← België

Arrest 166359 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.359 Rolnummer: A. 179665/X-13112 Zaak: Arrest 166359 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 04/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-08 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 12:54 Fiche Arrest nr 166.359 van 4 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.359 van 4 januari 2007 in de zaak A. 179.665/X-13.

  1. In zake : de nv STIVAL, die woonplaats kiest bij Advocaat P. THIELEMANS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Waterloolaan 34 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14, bus
  2. tussenkomende partij : de nv AQUAFIN, die woonplaats kiest bij Advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
  3. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de nv STIVAL op 27 december 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van besluit van 29 oktober 2004 van de gewestelijk stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de nv AQUAFIN de stedenbouw-kundige vergunning wordt verleend voor het "project 21.413B (+21.102B) - afkoppelen Kleine Buisbeek (+ toevoerleiding RWZI Humbeek)" te Grimbergen, Benedenstraat, op de percelen kadastraal bekend sectie A, nrs 38 g, 41 l, 54 en sectie B, nr. 569 u; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 27 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 29 december 2006, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; X-13.112-1/4 Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. VAN TENDELOO die loco Advocaat P. THIELEMANS verschijnt voor de verzoekende partij, van Advocaat T. DE KETELAERE die loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat P. LONDERS die loco Advocaat B. ASSCHERICKX verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de nv AQUAFIN met een ter terechtzitting neergelegd verzoekschrift heeft gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering betreft, verzoekende partij uiteenzet wat volgt: "Overwegende dat er hoogdringendheid bestaat, aangezien de aanvang van de werken begin januari 2007 gepland is, meteen na het bouwverlof dat eindigt op 7 januari 2007; Dat ondanks de attitude van de verschillende betrokkenen, die lieten geloven dat een minnelijk akkoord zou plaats kunnen vinden, er geen een concrete beslissing is tussengekomen die het functioneren van het bedrijf van mijn verzoekster garandeert; Dat door de kerstvakantie en bouwverlof bovendien de verschillende tussenkomende diensten onbereikbaar zullen zijn voor verdere initiatieven; Dat er dus wel degelijk uiterst dringende noodzakelijkheid bestaat die een beroep op artikel 17, § 1, derde lid en vierde lid rechtvaardigt"; X-13.112-2/4 Overwegende dat uit de gegevens van de zaak, zoals deze door de verzoekende partij zelf worden uiteengezet in haar verzoekschrift tot schorsing, blijkt dat zij reeds op 23 oktober 2006, zij het partieel, kennis heeft gekregen van de bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat, hoewel de verzoekende partij blijkens een door haar aan de gemeente Grimbergen en aan de nv Aquafin gericht schrijven van 30 oktober 2006 toen reeds tot de vaststelling blijkt te zijn gekomen dat haar bedrijf, gelet op de aard, de omvang en de wijze waarop de vergunde werken worden uitgevoerd, ernstige hinder zou ondervinden van die werken, zij niet onmiddellijk het nodige heeft gedaan om zo spoedig mogelijk inzage te verkrijgen van het bouwdossier, in het bijzonder van de verleende stedenbouwkundige vergunning en de daarbij horende plannen, om alsdan met voor een vordering bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van die stedenbouwkundige vergunning in te stellen; dat zij integendeel die vordering slechts een vijftigtal dagen later heeft ingesteld; dat het verstrijken van een dergelijk lange termijn op zich de negatie zelf inhoudt van het uiterst dringende karakter van de vordering; dat de verantwoording die door de verzoekende partij wordt gegeven voor het verstrijken van deze termijn, met name dat zij eerst onderhandelingen heeft gevoerd met de gemeente Grimbergen en de nv Aquafin maar dat deze niet tot een voor haar bevredigende oplossing hebben geleid, niet kan worden aangenomen; dat immers een verzoekende partij niet door haar eigen handelen er de oorzaak van mag zijn dat een vordering tot schorsing het uiterst dringend karakter verkrijgt waarop zij zich beroept; dat niets eraan in de weg stond dat de verzoekende partij ten gepaste tijde de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid instelde; dat dient te worden vastgesteld dat niet is voldaan aan één van de voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  4. Het verzoek tot tussenkomst van de nv AQUAFIN in de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt ingewilligd. X-13.112-3/4 Artikel
  5. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  6. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vier januari 2007, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-13.112-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.359 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.174.373 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.