id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.347 Rolnummer: A. 67252/X-8978 Zaak: Arrest 166347 - Monumenten en Landschappen - 04/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-18 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-29 13:35 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 166.347 van 4 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.347 van 4 januari 2007 in de zaak A. 67.252/X-
- In zake :
- Béatrice VAN DER VOORDT, 2.Anna VAN DER VOORDT,
- Jean-Pierre VAN DER VOORDT, die woonplaats kiezen bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Gerard Davidstraat 46, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Béatrice VAN DER VOORDT, Anna VAN DER VOORDT en Jean-Pierre VAN DER VOORDT op 22 januari 1996 hebben ingediend om een herstelvergoeding te vorderen voor buitengewone schade "ingevolge het KB d.d. 20 januari 1981 waarbij de eigendom van verzoekers, gelegen te Hove aan de Edegemsestraat, en kadastraal gekend onder Sectie A 29/p/deel wordt gerangschikt als 'Dorpsgezicht' zoals bedoeld bij het decreet van 3 maart 1976"; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 23 juni 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; X-8978-1/4 Gelet op de beschikking van 25 april 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 juni 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DENYS die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat I. VANDEN BON die loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekende partijen stellen onverdeelde eigenaars te zijn geweest van een perceel grond gelegen te Hove, Edegemstraat 10, kadastraal bekend Sectie, A, nr. 29/p (deel); dat niet wordt betwist dat bij besluit van 14 februari 1979 tot vaststelling van het ontwerp van lijst voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten het voornoemde perceel werd opgenomen op deze ontwerplijst; dat in het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 definitief vastgestelde gewestplan Antwerpen dit perceel werd opgenomen in woongebied; dat niet wordt betwist dat bij koninklijk besluit van 20 januari 1981 dit perceel als dorpsgezicht wordt beschermd; dat voorts niet wordt betwist dat de verzoekende partijen geen beroep tot nietigverklaring hebben ingediend tegen de voor hen griefhoudende akten van 14 februari 1979 en 20 januari 1981; dat ze wel een aanvraag hebben ingediend tot het verkrijgen van een vergunning voor de verkaveling van dit perceel, welke het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Hove op 3 juli 1981 heeft afgewezen; dat de verzoekende partijen vervolgens, nadat het Vlaams Gewest niet was ingegaan op hun vraag om de schade die zij door voornoemde weigeringsbeslissing meenden te hebben ondervonden te vergoeden, een vordering hebben ingesteld voor de justitiële rechter; dat hun vordering op 8 mei 1985 in eerste aanleg werd afgewezen als ongegrond; dat in hoger beroep het Hof van Beroep te Antwerpen - na bij arrest van 22 juni 1992 een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof te hebben gesteld, waarop het Arbitragehof bij arrest nr. 50/93 van 24 juni 1993 heeft geantwoord - de vordering op 20 juni 2000 heeft afgewezen; dat niet wordt betwist dat deze uitspraak definitief is; X-8978-2/4 Overwegende dat terwijl deze burgerlijke procedure aanhangig is, de derde verzoekende partij vervolgens, mede in naam van de eerste en de tweede verzoekende partij, bij brief van 9 oktober 1995 de bevoegde minister verzocht om vergoeding wegens buitengewone schade; dat dit verzoek op 8 december 1995 werd afgewezen; dat vervolgens op 22 januari 1996 de voorliggende herstelvordering werd ingesteld; Overwegende dat luidens artikel 11, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de afdeling administratie, als geen ander rechtscollege bevoegd is, naar billijkheid en met inachtneming van alle omstandigheden van openbaar en particulier belang, bij wege van arrest uitspraak doet over de eisen tot herstelvergoeding voor buitengewone, morele of materiële schade, veroorzaakt door de administratieve overheid; Overwegende dat de verzoekende partijen de oorzaak van hun buitengewone schade zien in het voornoemde besluit waarbij hun perceel werd opgenomen in een beschermd dorpsgezicht; Overwegende dat de vordering tot herstelvergoeding voor buitengewone schade slechts ontvankelijk is na uitputting van alle rechtsmiddelen die kunnen leiden tot de wijziging, het uitstel of de vernietiging van de schadeverwekkende handeling; dat uit de voorgaande feitenuiteenzetting blijkt dat de verzoekende partijen geen beroep tot nietigverklaring hebben ingediend tegen het - naar zij stellen - griefhoudende "rangschikkingsbesluit", terwijl dit besluit een voor vernietiging vatbare bestuurshandeling is waarvan de beoordeling tot de rechtsmacht van de Raad van State behoort; dat daargelaten de vraag of de verzoekende partijen in hun laatste memorie terecht doen gelden dat de benadeelde van de buitengewone schade in het algemeen niet verplicht zou zijn de onwettigheid van de maatregelen in te roepen of daarover een proces te voeren, die stelling in ieder geval niet opgaat indien - zoals te dezen - de verzoekende partijen zelf de wettigheid van de schadeverwekkende bestuurshandeling betwisten; dat dit te dezen het geval is; dat immers uit de overwegingen van het voornoemde arrest van het Hof van Beroep te Antwerpen van 20 juni 2000 blijkt dat aan dat hof werd gevraagd om de wettigheid te toetsen van het genoemde rangschikkingsbesluit en dit op grond van verscheidene onwettigheden waarvan niet betwist wordt dat de beoordeling ervan ook tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort; dat niet blijkt, noch aannemelijk is gemaakt dat het niet instellen van een annulatieberoep tegen de schadeverwekkende bestuurshandeling werd ingegeven door de vaststelling dat de verzoekende partijen X-8978-3/4 de wettigheid van deze griefhoudende akte redelijkerwijze niet in vraag konden stellen; dat niet alle voorafgaande rechtsmiddelen die redelijkerwijze konden worden aangewend, zijn uitgeput; dat ambtshalve wordt vastgesteld dat de vordering niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel
- De eis tot herstelvergoeding voor buitengewone schade wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 297,48 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een derde. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-8978-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.347 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div