← België

Arrest 166309 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.309 Rolnummer: A. 173343/X-12845 Zaak: Arrest 166309 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-16 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 12:23 Fiche Arrest nr 166.309 van 22 december 2006 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.309 van 22 december 2006 in de zaak A. 173.343/X-12.

  1. In zake :
  2. Martin SOMERS,
  3. Liesbeth LAUWERS, die woonplaats kiezen bij Advocaten R. TIJS en Y. LOIX, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen :
  4. de stad ANTWERPEN,
  5. het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
  6. tussenkomende partij : de nv ANTWERPS SPORTPALEIS, gevestigd te 2170 MERKSEM, Schijnpoortweg
  7. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Martin SOMERS en Liesbeth LAUWERS op 26 mei 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 31 maart 2006 van het College van burgemeester en schepenen van de stad Antwerpen waarbij aan de nv ANTWERPS SPORTPALEIS de stedenbouwkundige vergunning is verleend tot het oprichten van een topsporthal aan de Schijnpoortweg 115 te Merksem op percelen kadastraal gekend onder 40ste afdeling, sectie D, nrs. 365 l, 374 a2, 374 b2, 367 t8, 367 v8 en 367 w8; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.845-1/9 Gelet op de beschikking van 19 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 oktober 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat R. TIJS die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat C. SERVAIS die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat J. CLAES die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat M. SCHOUPS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal;
  8. Overwegende dat de nv ANTWERPS SPORTPALEIS met een verzoekschrift van 30 juni 2006 vraagt om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen;
  9. Overwegende dat de eerste verweerster sinds enkele jaren streeft naar de oprichting van een topsporthal op haar grondgebied, te realiseren in het kader van een publiek-private samenwerking; dat het college van burgemeester en schepenen van de eerste verweerster op 6 februari 2004 een locatie-onderzoek heeft goedgekeurd, waarbij twee locaties voor de bouw van een topsporthal in aanmerking werden genomen, waaronder de zogenaamde site Sportpaleis, gelegen naast het bestaande Sportpaleis aan de ring rond Antwerpen; dat met het oog op het vrijmaken van de nodige ruimte, tot dan ingenomen door een tijdelijke tenteninfrastructuur, het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 29 april 2005 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend aan de tussenkomende partij, voor het oprichten van een "hospitality center" naast het bestaande Sportpaleis; dat de gemeenteraad van de eerste verweerster op 12 september 2005 akkoord is gegaan met de bouw en de exploitatie van een topsporthal, op de site Sportpaleis, door de stad in samenwerking met de tussenkomende partij; X-12.845-2/9 Overwegende dat de tussenkomende partij met betrekking tot de bouw van de bedoelde topsporthal een milieueffectrapport heeft opgesteld, op 29 september 2005 goedgekeurd door de Cel MER van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer; dat de tussenkomende partij een aanvraag heeft ingediend, ontvangen op 4 oktober 2005, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor de oprichting van de topsporthal; dat de aanvraag meer bepaald betrekking heeft op een terrein gelegen te Merksem (Antwerpen), aan de Schijnpoortweg 115, kadastraal gekend onder Antwerpen, 40ste afdeling, sectie D, nrs. 365 l, 374 a2 en b2, en 367 t8, v8 en w8; dat tijdens het openbaar onderzoek 18 bezwaarschriften zijn ingediend, o.m. door de eerste verzoeker, welke bezwaarschriften grotendeels gesteund waren door een plaatselijk actiecomité; dat de gemachtigde ambtenaar op 13 februari 2006 over de aanvraag een gunstig advies heeft gegeven, op voorwaarde o.m. dat voldaan zou worden aan de milderende maatregelen bedoeld in het genoemde milieueffectrapport, door verwerking van die maatregelen in een bedrijfsvervoerplan dat de aanvrager vóór het verkrijgen van de vergunning zou moeten opstellen; dat het college van burgemeester en schepenen bij besluit van 31 maart 2006 de gevraagde vergunning verleent, na kennis genomen te hebben van het door de aanvrager ingediende bedrijfsvervoerplan, en na vastgesteld te hebben dat dit bedrijfsvervoerplan in overeenstemming is met de door de stad opgelegde mobiliteitsvoorwaarden; dat bij het genoemde besluit een aantal voorwaarden worden opgelegd, en dat het genoemde bedrijfsvervoerplan bovendien bindend wordt gemaakt; dat het genoemde besluit het voorwerp vormt van de voorliggende vordering; dat de werken inmiddels reeds ver gevorderd zijn, maar dat zij, blijkens de toelichtingen die ter zitting zijn verstrekt, nog niet beëindigd zijn; Overwegende dat de tussenkomende partij ook een milieuvergunning heeft gevraagd; dat de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen bij besluit van 1 december 2005 de gevraagde vergunning heeft verleend; dat de eerste verzoeker verklaart dat hij tegen dat besluit beroep heeft ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd inzake leefmilieu; dat uit de debatten is gebleken dat de tussenkomende partij ondertussen beschikt over een vergunning die definitief is geworden; Overwegende dat de verzoekers wonen in de wijk Kronenburg, gelegen ten oosten van de plaats waar de topsporthal wordt opgetrokken; dat de afstand tussen hun respectieve woningen en de bedoelde plaats volgens de verweerders en de tussenkomende partij ongeveer 1200 meter bedraagt; X-12.845-3/9
  10. Overwegende dat de eerste verweerster en de tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid opwerpen, afgeleid uit de laattijdigheid van het instellen van de vordering; Overwegende dat de twee verweerders en de tussenkomende partij een tweede exceptie van onontvankelijkheid van de vordering opwerpen, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste belang; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken;
  11. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  12. Overwegende, wat betreft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat de verzoekers aanvoeren dat zij wonen in de onmiddellijke omgeving van de inplantingsplaats van de topsporthal, dat de hinderaspecten en eventuele nadelen zijn uiteengezet in het milieueffectrapport, dat het meer bepaald gaat om verkeersoverlast, parkeerhinder, geluidshinder, toename van fijn stof, enzovoorts, allemaal elementen die de woonkwaliteit van de verzoekers ernstig aantasten; dat de verzoekers het nadeel verder preciseren als volgt: "Bij evenementen zullen de straten in de onmiddellijke omgeving, ook voor de deur van verzoekende partijen, meer dan ooit volgeparkeerd staan, zodat zij zelf of hun familieleden, vrienden en bezoekers geen parkeerplek vinden en zulks ongeacht of er bewonersparkeren is ingevoerd of niet. Dit blijkt duidelijk uit het MER. De buurt zal ook nog meer geconfronteerd worden met zoekverkeer in de smalle straten, hetgeen bij evenementen ook de verkeersdruk en het bijkomend verkeerslawaai en de productie van fijn stof in de straat van verzoekers doet stijgen. De bestreden vergunning leidt niet alleen in het geval van de gecumuleerde bezetting van topsporthal en sportpaleis tot hinder, maar ook wanneer deze afzonderlijk gebruikt (worden). Het vergunnen van deze evenementenhal leidt ertoe dat verzoekers niet alleen de activiteiten van het sportpaleis dienen te verwerken, maar daarenboven, ook wanneer het sportpaleis dan al eens niet geopend is, ... de activiteiten in de topsporthal. Quasi elke dag zullen verzoekers X-12.845-4/9 geconfronteerd worden met zoekverkeer, parkeeroverlast en opstoppingen in de buurt. De buurt zal zelfs tussen de grote evenementen van het sportpaleis door niet meer kunnen herademenen, aangezien zij dan de bezoekers van de topsporthal te verwerken krijgt"; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat een overtal aan personenwagens met een verhoogde frequentie, tot bijna dagelijks, zullen uitwijken naar de straten in de onmiddellijke buurt en omgeving, dat de constante parkeeroverlast in de straten waar de verzoekers wonen een acuut en pertinent probleem vormt, dat er geen garantie is om die objectief voorziene overlast te verhinderen, maar dat er enkel sprake is van een beleidsoptie in het kader van een leertraject tot december 2008, dat, zoals in het milieueffectrapport wordt gesteld, het afwentelen van de parkeerbehoefte op de woonwijken in de omgeving een significant negatief effect heeft, dat er voor de woonwijken niet enkel het probleem is van de parkeerdruk (de bewoners en hun familieleden en vrienden vinden geen parkeerplaats meer in hun wijk), maar ook van foutparkeren (waardoor de bereikbaarheid voor vrachtwagens of bijvoorbeeld brandweer in het gedrang komt) en van hinder (nachtlawaai veroorzaakt door mensen die vertrekken, achtergelaten zwerfvuil, zelfs vandalisme); Overwegende dat het door de verzoekers aangevoerde nadeel in essentie bestaat uit de hinder die ontstaat door de toename van het verkeer en van de parkeerbehoeften in de wijk waarin de verzoekers wonen; dat de verweerders en de tussenkomende partij opwerpen dat het aldus aangevoerde nadeel voortvloeit uit de exploitatie van de inrichting, niet uit de oprichting van het vergunde gebouw, en dat het nadeel met andere woorden niet in een oorzakelijk verband staat met de bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat, zoals uit het advies van de gemachtigde ambtenaar en de motieven van de bestreden vergunning zelf blijkt, de effecten van de ontworpen topsporthal op de aangrenzende woonbuurten mede in aanmerking moeten worden genomen om de verenigbaarheid van het ontworpen gebouw met de goede ruimtelijke ordening te beoordelen; dat immers, zoals de gemachtigde ambtenaar het stelt, de gevraagde vergunning geweigerd zou moeten worden "indien blijkt dat de constructie overdreven hinder zal veroorzaken"; dat de door de verzoekers aangevoerde hinder dan ook eveneens in aanmerking kan worden genomen om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te beoordelen; Overwegende dat, zoals de verweerders terecht opmerken, slechts rekening kan worden gehouden met de hinder die toe te schrijven is aan de ontworpen topsporthal, en niet met die welke toe te schrijven is aan het bestaande sportpaleis; dat dit niet wegneemt dat rekening kan worden gehouden met de hinder X-12.845-5/9 die voortvloeit uit een gecumuleerde bezetting van sportpaleis en topsporthal, maar dat geen rekening kan worden gehouden met de hinder die voortvloeit uit de bezetting van het sportpaleis alleen; dat uit de bijlage bij het bestreden besluit ("Probabiliteit maximale bezetting en hoge bezetting") blijkt dat het maximum aantal toeschouwers in het sportpaleis 16.000 bedraagt, terwijl het maximum aantal toeschouwers in de topsporthal 7.500 bedraagt; dat uit die bijlage voorts blijkt dat de kans dat er tegelijkertijd 23.500 bezoekers (16.000 + 7.500) op de site aanwezig zijn ("maximale bezetting"), overeenkomt met 0,01 dag per seizoen, terwijl de kans dat er een "hoge bezetting" is van sportpaleis en topsporthal samen, op grond van de huidige verdeling van het vervoer over de verschillende vervoerwijzen ("modal split") en van een aanbod van 4.000 parkeerplaatsen vastgesteld op 17.973 bezoekers of meer, overeenkomt met 10,7 dagen per seizoen; Overwegende dat de verzoekers het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel afleiden uit de bevindingen van het milieueffectrapport, daterend van september 2005; dat daarin inderdaad vermeld wordt dat het afwentelen van de parkeerbehoefte op de woonwijken in de omgeving, met de hinder die zulks met zich brengt, een "significant negatief effect" heeft; dat dit effect evenwel slechts bereikt wordt in het geval van een "gecombineerd scenario maximum bezetting", d.i. een scenario waarin gelijktijdig niet enkel het sportpaleis en de topsporthal maximaal bezet worden (samen 23.500 bezoekers), maar ook het "hospitality center" ("VIP faciliteiten") maximaal bezet wordt (1.800 bezoekers); dat van dit scenario in het milieueffectrapport zelf wordt gesteld dat het "slechts heel uitzonderlijk (zal) plaatsvinden"; dat in de genoemde bijlage bij het bestreden besluit wordt gesteld dat, aangezien het niet de bedoeling is om afzonderlijke activiteiten in het "hospitality center" te organiseren, de maximale bezetting van 25.300 bezoekers (16.000 + 7.500 + 1.800) zuiver theoretisch is, en dat het realistische maximum aantal bezoekers, zoals hiervóór reeds is aangegeven, 23.500 bedraagt; dat de door de verzoekers aangevoerde overlast ten gevolge van een toegenomen parkeerbehoefte dan ook gerelativeerd moet worden; dat, wat betreft de effecten ten gevolge van het gebruik van de topsporthal alleen, in het milieueffectrapport wordt geconcludeerd dat zowel in het scenario van een "gemiddelde" bezetting van de topsporthal als in dat van een "maximumbezetting" van de topsporthal, het effect van de parkeerbehoefte op de omliggende straten neutraal is; X-12.845-6/9 Overwegende bovendien dat de conclusies van het milieu- effectrapport gelezen moeten worden in het licht van de maatregelen die nadien genomen zijn, met name om aan de gesignaleerde problemen tegemoet te komen; Overwegende dat in dit verband in de eerste plaats kan worden gewezen op het besluit van het college van burgemeester en schepenen van 23 september 2005 tot invoering van een "blauwe zone", waarvoor de bewoners een bewonerskaart kunnen krijgen die hen het recht geeft om in die zone onbeperkt te parkeren, in tegenstelling tot de andere bestuurders, die er slechts gedurende één uur, later verlengd tot twee uur, kunnen parkeren; dat de verzoekers, die blijkens de gegevens van het dossier over een bewonerskaart beschikken, zich ertoe beperken in algemene bewoordingen te stellen dat het bewonersparkeren niets aan het parkeerprobleem in hun straat verandert, maar dat zij die bewering door geen enkel concreet gegeven staven; Overwegende dat voorts gewezen moet worden op de voorwaarden die bij het bestreden besluit zelf aan de vergunninghouder worden opgelegd; dat uit de motieven van het besluit, meer bepaald uit de motivering van de afwijking van de milderende maatregelen voorgesteld in het milieueffectrapport, blijkt dat het college van burgemeester en schepenen "opteert om in te steken op de meest duurzame oplossing op lange termijn, met name het gratis (of voorafbetaald) aanbieden van het openbaar vervoer in een groeiscenario, en dit in functie van een gewijzigde (duurzame) modal split"; dat het er aldus voor kiest om, middels het opleggen van voorwaarden in de vergunning, een verschuiving van de modal split ten voordele van het openbaar vervoer te bewerkstelligen; dat de bedoelde voorwaarden er in het bijzonder op gericht zijn om de bezoekers aan te moedigen, in positieve of negatieve zin, om hun wagen thuis of op een P + R ("park and ride")-parking achter te laten; dat de door het college vastgestelde mobiliteitsvoorwaarden, die in de motieven van het bestreden besluit worden aangehaald, door de tussenkomende partij verwerkt zijn in een bedrijfsvervoerplan, waaromtrent artikel 3 van het bestreden besluit bepaalt dat het bindend is; dat dit bedrijfsvervoerplan voorziet in minimumpercentages die voor het openbaar vervoer, het collectief vervoer en het traag vervoer behaald moeten worden, o.m. door het sluiten van een overeenkomst met De Lijn en door het voeren van een bepaalde promotie; dat, als die percentages geëerbiedigd worden, er geen nood zou zijn aan bijkomende parkeerplaatsen voor personen die met de eigen wagen komen; dat de modal split vanaf januari 2009 jaarlijks geëvalueerd zal worden, en dat, indien de streefcijfers niet bereikt worden, X-12.845-7/9 door de tussenkomende partij ofwel bijkomende maatregelen genomen worden, in overleg met de eerste verweerster, ofwel het maximum aantal toegelaten bezoekers beperkt wordt, volgens een formule die in het bedrijfsvervoerplan is bepaald; dat het bedrijfsvervoerplan aldus lijkt te voorzien in een mechanisme van evaluaties en sancties, dat in een redelijke mate lijkt te kunnen garanderen dat de beoogde doelstellingen ter beperking van de mobiliteitsproblemen effectief gerealiseerd worden; dat de verzoekers zich ertoe beperken om in dit verband te stellen dat er "enkel sprake (is) van een beleidsoptie in het kader van een leertraject tot december 2008", doch dat zij niet ingaan op de concrete inhoud van de opgelegde voorwaarden en op de mate waarin die voorwaarden een invloed hebben op de door hen beschreven hinder; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, de verzoekers het bestaan van een ernstig nadeel niet aannemelijk maken; dat het aldus niet nodig is om over te gaan tot een belangenafweging, zoals subsidiair door de tussenkomende partij wordt gevraagd;
  13. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel
  14. Het verzoek tot tussenkomst van de nv ANTWERPS SPORTPALEIS in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  15. De vordering tot schorsing wordt verworpen. X-12.845-8/9 Artikel
  16. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig december 2006, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.845-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.309 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.863 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.