← België

Arrest 166332 - Commissie voor regularisatie - 29/12/2006

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.332 Rolnummer: A. 171057/XIV-24996 Zaak: Arrest 166332 - Commissie voor regularisatie - 29/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-07-01 12:28 Fiche Arrest nr 166.332 van 29 december 2006 Vreemdelingen - Commissie voor regularisatie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.332 van 29 december 2006 in de zaak A. 171.057/XIV-24.996. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat F. VANBELLEGHEM, kantoor houdende te 8870 IZEGEM, Ommegangstraat 8 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door : de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- --- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 15 maart 2006 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 februari 2006 houdende weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 26 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 22 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partij, bijgestaan door advocaat A. NAVASARTIAN, die loco advocaat F. VANBELLEGHEM verschijnt en van advocaat L. BRACKE, die loco advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de minister van Binnenlandse Zaken; XIV-24.996-1/10 Gehoord het advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de verzoekende partij op 26 januari 2000 een regularisatieaanvraag indient op grond van artikel 2, 4/, van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat op 29 september 2005 de Commissie voor regularisatie, na tegensprekelijk onderzoek, een ongunstig advies geeft, dat de volgende overwegingen bevat: “Gelet op de beschikking van 12 februari 2004 van de vice-Eerste Voorzitter van de Commissie mevrouw Carla Vercammen, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstatige kamer op de zitting van 11 maart 2004. Op deze zitting werd de behandeling uitgesteld naar de zitting van 13 mei 2004. Dit gebeurde omdat er bijkomende informatie moest opgevraagd worden in verband met de identiteit omdat de verzoekende partij ter zitting duidelijk had gemaakt dat hij in 1997 bij een aanhouding in Mechelen gebruik had gemaakt van een valse naam en er vanwege de Dienst Vreemdelingenzaken aan de Commissie een ander dossier dan dat van verzoeker was bezorgd zodat niet kon worden nagegaan of hij al dan niet van de naam Elusatti of Elusetfi Mohammed gebruik had gemaakt. Er kon nog geen bevestiging bekomen worden van een opsluiting van verzoeker in het Penitentiair Centrum te Brugge in de periode rond 9 juli 1997 nadat hij in Mechelen was opgepakt door de politie en waarvoor hijzelf ME.55,36.1 02972197 als referte opgaf. Het Parket te Antwerpen had de strafzaak AN.45.23.09650412002, waarin een onderzoek gebeurde over een mogelijke valsheid van een door dokter Elarbi afgeleverd attest, nog niet afgehandeld. Op de zitting van 13 mei 2004 werd de verdere behandeling van het verzoek onbepaald uitgesteld. Na beschikking van de Eerste Voorzitter van de Commissie van 19 september 2000 was verzoeker reeds eerder opgeroepen voor de Commissie van regularisatie op de zitting van de 3e Nederlandstalige kamer op 19 oktober 2000 tijdens dewelke hij verklaarde nooit een bevel te hebben gekregen om het land te verlaten. Dit moest verder worden onderzocht zodat de zaak werd uitgesteld naar de zitting van 30 november 2000 te 13u30. Op de zitting van 30 november 2000 werd het verzoek niet verder behandeld en daarna verschoven naar de zitting van de 3e kamer van 4 januari 2001 waarop er bleek dat ze nogmaals niet verder kon worden behandeld en werd het verzoek terug naar de rol verzonden. Tenslotte werd verzoeker nogmaals uitgenodigd om te verschijnen op de zitting van 23 juni 2005 waarop de verzoekende partij in persoon verscheen en werd bijgestaan door zijn raadsman mr Jan Kempinaire, advocaat te en van de balie van Kortrijk, en voor welke zitting verzoeker opnieuw nog de bijstand van een tolk had gevraagd. Het ingediende verzoek werd mondeling behandeld en in de landstaal welke de aanvrager gebruikt heeft bij het indienen van zijn aanvraag in overeenstemming met het artikel 10 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000. Uit de nota van het onderzoekssecretariaat en uit de stukken van het dossier blijkt dat de aanvraag tijdig werd ingediend op 26 januari 2000 te Roeselare en daarin liet hij optekenen dat hij ongehuwd was waarna geen Kinderen werden vermeld. Bij deze aanvraag bevond zich kopij van de Carte d'identité Nationale nr.S,122172 op naam van XXX geboren in 1955 met als beroep arbeider met domicilie Douar Durdijane ijarmaous Nador en geldig van 1 februari 1993 tot 31 januari 2003. Er werd eveneens kopij bezorgd van de bladzijden 2 en 3 van internationaal paspoort 1.699.856 op naam van XXX met als geboorteplaats ljarmaouas Nador.Tegelijkertijd werd kopij bezorgd van, vier bladzijden van een Marokkaans paspoort nr 326.338 op naam van XXX geboren in 1955 geldig van 10 december 1984 tot 9 december 1984 met reeds inschrijving op 10-8-84 onder nummer 258312 op het consulaat van Marokko in Antwerpen. Volgens een attest van het Koninkrijk Marokko van 1510312004 in hun dossier 2583/P ging het om de persoon met een definitieve identiteit van XXX geboren te ijarmaouas in 1955. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 1 september 2000 waarin gewezen werd op een vermoeden van fraude en waarin tot het besluit werd gekomen dat het bij de aanvraag gevoegde dossier XIV-24.996-2/10 volledig was, maar stukken bevatte die aanleiding konden geven tot betwisting zodat de aanvraag aanhangig werd gemaakt bij en Kamer van de Commissie in overeenstemming met artikel 12 § 2 van de wet van 22 december 1999. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie. kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met de nummers 4.997.467 en 4.997.468 en in welk dossier zich geen enkel gegeven bevindt dat dateert van voor het indienen van het verzoek tot regularisatie van verblijf zodat het geen bevestiging kan geven over een eerdere aanwezigheid van betrokkene in het Rijk zodat er toen ook nog geen bevel om het land te verlaten kon gegeven zijn. De verzoekende partij heeft voor de ingediende aanvraag tot regularisatie van verblijf beroep gedaan op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Bij het inroepen van dit artikel moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9,9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar schoot te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Volgens artikel 9,1/ van de ingeroepen regularisatiewet moet het bij de aanvraag gevoegde dossier omvatten: een het bewijsstuk waaruit blijkt dat de aanvrager bekend is (

  1. a)hetzij bij een bestuur of een openbare dienst. zoals de Dienst Vreemdelingenzaken, een politiedienst, een gemeentebestuur of een openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, (
  2. b)hetzij bij ene instelling, zoals een ziekenhuis of een school. Waar onder verdeling
  3. a)van artikel 9,1/, de éigenlijke overheidsdiensten betreft, heeft onder verdeling
  4. b)betrekking op instellingen die verbonden zijn met een Belgische overheid. In de voorbereidende werken worden omtrent het kwestieuze begrip ‘instelling’ meerdere verklaringen van de Minister teruggevonden, die weliswaar niet allemaal eenduidig zijn, maar die toelaten de bedoeling van de wetgever te onderkennen. Zo verklaarde de Minister in de bevoegde Kamercommissie het volgende: ‘NGO's en VZW's zijn geen instellingen in de zin van de wet. Zij kunnen wel allerlei vormen van bijstand verlenen, maar zij kunnen geen documenten opstellen die de grond voor een regularisatie zouden vormen’ (Parl.St.Kamer 19992000, nr.23415,63). De Minister antwoordt dat onder instellingen worden begrepen onder andere schoten, ziekenhuizen, intercommunales zoals bijvoorbeeld van gas- en/of waterdistributie en banken. Dit zijn dus instellingen die bewijzen van verblijf op Belgisch grondgebied op een ernstige wijze kunnen staven (parl.St.Kamer 1999-2000, nr 23415,87). De Minister benadrukte dus dat het moet gaan om een ‘officieel spoor’ (Parl.St.Kamer 1999-2000, nr 23415.49) en in de bevoegde Senaatscommissie verklaarde hij als volgt: ‘Het moet een officieel document zijn dat uitgaat van een gecontroleerde Instelling’ (Parl.Senaat 1999-2000, nr 20214, 53). Besloten moet worden dat de bedoelde instellingen verbonden moeten zijn met de overheid. Ter zitting verklaart verzoeker dat hij sinds 1980 'in België verblijft, reeds een beetje Frans kan spreken en hij legt het origineel voor van zijn begin 2000 afgeleverde identiteitskaart en paspoort maar verkregen op basis van een kopij van een vorig paspoort. Hij verklaart als analfabeet het voor hem moeilijk was om Nederlands te kunnen leren en er geen tijd te hebben voor gevonden omdat bij moest werken . Ter zitting verklaart verzoeker dat hij wel gehuwd is en dit in Marokko sinds 1986 en waar hij een zoon heeft geboren in 1993 en een dochter geboren in 1995 en hij vertelt sinds dat jaar niet meer teruggekeerd te zijn naar Marokko maar wekelijks naar zijn echtgenote te telefoneren en ben van hier uit financieel te steunen zonder dat er een poging wordt gedaan dit aan te tonen en dit echt geloofwaardig te maken. Voor het bestaan van in dit land opgebouwde duurzame sociale bindingen. of de aanwezigheid van humanitaire redenen die in zijnen hoofde bestonden voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie, dit kon door de Commissie niet worden waargenomen. Verzoeker vermeldt dat zijn broer hier met een Belgische vrouw gehuwd is en de Belgische nationaliteit verkreeg. Er werd kopij bezorgd van een identiteitskaart van vreemdeling NZY.1951.5 86 vanXXX A geboren in 1963 van Marokkaanse nationaliteit en geldig tot 11 augustus 1994 alsook van de identiteitskaart 043-0030030-27 van Vereist Veerle geboren op 21 augustus 1972 en waarbij vermeld staat dat ze gehuwd is met die man. Hun beider adres is Residentie Schoondonk 28 te Willebroek. Hij zou vroeger zelf gebruik gemaakt hebben van een adres in Borgerhout bij niet nader bekend gemaakte familie. XIV-24.996-3/10 Verzoeker vertelt ter zitting dat hij geen lid is van een club of van een vereniging en alleen tijdens weekeinden eens op café gaat in de Stationstraat te Roeselare waar hij dan met Vlamingen contact heeft. Tham is hij tot tevredenheid van zijn werkgever in het officiële arbeidscircuit ingeschakeld. De Commissie moet blijven vaststellen dat ieder toetsbaar element blijft ontbreken over een ononderbroken verblijf van verzoeker in dit land tijdens zes jaar voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek. Het lidboekje van de FGTB-vakbond dat hij bezorgde vermeldt de betaling van een bijdrage van 50 frank te situeren in september 1999 en waarbij hij lid zou geworden zijn van het Syndicat des Employés techniciens et Cadres de Belgique hetgeen op zijn minst eigenaardig voorkomt gezien verzoeker zichzelf als analfabeet voorstelde en omdat er al evenmin van een lidmaatschap tijdens andere periodes met een betaling van lidgeld aangetoond wordt. Er mag dus worden gesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het hiee indienen van zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf niet geloofwaardig heeft kunnen maken. meer zelfs dat niet alle twijfel kon worden weNenomen voor zijn effectief verblijf in dit land op 1 oktober 1999 hetgeen betekent dat er door verzoeker niet tegemoet gekomen wordt aan essentiële vereisten. Het bestaan van duurzame sociale bindingen in dit land of de aanwezigheid van humanitaire reden voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie kon evenmin met enig toetsbaar of geloofwaardig element worden ondersteund. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaan dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Volgens de Raad van State is het immers essentieel dat de gehanteerde criteria voor iedere kandidaat dezelfde zijn en op iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast (arrest nr 47.908 van 13 juni 1994 in de zaak A.56.8021X-3072 1. De Smet/Belgische Staat). Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hierna volgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p. 588-592) en volgens artikel in werking getreden op 10 januari 2000.”; dat op 13 februari 2006 de minister van Binnenlandse Zaken beslist het voormeld ongunstig advies te volgen en de overwegingen daarvan als de zijne over te nemen; dat dit de bestreden beslissing is, die als volgt is gemotiveerd: “De Kamer van de Commissie voor Regularisatie heeft mij, overeenkomstig de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, gevat met een ongunstig advies voor beslissing inzake uw aanvraag tot regularisatie, door u ingediend bij de Burgemeester te Roeselare, op 26/01/2000 en dat het nummer 88002000012600047 draagt. Ik heb beslist dit advies, waarvan ik de overwegingen onderschrijft en als de mijne overneem, en waarvan u in bijlage een kopie vindt, te volgen. Overeenkomstig artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van Stat beschikt u over 30 dagen om een verzoekschrift tegen deze beslissing in te dienen.”; 2.1.1. Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “Schending van het motiveringsvereiste, schending van artikel 62 van de vreemdelingenwet, artikel 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991, zoals gesteld door het algemeen rechtsbeginsel dat de motivering oplegt. Dat de beslissing rond 6 maart 2006 werd betekend en als volgt werd betekend: (...) Dat men verwijst naar een advies met volgende inhoud: XIV-24.996-4/10 (...) Dat de bestreden akte dient gemotiveerd te zijn gelet op artikel 62 van de wet van 15 december 1980, o.m. art. 3 de wet van 29 juli 1991, artikel 149 van de Belgische Grondwet, artikel 6 E.V.R.M., het algemeen rechtsbeginsel geschonden zijn. Dat aldus het vereiste van motivering geschonden is ( LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, Kluwer, Antwerpen, 1988, p. 69-70, 221 en verwijzingen). Dat een administratieve beslissing in vreemdelingenzaken dient gemotiveerd te zijn, gelet op art. 62 van de vreemdelingenwet ( wet 15 december 1980) en van art. 2 en 3 van de motiveringswet ( wet 29 juli 1991 ). Dat de beslissing inhoudelijk niet gemotiveerd is. Dat artikel 9 van de wet van 22 december 1999 drie onderscheiden bewijsstukken vraagt
  5. a)een stuk waaruit blijkt dat de aanvrager bekend is van een overheid of een instelling zoals een school of een ziekenhuis.
  6. b)een stuk waaruit de aanwezigheid blijkt op het grondgebied op 1 oktober 1999
  7. c)een bewijs dat de aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan 6 jaren. Dat gaan stellen dat de bewijsstukken zouden moeten voldoen aan al de voorwaarden samen voegt uiteraard een voorwaarde toe aan de wet die niet in de wet staat.
  8. a)Dat wanneer de gemeente het dossier doorzendt, dit voornamelijk zo er een sociaal verslag zou zijn, dit betekent dat een stuk is dat de verzoekende partij gekend is. Dat ook ondermeer het volgende stuk voorligt : het lidmaatschapsbewijs van de F.G.T.B. Dat nergens wordt aangegeven waarom een vakbond ter zake niet zou kunnen aanvaard worden; temeer daar de vakbond zelf aangeeft dat het blijkbaar de enige dergelijke centrale instelling was die zich ontfermde over mensen zonder papieren; dat de verzoekende partij zich dan ook tot de instelling heeft gewend die zich over hem kon ontfermen. Dat een vakbond dient beschouwt te worden als een instelling in de zin van de wet van 1999, nu deze betrokken is bij de C.A.O.'s, hetgeen een vorm van wetgeving is en betrokken is bij de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen. Dat ook een attest door dokter Elarbi voorligt ; zo het attest van de dokter niet relevant zou zijn teneinde iets te bewijzen is een strafzaak naar de eventuele valsheid ervan uiteraard niet echt relevant; Dat niet als men een ziekenhuis als voorbeeld van instelling die een attest kan afleveren aanvaardt dit ook dient te gelden voor een dokter; dat beiden immers erkend zijn door de ziekteverzekering en gegevens over patiënten kunnen bijhouden; dat dokters ook ‘gecontroleerd’ worden in hun optreden door ondermeer een orde van geneesheren. Dat nergens is gemotiveerd waarom een dokter niet zou kunnen aanvaard worden. Dat de V.Z.W. RZOEZIE verklaart dat de verzoekende partij in Mechelen woonde sinds 1995. Dat wanneer de bestreden beslissing nergens in een voorbereiding duidelijke zaken kán vinden men dit dient te aanvaarden nu de jeugdhuiswerking eigenlijk een overheidstaak is die weliswaar in de vorm van een V.Z.W. is gegoten. Dat een paspoort met inschrijving op het consulaat van Marokko reeds geldig op 10 augustus 1984 wordt voorgelegd; dat een attest van de Marokkaanse overheid wordt voorgeleg; dat nergens in de wet wordt uitgesloten dat een officiciële buitenlandse overheid wordt uitgesloten; dat dergelijke overheid hetzij gelijkstaat met een Belgische overheid hetzij gelijkstaat met een gelijkaardige instelling. Dat het zo is dat er voldoende bewijs is geleverd of aangeboden over het feit dat hij door een overheid gekend is in 1997 namelijk werd een opsluiting te Brugge opgegeven. Dat ook dit bewijs een bewijs van de overheid is. Dat wanneer men onvoldoende bewijs meent te hebben men geen beslissing kan nemen in het dossier zonder op dit bewijs verder te wachten. Dat de definitie van wat als verklaringen kan aanvaardt worden al te eng is.
  9. b)Dat de verzoekende partij op 1 oktober 1999 in België verbleef Dat nergens wordt vereist dat een overheid dergelijk iets attesteert of een instelling. Dat trouwens het volgende stuk voorligt : het lidmaatschapsbewijs van de F.G.T.B. zoals hierboven beschreven waaruit blijkt dat de verzoekende in de gestelde periode in België verbleef nu hij voor lidmaatschap zich persoonlijk aangemeld had. Dat het zo is dat de verzoekende partij stukken afleverde nopens de afrekeing van nutsvoorzieningen. Dat ook uit andere stukken blijkt dat de verzoekende partij sinds geruime tijd tot op minstens de indiening van het verzoekschrift in België verbleef dus ook op 1 oktober 1999.
  10. c)Dat op de aanwezigheid in België ‘teruggaat op meer dan 6 jaar geleden wordt bewezen door volgende stukken’: - een paspoort met inschrijving op het consulaat van Marokko reeds geldig op 10 augustus 1984; ' 1 - een attest door dokter Elarbi ; zo het attest van de dokter niet relevant zou zijn teneinde iets te bewijzen is een strafzaak naar de eventuele valsheid ervan uiteraard niet echt relevant dat dit stuk een aanwezigheid bewijst van in 1990 - rekeninguitreksel bij de Bank-Populaire van 1992 en ook 1998 - verklaring V.Z.W. RZOEZIE - poststuk met stempel in 1997 Dat hier het zo is dat de wettekst enkel vereist dat de aanwezigheid ‘meer dan 6 jaren teruggaat’ zonder dat men eigenlijk meer dient te bewijzen. XIV-24.996-5/10 Dat de V.Z.W. RZOEZIE verklaart dat de verzoekende partij in Mechelen woonde sinds 1995. Dat trouwens iemand die bekend is bij een jeugdhuiswerking dient te worden beschouwt als geïntegreerd te meer daar deze bekendheid er al is sinds 1995. Dat daarenboven er nog andere schriftelijke bewijzen zijn van integratie en verblijf Dat nergens rekening wordt gehouden met deze verklaringen; dat ze zelfs blijkbaar totaal niet in de beoordeling zijn genomen. Dat ondermeer de verklaringen slaan op 1993,1994, 1998, tussen 1994 en 1999. Dat er een stuk is nopens de nutsvoorzieningen in 1999. Dat andere stukken slaan op 1993, 1995,1998. Dat men trouwens niet terug mag keren op hetgeen in de nota reeds gesteld is namelijk dat er reeds op basis van de stukken kan aanvaarden dat er duurzame sociale banden zijn - de noodzaak in België te wonen wegens familiale redenen - het feit dat de betrokkene een arbeidsovereenkomst heeft of er één aangeboden heeft gekregen. Dat de discussie dus niet op die elementen kan slaan, nu de aanvaarding er van uit de nota blijkt. Dat zelfs nergens wordt weergegeven waarom men hierop zou terugkeren. Dat nergens wordt aangegeven waarom Deze argumenten niet langer zouden kunnen aanvaard worden. Dat de motivering die de vereisten door elkaar slaat kennelijk inhoudelijk niet kan gemotiveerd zijn.”; 2.1.2. Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij haar aanvraag tot regularisatie heeft gebaseerd op artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet; dat artikel 2, 4/ van de Regularisatiewet van toepassing is op de aanvragers die reeds daadwerkelijk in België verbleven op 1 oktober 1999 en die op het ogenblik van hun aanvraag “humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in hun land hebben ontwikkeld”; dat dit criterium samen dient te worden gelezen met artikel 9, 9/ van de Regularisatiewet; dat de vreemdeling, om in aanmerking te komen voor regularisatie overeenkomstig het voornoemde artikel 2, 4/, vooreerst het bewijs dient te leveren van zijn aanwezigheid in het Rijk overeenkomstig één van de bewijsmogelijkheden voorzien in artikel 9, 9/ (een bewijs dat zijn aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor de gezinnen met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval, het bewijs dat hij wettig in België verbleven heeft en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat hij in de loop van de vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen heeft om het grondgebied te verlaten), en verder dient te bewijzen dat er duurzame sociale bindingen in het land werden ontwikkeld en er humanitaire redenen zijn voor regularisatie; dat het hier gaat om cumulatieve voorwaarden: de omstandigheid dat aan één van deze voorwaarden niet is voldaan, dus volstaat om vast te stellen dat de aanvrager niet in aanmerking komt voor regularisatie op basis van dit criterium; Overwegende dat uit het advies van de Commissie voor regularisatie, waarvan de overwegingen door de minister van Binnenlands Zaken worden overgenomen en onderschreven, blijkt dat in dit land opgebouwde duurzame sociale bindingen of de aanwezigheid van humanitaire redenen in hoofde van de verzoekende partij niet kon worden waargenomen; XIV-24.996-6/10 Overwegende dat de kritiek van de verzoekende partij op dit motief beperkt is tot de algemene bewering dat uit schriftelijke bewijzen haar integratie blijkt, zonder hierbij te preciseren over welke stukken het dan wel gaat; dat zij stelt tevens dat haar duurzame bindingen zijn aangenomen in de nota van het onderzoekssecretariaat, zonder rekening te houden met het feit dat het onderzoekssecretariaat slechts een prima facie onderzoek uitvoert en dat de Commissie voor regularisatie niet gebonden is door haar vaststellingen; dat de verzoekende partij met haar betoog niet aannemelijk maakt dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke of op niet afdoende gemotiveerde wijze tot het besluit is gekomen dat de verzoekende partij geen duurzame sociale bindingen heeft doen gelden; dat derhalve niet meer moet worden ingegaan op de argumenten van de verzoekende partij over haar verblijfsduur in België; dat het eerste middel ongegrond is; 2.2.1. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “Dat de beslissing rond 6 maart 2006 werd betekend en als volgt werd betekend: (...) Dat men verwijst naar een advies met volgende inhoud: (...) Dat artikel 9 van de wet van 22 december 1999 drie onderscheiden bewijsstukken vraagt
  11. a)een stuk waaruit blijkt dat de aanvrager bekend is van een overheid of een instelling zoals een school of een ziekenhuis.
  12. b)een stuk waaruit de aanwezigheid blijkt op het grondgebied op 1 oktober 1999
  13. c)een bewijs dat de aanwezigheid in België teruggaat tot meer dan 6 jaren. Dat gaan stellen dat de bewijsstukken zouden moeten voldoen aan al de voorwaarden samen voegt uiteraard een voorwaarde toe aan de wet die niet in de wet staat.
  14. a)Dat wanneer de gemeente het dossier doorzendt, voornamelijk zo er een sociaal verslag zou zijn, dit betekent dat een stuk is dat de verzoekende partij gekend is. Dat ook ondermeer het volgende stuk voorligt : het lidmaatschapsbewijs van de F.G.T.B. Dat nergens wordt aangegeven waarom een vakbond ter zake niet zou kunnen aanvaard worden; temeer daar de vakbond zelf aangeeft dat het blijkbaar de enige dergelijke centrale instelling was die zich ontfermde over mensen zonder papieren; dat de verzoekende partij zich dan ook tot de instelling heeft gewend die zich over hem kon ontfermen. Dat, een vakbond dient beschouwt te worden als een instelling in de zin van de wet van 1999, nu deze betrokken is bij de C.A.O.'s, hetgeen een vorm van wetgeving is en betrokken is bij de uitbetaling van werkloosheidsuitkeringen. Dat ook een attest door dokter Elarbi voorligt ; zo het attest van de dokter niet relevant zou zijn teneinde iets te bewijzen is een strafzaak naar de eventuele valsheid ervan uiteraard niet echt relevant; Dat niet als men een ziekenhuis als voorbeeld van instelling die een attest kan afleveren aanvaardt dit ook dient te gelden voor een dokter; dat beiden immers erkend zijn door de ziekteverzekering en gegevens over patiënten kunnen bijhouden; dat dokters ook ‘gecontroleerd’ worden in hun optreden door ondermeer een orde van geneesheren. Dat nergens is gemotiveerd waarom een dokter niet zou kunnen aanvaard worden. Dat de V.Z.W. RZOEZIE verklaart dat de verzoekende partij in Mechelen woonde sinds 1995. Dat wanneer de bestreden beslissing nergens in een voorbereiding duidelijke zaken kan vinden men dit dient te aanvaarden nu de jeugdhuiswerking eigenlijk een overheidstaak is die weliswaar in de vorm van een V.Z.W. is gegoten. Dat een paspoort met inschrijving op het consulaat van Marokko reeds geldig op 10 augustus 1984 wordt voorgelegd; dat een attest van de Marokkaanse overheid wordt voorgelegd; dat nergens in de wet wordt uitgesloten dat een officiële buitenlandse overheid wordt uitgesloten; dat dergelijke overheid hetzij gelijkstaat met een Belgische overheid hetzij gelijkstaat met een gelijkaardige instelling. Dat het zo is dat er voldoende bewijs is geleverd of aangeboden over het feit dat hij door een overheid gekend is in 1997 namelijk werd een opsluiting te Brugge opgegeven. XIV-24.996-7/10 Dat ook dit bewijs een bewijs van de overheid is. Dat wanneer men onvoldoende bewijs meent te hebben men geen beslissing kan nemen in het dossier zonder op dit bewijs verder te wachten. Dat de definitie van wat als verklaringen kan aanvaardt worden al te eng is.
  15. b)Dat de verzoekende partij op 1 oktober 1999 in België verbleef. Dat nergens wordt vereist dat een overheid dergelijk iets attesteert of een instelling. Dat trouwens het volgende stuk voorligt : het lidmaatschapsbewijs van de F.G.T.B. zoals hierboven beschreven waaruit blijkt dat de verzoekende in de gestelde periode in België verbleef nu hij voor lidmaatschap zich persoonlijk aangemeld had. Dat het zo is dat de verzoekende partij stukken afleverde nopens de afrekening van nutsvoorzieningen in de gestelde periode waaronder 1 oktober 1999. Dat ook uit een aantal verklaringen het verblijf in 1999 blijkt.
  16. c)Dat op de aanwezigheid in België ‘teruggaat op meer dan 6 jaar geleden wordt bewezen door volgende stukken’ - een paspoort met inschrijving op het consulaat van Marokko reeds geldig op 10 augustus 1984; - een attest door dokter Elarbi ; zo het attest van de dokter niet relevant zou zijn teneinde iets te bewijzen is een strafzaak naar de eventuele valsheid ervan uiteraard niet echt relevant dat dit stuk een aanwezigheid bewijst van in 1990 - rekeninguitreksel bij de Bank-Populaire van 1992 en ook 1998 - verklaring V.Z.W. RZOEZIE - poststuk met stempel in 1997 Dat hier het zo is dat de wettekst enkel vereist dat de aanwezigheid ‘meer dan 6 jaren teruggaat’ zonder dat men eigenlijk meer dient te bewijzen, hetgeen iets anders is dan bestendige aanwezigheid. Dat de V.Z.W. RZOEZIE verklaart dat de verzoekende partij in Mechelen woonde sinds 1995. Dat trouwens iemand die bekend is bij een jeugdhuiswerking dient te worden beschouwt als geïntegreerd te meer daar deze bekendheid er al is sinds 1995. Dat daarenboven er nog andere schriftelijke bewijzen zijn van integratie en verblijf Dat nergens rekening wordt gehouden met deze verklaringen; dat ze zelfs blijkbaar totaal niet in de beoordeling zijn genomen. Dat ondermeer de verklaringen slaan op 1993,1994, 1998, tussen 1994 en 1999. Dat andere stukken slaan op 1993, 1995,1998. Dat men trouwens niet terug mag keren op hetgeen in de nota reeds gesteld is namelijk dat er reeds op basis van de stukken kan aanvaarden dat er duurzame sociale banden zijn : - de noodzaak in België te wonen wegens familiale redenen - het feit dat de betrokkene een arbeidsovereenkomst heeft of er één aangeboden heeft gekregen. Dat de discussie dus niet op die elementen kan slaan, nu de aanvaarding er van uit de nota blijkt. Dat zelfs nergens wordt weergegeven waarom men hierop zou terugkeren. Dat nergens wordt aangegeven waarom deze argumenten niet langer zouden kunnen aanvaard worden.”; 2.2.2. Overwegende dat de verzoekende partij in het tweede middel herhaalt wat zij heeft aangevoerd in het eerste middel; dat uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de verzoekende partij met haar betoog niet aannemelijk maakt dat de minister van Binnenlandse Zaken op kennelijk onredelijke of op niet afdoende gemotiveerde wijze tot het besluit is gekomen dat de verzoekende partij geen duurzame sociale bindingen heeft doen gelden; dat het tweede middel ongegrond is; 2.3.1. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat luidt als volgt: “Dat de beslissing niet genomen is binnen een redelijke termijn en artikel 8 van het EVRM schendt Dat de aanvraag werd ingediend in januari 2000. Dat de beslissing rond 6 maart 2006 werd betekend en als volgt werd betekend : (...) Dat men verwijst naar een advies met volgende inhoud: (...) Dat alle regularisatieverzoeken gelijk recht hebben op een behandeling binnen een redelijke termijn; dat een te lange behandelingstermijn een inbreuk maakt op artikel 8 van het E.V.R.M. dat van direkte werking is en elke strijdige wetgeving buiten toepassing dient te laten. Dat de verzoekende partij gelet op het tijdsverloop een onverbrekelijke band met België heeft. XIV-24.996-8/10 Dat de verzoekende partij intussen zijn leven heeft verdergezet, ononderbroken heeft gewerkt, in een bedrijf een verantwoordelijke functie heeft in het bedrijf van Galle Franky en in dit bedrijf eigenlijk onmisbaar is geworden. Dat de verlopen termijn, aldus geen redelijke termijn is, daar waar het behoorde binnen een redelijke termijn een administratieve eindbeslissing te nemen. Dat bestuurlijke overheden (...) de hun voorgelegde zaken binnen een redelijke termijn dienen te behandelen. Dat de Raad van State in tuchtzaken zelfs geoordeeld heeft dat het vereiste van redelijke termijn onverkort geldt, zelfs wanneer nog een strafonderzoek loopt (...) Dat de Raad van State reeds herhaaldelijk in vreemdelingenzaken het overtreden van de rechtsregel der redelijke termijn gesanctioneerd heeft. (...) Dat na het verloop van de redelijke termijn een administratieve overheid geen negatieve beslissing meer vermag te nemen, daar anders art. 8 van het E.V.R.M.( Europees verdrag voor de rechten van de mens), welke het privéleven beschermt, geschonden wordt, gelet op het proportionaliteitsvereiste. Dat ter zake zeker en vast art. 8 van het E.V.R.M. kan ingeroep en worden gelet op de proportionaliteitsvereiste. (...) Dat hier ondermeer ook het recht dient beschermt te worden op het ontwikkelen en behouden van relaties met andere menselijke wezens, met name ook op het affectief vlak op het vlak van de ontwikkeling van zijn eigen persoonlijkheid. (...)”; 2.3.2. Overwegende dat uit het advies van de Commissie voor regularisatie blijkt dat de zitting van die Commissie een aantal keren werd uitgesteld en het verzoek zelfs terug naar de rol werd verwezen; dat eruit blijkt dat de verzoekende partij zelf de oorzaak is van het tijdsverloop van de behandeling van haar aanvraag; dat het opbouwen van duurzame sociale bindingen niet onder het toepassingsveld van artikel 8 E.V.R.M. valt; dat het derde middel ongegrond is; 3. Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-24.996-9/10 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig december tweeduizend en zes, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, M. MILOJKOWIC, griffier. De griffier, De voorzitter, M. MILOJKOWIC. C. ADAMS. XIV-24.996-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.332 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.