id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.379 Rolnummer: A. 140433/XIV-16380 Zaak: Arrest 166379 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 05/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 12:55 Fiche Arrest nr 166.379 van 5 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.379 van 5 januari 2007 in de zaak A. 140.433/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat H. VAN VRECKOM, kantoor houdende te 1400 NIJVEL, rue Saint-André 5 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 14 augustus 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 juli 2003 tot bevestiging van de beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken van 25 februari 2003 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 25 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-16.380-1/12 Gehoord de opmerkingen van Advocaat H. VAN VRECKOM, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: 1.
- XXX, van Iraanse nationaliteit, is België binnengekomen op 7 februari 2003 en heeft zich op 10 februari 2003 vluchteling verklaard. 1.
- Op 25 februari 2003 neemt de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 16 juli 2003 neemt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing tot bevestiging van deze beslissing van de Minister van Binnenlandse Zaken. Deze beslissing luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger afkomstig uit Teheran, verklaart problemen te hebben gekend in Iran omwille van de geplande publicatie van uw boek. Op 8/11/1381 (volgens de Perzische kalender, stemt overeen met 28/01/2003 in Gregoriaanse kalender) verliet u het land. Op 18/11/1381 (7/02/2003) bent u in België aangekomen, waar u op 10/02/2003 asiel hebt aangevraagd. U bent in het bezit van uw boekje van burgerlijke stand en nieuwe Iraanse identiteitskaart. Tijdens uw universitaire studies werd u verschillende keren op het matje groepen bij de Bassidj-é Moztazafan (Mobilisatie van de verdrukten) omdat u bepaalde meningen had laten blijken en bepaalde dingen had gezegd. Op het einde van uw studies werden uw coördinaten doorgegeven aan de Bassidj van uw wijk. Deze besliste dat u zich maandelijks diende te melden. Op 30/09/1381 (21/12/2002) nam u contact met uw uitgever, Soleiman Arezi. U legde die dag uw werk aan hem voor. U schreef een theaterstuk over de geschiedenis van Iran van voor de revolutie tot erna. Het stuk gaf de indruk voor kinderen bedoeld te zijn, omdat de personages dieren waren. Deze dieren staan echter voor bepaalde personen en organisaties die een belangrijke rol speelden in de geschiedenis van Iran, vandaar dat het eigenlijk een stuk is voor volwassenen. De uitgever las uw werk niet, jullie sloten diezelfde dag nog een overeenkomst. Er werden geen afspraken gemaakt aangaande oplage, formaat of eventuele aanpassingen die de uitgever kon doen. U diende in opdracht van de uitgever geen enkele passage aan te passen. De uitgever kon dit zelf vrijelijk doen. Toestemming van de autoriteiten om uw boek uit te geven, is niet meer nodig. Bovendien regelt de uitgever alles, waardoor u niet weet met wie de uitgever contact zou nemen omtrent uw boek. De volgende dag verbleef en overnachtte u bij uw zus. Normaal gezien diende u zich die dag aan te melden bij de Bassidj-é Mostazafan, XIV-16.380-2/12 gezien het de eerste van de maand was. U ging er echter niet heen omdat u zich niet goed voelde. De volgende ochtend liet uw moeder aan uw vriend Mehdi weten, die het op zijn beurt naar u doorbelde, dat er een huiszoeking bij u thuis werd gehouden. U vermoedde dat het de Bassidj was. U ging bij uw vriend Mehdi en hij informeerde zich over de ware toedracht van het gebeurde. Twee tot drie dagen later hoorde u dat, op het moment van de huiszoeking, ook het huis van uw uitgever werd doorzocht en hij werd gearresteerd. U concludeerde dat het ene met het andere verband moest houden en de Ettelaat (staatsveiligheid) zich met de zaak bemoeide. U vermoedt dat de Ettelaat tijdens de huiszoeking bij uw uitgever, uw adres op het spoor kwam. U heeft geen weet van andere stappen die de autoriteiten tegen u ondernamen. U heeft geen rechtstreeks contact meer met uw ouders. B. Motivering Vooreerst moet opgemerkt worden dat uw verklaringen niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt, die aan uw administratief dossier werd toegevoegd. Zo verklaarde u dat vroeger toestemming vereist was om een boek uit te geven, maar dit nu niet meer zo is en iedereen vrij is om een boek uit te geven (zie gehoorverslag CGVS, p. 10). Uit de informatie blijkt echter dat alvorens tot de publicatie van een boek kan worden overgegaan, nog steeds toestemming dient te worden bekomen van de daarvoor voorziene instanties. Het feit dat u niet weet welke deze instanties zijn en dat deze toestemming wel degelijk moet bekomen worden, brengt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas ernstig in het gedrang (gehoorverslag CGVS, pp.10&11). Verder moet opgemerkt worden dat de uitgeverij bij dewelke u terecht kwam helemaal niet gekend blijkt volgens de informatie waarover het Commissariaat-Generaal beschikt en die aan het administratief dossier werd toegevoegd. Alhoewel dit natuurlijk niet het bestaan van de uitgeverij kan uitsluiten, is het toch enigszins merkwaardig dat de uitgeverij niet werd teruggevonden. Het is eveneens merkwaardig dat u als beginnend schrijver, reeds uw voorzorgen had genomen om in geval van problemen vlot het land te kunnen verlaten. Het was uw eerste werk dat mogelijks zou gepubliceerd worden. U had geen enkele garantie over het aantal exemplaren dat zou gedrukt worden en dus of uw werk enige weerklank zou hebben (gehoorverslag CGVS, p.5). Bovendien is het zeer onwaarschijnlijk dat indien u uw werk zo gevaarlijk inschatte, uw uitgever, die volgens uw eigen verklaringen eveneens verantwoordelijk is in geval van problemen met publicities, zo maar akkoord ging met de uitgave en dus voor een beginnend schrijver een dergelijk risico wou lopen. Verder moet worden vastgesteld dat u onvoldoende elementen aanbrengt die op een gegronde vrees voor vervolging wijzen, zoals voorzien in de Vluchtelingenconventie. Uit uw verklaringen blijkt dat u zich niet aanmeldde bij de Bassidj op de eerste dag van de maand (namelijk 1/10/1381; 22/12/2002), eveneens de dag van de huiszoeking, zoals u was opgelegd. U merkte trouwens zelf op dat u omwille van deze afwezigheid gezocht wordt door de Bassidj (zie gehoorverslag CGVS, p. 15). Uit uw verklaringen blijkt dat geen reden werd opgegeven voor de eigenlijke huiszoeking bij u thuis. De huiszoeking kan dus evengoed een logisch gevolg zijn van deze afwezigheid. U legde zelf het verband tussen de arrestatie van uw uitgever en de huiszoeking bij u thuis. U vermoedde dit verband ondanks het feit dat jullie nog maar net het contract hadden afgesloten, niemand op de hoogte was van de inhoud van uw boek en de eigenlijke publicatie nog in zijn kinderschoenen stond. Uw uitgever had nog niet eens de kans gekregen om wat dan ook te doen met uw boek (zie gehoorverslag CGVS, p. 14). Eigenlijk werd uw werk helemaal niet uitgegeven. Gezien het boek nooit werd gepubliceerd, heeft u nooit enige ruchtbaarheid kunnen geven aan uw politieke visie (gehoorverslag CGVS, p.8 &14). Er zijn bijgevolg onvoldoende aanwijzingen dat de twee huiszoekingen en de aanhouding van uw uitgever enig verband met elkaar houden. Wat betreft uw maandelijkse meldingsplicht bij de Bassidj naar aanleiding van problemen op de universiteit vroeger, dient te worden opgemerkt dat deze onvoldoende zwaarwichtig zijn om te worden beschouwd als een gegronde vrees voor vervolging. Bovendien kende u in de periode na het beëindigen van uw studies in 1377
(1998)en de huiszoekingen geen andere problemen met de Iraanse autoriteiten dan de maandelijkse melding (zie gehoorverslag CGVS, p.5&13). De door u voorgelegde documenten zijn niet van die aard dat zij bovenstaande vaststellingen kunnen wijzigen. XIV-16.380-3/12 Uw boekje van burgerlijke stand en nieuwe identiteitskaart bevestigen uw identiteit en burgerlijke stand. Uw rijbewijs bewijst dat u in Iran de toestemming had een voertuig te besturen. Uw legerkaart bevestigt dat u aan uw militaire dienstplicht voldeed. Het contract geeft een aanwijzing dat u een boek schreef dat zou gepubliceerd worden. Het door u gereproduceerde werk in België, bevestigt dat u in staat bent een theaterstuk te schrijven. Op basis van de elementen die u aanhaalde kan in uw hoofde geen vermoeden voor gegronde vrees tot vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, bestaan. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Eerste enig middel: Manifest gebrekkige en onredelijke motivering en machtsoverschrijding: Schending van de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en verwijdering van vreemdelingen, de artikelen 1 to 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motivering van bestuurshandelingen evenals als van het artikel 1, A, 2 van het Verdrag van 28 juli 1951 betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de aanvraag van de eiser bedrieglijk zou zijn; Dat dit middel kan worden onderverdeeld in vijf onderdelen, gelet op de motivering van de bestreden beslissing; 1. Eerste onderdeel: Wat betreft de toestemming(
- en)vereist om een boek te publiceren in Iran..; Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de verklaringen van de eiser niet overeenstemmen met de informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt, nu hij verklaard zou hebben dat er vroeger toestemming vereist was om een boek uit te geven maar dat uit informatie blijkt dat nog steeds de toestemming dient te worden bekomen van de daarvoor voorziene instanties, waardoor de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de eiser ernstig in het gedrang zou gebracht worden; Overwegende dat er niet zomaar kan gesteld worden op ondubbelzinnige wijze dat de eiser zou verklaard hebben dat er helemaal geen toestemming nodig is van een bepaalde instantie vooraleer een boek op de markt komt, nu heeft verklaard op het Commissariaat-generaal tijdens het verhoor in dringend beroep dat het alleszins de uitgever is die zich bezighoudt met de verdere stappen na de ondertekening van het contract en dat het dus zijn verantwoordelijkheid is na het ondertekenen van het contract en niet dat van de schrijver; Dat de eiser ook heeft verklaard dat de uitgever de dag na het ondertekenen van het contract werd gearresteerd, zodat hij niet weet of hij al contact had opgenomen met bepaalde instanties om een toestemming te vragen om het boek uit te geven; Dat de eiser letterlijk het volgende verklaarde: XIV-16.380-4/12 “Als men iets wil laten uitgeven in Iran, na vinden van een uitgever, wat andere stappen? Van zodra men en een contract met een uitgever heeft ondertekend, is het hem die zich bezighoud met alle volgende stappen. Er is enkel de vraag van geld die besloten wordt door onderling akkoord. Dus, in ons conflict werd er toen beslist dat hij me het equivalent van 10% van de verkoop zou geven en dat in 2 keer. Wie moet toestemming geven om boek te kunnen uitgeven? Het is vrij. Iedereen mag er 1 uitgeven, maar indien er een probleem is, zijn schrijver en uitgever verantwoordelijk. Vroeger moest je voor de uitgifte de toestemming hebben, maar nu is het vrij. Dus u hebt vooraf uw geschrift niet voorgelegd aan een organisatie, commissie of weet ik veel? Nee, zelfs als een toestemming moet gegeven worden, is niet de schrijver die zich daarmee bezig houdt, maar de uitgever. Deed uw uitgever dat? We hebben contract de zaterdag getekend. De zondag hoorde ik dat de uitgever werd aangehouden. Normaal gezien moet de uitgever contact hebben genomen, maar ik weet niet met wie.”; Dat de eiser dus niet op ondubbelzinnige wijze heeft verklaard dat er helemaal geen toestemming nodig zijn voor de uitgave van een boek, nu hij enkel heeft willen preciseren dat hijzelf geen toestemming moest vragen maar dat indien dit nodig was het moest geregeld worden door de uitgever; Dat er hem dus niet kan worden verweten dat hij zou verklaard hebben dat er helemaal geen toestemmingen nodig is voor de uitgave van een boek omdat hij alleen heeft gezegd dat hijzelf geen toestemming moest vragen, maar daarom weet hij nog niet wat de uitgever precies moest doen op dat gebied; Dat de bestreden beslissing daarom een manifeste appreciatiefout begaat in strijd met de artikelen in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève betreffende het statuut van vluchtelingen; 2. Tweede onderdeel: Wat betreft de uitgeverij bij dewelke de eiser terechtkwam. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de uitgeverij waarbij de eiser terecht kwam, helemaal nier gekend lijkt te zijn, volgens de informatie van het Commissariaat- generaal, hoewel het niet betekent dat het bestaan van de uitgeverij is uitgesloten; Dat het blijkt uit de informatie van de Commissaris-generaal dat men via Google heeft geprobeerd de uitgeverij terug te vinden waarvan de eiser heeft gesproken en dat deze niet is teruggevonden en dat men aan één enkele Iraanse journalist heeft gevraagd of hij die uitgeverij kende; Dat uit die navraag blijkt dat er geen informatie is gevonden over die uitgeverij; Dat de bestreden beslissing zelf stelt dat dit nog niet het bestaan van de uitgeverij uitsluit, zodat dit niet als motief kan gelden van de bestreden beslissing en niet de geloofwaardigheid van het asielrelaas van de eiser in gevaar kan brengen; Dat de een copie van het contract dat hij had gesloten met de uitgeverij heeft voorgelegd aan het Commissariaat-generaal (niet het origineel omdat dit zich bevindt in de uitgeverij zelf) en dat er hem nooit is gevraagd, op geen enkel moment om een ander bewijs aan te brengen van het bestaan van die uitgeverij; Dat er trouwens nooit is getwijfeld aan de authenticiteit van het contract tussen de eiser en de uitgeverij; Dat er geen enkele vraag aan de eiser is gesteld omtrent het bewijzen van het bestaan van deze uitgeverij, noch op de Dienst Vreemdelingenzaken, noch op het Commissariaat-generaal en dat het feit dat een uitgeverij uit Iran geen e-mailadres heeft of niet direct wordt teruggevonden op internet na een eenvoudige poging van enkele minuten, helemaal niet betekent dat deze niet zou bestaan; Dat de eiser, indien men het hem had gevraagd, meerdere boeken had kunnen tonen die zijn uitgegeven door die uitgeverij (stukken 2 en 3), maar men heeft hem dit nooit gevraagd; Dat de eiser wel degelijk het objectieve bewijs had kunnen leveren van het bestaan van deze uitgeverij maar dit is nooit in twijfel getrokken door de tegenpartijen; Dat er daarom moet besloten worden dat dit motief niet van die aard is dat het de bestreden beslissing kan rechtvaardigen, nu deze zelf stelt dat de informatie die is toegevoegd aan het administratief dossier nog niet betekent dat de uitgeverij niet bestaat; Dat de eiser trouwens nu aantoont met twee voorbeelden van boeken uitgegeven door die uitgeverij dat deze laatste wel degelijk bestaat; XIV-16.380-5/12 Dat dit element dus niet kan worden aanvaard als een deel van de motivering van de bestreden beslissing die de conclusie van de bedrieglijkheid of kennelijke ongegrondheid van de Commissaris-generaal zou kunnen ondersteunen, zodat de bestreden beslissing een kennelijk gebrekkige motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991; 3. Derde onderdeel: Betreffende de voorzorgen die de eiser had genomen. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat het merkwaardig zou zijn dat de eiser als beginnend schrijver reeds zijn voorzorgen had genomen om in geval van problemen vlot zijn land te kunnen verlaten, nu het zijn eerste werk was dat mogelijks zou gepubliceerd worden end at hij geen enkele garantie had over het aantal exemplaren die zouden worden gedrukt en of zijn werk dus een belangrijke weerklank zou hebben; Dat de bestreden beslissing het ook onwaarschijnlijk vindt dat de uitgever zomaar akkoord ging met de uitgave en voor een beginnend schrijver een dergelijk risico zou nemen, indien de eiser zijn werk zo gevaarlijk inschatte; Dat er moet opgemerkt worden betreffende dit onderdeel van de motivering van de bestreden beslissing dat de Commissaris-generaal overgaat tot een beoordeling ten gronde van de asielaanvraag van de eiser en niet tot een onderzoek van de ontvankelijkheid; Dat de tweede verwerende partij aldus haar bevoegdheid in het kader van dit stadium van de procedure te buiten gaat en zich bezondigt aan machtsoverschrijding; Dat de eiser inderdaad niet wist welke weerklank zijn werk ging hebben en geen garanties had over het aantal exemplaren die zouden worden gedrukt, maar dat er niet kan worden begrepen waarom er zou kunnen worden getwijfeld aan de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas alleen maar omdat hij voorzorgen had genomen om vlot het land te kunnen verlaten in geval van problemen omwille van zijn boek; Dat het algemeen gekend is dat journalisten die kritische stukken of boeken publiceren een risico lopen om te worden vervolgd en dat er ieder jaar nog vele processen plaatsvinden van journalisten wegens het beledigen van de islam en het in gevaar brengen van de islamitische republiek; Dat dit wetende, het kan aangenomen worden dat de eiser redelijkerwijze een vrees kan hebben bij het schrijven van zijn kritisch boek dat hij zou kunnen worden vervolgd indien de overheden zouden doorhebben dat zijn satirisch werk bedoeld is als een satire en niet louter als een dierenverhaal voor kinderen en dat het een overlevingsinstinct is die iedere mens eigen is dat de eiser heeft ingegeven om bepaalde voorzorgen te nemen om zijn eigen leven en vrijheid veilig te stellen in de mate van het mogelijke; Het feit dat de tweede verwerende partij het zogezegd merkwaardig vindt dat de eiser zijn voorzorgen heeft genomen om zichzelf in veiligheid te stellen is een persoonlijke en subjectieve appreciatie die niet vermag te concluderen tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag van de eiser, omdat daarvoor overtuigende en kennelijke tegenstrijdigheden, inconsistenties en incoherenties moeten worden voor aangevoerd, wat hier helemaal niet het geval is omdat het voor een redelijk denkend persoon niet pers sé merkwaardig voorkomt dat een schrijver vooraleer hij een kritisch boek publiceert voor de eerste keer en wetende dat er vele kritische journalisten en schrijvers vóór hem reeds zijn vervolgd in Iran, zijn voorzorgen neemt voor wanneer het nodig zou blijken; Dat de eiser een satirisch verhaal heeft geschreven dat lijkt op een dierenverhaal voor kinderen en dat hij ook heeft gedacht dat het misschien niet zo’n vaart zou lopen indien de overheden de clou niet zouden doorhebben, maar dat hij per slot van rekening niet zeker was daarvan en dat hij daarom voor de zekerheid zijn voorzorgen heeft genomen; Dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze motiveert waarom dit element de conclusie van beweerde bedrieglijkheid of kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de eiser zou kunnen staven; Dat de bestreden beslissing ook nog stelt dat het onwaarschijnlijk zou zijn dat de uitgever een dergelijk risico zou nemen voor een beginnend schrijver als de eiser, gelet op de risico’s; Dat het hier wederom gaat om een puur persoonlijke en subjectieve appreciatie van de tweede verwerende partij die niet vermag te motiveren waarom de asielaanvraag van de eiser bedrieglijk zou zijn en dat een dergelijke appreciatie thuishoort in het kader van het onderzoek ten gronde van de asielaanvraag; XIV-16.380-6/12 Dat er kan worden ingezien dat het niet onmogelijk is dat de uitgever een risico wilde lopen voor de eiser, omdat het gaat om een uitgever die ook de kansen heeft afgewogen, gelet op de aard van het boek van de eiser, dat een dierenverhaal lijkt maar in werkelijkheid een satire en dat men niet noodzakelijkerwijze meteen doorheeft dat het gaat om een satire, nu er geen rechtstreekse kritiek wordt gegeven op overheidsinstanties die met naam en toenaam zouden worden genoemd; Dat deze overweging de uitgever van de eiser ertoe heeft gebracht het risico te nemen voor het uitgeven van het boek van de eiser; Dat de bestreden beslissing dus een motivering bevat die ene puur persoonlijke en subjectieve beoordeling inhoudt van deze elementen en dat in het kader van de ontvankelijkheid een dergelijke overweging niet kan dienen om te besluiten tot de bedrieglijkheid van de asielaanvraag; Dat het feit dat de uitgever een overwogen risico neemt voor d eiser, wat hij trouwens voordien ook wel al zal gedaan hebben voor andere schrijvers, gelet op zijn beroep en de situatie in Iran, niet impliceert dat de verklaringen van de eiser bedrieglijk zijn omdat het kennelijk is dat de mogelijkheid dat de uitgever aanvaardde het boek van de eiser uit te geven, niet uit te sluiten is; Dat om te besluiten tot de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid van de asielaanvraag van de eiser, er moet worden aangetoond door de bestreden beslissing dat de bewering van de eiser als zou de uitgever een risico hebben genomen door het boek van de eiser uit te geven, absoluut onmogelijk is en dit met aanduiding van concrete redenen; Dat het niet voldoende is om te stellen dat het “zeer onwaarschijnlijk” is, nu dit niet voldoende is om te besluiten tot de bedrieglijkheid of de kennelijke ongegrondheid van de verklaringen van de eiser, omdat er altijd een mogelijkheid wordt opengelaten dat het “wel waarschijnlijk” is en dat het niet compleet uitgesloten is; Dat er daarom sprake is van een manifeste gebrekkige en inadequate motivering, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A 2, van de Conventie van Genève van 28 juli 1951; 4. Vierde onderdeel: Wat betreft de reden van de huiszoeking bij de eiser. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat de huiszoeking bij de eiser een logisch gevolg zou kunnen zijn van het feit dat de eiser zich niet had aangemeld bij de Bassidj; Dat de eiser wel heeft verklaard dat hij zeker zal worden gezocht door de Bassidj omwille van die afwezigheid, maar dat hij daarmee niet bedoelde dat de huiszoeking bij hem thuis zou uitgevoerd zijn door de Bassidj omwille van zijn afwezigheid; Dat er moeilijk kan worden ingezien waarom de Bassidj een huiszoeking zouden doen indien het alleen gaat om een nalaten van de eiser om zich aan te melden bij de Bassidj voor één keertje; Dat het feit dat er een huiszoeking is gebeurd aantoont dat de Iraanse overheden naar iets op zoek waren tegen de eiser en dat het hen er niet aallen om ging om hem te vragen naar een uitleg waarom hij zich niet had aangemeld op de Bassidj; Dat de moeder van de eiser heeft verteld dat ze een deel van de nota’s van de eiser hadden meegenomen, zodat het duidelijk is dat de Iraanse overheden meer wilden bekomen met de huiszoeking dan een antwoord op de vraag waarom hij zich niet was komen aanmelden bij de Bassisj; Dat de bestreden beslissing enkel een persoonlijke en subjectieve appreciatie geeft aan de gebeurtenissen die de eiser zijn overkomen, maar dat er op manifeste wijze niet kan worden uitgesloten dat de huiszoeking om meer ging dan alleen maar het in gebreke blijven door de eiser om zich aan te melden bij de Bassidj; Dat om te besluiten tot het feit dat er onvoldoende elementen zouden worden aangebracht door de eiser die wijzen op een vrees voor vervolging in de zin van de vluchtelingenconventie, er moet worden aangetoond dat het buiten kijf staat dat de huiszoeking niets te maken had met de uitgave van het boek van de eiser en met de arrestatie van de uitgever op diezelfde dag; Dat de bestreden beslissing niet met concrete en objectieve elementen aangeeft dat de huiszoeking louter en alleen het gevolg kan zijn van het feit dat de eiser zich niet heeft aangemeld bij de Bassidj, zodat de mogelijkheid meer dan redelijk blijft dat de huiszoeking plaatsvond omwille van het boek van de eiser en dus gelieerd is aan de huiszoeking bij een de arrestatie van de uitgever; XIV-16.380-7/12 Dat zolang het redelijkerwijze mogelijk is dat de huiszoeking bij de eiser verband houdt met het boek dat hij wilde uitgeven, er in het stadium van het onderzoek van de ontvankelijkheid van de asielaanvraag van de eiser niet kan worden gesteld dat er onvoldoende elementen zouden zijn die wijzen op een gegronde vrees voor vervolging of dat de asielaanvraag bedrieglijk zou zijn; Dat gelet op de gebeurtenissen beleefd door de eiser, er redelijkerwijze niet kan worden uitgesloten dat de eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft, gelet op de huiszoekingen die plaatsvinden op dezelfde dag bij zijn uitgever en bij hemzelf thuis, de arrestatie van de uitgever en de inbeslagname van documenten tijdens de huiszoeking bij de eiser; Dat de bestreden beslissing stelt dat de eiser zelf het verband legde tussen de twee huiszoekingen, ondanks het feit dat het contract met de uitgever net was ondertekend, de eigenlijke publicatie nog in zijn kinderschoenen stond, dat iemand anders al op de hoogte was van de inhoud van het boek en dat de uitgever nog niet de kans had gekregen wat dan ook te doen met het boek van de eiser; Dat de eiser eerst en vooral nooit heeft verklaard dat hij zeker weet dat er nog niets meer is gebeurd met zijn boek dan het ondertekenen van het contract met de uitgever; Dat de bestreden beslissing dus ten onrechte beweert dat het zeker zou zijn fat de uitgever nog niet de kans zou hebben gehad om wat dan ook te doen met het boek van de eiser, want de eiser weet gewoon niet of er nog iets is gebeurd na het ondertekenen van zijn contract; Dat de eiser dit heeft verklaard op pagina 10 van het verhoorverslag van het Commissariaat-generaal: “We hebben het contract de zaterdag getekend. De zondag hoorde ik dat de uitgever werd aangehouden. Normaal gezien moet de uitgever contact hebben genomen maar ik weet niet met wie.”; Dat de eiser dus uitdrukkelijk heeft verklaard dat het niet uitgesloten is dat er nog andere dingen zijn gebeurd sinds de ondertekening van het contract; Dat de bestreden beslissing daarom een kennelijke motiveringsfout begaat om deze reden; Dat zelfs indien de uitgever nog geen verdere stappen had ondernomen in verband met het boek van de eiser, dit nog niet relevant zou zijn om te besluiten dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de twee huiszoekingen en de aanhouding van de uitgever enig verband met elkaar houden; dat er aan de eiser niet kan verweten worden dat hij niet weet hoe de overheden ervan op de hoogte waren, omdat er misschien contacten zijn gelegd door de uitgever waar hij niets van af weet, maar het blijft een feit dat de twee huiszoekingen op dezelfde dag plaatsvonden, dat de uitgever werd gearresteerd en dat er nota’s van de eiser in beslag werden genomen, wat voor de ieder redelijkerwijze voldoende aanwijzingen zijn van een verband tussen al die gebeurtenissen; Dat het redelijkerwijze niet kan worden uitgesloten op basis van concrete en objectieve elementen dat die gebeurtenissen niets met elkaar te maken hebben, zodat er niet kan worden gesteld dat dit deel van de motivering de conclusie rechtvaardigt als zou de asielaanvraag van de eiser bedrieglijk zijn of kennelijk ongegrond; dat de bestreden beslissing daarom een kennelijk gebrek aan motivering en een inadequate motivering bevat in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991 en het artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève van 28 juli 1951; 5. Wat betreft de maandelijkse meldingen bij de Bassidj naar aanleiding van problemen aan de universiteit vroeger. Overwegende dat de bestreden beslissing stelt dat wat betreft de maandelijkse meldingsplicht van de eiser bij de Bassidj omwille van de problemen op de universiteit vroeger, er dient te worden opgemerkt dat deze onvoldoende zwaarwichtig zijn om te worden beschouwd als een gegronde vrees voor vervolging en dat de eiser na het beëindigen van zijn studies in 1998 en de huiszoekingen geen andere problemen kende met de Iraanse overheden dan de maandelijkse melding; Dat er moet worden opgemerkt dat dit deel van de motivering van de bestreden beslissing niet dienstig is om de conclusie van kennelijke ongegrondheid of bedrieglijkheid te motiveren, nu de eiser nooit heeft beweerd dat de problemen aan de universiteit en de maandelijkse meldingsplicht aan de Bassidj de redenen waren van zijn vertrek en vlucht uit Iran; XIV-16.380-8/12 Dat de eiser duidelijk heeft uitgelegd dat hij vervolgingen vreest van de Ettelaat (de veiligheidsdiensten van Iran) omwille van het kritische boek dat hij wilde uitgeven; Dat om die redenen de bestreden beslissing een manifest inadequate motivering vertoont, in strijd met de artikelen 48, 52 en 62 van de wet van 15 december 1980 en de artikelen 1 tot 3 van de wet van 29 juli 1991;”; 2.2. Overwegende dat dient opgemerkt dat artikel 48 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) zich beperkt tot het poneren van een algemeen recht om als vluchteling te worden erkend indien men voldoet aan de voorwaarden; dat personen die zich beroepen op de Vluchtelingenconventie niet automatisch asiel kunnen verkrijgen; dat hiervoor een bepaalde procedure dient te worden gevolgd, die, onder meer, een ontvankelijkheidsfase inhoudt; dat de ontvankelijkheid van een asielaanvraag beoordeeld wordt aan de hand van de criteria vernoemd in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat, met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet verzoekers asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard; dat de schending van artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig wordt ingeroepen; dat artikel 52, §1, 2/,
- a)en 7/ juncto artikel 52, §2, 2/, van de Vreemdelingenwet de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen toelaat een asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en de verblijfsweigering te bevestigen wanneer zij klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan het asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk is en/of wanneer de aanvraag kennelijk ongegrond is omdat de vreemdeling geen gegevens aanbrengt dat er, wat hem betreft, ernstige aanwijzingen bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie; dat, om een exact beeld van de situatie te krijgen waarin de vreemdeling zich bevindt ten tijde van het onderzoek van het dringend beroep, de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de mogelijkheid heeft om alle objectieve gegevens na te gaan die hij noodzakelijk acht om zijn beslissing te nemen; dat in een eerste onderdeel van het enig middel verzoeker kritiek uit op de vaststelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoekers verklaringen met betrekking tot het al dan niet vereist zijn van toestemming om een boek uit te geven in Iran strijdig zijn met de informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat verzoeker meer bepaald aanvoert dat hij “niet op ondubbelzinnige wijze” heeft verklaard dat er helemaal geen toestemmingen nodig zijn voor de uitgave van een boek, nu hij enkel heeft willen preciseren dat hijzelf geen toestemmingen moest vragen maar dat indien dit nodig was het moest geregeld worden door de uitgever”; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker antwoordde op de vraag “Wie moet toestemming geven om boek te kunnen uitgeven?”: “Het is vrij. Iedereen mag er 1 uitgeven, maar indien er een probleem is, zijn schrijver en uitgever verantwoordelijk. Vroeger moest je voor de uitgifte de toestemming hebben, maar nu is het vrij”; dat verzoeker aldus ondubbelzinnig heeft verklaard dat er geen toestemming nodig is om een boek uit te geven; dat hij er niet heeft bijgevoegd dat een publicatie slechts vrij is om reden dat hijzelf, als schrijver, geen toestemming moet vragen, doch dat de uitgever dit dient te doen; dat deze XIV-16.380-9/12 “precisering” aldus voor het eerst in onderhavig verzoekschrift wordt aangevoerd; dat in een tweede onderdeel van het enig middel verzoeker de vaststelling bekritiseert dat de uitgeverij welke verzoekers boek zou uitgeven helemaal niet gekend blijkt volgens de informatie waarover het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beschikt; dat uit het administratief dossier blijkt dat niets aangaande deze uitgeverij werd gevonden op het internet (google, factiva) en dat een andere, doorgaans zeer goed geïnformeerde bron, in casu een Iraans journalist en senior-researcher van het ‘Centre for Arab & Iranian Studies” in Londen, nooit van deze persoon (de uitgever, Soleiman Azeri) noch van deze uitgeverij had gehoord; dat terzake de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen overweegt dat “alhoewel dit natuurlijk niet het bestaan van de uitgeverij kan uitsluiten, het toch enigszins merkwaardig (
- is)dat de uitgeverij niet werd teruggevonden”; dat bij het onderzoek naar de eerbiediging van de motiveringsplicht rekening moet worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met de diverse onderdelen van de motivering op zich; dat één onderdeel op zich een beslissing misschien niet kan dragen, maar in samenlezing met andere onderdelen voldoende kan draagkrachtig zijn; dat het niet aan de Raad van State toekomt een onderzoek uit te voeren naar het al dan niet bestaan van de desbetreffende uitgeverij; dat in een derde onderdeel van het enig middel verzoeker de vaststellingen bekritiseert dat het eveneens merkwaardig is dat hij als beginnend schrijver reeds zijn voorzorgen had genomen om in geval van problemen vlot het land te kunnen verlaten, dat het eerste werk was dat mogelijks zou worden gepubliceerd en verzoeker geen enkele garantie had over het aantal exemplaren dat zou gedrukt worden en dus of zijn werk enige weerklank zou hebben; dat bovendien de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen overweegt dat het zeer onwaarschijnlijk is dat indien verzoeker zijn werk zó gevaarlijk inschatte, zijn uitgever die volgens verzoekers verklaringen eveneens verantwoordelijk is in geval van problemen met publicaties, zo maar akkoord ging met de uitgave en dus voor een beginnend schrijver een dergelijk risico wou lopen; dat verzoeker beweert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen overgaat tot een beoordeling ten gronde, doch dit niet toelicht, laat staan dat hij zulks aantoont; dat dient vastgesteld dat verzoeker zich beperkt tot een aantal feitelijke beweringen en veronderstellingen; dat bijgevolg verzoeker wil aantonen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld; dat de appreciatie van de feitelijke gegevens in de eerste plaats de taak is van de bevoegde overheid; dat het de Raad van State niet toekomt zich bij het beoordelen van die feitelijke gegevens in de plaats te stellen van de vergunnende overheid; dat, de Raad van State, belast met de wettigheidscontrole, moet nagaan of de overheid deze beoordeling op in rechte en in feite aanneembare redenen heeft gesteund en of zij daarbij de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden; dat verzoeker dit in casu niet aantoont; dat aldus verzoeker het niet aannemelijk maakt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zijn ruime appreciatiebevoegdheid op grond van artikel 52, §1, 2/,
- a)en 7/ juncto artikel 52, §2, 2/, van de Vreemdelingenwet heeft overschreden en is overgegaan tot een onderzoek ten gronde; dat ook in een vierde onderdeel van het enig middel verzoeker XIV-16.380-10/12 zich beperkt tot een aantal feitelijke beweringen en veronderstellingen met betrekking tot de vaststellingen aangaande de huiszoeking die bij hem werd uitgevoerd; dat aan de hand hiervan verzoeker wil aantonen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de feitelijke gegevens van de zaak verkeerd heeft beoordeeld; dat verzoeker er aan de hand van zijn feitelijke uiteenzetting niet in slaagt aan te tonen dat de conclusie van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat er onvoldoende aanwijzingen zijn dat de twee huiszoekingen en de aanhouding van zijn uitgever enig verband met elkaar houden kennelijk onredelijk is; dat ten slotte verzoeker in een vijfde onderdeel van het enig middel de vaststellingen bekritiseert dat zijn maandelijkse meldingsplicht naar aanleiding van problemen op de universiteit vroeger onvoldoende zwaarwichtig zijn om te worden beschouwd als een gegronde vrees voor vervolging; dat verzoeker in de periode na het beëindigen van zijn studies in 1377
(1998)en de huiszoekingen geen andere problemen met de Iraanse autoriteiten kende dan de maandelijkse melding; dat meer bepaald verzoeker de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verwijt dat hij vervolging vreest van het Ettelaat omwille van het boek dat hij wilde uitgeven en dat hij “nooit heeft beweerd dat de problemen aan de universiteit en de maandelijkse meldingsplicht aan de Bassidj de redenen waren van zijn vertrek en vlucht uit Iran”; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoeker de meldingsplicht aan de Bassidj op de Dienst Vreemdelingenzaken als één van zijn asielmotieven heeft vermeld; dat dienaangaande verzoeker meer gedetailleerd op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verklaarde: “Er was geen enkel ander incident, maar ik onderging de grootste martelingen gezien ik verplicht was me 1x per maand aan te bieden bij de Bassidj. Door verschillende uren te blijven, vragen te beantwoorden. Zeker, geen fysieke marteling maar morele marteling me mijn hele leven te melden” en verder op de vraag of er nog andere indicaties zijn dat hij vervolgd wordt sinds hij Iran verliet: “Ik werd gevraagd me aan te bieden de eerste van de maand. Vanaf het moment dat ik me niet meer aanbood de eerste van de maand. Automatisch werd ik gezocht door de Bassidj”; dat uit het voorgaande blijkt dat verzoeker zijn maandelijkse meldingsplicht voor de Bassidj wel degelijk als één van zijn asielmotieven opgaf; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze bijkomstige vrees voor vervolging heeft onderzocht en besproken in de motivering van de bestreden beslissing; dat op verzoekers vrees voor vervolging naar aanleiding van de geplande publicatie van zijn boek, reeds genoegzaam werd geantwoord zoals blijkt uit bovenstaande bespreking van de eerste vier onderdelen van het enig middel; dat blijkt dat verzoeker er niet in slaagt aan te tonen dat de bestreden beslissing werd genomen op kennelijk onredelijke wijze, dan wel op grond van onjuiste feitelijke gegevens; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 3. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als XIV-16.380-11/12 accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-16.380-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.379 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div