id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.308 Rolnummer: A. 70480/X-6851 Zaak: Arrest 166308 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-07-01 12:23 Fiche Arrest nr 166.308 van 22 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.308 van 22 december 2006 in de zaak A. 70.480/X-
- In zake :
- Robert VAN DE VELDE,
- Clara VAN GIJSEGHEM, die woonplaats kiezen bij Advocaat H. LIEVENS, kantoor houdende te 9000 GENT, Paul Fredericqstraat 72 tegen : de Deputatie van de provincieraad van OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Erwin D'HONDT, die woonplaats kiest bij Advocaat D. MATTHYS, kantoor houdende te 9000 GENT, Sint-Annaplein
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Robert VAN DE VELDE en Clara VAN GIJSEGHEM op 26 augustus 1996 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 november 1995 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan Erwin D'HONDT de bouwvergunning is verleend voor het uitbreiden van een bestaande bergplaats met duiventil aan de Ten Edestraat 56 te Gavere (Semmerzake), op een perceel kadastraal gekend onder sectie A, nrs. 1117 b, 1118 a en 1119; Gelet op het arrest nr. 65.060 van 10 maart 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 juli 1997 ingediend door Erwin D'HONDT; Gelet op de beschikking van 5 augustus 1997 die de tussenkomst van Erwin D'HONDT toelaat; X-6851-1/7 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 2 juli 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 17 november 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. LIEVENS die verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris M.-A. DE GEEST die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat D. MATTHYS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de tussenkomende partij eigenares is van een duiventil, ingeplant op een perceel gelegen te Gavere, Ten Edestraat 56, kadastraal bekend onder sectie A, nrs. 1117 b, 1118 a en 1119; dat het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Gavere daarvoor op 12 mei 1993 een bouwvergunning heeft verleend; Overwegende dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 9 mei 1995, tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het optrekken van de bedoelde duiventil; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 1 juni 1995 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat X-6851-2/7 de tussenkomende partij vervolgens een nieuwe aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 20 juni 1995, tot het verkrijgen van een bouwvergunning voor het "uitbreiden van bestaande bergplaats met duiventil"; dat de plannen een aangepaste versie vormen van de plannen die geleid hebben tot het genoemde besluit van 1 juni 1995; dat de aangepaste plannen voorzien in de verbreding van de bestaande constructie, die voortaan dienst zou doen als bergplaats, door de aanbouw van een volière ernaast, en door een verhoging van de bestaande constructie door de bouw van een duiventil bovenop de bergplaats en de volière; dat de gemachtigde ambtenaar over deze nieuwe aanvraag een ongunstig advies heeft gegeven; dat het college van burgemeester en schepenen dienvolgens bij besluit van 7 september 1995 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het door de tussenkomende partij ingestelde beroep bij besluit van 16 november 1995 heeft ingewilligd, en de gevraagde vergunning heeft verleend; dat een door het college van burgemeester en schepenen tegen dit laatste besluit ingestelde beroep door de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening bij besluit van 24 juni 1996 onontvankelijk is verklaard, op grond dat het beroep buiten de termijn is ingesteld; Overwegende dat het voorliggende beroep is ingesteld tegen het genoemde besluit van de bestendige deputatie van 16 november 1995; dat de verzoekers eigenaars zijn van het perceel gelegen naast dat waarop de genoemde duiventil is ingeplant;
- Overwegende dat de verzoekers een middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat zij aanvoeren dat het bestreden besluit de door het college van burgemeester en schepenen genomen weigeringsbeslissing niet op adequate wijze weerlegt; dat de verzoekers in hun toelichting bij het middel nader uiteenzetten dat het college van burgemeester en schepenen de gevraagde vergunning geweigerd heeft, o.m. op grond dat de grote bezetting van de rechterzijde van het perceel van de tussenkomende partij een bijna volledig gesloten wand over een diepte van ongeveer 50 meter zou creëren, wat in strijd zou zijn met de bestemming woongebied met een landelijk karakter en met de open bebouwing in de omgeving, terwijl het bestreden besluit overweegt dat het aangepaste plan de hoogte van de duiventil beperkt tot 3,80 meter aan de zijde van de verzoekers, waardoor het bezwaar van deze laatsten inzake het gebrek aan bezonning wordt opgevangen; dat de verzoekers aanvoeren dat het bestreden besluit X-6851-3/7 aldus geen antwoord geeft op het bezwaar gesteund op het feit dat de bestaande duiventil -die tot dan voor de verzoekers geen hinder opleverde, aangezien ze, hoewel langer dan de duiventil van de verzoekers, ook lager was dan die duiventil- zou worden opgetrokken over de volledige 10 meter, waardoor een groot deel van het zonlicht voor de verzoekers teloor zou gaan en waardoor de nieuwbouw, hoe dan ook, in strijd zou zijn met de bestemming die het gebied volgens het gewestplan heeft (landelijk woongebied); Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen bepalen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen, en dat deze afdoende moeten zijn; dat artikel 6 van dezelfde wet bepaalt dat deze "slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen"; dat uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen een wet van suppletoire aard is; Overwegende dat artikel 55, § 3, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna stedenbouwwet) aan de bestendige deputatie en aan de Vlaamse regering, wanneer zij in beroep uitspraak doen over bouw- en verkavelingsaanvragen, een motiveringsverplichting oplegt die niet minder streng is dan deze voorgeschreven door de wet van 29 juli 1991; dat deze beslissingen derhalve niet onder de toepassing vallen van laatstgenoemde wet; Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de ingeroepen schending van de motiveringsverplichting geacht moet worden te zijn afgeleid uit de schending van artikel 55, § 3, van de stedenbouwwet; Overwegende dat, toegespitst op de beoordeling van de verenigbaarheid van een aanvraag met de goede plaatselijke ordening, uit de laatstgenoemde wetsbepaling volgt dat de bouwvergunning duidelijk de met de plaatselijke aanleg of de ruimtelijke ordening verband houdende redenen moet X-6851-4/7 opgeven waarop de vergunningverlenende overheid haar beslissing steunt; dat deze redengeving des te concreter en preciezer moet zijn wanneer het besluit afwijkt van een voorafgaand ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, dat op duidelijke en concrete elementen is gesteund; Overwegende dat de gemachtigde ambtenaar in zijn ongunstig advies van 28 augustus 1995 omtrent de beoordeling van de goede plaatselijke aanleg heeft gesteld wat volgt: "De aanvraag omvat het uitbreiden van een bestaande duiventil vergund op 12 mei 1993 in toepassing van artikel 46 (van de stedenbouwwet). De uitbreiding omvat de uitbreiding met een volière en een volwaardige verdieping voor duiventil. Het voorstel brengt de goede plaatselijke aanleg in het gedrang, gelet op: - de inplanting op meer dan 30 m achter de voorgevel en op 2 m van de rechter perceelsgrens; - de grote bezetting van de rechterzijde van het perceel waardoor t.o.v. het rechter perceel een bijna volledig gesloten wand over een diepte van ± 50 m wordt gecreëerd, wat in strijd is met de bestemming woongebied met een landelijk karakter volgens het gewestplan en de open bebouwing in de omgeving"; Overwegende dat het bestreden besluit het beroep van de tussenkomende partij inwilligt op grond van de volgende overwegingen: "Overwegende dat uit het ingestelde onderzoek blijkt dat de aanvraag strekt tot het uitbreiden van een bestaande bergplaats met duiventil m.b.t. een perceel gelegen te Gavere (Semmerzake), Ten Edestraat 56, kadastraal bekend sectie A nrs. 1119, 1118a, 1117b; dat het schepencollege op 12.05.1993 aan appellant de vergunning heeft verleend tot het oprichten van een duiventil van 10 m x 2 m bij een hoogte van max. 2,30 m, in te planten op 2 m van de rechter zijdelingse perceelsgrens, achter en gescheiden (1,10 m) van de bijgebouwen horende bij de gerenoveerde woning die samen met deze bijgebouwen een bouwdiepte heeft van 29,65 m; dat de aanvraag tot het optrekken van een duiventil boven het vergund gebouwtje, waarbij de kroonlijsthoogte aan de rechter zijgevel op 2 m van de perceelsgrens tot 4,55m bedroeg, op 01.06.1995 rechtstreeks door het schepencollege geweigerd werd om reden dat de constructie van die aard en omvang is dat ze het landelijk karakter van de omgeving verstoort alsook een hinder zal betekenen voor de gebuur inzake bezonning; dat de aanpalende eigenaar op 05.07.1995 bezwaar indiende tegen het verder in hoogte opbouwen van de duiventil, die zijn naastgelegen duiventil volledig zou afsluiten van de zon, mede door de reeds bestaande nieuwbouw (= bijgebouwen woning); dat onderhavige aanvraag (met behoud van de 2 m bouwvrije zijdelingse strook) een uitbreiding beoogt van de constructie tot 4 m diepte en een zadeldak voorziet; dat het zadeldak de kroonlijsthoogte heeft op 3,80 m aan de rechter zijgevel, op 2 m van de perceelsgrens en op 2,65 m aan de linker zijgevel, alwaar in het dakvlak 5 dakvlakramen worden voorzien voor de duiventil in de dakruimte; X-6851-5/7 dat het assymetrisch zadeldak een helling vertoont van 45/; dat het gelijkvloers bestemd wordt tot bergplaats (vergund deel) en tot volière; dat door het terugbrengen van de kroonlijsthoogte van 4,55 m naar 3,80 m, appellant tegemoet komt aan het bezwaar inzake bezonning; dat met huidig plan de oorspronkelijke bezwaren worden opgevangen; dat rechts een even hoge bebouwing staat ; dat het bouwwerk evenwel correct dient uitgevoerd te worden"; Overwegende dat het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar met name steunde op het feit dat aan de rechterzijde van het perceel van de tussenkomende partij, door de combinatie van de bestaande woning en bijgebouwen met de te verhogen duiventil, een "bijna volledig gesloten wand over een diepte van ± 50 m wordt gecreëerd"; dat, zo de hoogte van de duiventil een element was bij deze beoordeling, de gemachtigde ambtenaar niet steunde op het feit dat aan de verzoekers enige bezonning zou worden ontnomen, maar op het feit dat door het verhogen van de bestaande duiventil een aaneengesloten vlak over een lengte van ongeveer 50 m zou ontstaan, welk geheel onverenigbaar zou zijn met de bestemming als woongebied met landelijk karakter en met de open bebouwing in de omgeving; dat het bestreden besluit de verhoging van de duiventil enkel beoordeelt vanuit het oogpunt van het effect ervan op de bezonning op het perceel van de verzoekers; dat het aldus niet ingaat op het bezwaar dat de gemachtigde ambtenaar ertoe gebracht heeft om de aanvraag in strijd te achten met de goede plaatselijke aanleg, en het dan ook in het midden laat om welke reden het dat bezwaar niet beschouwt als een beletsel voor het inwilligen van de aanvraag; dat het bestreden besluit derhalve niet regelmatig gemotiveerd is; Overwegende dat dit motiveringsgebrek niet kan worden goedgemaakt door de redenen die door de verweerster in haar memorie van antwoord worden gegeven; dat immers enkel met de in het bestreden besluit zelf vermelde redengeving rekening kan worden gehouden; Overwegende dat het middel gegrond is; X-6851-6/7 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 16 november 1995 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij aan Erwin D'HONDT de bouwvergunning is verleend voor het uitbreiden van een bestaande bergplaats met duiventil aan de Ten Edestraat 56 te Gavere (Semmerzake), op een perceel kadastraal bekend sectie A, nrs. 1117 b, 1118 a en
- Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van het Vlaamse Gewest. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig december 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-6851-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.308 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.65.060 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div