id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.369 Rolnummer: A. 141557/XIV-16728 Zaak: Arrest 166369 - Dienst Vreemdelingenzaken - 05/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 12:54 Fiche Arrest nr 166.369 van 5 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.369 van 5 januari 2007 in de zaak A. 141.557/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4 bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servische en Montenegrijnse nationaliteit, op 15 september 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 5 augustus 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf, met toepassing van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk wordt verklaard; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 23 september 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; XIV-16.728-1/7 Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. VERHELLE die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Servische en Montenegrijnse nationaliteit, komt op 19 oktober 1998 België binnen waar hij zich dezelfde dag vluchteling verklaart. Op 3 april 1999 wordt verzoekers aanvraag ontvankelijk bevonden. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen weigert op 25 mei 2000 echter de erkenning van hoedanigheid van vluchteling. Deze beslissing wordt op 20 september 2000 bevestigd door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Het beroep tot nietigverklaring wordt door de Raad van State verworpen bij arrest nummer 126.589 van 18 december
- 1.
- Op 28 december 2000 dient verzoeker een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9 derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 5 augustus 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Dit is de bestreden beslissing, die als volgt wordt gemotiveerd: “(...) Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Het feit dat betrokkenen zich integreren, kennis hebben van het Nederlands, dat de kinderenen hier geboren zijn en schoollopen en dat mijnheer kans heeft om tewerkgesteld te worden is geen uitzonderlijke omstandigheid om art. 9.3 van de wet XIV-16.728-2/7 van 115/12/1980 in te dienen. Bovendien verhindert een beroep, ingesteld bij de Raad van State, betrokkenen niet om terug te keren naar hun land van herkomst. Voorts wordt een aanvraag voor de regularisatiecommissie volgens een andere procedure behandeld waardoor een aanvraag ar. 9.3 hiermee niet kan vergeleken worden. Betrokkenen baseerden hun aanvraag art. 9.3 mede op medische motieven. Uit het verslag van de tegenexpertise blijkt dat de kindjes niet verhinderd zijn te reizen naar hun land van herkomst en dat daar de nodige zorgen kunnen worden toegediend. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten”. 1.
- Verzoeker dient op 22 augustus 2003 een tweede aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden op basis van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet. De Dienst Vreemdelingenzaken bevestigt telefonisch dat ook deze aanvraag onontvankelijk werd bevonden. Verzoeker zou een derde aanvraag hebben ingediend.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.
- Overwegende dat verzoeker eerste middel aanvoert: “II.1.
- De weigering schendt het gelijkheidsbeginsel zoals verankerd in art. 10 en 11 van de Grondwet. Art. 9 lid 3 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 waarop verzoeker zich baseert, dient grondwetsconform te geïnterpreteerd en dient dus te geïnterpreteerd in de zin dat art. 9 lid 3 bestaanbaar is met art. 10 en 11 van de Grondwet. In de mate er zou geponeerd worden dat een interpretatie zoals de verzoeker voorgehouden niet mogelijk is, zou er ter zake aan het Arbitragehof een prejudiciële vraagstelling moeten worden voorgelegd. II.1.
- Verzoekende partij verwijst naar de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, B.S. 10 januari
- Verzoeker verwees naar de interpretatie van de wet door de diverse kamers die bevoegd waren inzake de regularisatie. Verzoekende partij deed een beroep op een analoge behandeling in het kader van art. 9 lid 3 Vreemdelingenwet. Er werd expliciet verwezen naar de jurisprudentie die m.b.t. de wet van 22 december 1999 is ontwikkeld. Ter zake wordt er gerepliceerd: "Voorts wordt een aanvraag voor de regularisatiecommissie volgens een andere procedure behandeld waardoor een aanvraag art. 9.3 hiermee niet kan vergeleken worden". Het feit dat er overeenkomstig een andere procedure wordt gewerkt, impliceert ten genen dele dat er niet volgens dezelfde maatstaven zou kunnen gewerkt worden. Een andere vorm impliceert niet dat er geen identieke inhoud zou kunnen worden toegepast. Ten onrechte wordt een analoge behandeling als aangehouden door de regularisatiecommissie zonder enig geldig motief van de hand gewezen. Het betwiste besluit schendt dan ook het gelijkheidsbeginsel. II.1.3.Er wordt een specifieke regeling uitgewerkt voor aanvragers met Afghaanse nationaliteit. Een interpretatie van art. 9 lid 3 Vreemdelingenwet die anders zou moeten zijn voor Afghanen dan voor niet-Afghanen, schendt het gelijkheidsbeginsel. Het feit dat verzoeker niet samen met land- en lotgenoten naar een kerk tijgt en aldaar een hongerstaking organiseert, mag al evenmin leiden tot een discriminatoire interpretatie van art. 9 lid 3 Vreemdelingenwet ten nadele van de verzoekende partij. Een dergelijke interpretatie is niet houdbaar in een rechtsstaat. Het is uiteraard mogelijk dat een bestuur een interpretatie bijstuurt als blijkt dat in de praktijk een interpretatie tot menselijk onhoudbare situaties leidt. Maar dan dient deze XIV-16.728-3/7 interpretatie te worden bijgestuurd en te worden aangehouden, op een abstracte wijze, geldend voor een onbepaald aantal personen, en niet enkel en alleen voor die personen die actie hebben gevoerd. Er dient een onderscheid te worden gemaakt tussen politiek enerzijds, recht anderzijds. II.1.
- Slechts in de mate er zou geponeerd kunnen worden, quod non, dat een grondwetconforme interpretatie van art. 9 lid 3 er niet zou toe leiden dat het betwiste besluit moet nietig verklaard worden, zou aan het Arbitragehof moeten gevraagd worden: "Schendt art. 9 lid 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, geïnterpreteerd in die zin dat de wet een andere toepassing heeft voor Afghanen dan voor inwoners van andere landen, de artikelen 10 en 11 Grondwet, doordat niet- Afghanen minder gunstig worden behandeld dan Afghanen. Schendt art. 9 lid 3 van de Vreemdelingenwet, geïnterpreteerd in die zin dat er inhoudelijk andere criteria moeten worden aangewend dan door de regularisatiecommissies aangewend in het kader van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, waar er een onderscheid wordt gemaakt tussen vreemdelingen die toevalligerwijze reeds een zekere tijd, weze het niet de tijd waarin werd voorzien door de wet van 22 december 1999, in het land verbleven op het ogenblik dat er een aanvraag mocht worden ingediend krachtens de wet van 22 december 1999, om diegenen die een beroep moeten doen op art. 9 lid 3 Vreemdelingenwet en die geen aanvraag hebben gedaan in het kader van voormelde wet van 22 december 1999, ook al verblijven zij ondertussen een langere periode in het land dan vereist was om toepassing te kunnen maken van de wet van 22 december 1999".”; 2.1.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van het gelijkheidsbeginsel “zoals verankerd in art. 10 en 11 van de Grondwet”; dat verzoeker meent dat de bestreden beslissing het gelijkheidsbeginsel schendt omdat zijn aanvraag niet werd behandeld conform de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet); dat hij tevens het gelijkheidsbeginsel geschonden acht omdat volgens hem Afghaanse burgers die actie voeren terzake gunstiger worden behandeld dan niet-Afghaanse burgers; dat verzoeker meent dat er twee prejudiciële vragen dienen te worden gesteld aan het Arbitragehof indien de schending niet aanvaard wordt; 2.1.2.
- Overwegende dat, wat de eerste vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel betreft, deze problematiek in wezen reeds door het Arbitragehof werd behandeld in het arrest nummer 174/2003 van 17 december 2003, eveneens naar aanleiding van een prejudiciële vraag van de Raad van State; dat het Arbitragehof in dat arrest van mening was dat er geen sprake is van discriminatie tussen diegenen die beroep deden op de Regularisatiewet en diegenen die een beroep deden op artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat er derhalve geen noodzaak is om het Arbitragehof hieromtrent vooralsnog een prejudiciële vraag te stellen; dat, wat betreft de tweede vermeende schending van het gelijkheidsbeginsel, vooreerst dient opgemerkt dat er slechts sprake kan zijn van een schending van dit beginsel indien verzoeker met feitelijke en concrete gegevens aantoont dat gelijke gevallen ongelijk worden behandeld; dat verzoeker zich in zijn verzoekschrift beperkt tot de algemene bewering dat de interpretatie van artikel 9, derde lid anders is voor Afghanen XIV-16.728-4/7 dan voor niet-Afghanen maar dit op geen enkele wijze staaft; dat, gelet op het bovenstaande, er geen sprake is van de schending van artikel 10 en artikel 11 van de Grondwet noch er redenen voorhanden zijn tot het stellen van een prejudiciële vraag aan het Arbitragehof; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “II.
- Tweede middel II.2.
- Schending van de wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. II.2.
- De verzoekende partij heeft onder het eerste middel aangegeven dat het gelijkheidsbeginsel wordt geschonden doordat geweigerd wordt per analogie te redeneren ten aanzien van de jurisprudentie van de regularisatiecommissie. Dit mist volgens verzoeker materiële grondslag en dit schendt art. 10 en 11 van de Grondwet. In ieder geval, en uiteraard subsidiair aan het eerste middel, moet worden aangegeven dat het puur en alleen vermelden dat er volgens een andere procedure is gehandeld en dat dezelfde inhoudelijke criteria dus niet zouden kunnen gehanteerd worden, niet pertinent is en dus ook de wet van 29 juli 1991 schendt.”; 2.2.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; dat verzoeker verwijst naar de uiteenzetting van het eerste middel en hieraan toevoegt dat het puur en alleen vermelden dat er volgens een andere procedure is gehandeld en dat dezelfde inhoudelijke criteria niet kunnen worden gehanteerd niet pertinent is; 2.2.2.
- Overwegende dat, wat de schending van het gelijkheidsbeginsel betreft verwezen kan worden naar de bespreking van het eerste middel; dat waarom de motivering van de bestreden beslissing niet pertinent zou zijn, door verzoeker niet wordt uiteengezet; dat de schending van de motiveringsplicht dan ook niet kan worden aangenomen; dat het tweede middel niet gegrond is; 2.3.
- Overwegende dat verzoeker als derde middel aanvoert: “II.
- Derde middel II.3.
- Schending van art. 9 lid 3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. II.3.
- Er wordt geponeerd dat er geen uitzonderlijke omstandigheden worden aangehaald waarom verzoekers de aanvraag om machtiging tot verblijf niet zouden kunnen indienen via de gewone procedure. Alhoewel met een dergelijke motivering eigenlijk onrecht wordt aangedaan aan de ware toepassing van art. 9 lid 3 Vreemdelingenwet, dat voorziet in een regularisatiemogelijkheid op humanitaire grondslag, zoals in de praktijk aangewend en ook aanbevolen door het bestuur zelf, cfr. de boven vermelde Afghaanse acties, zal verzoeker daarop ingaan. Weze onderstreept dat hoe dan ook door het bestuur unfair wordt geantwoord. Art. 9 lid 3 van de Vreemdelingenwet wordt gebruikt en ook aangereikt door het bestuur, om te voorzien in de veeltijds noodzakelijke humanitaire regularisatie. Deze noodzaak aan humanitaire regularisatie is precies ontstaan door de grote traagheid waarmee het XIV-16.728-5/7 bestuur kan reageren op de diverse aanvragen, overspoeld als het bestuur overigens is maar klaarblijkelijk ook blijft. II.3.
- Daarmee is verwezen naar de traagheid van de afhandeling van de asielaanvragen en ook naar de traagheid van de aanvraag krachtens humanitaire rondvraag. Gezien het bestuur verder dient te kampen met een grote achterstand, kan het bestuur de aangegeven redenen dat de noodzaak om de aanvraag in België in te dienen, precies is ontstaan door het lange verblijf in België, niet zo maar als zinloos afwimpelen, zelfs zonder op enige wijze te ontmoeten. De lange duur blijft administratiefrechtelijk uitzonderlijk. Een bestuur kan een aanvraag niet zo lang onbeantwoord laten. Dus zelf als in de praktijk het bestuur tal van aanvragen onbeantwoord laat gedurende langere tijd, blijft deze onredelijke termijn uitzonderlijk en kan deze onredelijke termijn verder worden ingeroepen als uitzonderlijke omstandigheid. De verwerende partij geeft dan ook een volstrekt verkeerde, onzorgvuldige, onredelijke en in rechte niet aanvaardbare uitleg aan de term uitzonderlijk om de aanvraag als onontvankelijk te verwerpen. Schending van het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel.”; 2.3.2.
- Overwegende dat verzoeker de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet en van de materiële motiveringsplicht; dat volgens verzoeker de noodzaak aan humanitaire regularisatie ontstaan is door de traagheid waarmee het bestuur op de diverse aanvragen reageert; dat het lange verblijf in België dat hieruit voortvloeit dan ook dient te worden aanvaard als buitengewone omstandigheid; 2.3.2.
- Overwegende dat vooreerst dient vastgesteld dat verzoeker niet aangeeft uit welke wettelijke bepaling blijkt dat het langdurig verblijf in België kan worden beschouwd als buitengewone omstandigheid in de zin van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat bovendien uit de aanvraag niet blijkt dat verzoeker dit element als dusdanig heeft aangevoerd, in ieder geval geenszins als beletsel om de aanvraag in zijn land van herkomst in te dienen; dat de schending van voornoemde beginselen en bepalingen, voorzover al voldoende uiteengezet, niet kan worden aangenomen; dat het derde middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is;
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- XIV-16.728-6/7 De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.728-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.369 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.