← België

Arrest 166330 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 29/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.330 Rolnummer: A. 132444/XIV-13668 Zaak: Arrest 166330 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 29/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-30 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-07-01 12:28 Fiche Arrest nr 166.330 van 29 december 2006 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.330 van 29 december 2006 in de zaak A. 132.444/XIV-13.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André
  2. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 20 januari 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 23 december 2002 tot bevestiging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 20 februari 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 3 februari 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 9 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 juni 2006; XIV-13.668-1/9 Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. KUSTERS, die loco advocaat H. VAN VRECKOM verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. STERCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. Overwegende dat de verzoekende partij België binnenkomt op 20 september 2000 en zich vluchteling verklaart op 21 september 2000; dat op 20 februari 2001 de minister van Binnenlandse Zaken beslist tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat op 23 december 2002 de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing bevestigt; dat dit de thans bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: "U verklaart Iraans staatsburger te zijn en bent afkomstig uit Shiraz. U verklaart verschillende problemen gehad te hebben in Iran omwille van uw politieke activiteiten als student en omwille van een conflict met één van uw professoren. Op 06/06/1379 verliet u Iran (Iraanse tijdrekening; stemt overeen met 28/08/2000) en op 20/06/1379 (11/09/2000) kwam u aan in België, waar u de volgende dag asiel aanvroeg. U bent in het bezit van uw boekje van burgerlijke stand. Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-generaal, begonnen uw problemen in Iran aan de Vrije Islamitische Universiteit afdeling Yassoudj van Shiraz, waar u in 1374 (1995-1996) begon met een studie architectuur. Vanaf het begin van uw studie was u actief in de discussiegroep ‘Modjahedin Bar Zedd’. Deze groep bestond uit vier leden waaronder uzelf. Het programma van deze groep was vooral gericht tegen de professoren van uw universiteit, tegen de Islamitische inslag van hun lessen en tegen president Khatami. De activiteiten van de groep bestonden uit het opstellen en verdelen van pamfletten op de universitaire campus. Binnen de groep was u verantwoordelijk voor de grafische vormgeving van de pamfletten en alles wat met computers te maken had. Tijdens uw studententijd leerde u dan uw verloofde, N. F., kennen. Eén van uw professoren, met name professor Tadayon, werd verliefd op uw vriendin en vroeg om haar hand, maar ze weigerde in te gaan op zijn aanzoek. Hierna werd u extra geviseerd op de universiteit. Op een avond werden u en uw vriendin zelfs aangevallen door onbekende mannen: ze sloegen u beiden en verbrandden u met een gloeiende staaf aan de linkerpols. Uw vriendin liep ook verwondingen op en u had beiden medische zorgen nodig. U schakelde echter de politie niet in. U vermoedde dat de daders handlangers waren van professor Tadayon. Ook na dit incident werd u het leven moeilijk gemaakt aan de universiteit. Zo werd u in de gaten gehouden door Bas$idj (mobilisatie van de verdrukten; vrijwilligers) en Andjoman é Islam (islamitische Vereniging) op de campus en verschillende keren berispt in verband met uw relatie. Na deze gebeurtenissen werd uw politieke activiteit en uw overtuiging nog sterker. Uiteindelijk werd u van de universiteit verwijderd met als officiële reden dat u niet genoeg punten behaalde om uw studies verder te zetten. U moest dan uw legerdienst vervullen bij Sepah (korps van de revolutiewachters), divisie Al Hadi
  4. Tijdens uw legerdienst bleef u actief in de discussiegroep, maar u schroefde uw activiteiten terug. U kende geen problemen tijdens uw legerdienst. U vroeg in die tijd ook een internationaal paspoort aan, hetgeen u zonder problemen overhandigd werd. Bij de aankondiging van het bezoek van president Khatami aan Shiraz werd de groep meer en meer actief en één van de leden, met name Hossein Salehi, de leider, werd opgepakt door de politie nadat hij reeds voorafgaandelijk werd gesurveilleerd. Dit gebeurde één week voor uw vertrek naar België. Uit angst dat de politie Hossein Salehi zou ondervragen en dat deze u zou verraden, besloot u het land te verlaten. U vertrok met het vliegtuig vanuit Merhabad airport in Teheran. Vooreerst dient te worden vastgesteld dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is XIV-13.668-2/9 gevoegd, blijkt dat er al sinds geruime tijd geen mensen meer opgepakt worden voor het verspreiden van pamfletten. Dit ondermijnt uw beweerde vrees voor vervolging. Bovendien zijn uw politieke activiteiten eerder beperkt en kleinschalig. U stond enkel in voor de redactie van de pamfletten die de andere leden dan verdeelden op de universiteit en u schroefde i uw activiteiten nog terug omdat u uw legerdienst deed . Bovendien hebt u op geen enkel moment zelf last gehad omwille van deze activiteiten. U verliet het land preventief na de arrestatie van Hossein maar zelf werd u nooit gearresteerd noch veroordeeld. U hebt uw legerdienst zonder problemen vervuld en ook de beëindiging van uw legerdienst verliep zonder problemen hoewel de leider van uw discussiegroep, Hossein, toen reeds onder surveillance stond. Vervolgens hebt u zonder problemen een internationaal paspoort kunnen bemachtigen. U heeft dus uw land verlaten op legale wijze in het bezit van een geldig internationaal paspoort dat u kort voor uw vertrek aanvroeg, hetgeen moeilijk in overeenstemming te brengen is met een vluchtsituatie en een gegronde vrees voor vervolging zoals omschreven in de Conventie van Genève. Temeer daar uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat er een enorme strenge controles gelden op Merhabad Airport: als een persoon gezocht wordt, is het quasi onmogelijk om via deze weg het land te verlaten. Bovendien legt u tegenstrijdige verklaringen af op de Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en in Dringend Beroep (DB) over uw internationaal paspoort. Zo zegt u op Dienst Vreemdelingenzaken dat u reeds de dag na het beëindigen van uw militaire dienst, uw internationaal paspoort in handen had (zie gehoorverslag DVZ vraag 42). In Dringend Beroep verklaart u aanvankelijk dat u één week na uw legerdienst zelf uw paspoort bent gaan afhalen op het paspoortbureau te Shiraz (zie gehoorverslag DB p. 2). Later wijzigt u uw verklaring en stelt u dat u 48 uur na het beëindigen van uw militaire dienst uw paspoort bent gaan afhalen (zie gehoorverslag DB p. 111). Verder dient te worden vastgesteld dat uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, en waarvan een kopie bij het administratief dossier is gevoegd, blijkt dat er sterk aan de authenticiteit van de door u neergelegde convocatie kan getwijfeld worden omdat ze niet beantwoordt aan een aantal formele en inhoudelijke vereisten. Bijgevolg kan dan ook weinig geloof meer worden gehecht aan uw verklaringen dat u wordt gezocht omwille van uw politieke activiteiten. Tenslotte dient te worden opgemerkt dat de problemen die u met professor Tadayon kende (Pomwille van uw relatie met N. van private en gemeenrechtelijke aard zijn en vallen bijgevolg dus buiten het toepassingsgebied van de Conventie van Genève. Het door u voorgelegde boekje van burgerlijke stand en rijbewijs wijzigen niets aan deze beslissing aangezien ze verband houden met persoonsgegevens waar niet wordt aan getwijfeld en dus de feiten niet in een ander daglicht stellen. Gelet op het voorgaande kan er niet worden besloten dat er bij u een vermoeden van een gegronde vrees voor vervolging, zoals omschreven in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, bestaat.”, 2.
  5. Overwegende dat in het auditoraatsverslag een exceptie van niet- ontvankelijkheid wordt opgeworpen omdat de raadsman van de verzoekende partij met een brief van 12 april 2006 aan het voor de behandeling van de zaak aangeduid lid van het auditoraat heeft meegedeeld zonder instructies te zijn; 2.
  6. Overwegende dat uit het feit dat de raadsman van de verzoekende partij op zeker ogenblik meedeelt zonder instructies te zijn niet ipse facto kan worden afgeleid dat de verzoekende partij door een gebrek aan voortdurende en ononderbroken belangstelling voor haar beroep nadien niet meer over het rechtens vereist actueel belang zou beschikken; dat geen enkel beginsel of bepaling er een verzoekende partij toe verplicht onafgebroken gebruik te maken van de diensten van een raadsman; dat diezelfde raadsman bovendien ter terechtzitting de verzoekende partij heeft vertegenwoordigd; dat de exceptie wordt verworpen; XIV-13.668-3/9 3.
  7. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel aanvoert dat luidt als volgt: “Eerste en enige middel: Manifest gebrekkige en onredelijke motivering en machtsoverschrijding: Schending van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen evenals als van het artikel 1, A, 2 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de aanvraag van de eiser kennelijk ongegrond en bedrieglijk zou zijn; Dat dit middel kan worden onderverdeeld in zes onderdelen, gelet op de motivering van de bestreden beslissing; Eerste onderdeel: wat betreft de politieke activiteiten van de eiser : Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat volgens bepaalde informatie zou blijken dat mensen al gedurende geruime tijd geen mensen meer worden opgepakt omwille van het verspreiden van pamfletten; Dat de informatie waarnaar wordt verwezen in de bestreden beslissing niet vermeldt welke de identiteit is van de bronnen die dit zouden bevestigen ( bepaalde journalisten en advocaten ? ), zodat er op geen enkele wijze kan worden nagegaan of verzekerd dat deze informatie objectief en correct zou zijn; Dat het daarentegen een algemeen gekend feit is dat politiek opposanten nog steeds worden vervolgd in Iran, net als mensen die zich niet strikt aan de islamitische voorschriften houden; Dat Iran één van de landen is waar het meest aantal executies voorkomen en waar de overheden folterpraktijken gebruiken en de meest elementaire rechten van verdediging miskennen; Dat de informatie waarnaar wordt verwezen door de bestreden beslissing op geen enkele wijze verzekert op basis van aangegeven, geïdentificeerde en verifieerbare bronnen dat de informatie die wordt geciteerd, correct zou zijn; Dat om die reden deze aangehaalde informatie niet kan worden gebruikt door de bestreden beslissing om te motiveren dat de asielaanvraag van de eiser kennelijk ongegrond of bedrieglijk zou zijn; Dat de bestreden beslissing op dit punt dus een manifest gebrekkige motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 v:an de wet van 29 juli 1991 ; Tweede onderdeel : wat betreft de vrees voor vervolging van de eiser : Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de activiteiten van de eiser eerder beperkt waren en dat hij enkel pamfletten opstelde die anderen uitdeelden ; ' Dat de bestreden beslissing ook vaststelt dat de eiser verklaarde zijn activiteiten te hebben teruggeschroefd tijdens zijn legerdienst en dat hij in die periode geen problemen heeft gekend en nooit last heeft gehad met de overheden omwille van zijn activiteiten. maar dat hij preventief het land zou hebben verlaten omdat Hossein was opgepakt,- Dat het inderdaad correct is te stellen dat de eiser zelf nooit is gearresteerd of veroordeeld omwille van zijn activiteiten tot op het moment dat Hossein werd gearresteerd, maar het is niet nodig voorheen al te zijn gearresteerd of veroordeeld opdat een persoon geen gegronde vrees voor toekomstige vervolgingen zou kunnen hebben, zodat deze motivering niet terzake doet om de vrees van de eiser te beoordelen; Dat het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève stelt dat iemand die een gegronde vrees heeft dat hij zal worden vervolgd omwille van zijn politieke activiteiten op opinies in zijn land van herkomst een vluchteling is, zodat het duidelijk is dat men niet noodzakelijk in het verleden al het voorwerp moet hebben uitgemaakt van vervolgingen om aanspraak te kunnen maken op de status van vluchteling; Dat er moet onderzocht worden wat de vrees kan zijn van de eiser, rekening houdend met de afgelopen gebeurtenissen en op basis van de huidige toestand in Iran; Dat het feit dat de politieke activiteiten van de eiser beperkt waren ook niet van belang is, nu het algemeen geweten is dat de Iraanse overheden folterpraktijken toepassen en dat men onder folteringen tot veel dingen laat bekennen, zelfs tot onwaarheden; Dat gelet op het feit dat Hossein, de vriend van de eiser en leider van de discussiegroep al is gearresteerd, het voor de eiser voldoende aanleiding was om te vrezen dat zijn vriend onder de folteringen hem zou verraden en misschien nog zelfs zou gaan beweren dat de eiser de grote leider was van de groep of alles was de overheden hem in de mond willen leggen; Dat achteraf de vrees van de eiser gegrond is gebleken omdat er een convocatie is afgeleverd aan zijn huis, waar in staat dat hij ervan wordt verdacht een gevaar te zijn voor de openbare orde; XIV-13.668-4/9 Dat de afwezigheid van problemen voor de eiser tijdens zijn legerdienst geen reden is om aan te nemen dat hij op het moment van zijn vlucht en momenteel nog steeds geen vrees zou hebben om te worden vervolgd, want het is pas daarna dat Hossein is gearresteerd en op het moment van zijn legerdienst hadden zich bepaalde determinerende gebeurtenissen nog niet voorgedaan die de vrees van de eiser hebben doen ontstaan om te worden vervolgd; Dat men evengoed zou kunnen zeggen dat de eiser geen problemen heeft gekend in zijn kindertijd, wat al evenmin relevant is, omdat er moet rekening gehouden worden met de gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan kort voor de vlucht van de eiser die noodzakelijkerwijze zijn vrees hebben doen ontstaan; Dat om die reden dit deel van de bestreden beslissing totaal irrelevant is en een manifest gebrekkige motivering uitmaakt omdat niet kan worden ingezien hoe deze motivering redelijkerwijze kan motiveren dat de asielaanvraag van de eiser kennelijk ongegrond of bedrieglijk zou zijn; Dat dit deel van de motivering van de bestreden beslissing daarom gok in strijd is met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951; Derde onderdeel: Betreffende het internationaal paspoort van de eiser- Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de eiser kort voor zijn vertrek een internationaal paspoort heeft verkregen en zijn land op legale wijze heeft verlaten, wat moeilijk in overeenstemming is te brengen met een gegronde vrees voor vervolging en dat er strenge controles worden gehouden op Merhabad Airport zodat het quasi onmogelijk is voor een gezocht persoon om het land te verlaten; Dat de bestreden beslissing nalaat om in aanmerking te nemen dat de eiser zijn internationaal paspoort heeft aangevraagd en verkregen kort nadat zijn vriend Hossein, leider van de discussiegroep werd gearresteerd, zodat het normaal is dat hij geen problemen had met het verkrijgen van dat paspoort omdat hij op dat moment nog niet werd gezocht, nu Hossein niet noodzakelijkerwijs de eiser al heeft verraden na enkele dagen; Dat het pas na de arrestatie van Hossein is en zelfs na meer dan een week nadat de eiser het land had verlaten dat de eiser werd gezocht toen bleek dat er een convocatie werd afgeleverd, zodat het daarom ook geen probleem was voor de eiser om het land op legale wijze te verlaten; Dat de eiser, dankzij het feit dat hij voordien een internationaal paspoort had verkregen, op een vlugge en efficiënte wijze is kunnen vluchten nadat Hossein werd gearresteerd, wat voor hem een geluk is geweest, want had hij iets langer gewacht en dan pas geprobeerd te vluchten, dan was hij zeker en vast tegengehouden op het vliegveld; Dat het feit dat de eiser dus op dat moment, voordat Hossein het begeven had en hem verraden heeft of de Iraanse overheden de mogelijkheid hebben gehad om de zoekacties op te zetten, het land heeft kunnen ontvluchten op legale wijze, niet betekent dat hij daarna niet is geregistreerd geworden als gezocht en hij' nu wel een risico loopt op vervolging in geval van terugkeer; Dat er altijd moet onderzocht worden war de actuele vrees is van de eiser bij terugkeer, zodat dit deel van de motivering van de bestreden beslissing niet kan aantonen dat de asielaanvraag bedrieglijk of kennelijk ongegrond zou zijn zodat er een manifest gebrek aan motivering is, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ; Vierde onderdeel : wat betreft de beweerde tegenstrijdigheid in de verklaringen van de eiser betreffende zijn internationaal paspoort. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de eiser tegenstrijdige verklaringen zou afgelegd hebben in verband met zijn internationaal paspoort Dat om die redenen de bestreden beslissing eveneens een manifest gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991; Dat de eiser op de Dienst Vreemdelingenzaken zou hebben verklaard dat hij de dag na het beëindigen van zijn legerdienst zijn internationaal paspoort zou hebben verkregen, terwijl hij in dringend beroep eerst verklaarde dat hij het paspoort één week na het einde van zijn legerdienst is gaan afhalen om daarna te preciseren dat hij het heeft verkregen achtenveertig uur na het einde van zijn legerdienst; Dat de eiser er zich niet van bewust van was dat de situering van het bekomen van zijn internationaal paspoort zo'n belang had, zodat hij in dringend beroep eerst verklaarde dat het ongeveer een weekje heeft geduurd, om dan later te preciseren dat het precies achtenveertig uur heeft geduurd, omdat hij besefte dat het misschien toch wel beter was om correct en exact te zijn; Dat de verklaringen van de eiser op Dienst Vreemdelingenzaken niet echt als tegenstrijdig kunnen worden beschouwd met deze op het Commissariaat-generaal omdat het verschil tussen één dag en twee dagen zo miniem is, dat dit niet de geloofwaardigheid van het gehele asielrelaas van de eiser aantast; Dat om die reden de bestreden beslissing met dit deel van de motivering niet aantoont dat de asielaanvraag van de eiser kennelijk ongegrond of bedrieglijk zou zijn, zodat het een schending is van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen XIV-13.668-5/9 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951; Wat betreft de twijfels aan de authenticiteit van de convocatie, neergelegd door de eiser. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat er sterk getwijfeld zou moeten worden aan de authenticiteit van de convocatie die de eiser heeft neergelegd omdat uit informatie van de Commissaris-generaal betreffende een onderzoek naar de echtheid ervan zou blijken dat deze niet voldoen aan een aantal formele en inhoudelijke vereisten ; Dat de bestreden beslissing nalaat uit te leggen aan welke formele en inhoudelijke vereisten de convocatie niet zou voldoen, wat een manifest gebrek aan motivering uitmaakt; Dat de bestreden beslissing verwijst naar een zogenaamd "onderzoek van de authenticiteit" van de convocatie, waarvan op geen enkele wijze kan worden nagegaan of dit onderzoek de nodige waarborgen van objectiviteit en professionalisme bieden, nu het blijkbaar twee anonieme advocaten uit Iran zijn die hun beweerde expertise aanbieden; , Dat er niets bekend is omtrent die zelfverklaarde "experts", zodat niet kan worden nagegaan of het onderzoek naar de authenticiteit van de documenten voldoende objectief en betrouwbaar is; Dat in het algemeen er ook moet op gewezen worden dat men zich kan afvragen of er wel duidelijke wettelijke criteria zijn die de authenticiteit van dergelijke documenten garanderen, gelet op het feit dat het gaat om vervolging van politieke misdrijven, waarvan de "onderzoeksprocedure" en de "berechting" totaal in strijd is met internationale standaarden betreffende de rechten van verdediging, de vrijheid van meningsuiting en andere mensenrechten en fundamentele vrijheden en dat in dergelijke procdures tegen politieke opposanten zelden de correcte procedures worden gevolgd, nu het algemeen geweten is dat het aantal buitengerechtelijke executies om politieke redenen en de martelingen tijdens verhoren en in gevangenissen in Iran alleen maar gestegen zijn; Dat om die redenen de enkele "twijfel" omtrent de authenticiteit van bepaalde documenten gebruikt in het kader van vervolgingen omwille van politieke redenen en dat dan nog op basis van een totaal onbetrouwbaar, onverifieerbaar verslag van anonieme zelfverklaarde experts, manifest niet volstaan om de bewijskracht van het aangebrachte document zomaar buiten beschouwing te laten en dat er alleszins niet op die basis tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de eiser kan worden besloten, u dit enkel kan als men met zekerheid kan aantonen en bewijzen door onafhankelijk, verifieerbaar onderzoek dat het document met alle zekerheid vals is;t om die redenen de bestreden beslissing een manifest gebrek aan motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 ; Zesde onderdeel : betreffende de problemen van de eiser met professor Tadoyan Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de problemen die de eiser heeft gekend met professor Tadoyan omwille van zijn verloofde van privaatrechtelijke aard zijn en niet onder de criteria van de Vluchtelingenconventie vallen; Dat de eiser ook nooit heeft beweerd dat hij Iran heeft verlaten omwille van de problemen die hij' vreesde met de professor, maar wel omwille van zijn politieke activiteiten, zodat dit deel van de motivering van de bestreden beslissing totaal niet dienstig is om te motiveren dat de asielaanvraag van de eiser bedrieglijk of kennelijk ongegrond zou zijn; Dat dit deel van de motivering daarom een manifest gebrekkige motivering is, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980, de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951.”; 3.
  8. Overwegende dat artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en de artikelen 1, 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen betrekking hebben op de formele motiveringsplicht; dat uit het middel blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent doch betwist dat de gegeven motieven de beslissing kunnen dragen; dat zij in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; dat het bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de gegrondheid van het dringend beroep in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van het dringend XIV-13.668-6/9 beroep is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 6 mei 1993, die artikel 52 van de Vreemdelingenwet heeft gewijzigd, blijkt dat de asielaanvrager zijn aanvraag moet kunnen staven met een coherent en geloofwaardig verhaal, dus dat hij in zijn land van herkomst verdrukt wordt en bloot staat aan vervolging of foltering (Parl. St., Kamer, 1992-93, nr. 903/5,8); dat dit geen omkering van de bewijslast betekent, maar een afwijzing als de aanvrager geen gegeven aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen voor vervolging zijn (Parl. St.,Senaat, 1992-93, nr. 555-2, 83); Overwegende dat de verzoekende partij in het derde onderdeel van het middel bevestigt dat zij op het ogenblik van haar vertrek uit haar land van herkomst nog niet werd gezocht, “nu Hossein niet noodzakelijkerwijs (haar) al (had) verraden na enkele dagen”; dat de verzoekende partij in het vierde onderdeel bevestigt dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd omtrent het tijdstip en de omstandigheden waarin zij een internationaal paspoort heeft verkregen met het oog op het verlaten van haar land van herkomst; dat de commissaris-generaal bijgevolg terecht heeft getwijfeld aan de ernst van de problemen die de verzoekende partij hebben aangezet Iran te ontvluchten; dat, in de mate dat de verzoekende partij in het vijfde onderdeel verwijst naar de convocatie die zou worden uitgevaardigd door de Iraanse autoriteiten en waarbij zij zou worden verzocht zich aan te melden bij het parket (zie verhoorverslag commissariaat-generaal, p. 4), dient opgemerkt te worden dat de commissaris-generaal ernstige twijfels heeft over de authenticiteit van de kwestieuze convocatie; dat de verzoekende partij niet verder komt dan op haar beurt de objectiviteit van de informatiebronnen waarnaar de commissaris-generaal verwijst in twijfel te trekken, zonder zelf een begin van bewijs aan te brengen van haar beweringen; dat uit het administratief dossier blijkt dat de betrokken Iraanse advocaten jarenlange ervaring hebben op juridisch gebied, dat één van hen specialist is in het strafrecht, dat zij op autonome wijze een onderzoek hebben gevoerd naar de authenticiteit van die convocatie en tot dezelfde conclusie zijn gekomen, en dat zij veiligheidshalve anoniem moesten blijven; dat de verzoekende partij zich in het eerste en het tweede onderdeel beperkt tot een algemene herhaling van haar eigen standpunt, zonder daarmee de kwestieuze motieven van de bestreden beslissing te ontkrachten; dat de verzoekende partij in het zesde onderdeel niet betwist dat de problemen met professor Tadoyan geen verband houden met haar vlucht, zodat die feiten inderdaad niet een erkenning als vluchteling kunnen staven; dat de verzoekende partij derhalve niet aannemelijk maakt dat de commissaris-generaal de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of onzorgvuldige wijze of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid, die hem door de artikelen 63 en 63/3 juncto 52 van de Vreemdelingenwet is gegeven, heeft genomen; dat het middel in die mate ongegrond is; XIV-13.668-7/9 Overwegende dat artikel 48 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat als vluchteling kan worden erkend “de vreemdeling die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde gesteld worden door de internationale overeenkomsten die België binden”; dat uit de bovenstaande bespreking van het middel echter blijkt dat de kritiek van de verzoekende partij tegen de vaststelling dat zij niet aan die voorwaarden voldoet, ongegrond is; dat het middel derhalve ook in die mate ongegrond is;
  9. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig december tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, XIV-13.668-8/9 staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-13.668-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.330 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.