← België

Arrest 166371 - Dienst Vreemdelingenzaken - 05/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.371 Rolnummer: A. 139748/XIV-16139 Zaak: Arrest 166371 - Dienst Vreemdelingenzaken - 05/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 12:55 Fiche Arrest nr 166.371 van 5 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.371 van 5 januari 2007 in de zaak A. 139.748/XIV-16.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat K. VERSTREPEN, kantoor houdende te 2060 ANTWERPEN, Rotterdamstraat 23 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. --------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Ivoriaanse nationaliteit, op 29 juli 2003 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juni 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen onontvankelijk werd verklaard; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 7, § 2, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelin- gen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het voorlopig advies opgemaakt door Auditeur M. STERCK; Gelet op de kennisgeving van dat voorlopig advies aan de partijen; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.139-1/7 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat K. VERSTREPEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt worden samengevat: 1.
  3. XXX, van Ivoriaanse nationaliteit, dient op 8 oktober 2002 een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
  4. Op 13 juni 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij art 9 § 3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: het feit dat betrokkene bij familie verblijft, dat het gebied waar ze woonachtig is als oorlogsgebied wordt beschouwd, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Betrokkene hoeft niet terug te keren naar haar dorp, zij hoeft zich enkel te wenden tot de Belgische ambassade in Abidjan, die niet gesloten is. Bijgevolg dient de vreemdeling: ! gevolg te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten, haar betekend op 29/01/2003 (...).”.
  5. Over de gegrondheid van de vordering tot schorsing. 2.
  6. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de XIV-16.139-2/7 onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.2.1.
  7. Overwegende dat, wat de eerste door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten vereiste voorwaarde betreft, verzoekster als eerste middel aanvoert: “
  8. Afgeleid uit de schending van het recht op veiligheid en het recht niet te worden gediscrimineerd, zoals bepaald in artikel 5 juncto artikel 14 van het Verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Dat de tegenpartij de aanvraag van verzoekster onontvankelijk verklaart omdat er geen buitengewone omstandigheden zouden zijn die de toepassing van artikel 9.3 noodzakelijk maken; Dat de tegenpartij met name stelt dat er voor verzoekster hoegenaamd geen uitzonderlijke omstandigheden zouden zijn die haar zouden verhinderen om de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging, in casu de Belgische ambassade te Abidjan; Dat de onrust in de herkomststreek van verzoekster, met name de regio Bouake, daarbij niet van belang zou zijn, daar verzoekster zich enkel naar de Belgische ambassade te Abidjan zou dienen te begeven; Dat nochtans verzoekster als bijlage bij haar aanvraag op basis van artikel 9.3 van de Vreemdelingenwet het op dat moment geldende reisadvies toevoegt van het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken dd. 4 oktober 2002, waarin wordt gesteld: "Bezoeken aan Ivoorkust blijven afgeraden zolang de veiligheidstoestand er niet is opgeklaard." Dat dit advies gold voor het hele land, inclusief voor de hoofdstad Abidjan. Dat dit advies ten tijde van de bestreden beslissing, met name op 13 juni 2003, nog steeds gehandhaafd bleef, Dat dit met name blijkt uit het reisadvies van het Belgische Ministerie van Buitenlandse Zaken met betrekking tot Ivoorkust, dd. van 15 mei 2003 en afgedrukt uit het internet op 23 juni 2003; Dat hierin duidelijk wordt gesteld: "Reizen naar Ivoorkust blijft ten stelligste afgeraden. De reizen naar Abidjan zijn afgeraden, met uitzondering van de noodzakelijke verplaatsingen." Dat de vaststelling dat de ambassade niet gesloten is en een visumaanvraag derhalve mogelijk is niets aan dit reisadvies verandert; Dat reisadviezen door de Ministerie van Buitenlandse Zaken worden geformuleerd met het oog op de veiligheid van Belgische landgenoten; Dat aldus reeds sedert maanden aan de Belgen het advies wordt gegeven niet naar Ivoorkust te reizen, aangezien zij daarbij gevaar zouden lopen voor hun veiligheid; Dat ten aanzien van verzoekster echter plotsklaps wordt aangenomen dat er, wat haar betreft, geen enkel noemenswaardig probleem zou zijn om wél naar Ivoorkust te reizen teneinde daar een visumaanvraag in te dienen; Dat het recht van éénieder op veiligheid een fundamenteel mensenrecht is, opgenomen in artikel 5 van het voornoemde Europees Verdrag van de Rechten van de Mens van 4 november 1950; Dat het genoemde artikel 5 EVRM onder meer bepaalt: Eenieder heeft het recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid." Dat het duidelijk is dat de tegenpartij verzoeksters veiligheid bewust in het gedrang brengt door haar aan te sporen terug te keren naar Ivoorkust teneinde daar een visumaanvraag in te dienen; Dat niet kan gesteld worden dat dit verschil in behandeling gerechtvaardigd zou zijn door het feit dat verzoekster niet de Belgische nationaliteit bezit en derhalve niet onder het voornoemde reisadvies zou vallen; Dat artikel 14 van het voornoemde Europees Verdrag van de Rechten van de Mens immers bepaalt dat het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, verzekerd is zonder enig onderscheid op welke grond dan ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of XIV-16.139-3/7 maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status. Dat de bepalingen van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens, en met name de artikels 5 en 14 van het voornoemde verdrag, rechtstreekse werking hebben in de Belgische rechtsorde; Dat de bestreden beslissing dan ook genomen werd in schending van de artikels 5 de 14 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens;”; 2.2.1.
  9. Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van de artikelen 5 en 14 van het E.V.R.M.; dat inzake artikel 5 van het E.V.R.M. verzoekster stelt dat zij, op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen, onmogelijk kon terugkeren naar haar land van herkomst omwille van de onrust die op dat ogenblik heerste in Ivoorkust; dat verzoekster in dit verband wijst op het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 15 mei 2003; dat artikel 5 van het E.V.R.M. stelt: “Eenieder heeft recht op persoonlijke vrijheid en veiligheid.”; dat, vermits verzoekster niet het voorwerp uitmaakt van enige vrijheidsberovende maatregel, prima facie lijkt te mogen worden besloten dat de door haar aangevoerde schending van artikel 5 van het E.V.R.M. juridische grondslag mist; dat inzake artikel 14 van het E.V.R.M. verzoekster op wijst dat zij naar haar land van herkomst dient terug te keren om aldaar haar aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen, terwijl het, volgens het negatieve reisadvies van het Ministerie van Buitenlandse Zaken van 15 mei 2003, aan Belgische onderdanen dan weer wordt afgeraden om naar Ivoorkust te reizen; dat verzoekster meent dat zulks een ongeoorloofd verschil in behandeling uitmaakt; dat artikel 14 van het E.V.R.M. luidt als volgt: “Het genot van de rechten en vrijheden, welke in dit Verdrag zijn vermeld, is verzekerd zonder enig onderscheid op welke grond ook, zoals geslacht, ras, kleur, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, het behoren tot een nationale minderheid, vermogen, geboorte of andere status.”; dat uit de door verzoekster bij haar verzoekschrift gevoegde stukken blijkt dat op het ogenblik van de indiening van de aanvraag door het Ministerie van Buitenlandse Zaken ten aanzien van Ivoorkust een negatief reisadvies was uitgevaardigd; dat op de datum van de bestreden beslissing dit negatief reisadvies nog steeds van kracht was; dat daarbij dient benadrukt dat dit reisadvies slechts een “advies” is, en geen verbod ten aanzien van Belgische onderdanen om zich naar Ivoorkust te begeven; dat uit dit reisadvies overigens blijkt, zoals in de bestreden beslissing wordt vermeld, dat men niet was overgegaan tot een sluiting van de Belgische ambassade in Abidjan; dat er, anderzijds de situatie is van verzoekster, een Ivoriaanse onderdane, die niet gerechtigd was op het Belgisch grondgebied van het Rijk te verblijven en ten aanzien van wie door de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing werd genomen waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard; dat artikel 9, tweede lid van de Vreemdelingenwet als algemene regel bepaalt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat artikel 9, derde lid evenwel bepaalt dat in buitengewone omstandigheden het hem wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de XIV-16.139-4/7 burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat hieruit volgt dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat, gelet op de hierboven geschetste feitelijke en juridische situatie, in alle redelijkheid prima facie lijkt te mogen worden besloten dat in casu geen sprake is van twee vergelijkbare situaties, aangezien het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken uitgevaardigde negatieve reisadvies voor Belgische onderdanen - die uiteraard gerechtigd zijn te verblijven op het Belgisch grondgebied - ten aanzien van Ivoorkust, enerzijds, en de door de Minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van verzoekster - een Ivoriaanse onderdane die er niet toe was gerechtigd op het Belgisch grondgebied te verblijven - uitgevaardigde beslissing houdende onontvankelijkheid van een aanvraag om machtiging tot verblijf, anderzijds, twee totaal verschillende uitgangspunten vormen; dat artikel 14 van het E.V.R.M. op het eerste gezicht, niet dienstig kan worden ingeroepen; dat eerste middel niet ernstig is; 2.2.2.
  10. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “
  11. Afgeleid uit de schending van de materiële motiveringsplicht, in het bijzonder de schending van artikel 62 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, van artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, juncto artikel 9, alinea 3 van de voornoemde Wet van 15 december 1980; Dat de gemachtigde van de Minister de bestreden beslissing als volgt motiveert: "De buitengewone omstandigheden, bedoeld bij artikel 9§3 zijn deze die verzoeker verhinderen de aanvraag in te dienen bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging. Echter, de motieven die betrokkene inroept, te weten: het feit dat betrokkene bij familie verblijft, dat het gebied waar ze woonachtig is als oorlogsgebied wordt beschouwd, vormen geen buitengewone omstandigheden die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen. Betrokkene hoeft niet terug te keren naar haar dorp, zij hoeft zich enkel te wenden tot de Belgische ambassade in Abidjan, die niet gesloten is. " Dat de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken een bestuurshandeling uitmaakt overeenkomstig de wet op de uitdrukkelijke motivering van de administratieve bestuurshandelingen; Dat bijgevolg de Minister van Binnenlandse Zaken zijn beslissingen op gemotiveerde wijze dient te nemen en dat zulks niet geschied is; Dat dit niet geschied is, minstens op een zeer gebrekkige wijze, moge ondermeer blijken uit de hierna (2.12) opgesomde vergissingen en fouten in de bestreden beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken; Dat het Hof van Cassatie geoordeeld naar aanleiding van de schending van het grondwettelijk principe inzake de motivering van rechtelijke beslissingen dat de motivering een wezenlijke waarborg tegen willekeur is en geldt als bewijs dat de voorgelegde middelen zorgvuldig onderzocht werden en de uitspraak beredeneerd werd; (Cass. 12 mei 193 2, 'Tasj, 1932, 1, 166); Dat dit principe eveneens werd opgenomen in de Grondwet met name onder art. 149 van de Grondwet; Dat kan besloten worden dat indien een bestuurshandeling niet degelijk gemotiveerd werd, zulks leidt tot het gemis van een wezenlijke waarborg tegen willekeur en zulks geldt als bewijs dat de Minister van Binnenlandse Zaken de hem voorgelegde middelen niet zorgvuldig heeft onderzocht en zijn uitspraak niet beredeneerd heeft; XIV-16.139-5/7 Dat er in casu enerzijds sprake is van een onjuiste en anderzijds een manifest gebrek aan motivering in de beslissing, wat ertoe leidt te besluiten dat de aan de Minister van Binnenlandse Zaken voorgelegde middelen niet zorgvuldig onderzocht werden; Dat immers artikel 9.3 van de voornoemde Wet van 15 december 1980 bepaalt dat in buitengewone omstandigheden de aanvraag tot machtiging van verblijf kan ingediend worden bij de burgemeester van de plaats waar de betrokkene verblijft, in plaats van bij de daartoe bevoegde diplomatieke vertegenwoordiging in het buitenland; Dat de tegenpartij echter meent dat de buitengewone omstandigheden niet voorhanden zijn, nu de Belgische ambassade in het herkomstland van verzoekster niet gesloten is; Dat de tegenpartij daarbij geenszins rekening houdt met de feitelijke situatie in het land van herkomst en met het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken geformuleerde reisadvies; Dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht de bevoegdheid heeft om na te gaan of de bevoegde overheid bij het nemen van haar beslissing uitgegaan is van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is gekomen,; Dat zulks in casu absoluut niet het geval is; Dat de tegenpartij immers bij het nemen van haar beslissing geen enkele rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie in Ivoorkust en het geldende reisadvies, hoewel dit advies in bijlage was opgenomen bij de aanvraag tot machtiging van verblijf-, Dat dit element nochtans cruciaal is in de appreciatie van de buitengewone omstandigheden waarvan sprake in artikel 9, alinea 3 van de Vreemdelingenwet; Dat de tegenpartij bovendien geen rekening heeft gehouden met de zeer kwetsbare positie van verzoekster, als alleenstaande jonge vrouw in een haar onbekende stad; Dat de tegenpartij dan ook hoegenaamd niet is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens (hoewel die door verzoekster zelf werden aangereikt), laat staan dat deze correct werden beoordeeld of dat de teenpartij op grond van die gegevens in redelijkheid tot haar besluit kon komen; Dat de bestreden beslissing dan ook onvoldoende is gemotiveerd en derhalve dan ook genomen werd in schending van artikel 62 van de Wet van 15 december 1980, van artikel 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.”; 2.2.2.
  12. Overwegende dat verzoekster de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht, van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat, meer bepaald verzoekster de Minister van Binnenlandse Zaken verwijt geen rekening te hebben gehouden “met de feitelijke situatie in het land van herkomst”, noch met “het door het Ministerie van Buitenlandse Zaken geformuleerde reisadvies”; dat uit de bestreden beslissing mag worden afgeleid dat de Minister van Binnenlandse Zaken, in tegenstelling tot hetgeen verzoekster aanvoert, wel degelijk rekening heeft gehouden met de feitelijke situatie in Ivoorkust en met het geldende reisadvies, aangezien hij uitdrukkelijk stelt : “Betrokkene hoeft niet terug te keren naar haar dorp, zij hoeft zich enkel te wenden tot de Belgische ambassade in Abidjan, die niet gesloten is”; dat verzoekster niet aantoont dat deze overwegingen van de Minister van Binnenlandse Zaken kennelijk onredelijk zijn; dat, waar verzoekster de Minister van Binnenlandse Zaken verder nog verwijt evenmin rekening te hebben gehouden met haar “zeer kwetsbare positie (...) als alleenstaande jonge vrouw in een haar onbekende stad”, erop dient gewezen dat verzoekster dit gegeven niet als dusdanig in haar aanvraag om machtiging tot verblijf heeft vermeld, zodat de Minister van Binnenlandse Zaken hier niet uitdrukkelijk diende op in te gaan; dat het tweede middel niet ernstig is; XIV-16.139-6/7
  13. Overwegende dat niet is voldaan aan één van de twee door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State cumulatief opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  14. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  15. De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.139-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.371 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.