweerschrift wel een hele uitleg geeft, maar dat zij uiteindelijk niet ontkent dat slib werd uitgevoerd dat niet voldeed aan de voorwaarden van de kennisgeving; dat dit op het eerste gezicht als motief lijkt te kunnen volstaan; dat de verzoekende partij ook nog betoogt dat het bewuste PV niet kon gehanteerd worden ter motivering, daar de inbreuken betwist worden en geen bewijs voorligt van enige overtreding, en dit PV bovendien valt onder het geheim karakter van het strafonderzoek, zodat OVAM geen kennis kon hebben van de inhoud ervan; dat prima facie ook die argumentatie niet opgaat; dat wanneer een PV wordt opgesteld door een daartoe bevoegd ambtenaar, de inhoud ervan geacht wordt te stroken met de realiteit tot het tegendeel bewezen is; dat het niet is omdat de verzoekende partij nog niet strafrech- terlijk veroordeeld is dat het document niet zou mogen worden aangewend ter oplegging van administratieve sancties of maatregelen ter beveiliging van mens en milieu; dat uit het administratief dossier blijkt dat OVAM op 23 oktober een brief ontving van de milieu-inspectie, en dat die brief, welke dateert van 19 oktober 2006, gebaseerd is op de vaststellingen van het PV; dat in elk geval die brief diverse bladzijden tekortkomingen bevat die de verzoekende partij worden aangewreven; dat op het eerste gezicht niet valt in te zien waarom OVAM daarmee geen rekening zou mogen houden en zich daarbij niet zou mogen aansluiten zonder tot een eigen toevoeging te moeten overgaan; VII-36.796-14/20 Overwegende dat de verzoekende partij ook nog stelt dat de beslissing van eind oktober 2006 niet motiveert waarom de intrekking van de toelating met onmiddellijke ingang werd doorgevoerd; dat wanneer afvalstoffen worden uitgevoerd die niet voldoen aan de voorwaarden van de kennisgeving per definitie een risico voor mens en milieu ontstaat , al was het maar omdat de overheid geen zicht meer heeft op wat er zoal aan trafiek plaatsvindt; dat dit risico redelijker- wijze kan verantwoorden dat maatregelen worden genomen die snel ingaan; dat dit zo vanzelfsprekend lijkt dat het eigenlijk geen nadere uitleg behoeft; 3.2.2. Overwegende, wat de eerste beslissing van 6 december 2006 betreft (tweede bestreden beslissing), met name deze waarbij de verzoekende partij geschrapt wordt uit het register van overbrengers, dat daarin een aantal vaststellingen worden opgesomd die OVAM en de milieu-inspectie hebben gedaan, en die kort samengevat neerkomen op het volgende: - het gebruik van gesplitste transportdocumenten is illegaal, en niettegenstaande de verzoekende partij reeds aangemaand was om dit euvel recht te zetten werd nadien toch nog vastgesteld dat deze praktijk nog plaatsvond; - onder de kennisgeving BE 269966 werden slibs van een andere afkomst uitgevoerd dan toegelaten, en zij weken qua samenstelling bovendien af van de opgelegde voorwaarden; - de verzoekende partij hield zich niet aan de afvalverwijderingsmethode die contractueel overeengekomen was met derden. De milieu-inspectie concludeert uit deze vaststellingen dat de handelwijzen van verzoekster: - ernstige gevaren inhouden voor grootschalige verspreiding van gevaarlijke afvalstoffen in het milieu en de voedselketen; - het toezicht zwaar bemoeilijken; - concurrentievervalsend werken; - getuigen van een ontegensprekelijke laksheid wat betreft de naleving van de wetgeving en het respect voor leefmilieu en volksgezondheid; dat in deze bestreden beslissing ook nog wordt gesteld dat de verzoekende partij misbruik maakte van haar erkenning en dat om herhaling van de inbreuken en overtredingen te voorkomen, zij wordt geschrapt uit het register van overbrengers van afvalstoffen; Overwegende dat de grief van de verzoekende partij dat dit besluit van 6 december 2006 niet afdoende is gemotiveerd daar deze motieven niet terug te VII-36.796-15/20 vinden waren in de beslissing van eind oktober 2006, zodat zij zich niet kan verdedigen en er aldus een schending zou zijn van artikel 5.2.1.8. van het VLAREA, prima facie niet opgaat om reden dat laatstgenoemde beslissing ook wat het voornemen tot schrapping uit het register van overbrengers betreft, uitdrukkelijk verwijst naar het PV met notitienummer ME.64.H1.0173-06, waarvan de verzoeken- de partij in het bezit werd gesteld en waartegen zij op 9 november 2006 een omstandig verweerschrift heeft ingediend; dat daaruit op het eerste gezicht kan worden afgeleid dat de verzoekende partij voldoende wist wat haar precies werd aangewreven; dat, bovendien, de verzoekende partij tijdens de hoorzitting van 13 november 2006 nogmaals de mogelijkheid heeft gekregen om haar zienswijze naar voor te brengen en om desgevallend verduidelijking te vragen voor het geval dit nodig mocht zijn; Overwegende dat de verzoekende partij nog betoogt dat de bezwaren niet meer bestonden op het ogenblik van de schrapping zodat zij naar haar oordeel geen grond konden vormen tot schrapping; dat, daargelaten de vraag of die bezwaren niet meer bestonden op het ogenblik van de schrapping -de verwerende partij betoogt van haar kant dat er nog steeds geen bewijs voorligt dat de nodige proceduremaatregelen werden genomen om te voorkomen dat zich andermaal een foutieve afhandeling van afvalstromen zou voordoen en dat op het ogenblik van de bestreden beslissingen van 6 december 2006 nog steeds gewerkt werd met ontdubbelde transportdocumenten- prima facie de verwerende partij vermocht een sanctie op te leggen wegens de aangevoerde overtredingen; dat de begane overtredingen immers van die aard kunnen zijn dat het vertrouwen in de verzoekende partij als overbrenger van en makelaar in afvalstoffen compleet weg is, ook al wordt op een later tijdstip een en ander rechtgezet; dat artikel 5.1.2.8, §1 van het VLAREA stelt dat elk misbruik van de erkenning, elke overtreding van de erkenningsvoorwaar- den en elke overtreding van de voorwaarden voor het vervoer van afvalstoffen kan leiden tot het schrappen uit het register van de overbrengers van afvalstoffen; dat op het eerste gezicht die misbruiken en overtredingen er zijn geweest, en dat de verzoekende partij ook niet beweert dat zij steeds volkomen in orde was met alles; dat dit lijkt te volstaan om een sanctie te kunnen opleggen; dat weliswaar artikel 5.1.2.8, §4, van het VLAREA de mogelijkheid opent om de schrapping ongedaan te maken indien de overbrenger aantoont dat de aanleiding voor de schrapping niet meer bestaat, maar dat uit de tekst van deze bepaling -waar duidelijk het woord “kan” gebruikt wordt- prima facie niet kan worden afgeleid dat dit ongedaan maken van de schrapping ook verplicht zou zijn, m.a.w. dat de OVAM terzake slechts over VII-36.796-16/20 een gebonden bevoegdheid zou beschikken; dat dit er eigenlijk op zou neerkomen dat, wat er ook gebeurd is in het verleden, het volstaat om zich tussen het voornemen tot schrapping en de schrapping zelf nog vlug even in orde te brengen om aan de sanctie te ontsnappen; dat dit de geloofwaardigheid en effectiviteit van de sanctiere- geling compleet zou uithollen; Overwegende dat uit de vastgestelde en niet-weerlegde overtre- dingen uit het verleden de verwerende partij terecht kon vaststellen dat : - er ernstige gevaren zijn voor grootschalige verspreiding van gevaarlijke afvalstoffen in het leefmilieu en in de voedselketen. Het is op het eerste gezicht duidelijk dat, als afvalstoffen worden aangeboden als zijnde afkomstig uit de voedingsindustrie, doch dit blijk naderhand niet het geval te zijn, er een risicovolle verspreiding van afvalstoffen kan ontstaan. De aanwending van afvalstoffen uit de voedingsindustrie- b.v. als bodemverbeteraar- verschillen vanzelfsprekend van de aanwendingsmogelijkheden van afvalstoffen uit andere sectoren; - het toezicht zwaar wordt bemoeilijkt, hetgeen op het eerste gezicht aannemelijk is gelet op de opsplitsing van documenten; - er concurrentievervalsing is, want wie de milieuwetgeving naleeft staat in een minder gunstige positie dan diegene die dat niet doet; - verzoekster getuigt van een “ontegensprekelijke laksheid” wat betreft de naleving van de wetgeving en het respect voor leefmilieu en volksgezondheid. De in het verleden vastgestelde praktijken laten op het eerste gezicht toe dat de verwerende partij redelijkerwijze die conclusie kon trekken; dat in tegenstelling tot wat de verzoekende partij laat uitschijnen er geen onmiddellijk gevaar dient te zijn voor mens en leefmilieu vooraleer OVAM tot schrapping kan overgaan; dat die vereiste overeenkomstig artikel 5.1.2.8., § 2 van het VLAREA slechts is gesteld indien OVAM de verzoekende partij niet op voorhand op de hoogte zou brengen van de voorgenomen schrapping; dat dit in casu echter wel is gebeurd; Overwegende dat de beslissing tot schrapping inderdaad niet expliciet en met zoveel woorden motiveert waarom tot schrapping met onmiddellijke ingang wordt overgegaan; dat evenwel uit het geheel van de beslissing, waarin onder meer gewezen wordt op de gevaren voor mens en leefmilieu en de laksheid van de verzoekende partij, voldoende kan worden afgeleid waarom OVAM een schrapping met onmiddellijke ingang opportuun achtte; dat bovendien in de beslissing staat vermeld dat de verzoekende partij geschrapt wordt om herhaling van inbreuken en VII-36.796-17/20 overtredingen te voorkomen; dat dit uiteraard slechts gegarandeerd is als de verzoekende partij met onmiddellijke ingang geschrapt wordt; Overwegende, ten slotte, dat de verzoekende partij nog stelt dat haar klanten op die manier in de problemen zullen komen; dat het op het eerste gezicht weinig aannemelijk lijkt dat in een zo concurrentiële markt als die van het overbrengen en verwerken van afvalstoffen geen alternatieven zouden bestaan voor verzoeksters klanten; dat bovendien hierin bezwaarlijk een argument kan gezien worden om onmiddellijke sancties voor milieuovertredingen onmogelijk te maken; 3.2.3. Overwegende, wat de derde bestreden beslissing, eveneens van 6 december 2006 betreft, waarbij tot de intrekking van een aantal toelatingen voor de uitvoer afvalstoffen wordt overgegaan, dat in die beslissing er vooreerst en prima facie terecht op wordt gewezen dat het ontbreken van de vermelding van beroeps- mogelijkheden in de beslissing van eind oktober 2006, waarbij de uitvoertoelating met het nummer BE269966 werd ingetrokken, deze laatstgenoemde beslissing niet onwettig maakt; dat voorts in de beslissing wordt stilgestaan bij een reeks vaststellingen die OVAM en de milieu-inspectie deden, die deze kort samengevat hierop neerkomen: - het gebruik van gesplitste transportdocumenten is illegaal, en niettegenstaande verzoekster reeds aangemaand was om dit euvel recht te zetten werd nadien toch nog vastgesteld dat deze praktijk nog plaatsvond; - onder de kennisgeving BE 269966 werden slibs van een andere afkomst uitgevoerd dan toegelaten, - er werd zonder toelating slib van de vleesverwerkende industrie uitgevoerd; - de verzoekende partij hield zich niet aan de afvalverwijderingsmethode die contractueel overeengekomen was met derden. - de slibs weken qua samenstelling bovendien af van de opgelegde voorwaarden. Wat dit laatste betreft wordt aangestipt dat de verzoekende partij enkel een aanvraag deed voor de uitvoer van slib voor vergisting, en dat het gebruik van slib als afdeklaag voor stortplaatsen niet aan de orde was; dat men ook hier leest dat de milieu-inspectie uit de handelwijze van de verzoekende partij concludeert dat er ernstige gevaren zijn voor de grootschalige verspreiding van gevaarlijke afvalstoffen in het leefmilieu en de voedselketen, dat het toezicht zwaar bemoeilijkt werd, dat er concurrentievervalsing is en dat het getuigt van ontegenspre- kelijke laksheid van verzoekster; dat die motivering, in tegenstelling tot wat de VII-36.796-18/20 verzoekende partij betoogt, op het eerste gezicht afdoende lijkt, en dat zij nog meer aan overtuigingskracht wint als men weet dat het PV waarop alles steunt in het bezit is van de verzoekende partij; dat ook hier het betoog van de verzoekende partij dat ondertussen een en ander zou zijn rechtgezet, daargelaten de vraag of dit inderdaad wat deze aantijgingen betreft wel zo is gelet op de betwisting ervan door de verwerende partij, dit OVAM niet de mogelijkheid ontneemt om toch een sanctie op te leggen, zoals eerder reeds werd aangegeven; dat van de meeste overtredingen de verzoekende partij geenszins aantoont dat zij niet hebben plaatsgevonden, en dat wat betreft de uitvoer van slib uit de vleesverwerkende industrie men moet vaststellen dat de verzoekende partij inderdaad over een toelating beschikte zoals zij betoogt, maar evenwel niet met GW Umwelt als bestemmeling; Overwegende dat in de tweede beslissing van 6 december 2006 erop wordt gewezen dat de verzoekende partij geschrapt is uit het register van overbrengers, zodat deze beslissing volkomen logisch en terecht er verder op wijst dat zij geen regelingen meer mag treffen voor de verwijdering of nuttige toepassing van afvalstoffen van derden, zoals bedoeld in artikel 14, §2, van het afvalstoffende- creet; dat in tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, de bestreden beslissing op dit punt dus wel afdoende is gemotiveerd; dat voorts, om dezelfde redenen aangehaald voor wat de eerste beslissing van 6 december 2006 betreft, uit de tweede beslissing van die datum voldoende lijkt te kunnen worden afgeleid waarom de intrekking van de toelatingen met onmiddellijke ingang plaatsvindt; 3.2.4. Overwegende dat, waar de verzoekende partij in een derde onderdeel zich in het algemeen voor alle beslissingen beroept op de schending van het redelijkheidsbeginsel doordat de sancties onmiddellijk ingaan, uit het geheel van de omstandigheden, en inzonderheid uit een reeks begane overtredingen die door de verzoekende partij eigenlijk niet -of toch niet allemaal- worden ontkend, blijkt dat de verwerende partij niet kennelijk onredelijk handelde door met onmiddellijke ingang de sancties op te leggen; dat daarbij nog komt dat uit haar nota en uit de fax van 13 december 2006 aan de verzoekende partij blijkt dat zij de genomen maatregelen beschouwt als tijdelijke maatregelen die zij bereid is te schrappen zodra de verzoekende partij werkplannen aan de verwerende partij voorlegt waarin “procedures zijn opgenomen omtrent zowel interne werking als contacten met klanten” en die aantonen dat de verzoekende partij “over de nodige deskundigheid beschikt om overbrengingsactiviteiten uit te voeren en garanties geven dat alle wettelijke bepalingen worden nageleefd”, waarbij de “werking (...) de traceerbaarheid VII-36.796-19/20 van afvalstoffen van producent tot uiteindelijke verwerking (moet) garanderen en “transparant (moet) zijn om externe controle mogelijk te maken”, waarbij “voldoende interne controlemechanismen worden opgezet en een calamiteitenregeling word(
- t)uitgewerkt”; 3.3. Overwegende dat uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het middel niet ernstig is; dat die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid te verwerpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op eenentwintig december tweeduizend en zes, door : Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. A. WIJNANTS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. WIJNANTS. M.-R. BRACKE. VII-36.796-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.246 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div