id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.387 Rolnummer: A. 179938/XIV-27936 Zaak: Arrest 166387 - Dienst Vreemdelingenzaken - 05/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-09 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 12:57 Fiche Arrest nr 166.387 van 5 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.387 van 5 januari 2007 in de zaak A. 179.938/XIV-27.
- In zake : XXX, verblijvende te M. tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de Minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------ DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren in 1980 en van Turkse nationaliteit, op 3 januari 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 december 2006 om het grondgebied te verlaten, met terugleiding naar de grens en beslissing tot vrijheidsberoving te dien einde, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 6 december 2006; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op vrijdag 5 januari 2007 om 11.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. DE SMET, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat N. LUCAS, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. STERCK; XIV-27.936-1/4 Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, wat de eerste voorwaarde betreft, dat artikel 8, §1, eerste lid van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen het volgende bepaalt: “Als de uiterst dringende noodzakelijkheid wordt aangevoerd, bevat de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen”; Overwegende dat de verzoekende partij als verantwoording voor de uiterst dringende noodzakelijkheid het volgende aanvoert: “A. Het bestaan van de uiterst dringende noodzakelijkheid: Verzoeker wordt gerepatrieerd op 04 januari a.s. d.w.z. nog vooraleer de nuttige termijn van één maand is verstreken om, vooreerst, een procedure ten gronde in te leiden met het oog op de vernietiging van het bevel tot het verlaten van het grondgebied en, tweede, samen en tegelijkertijd met een verzoekschrift tot schorsing van voormeld bevel; Dat aldus verzoeker de mogelijkheid wordt ontnomen om binnen de wettelijke termijn van 30 dagen de ‘gewone’ proceduregang, vernietiging + schorsing, te volgen: dat verzoeker zich dan ook op heden zich genoodzaakt ziet om onderhavige procedure extra in te leiden, vooraleer de twee voorgaande procedures ook daadwerkelijk (vòòr 07 janbuari 2007) worden ingeleid; Dat de voorwaarde van uiterst dringende noodzakelijkheid in casu voorhanden is;”; Overwegende dat de verwerende partij in de nota hierop als volgt repliceert: “III. UITERST DRINGENDE NOODZAKELIJKHEID Overeenkomstig artikel 8 & 1 van het Koninklijk Besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, bevat de vordering tot schorsing wegens uiterst dringende noodzakelijkheid een uiteenzetting van de feiten die de uiterst dringende noodzakelijkheid rechtvaardigen. In het arrest nummer 99.415 van 3 oktober 2001 ( onuitgegeven, zaak A.110.717/XIV-6719) herinnerde de Raad van State nogmaals aan de voorwaarden die dienen verenigd te zijn om het inleiden van een vordering tot schorsing met uiterst dringende noodzakelijkheid te verantwoorden: ‘Overwegende dat gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet, en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum zijn herleid, de verantwoording XIV-27.936-2/4 door de verzoekende partij van de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing evident, dit wil zeggen klaarblijkelijk, dit is, op het eerste gezicht onbetwistbaar moet zijn. Overwegende dat de verzoekende partij de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete gegevens dient aan te tonen; dat deze rechtvaardiging tweeledig is; dat, anderzijds, dient: te worden aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en, anderzijds, dat zij niet onredelijk lang met indienen van haar verzoekschrift heeft gewacht.’ ”; Overwegende dat gelet op het zeer uitzonderlijk en zeer ongewoon karakter van de uiterst dringende procedure tot schorsing van de tenuitvoerlegging van een administratieve rechtshandeling waarin de wet voorziet, en op de stoornis die zij in het normaal verloop van de rechtspleging voor de Raad van State teweegbrengt, waarbij onder meer de rechten van verdediging van de verwerende partij tot een strikt minimum zijn teruggebracht, moet de uiterst dringende noodzakelijkheid van de schorsing duidelijk worden aangetoond, dit wil zeggen dat ze klaarblijkelijk, en op het eerste gezicht onbetwistbaar, moet zijn; dat om te voldoen aan die voorwaarde, feiten en gegevens moeten worden aangebracht die direct aannemelijk maken dat de gevraagde schorsing, wil zij enig nuttig effect sorteren, onmiddellijk bevolen moet worden; dat de verzoekende partij dienvolgens de uiterst dringende noodzakelijkheid met concrete gegevens dient aan te tonen; dat deze rechtvaardiging tweeledig is; dat, enerzijds, dient te worden aangetoond dat de schorsing van de tenuitvoerlegging volgens de gewone schorsingsprocedure te laat zal komen en, anderzijds, dat zij niet onredelijk lang met het indienen van haar verzoekschrift heeft gewacht; Overwegende dat de procedure bij hoogdringendheid slechts kan worden aangewend in de enkele gevallen dat het spoedeisend karakter van de zaak, ofwel voor iedereen duidelijk is, ofwel, door de verzoekende partij duidelijk wordt aangetoond aan de hand van precieze en concrete feiten die in de vordering tot schorsing dienen te worden uiteengezet; dat op de vraag om de bedoelde procedure toe te passen evenwel niet kan worden ingegaan indien blijkt dat de zaak spoedeisend is geworden door het eigen doen of laten van de verzoekende partij; dat bijgevolg de uiterst dringende noodzakelijkheid op het eerste gezicht onbetwistbaar moet zijn, zodat de verzoekende partij die meent een beroep te moeten doen op betreffende procedure alleszins moet aantonen bij het instellen van de vordering met de vereiste spoed, diligentie en alertheid te zijn opgetreden; Overwegende dat uit het administratief dossier blijkt dat de bestreden beslissing op 6 december 2006 aan de verzoekende partij werd betekend; dat het verzoekschrift tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid op 3 januari 2007 per fax werd ingediend; dat de verzoekende partij bijna een maand heeft gewacht vooraleer zij voorliggende procedure heeft opgestart; dat de verzoekende partij niet kan worden geacht diligent en alert te hebben gereageerd; dat dienvolgens dient te worden besloten dat mocht de zaak heden een spoedeisend karakter hebben verkregen, dit aan het stilzitten van de verzoekende partij is te wijten; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij wege van uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen; XIV-27.936-3/4 Overwegende dat niet is voldaan aan de eerste van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden; dat deze vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. A. DE SMET, griffier. De griffier, De voorzitter, A. DE SMET. Ch. BAMPS. XIV-27.936-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.387 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.