id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 29 december 2006 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.335 Rolnummer: A. 179670/XII-4969 Zaak: Arrest 166335 - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) - 29/12/2006 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-05 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-07-01 12:29 Fiche Arrest nr 166.335 van 29 december 2006 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Varia (binnenlandse zaken en lokale besturen) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.335 van 29 december 2006 in de zaak A. 179.670/XII-4969 In zake : de NV FIEVEZ-CADET, die woonplaats kiest bij advocaat J. Kempinaire, kantoor houdende te Kortrijk, Koning Leopold I-straat 27 tegen :
- de burgemeester van de stad MENEN,
- de stad MENEN, die woonplaats kiezen bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8b. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat NV Fievez-Cadet op 23 december 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van [...] [de burgemeester van de stad Menen] dd. 18.12.2006, haar ter kennis gebracht op dezelfde datum, waarbij dancing Lagoa, uitgebaat door verzoekster, met ingang van 2 januari 2007 gedurende twee maanden wordt gesloten op grond van artikel 9bis Wet inzake verdovende middelen”; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de nietigverklaring vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 december 2006, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4969-1/7 Gehoord de opmerkingen van advocaten J. Kempinaire en A. Van Pachtenbeke, die verschijnen voor de verzoekende partij, en van advocaat D. Van Heuven, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. De Somere; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat verzoekster sinds zestien jaar dancing Lagoa uitbaat te Menen, Wervikstraat 94; dat de burgemeester van de stad Menen bij besluit van 18 december 2006 de dancing “in toepassing van artikel 9 bis van de Wet dd. 24 februari 1921 inzake verdovende middelen sluit voor een termijn van twee maanden, met ingang van 2 januari 2007; dat wordt gemotiveerd dat gedurende de periode 2003 tot september 2006 in en rond de dancing drugsbezit en drugshandel is vastgesteld en dat “art 9bis van de wet 24 februari 1921 [betreffende het verhandelen van giftstoffen, slaapmiddelen en verdovende middelen, psychotrope stoffen, ontsmettingstoffen en antiseptica en van de stoffen die kunnen gebruikt worden voor de illegale vervaardiging van verdovende middelen en psychotrope stoffen] door de wetgever is ingeschreven om de burgemeesters in staat te stellen snel op te treden om te voorkomen dat hinder ontstaat door plaatsen waar illegale activiteiten plaatsvinden die de openbare veiligheid en rust in het gedrang brengen en tevens te voorkomen dat jongeren die deze plaatsen bezoeken, problemen krijgen”; dat, nog steeds op 18 december 2006, het college van burgemeester en schepenen het besluit van de burgemeester bevestigt; dat de gemeenteraad van het besluit van de burgemeester kennis neemt in zijn zitting van 22 december 2006;
- Overwegende dat verwerende partijen de ontvankelijkheid van de vordering betwisten; dat zij in de eerste plaats tegenwerpen dat niet blijkt dat het daartoe bevoegde orgaan van verzoekster tot het instellen van de vordering heeft beslist; dat zij zich ter terechtzitting ertegen verzetten dat rekening wordt gehouden met een na het indienen van het verzoekschrift gefaxt “akkoord” van P. Fievez; Overwegende dat blijkens stuk 13 van verzoekster in elk geval tot het instellen van de vordering is beslist, op 22 december 2006, door M.J. Cadet, gedelegeerd bestuurder; dat, gelet op artikel 17 van de statuten, betrokkene als zodanig bevoegd geacht mag worden om de vennootschap te vertegenwoordigen XII-4969-2/7 “[b]innen het kader van het dagelijks bestuur”; dat in de huidige stand van de procedure onder een handeling van dagelijks bestuur wordt verstaan die welke door het dagelijks leven van de vennootschap vereist wordt of die welke zowel wegens haar gering belang als wegens de noodzakelijkheid van een snelle oplossing de tussenkomst van de raad van bestuur zelf niet rechtvaardigt; dat de beslissing om de onderhavige vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan deze omschrijving beantwoordt; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat verwerende partijen in een tweede exceptie doen gelden dat de vordering onontvankelijk is omdat zij alleen tegen het besluit van 18 december 2006 gericht is en niet (tevens) tegen de bevestigingsbeslissing van het college van burgemeester en schepenen; Overwegende dat de collegebeslissing niet in de plaats van het besluit van de burgemeester komt, maar er zich aan toevoegt en het lot van dat besluit dient te volgen; dat de exceptie verworpen wordt;
- Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden;
- Overwegende, wat de eerste en de tweede voorwaarde betreft, dat verzoekster in essentie betoogt dat de sluiting op 2 januari aanstaande ingaat om twee maanden later te eindigen, dat in die periode voor haar desastreuze gevolgen tot stand zullen komen, dat het succes van een uitgaansfaciliteit broos en vluchtig is, dat er alleen enige duurzaamheid kan worden verkregen door onophoudelijk ter beschikking te staan van de klanten, dat een sluiting van twee maanden dreigt te resulteren in een definitieve sluiting, dat het om veel meer dan een louter materieel nadeel gaat, maar om een ernstig risico voor het voortbestaan van de onderneming, dat zij ook tijdens de periode van de sluiting haar contracten met leveranciers en de andere betrokken partijen dient na te komen, terwijl haar inkomsten twee maanden lang tot nul worden herleid en er geen zekerheid is dat nadien de draad opnieuw kan XII-4969-3/7 worden opgepikt, dat zij geen multinational met een ruime bedrijfsuitoefening is, maar een relatief kleine onderneming; Overwegende dat verwerende partijen antwoorden dat verzoekster niet bewijst dat ze bijna volledig afhankelijk is van inkomsten van de dancing, noch dat de dancing winst boekt, noch dat een in de tijd beperkte sluiting van slechts twee maanden haar een onherstelbaar reputatieverlies of financieel verlies zal opleveren; Overwegende dat, volgens de informatie van verwerende partijen zelf, de dancing van verzoekster “wijd en zijd bekend” is en “op een gewone zaterdag” een publiek aantrekt van “tussen de 400 à 800 personen die van overal komen (zowel Belgen als Fransen)”; dat er blijkbaar 23 personeelsleden in de dancing tewerkgesteld worden; dat er vooralsnog geen indicaties voor zijn dat verzoeksters inkomsten niét “bijna uitsluitend” uit de exploitatie van de dancing voortkomen; dat verzoeksters stuk 12 (“balans per 31.12.2005”) bewijst dat de inrichting wel degelijk winstgevend is; dat, ofschoon niet bijzonder uitvoerig gestaafd, verzoeksters betoog toch niet zonder overtuigingskracht is; dat zij het voldoende aannemelijk maakt dat de sluiting van een dancing -zoals die van verzoekster- gedurende twee volle maanden, reële risico’s voor het voortbestaan ervan meebrengt; dat geloofwaardig is dat in het geval van verzoekster de verwezenlijking van die risico’s haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel doen lijden; dat bijgevolg de bestreden beslissing geacht moet worden een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te kunnen berokkenen; dat bovendien, gelet op de zeer nabije aanvangsdatum van de sluiting, ook aan de voorwaarde in verband met de uiterst dringende noodzakelijkheid voldaan is;
- Overwegende, wat de derde schorsingsvoorwaarde betreft, dat verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van het evenredigheidsbeginsel; dat zij onder meer toelicht dat de voordelen van de beslissing niet opwegen tegen de nadelen en de opgelegde sluiting nuttig noch noodzakelijk is, dat de bestreden beslissing de facto tot een definitieve sluiting van haar inrichting kan leiden, dat het drugsprobleem in de grensstreek rond Menen “oneindig veel uitgestrekter is dan deze instelling”, dat het absurd is dat een bijzonder rigide maatregel wordt opgelegd, wijl een veel minder ingrijpende maatregel, bestaande in regelmatige politiecontroles, bewezen heeft effectief te zijn, dat ten gevolge van de frequente politiecontroles in één jaar het aantal vaststellingen van drugsdelicten met een derde is gedaald, dat tijdens de parlementaire voorbereiding van artikel 9bis van de wet van 24 februari 1921 benadrukt is dat rekening moet worden gehouden met XII-4969-4/7 de inspanningen van de uitbater zelf, dat verzoekster steeds goed heeft samengewerkt met de politionele autoriteiten, zich positief heeft opgesteld tegenover alle mogelijke controles, altijd constructief is geweest en alle middelen in haar macht heeft aangegrepen om de drugsproblematiek in haar dancing tegen te gaan; Overwegende dat verwerende partijen in de nota reageren dat het juist is dat de parlementaire voorbereiding wijst op terughoudendheid en op een proportionaliteit tussen de sluiting en de vastgestelde feiten, maar dat de Raad de evenredigheid alleen marginaal mag toetsen; dat zij voorts doen gelden dat er in 2006 meer dan drie drugsdelicten per maand werden vastgesteld in Lagoa, dat de lokale politie en de procureur des Konings de sluiting genegen zijn, dat zij tot een genuanceerde belangenafweging is overgegaan en dat de sluitingstermijn beperkt werd tot twee maanden “daar waar wettelijk zes maanden mogelijk zijn”; dat zij tenslotte toegeeft dat verzoekster inderdaad inspanningen levert, dat er echter nog steeds inbreuken op de drugswetgeving gepleegd worden en de inspanningen dus niet volstaan, dat de het aantal drugsdelicten weliswaar in aantal vermindert, maar bijkomende maatregelen zich opdringen; Overwegende dat op het eerste gezicht terecht niet wordt betwist dat de oplegging van een sluitingsmaatregel als bedoeld in artikel 9bis van de meervernoemde wet van 24 februari 1921, zoals ingevoegd bij wet van 20 juli 2006, de proportionaliteitstoets moet kunnen doorstaan; dat hij met andere woorden moet voorkomen als het resultaat van een afweging, met zin voor maat, van alle betrokken gegevens en belangen; dat, getuige de parlementaire voorbereiding van de wet van 20 juli 2006, in de afweging alleszins ook de inspanningen van de uitbater zelf om het drugsprobleem aan te pakken, moeten worden meegenomen; dat op het eerste gezicht de afweging in de formele motivering van de sluitingsmaatregel tot uiting moet worden gebracht; Overwegende dat de duur van de opgelegde sluiting in de bestreden beslissing als volgt wordt gemotiveerd : “Overwegende dat de tijdelijke sluiting van dansinrichting ‘Lagoa’, voor een periode van twee maanden, waar de wet een ruimere termijn mogelijk maakt, de meest aangepaste en de meest geëigende maatregel is om de openbare veiligheid en orde te handhaven en het risico op verdere herhaling van illegale activiteiten inzake druggebruik en drugshandel, te verhinderen; dat het voor de uitbaatster een aansporing zal zijn om echt werk te maken van drugsbestrijding; dat een termijn van twee maanden haar de kans zal geven daarvoor de nodige voorzieningen te treffen; XII-4969-5/7 Overwegende dat dit de meest geëigende maatregel is na afweging van alle in het geding zijnde belangen, met inbegrip van de belangen van de inrichting zelf en van haar bezoekers; Overwegende dat er geen bijkomende alternatieven andere dan een tijdelijke sluiting worden aangereikt door de uitbaatster, waardoor een halt wordt geroepen aan de herhaaldelijke illegale drugsactiviteiten, waardoor de openbare veiligheid en rust niet meer in het gedrang komt. Overwegende dat de tijdelijke sluiting van twee maanden voldoende proportioneel is, rekening houdende met de ernst van de feiten, en de ernst van bedreiging van openbare veiligheid en rust door herhaald druggebruik en drughandel, alsook rekening houdend met de draaglast van de stad en de continue inspanningen van haar lokale veiligheidsdiensten. Overwegende dat het verder openhouden van de ‘Lagoa’ reëel zal leiden tot verderzetten en herhaling van illegale activiteiten inzake druggebruik en drughandel; overwegende dat de geregelde aanwezigheid van politie alsook van de interne maatregelen genomen door de instelling geen beletsel zijn dat er toch inbreuken op de drugswetgeving gepleegd worden; overwegende dat herhaaldelijk druggebruik en drughandel blijkbaar inherent is aan deze dancing, zoals momenteel uitgebaat; overwegende dat op korte termijn een helder signaal dient te worden gegeven aan uitbaatster teneinde bijkomende maatregelen ter voorkoming van druggebruik en drughandel te treffen”; Overwegende dat, samengevat, de specifieke duur van twee maanden hierdoor verantwoord wordt dat, staande voor de ernst van de feiten en de vaststelling dat de geregelde aanwezigheid van politie en de interne maatregelen de inbreuken op de drugswetgeving niet kunnen uitroeien, aan verzoekster, eensdeels, een “aansporing” of “helder signaal” moet worden gegeven dat zij bijkomende maatregelen dient te treffen en, anderdeels, de kans dient te worden gegeven om die “nodige voorzieningen” te treffen; dat, aangenomen dat er inderdaad grond zou zijn om overeenkomstig het artikel 9bis verzoekster bedoeld signaal te geven en de vernoemde kans te verschaffen, de aangehaalde tekst op het eerste gezicht niet laat verstaan waarom daartoe meteen een sluiting van volle twee maanden nodig zou zijn; dat inzonderheid ook de omstandigheid dat in theorie zelfs nog een veel langere sluiting kon zijn bevolen, dat niet doet begrijpen; dat, zoals gezien, een sluiting van twee maanden het bestaan zelf van de dancing in gevaar kan brengen; dat, tevens, toch buiten kijf lijkt te staan dat verzoekster zich in de strijd tegen de drugs in haar inrichting niet onbetuigd heeft gelaten en zich terzake altijd zeer coöperatief heeft opgesteld; dat het in die omstandigheden dan ook had behoord dat in de formele redengeving werd gemotiveerd waarom niet ook al een veel minder verregaande maatregel kon volstaan om verzoekster, kennelijk van goede wil, erop te attenderen dat zij in bijkomende regelingen diende te voorzien; dat, aldus beschouwd, de bestreden beslissing niet op een voldoende evenwichtige beoordeling lijkt te berusten; dat het middel tenminste in die mate ernstig is; XII-4969-6/7
- Overwegende dat de voorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid vervuld zijn, BESLUIT: Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 18 december 2006 van de burgemeester van de stad Menen om dansinrichting Lagoa voor een termijn van twee maanden te sluiten, zoals bevestigd bij besluit van dezelfde datum van het college van burgemeester en schepenen van de stad Menen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negenentwintig december 2006, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. J. LUST. XII-4969-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2006:ARR.166.335 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.171.649 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div