id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.405 Rolnummer: A. 133138/X-11302 Zaak: Arrest 166405 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-15 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 12:58 Fiche Arrest nr 166.405 van 8 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.405 van 8 januari 2007 in de zaak A. 133.138/X-11.302. In zake : 1. Johan RICHARD, 2. Krista MONARD, 3. David ENGELBOS, 4. Myriam JAMMAERS, die woonplaats kiezen bij Advocaat E. DELVAUX, kantoor houdende te 3800 SINT-TRUIDEN, Stationsstraat 10a tegen : de Deputatie van de provincieraad van LIMBURG. tussenkomende partij : Luc TALLON, die woonplaats kiest bij Advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Johan RICHARD, Krista MONARD, David ENGELBOS en Myriam JAMMAERS op 17 februari 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg van 18 december 2002 waarbij het beroep van Luc TALLON gedeeltelijk wordt ingewilligd en hem de vergunning wordt verleend voor het verkavelen van een perceel gelegen aan de Grevensmolenweg te Sint- Truiden, kadastraal gekend onder 1ste afdeling, sectie G, nr. 203m/deel; Gelet op het arrest nr. 128.637 van 1 maart 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 1 april 2004 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 30 april 2004 ingediend door L. TALLON; X-11.302-1/14 Gelet op de beschikking van 28 mei 2004 die de tussenkomst van L. TALLON toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op de beschikking van 9 mei 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 november 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. DELVAUX die verschijnt voor de verzoekende partijen, van bestuurssecretaris S. MOENS die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat W. MERTENS die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van Auditeur S. DE TAEYE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Overwegende dat de tussenkomende partij en haar zuster eigenaars zijn van een groot stuk grond, gelegen aan de Grevensmolenweg te Sint-Truiden, kadastraal gekend onder Sint-Truiden, 1ste afdeling, sectie G, nr. 203 m; dat het grenst aan de genoemde straat, met uitzondering van een deel dat ligt achter vier bebouwde percelen aan de kant van de straat, die de linkerhoek vooraan van het hele terrein vormen en waarvoor in 1995 een verkavelingsvergunning is verleend; dat de eerste en de tweede verzoeker op het meest rechtse van die percelen wonen; dat de X-11.302-2/14 derde en de vierde verzoeker eigenaar zijn van een perceel aan de overkant van de straat; Overwegende dat het stuk grond van de tussenkomende partij volgens het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 april 1977, vooraan (aan de kant van de straat) gelegen is in een woongebied en achteraan in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied; dat het bovendien doorsneden wordt door een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied; dat er tussen de partijen betwisting bestaat over de precieze ligging van het laatstgenoemde gebied; Overwegende dat de tussenkomende partij in 2001 een eerste aanvraag heeft ingediend voor het verkrijgen van een verkavelingsvergunning voor een gedeelte van het terrein, met name met het oog op het vormen van vier percelen bouwgrond (loten 1 tot 4) aan de straatkant, rechts naast de hiervóór genoemde, reeds bebouwde percelen (waarbij lot 1 grenst aan het perceel van de eerste en de tweede verzoeker, en de loten 1 en 2 gelegen zijn vlak tegenover het perceel van de derde en de vierde verzoeker); dat de afdeling Wegen en Verkeer op 18 september 2001 een ongunstig advies heeft gegeven, op grond dat het betrokken perceel gelegen was "binnen de reservatiezone van de geplande omlegging N 716 - verlenging N 718"; dat de gemachtigde ambtenaar mede in het licht van dat advies op 7 januari 2002 eveneens een ongunstig advies heeft gegeven; dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Sint-Truiden dienvolgens bij besluit van 25 januari 2002 de gevraagde vergunning heeft geweigerd; dat er nadien, op 27 februari 2002, een onderhoud is geweest tussen de notaris van de tussenkomende partij en de afdeling Wegen en Verkeer, wat geresulteerd heeft in een verificatie van de ligging van de reservatiezone, waarop de afdeling Wegen en Verkeer op 5 maart 2002 aan de notaris heeft laten weten dat de vier percelen waarop de aanvraag betrekking had bij nader inzien buiten de reservatiezone vielen; dat de tussenkomende partij de eerder ingediende aanvraag daarop ongewijzigd opnieuw heeft ingediend; dat die nieuwe aanvraag is ontvangen op 12 maart 2002; dat tijdens het openbaar onderzoek door de verzoekers een bezwaarschrift is ingediend; dat de afdeling Wegen en Verkeer op 2 april 2002 een gunstig advies heeft gegeven, geredigeerd als volgt: "Er wordt een GUNSTIG advies verleend voor het verkavelen tot 4 loten, d.w.z. lot 1 tot 4. Voor lot 4 wordt een bouwdiepte van 14 m i.p.v. 17 m opgelegd"; dat de gemachtigde ambtenaar op 26 juli 2002 een ongunstig advies heeft gegeven, waarin hij de zienswijze van de afdeling Wegen en Verkeer in verband met de ligging van de reservatiezone uitdrukkelijk niet bijviel, en hij integendeel aannam dat het te X-11.302-3/14 verkavelen deel van het terrein "gedeeltelijk gelegen is binnen een reservatiezone voor wegenis"; dat het college van burgemeester en schepenen op 23 augustus 2002 een besluit heeft genomen waarbij de gevraagde vergunning werd geweigerd; dat de tussenkomende partij ondertussen, op 21 augustus 2002, beroep had ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg, wegens het ontbreken van een beslissing binnen de termijn; dat een door de provincie aangestelde landmeter - expert onroerende goederen, na een onderzoek ter plaatse, in een nota van 25 november 2002 tot de bevinding is gekomen dat de loten 1 en 2, d.w.z. de meest naar links gelegen loten, volledig te situeren zijn binnen het woongebied, terwijl de loten 3 en 4, d.w.z. de meer naar rechts gelegen loten, gedeeltelijk begrepen zijn in de zone voor reservatie en erfdienstbaarheden; dat de bestendige deputatie op 10 december 2002 een hoorzitting gehouden heeft; dat zij bij besluit van 18 december 2002 het beroep van de tussenkomende partij inwilligt voor wat betreft de loten 1 en 2, en niet inwilligt voor wat betreft de loten 3 en 4; dat dit laatste besluit het voorwerp vormt van het voorliggende beroep; Overwegende dat de Raad van State de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dat besluit bij arrest nr. 128.637 van 1 maart 2004 heeft verworpen, op grond dat de verzoekers niet deden blijken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; 2. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, afgeleid uit de schending van het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 april 1977, het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, in het bijzonder de artikelen 14, 4.5, en 18, 7.3, alsmede uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de zorgvuldigheidsplicht en het redelijkheidsbeginsel; dat de verzoekers aanvoeren dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat de betrokken verkaveling volgens het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren grotendeels gelegen is in de reservatiezone voor wegenis en in de bufferzone, dat zulks blijkt uit het verkavelingsontwerp van 30 november 1995 inzake de percelen die ondertussen reeds bebouwd zijn, de adviezen van de gemachtigde ambtenaar van 7 januari 2002 en 27 juli 2002, het eerste advies van de afdeling Wegen en Verkeer van 18 september 2001, de motiveringen van de besluiten van het college van burgemeester en schepenen van 25 januari 2002 en 23 augustus 2002 en het opmetingsplan dat is opgesteld in opdracht van de afdeling Wegen en Verkeer, dat het enige hiermee strijdige element het X-11.302-4/14 tweede advies van de afdeling Wegen en Verkeer van 2 april 2002 is, dat aan dit advies echter om verscheidene redenen, die in het middel nader worden uiteengezet, geen enkele waarde gehecht kan worden, dat het bovendien gaat om een louter facultatief advies, dat, gelet op het voorgaande, een zorgvuldig en redelijk bestuur niet anders kon dan besluiten dat de verkaveling wel degelijk gelegen was binnen een reservatiezone voor wegenis en bufferzone, dat een woonbestemming of een verkaveling onverenigbaar is met de ligging binnen dergelijke zones, op grond van o.m. de artikelen 14, 4.5, en 18, 7.3, van het koninklijk besluit van 28 december 1972; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat het zorgvuldigheidsbeginsel o.m. impliceert dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze voorbereidt en een afdoend en volledig onderzoek voert om tot zijn beslissing te komen, dat de bestendige deputatie op een onzorgvuldige wijze tewerk gegaan is, dat zij anders immers tot het besluit had moeten komen dat het niet voor interpretatie vatbare advies van de gemachtigde ambtenaar gevolgd moest worden, dat dit advies in elk geval slechts opzij geschoven kon worden met een sterke motivering en op grond van eenduidige adviezen in een andere zin; 2.1. Overwegende dat uit de in het middel aangehaalde adviezen en beslissingen blijkt dat de afdeling Wegen en Verkeer in haar advies van 18 september 2001 stelde dat "het desbetreffend perceel", d.w.z. het perceel waarvoor de vergunning tot verkaveling in vier loten werd gevraagd, zonder meer gelegen was binnen de reservatiezone; dat de gemachtigde ambtenaar in zijn eerste advies van 7 januari 2002 weliswaar voorzichtiger was, door te stellen dat de ontworpen verkaveling "grotendeels" voorzien was binnen een bufferzone en reservatiegebied voor wegenis, maar dat zijn advies op dat ogenblik geen nadere precisering bevatte; dat het college van burgemeester en schepenen zich in zijn besluit van 25 januari 2002 bij die twee adviezen heeft aangesloten; dat de kwestie van de precieze afbakening van de bufferzone en het reservatiegebied voor wegenis pas na het gesprek tussen de notaris van de tussenkomende partij en de afdeling Wegen en Verkeer uitdrukkelijk aan de orde is gesteld; dat de afdeling Wegen en Verkeer telefonisch aan de notaris heeft laten weten, zoals door deze laatste is bevestigd in een attest van 8 maart 2002, dat zij "aan de hand van de ligging van de Grevensmolen enerzijds en de Schaliënwinning anderzijds, op basis van de stafkaart de juiste ligging van de ... reservatiezone heeft kunnen bepalen, waaruit voortgevloeid is dat de vier gevraagde doch geweigerde verkavelingsloten wel degelijk buiten de reservatiezone vallen"; dat de afdeling Wegen en Verkeer vervolgens op 2 april 2002 een gunstig advies heeft gegeven over de nieuwe verkavelingsaanvraag; dat het college van X-11.302-5/14 burgemeester en schepenen in zijn advies van 10 mei 2002 over het ingediende bezwaar opmerkte dat uit "de door (het college) gekende plannen (gewestplan) (bleek dat) de verkaveling doorsneden wordt door een reservatiestrook", maar dat niet nader gepreciseerd wordt hoe het college tot die conclusie is gekomen; dat de gemachtigde ambtenaar in zijn advies van 26 juli 2002 bij zijn eerdere standpunt is gebleven, op grond dat "uit onderzoek van het stadsbestuur en uit (zijn) eigen onderzoek van het gewestplan ... duidelijk gebleken (
- is)dat het te verkavelen perceel gedeeltelijk gelegen is binnen een reservatiezone voor wegenis"; dat het college van burgemeester en schepenen in zijn besluit van 23 augustus 2002 de bewoordingen van zijn advies van 10 mei 2002 heeft overgenomen; Overwegende dat een door de verweerster aangestelde deskundige in een nota van 25 november 2002 op grond van het gewestplan, het kadasterplan en het verkavelingsplan o.m. de volgende vaststellingen heeft gedaan: "1. Planologische situatie Overeenkomstig het goedgekeurd gewestplan Sint-Truiden - Tongeren is de verkaveling te situeren binnen woongebied. Een gedeelte van de verkaveling is bovendien gelegen binnen een zone die bijkomend werd afgebakend voor reservatie. (...) 2. Stedenbouwkundige beoordeling Bij nazicht van de bijgebrachte plannen en bescheiden, alsmede uit het onderzoek dat ter plaatse werd ingesteld, blijkt het volgende. De loten 1 en 2 van het verkavelingsontwerp zijn volledig te situeren binnen een woongebied. Voor deze loten gelden geen beperkingen. Het ingediende bezwaarschrift levert geen elementen op tegen deze loten, zodat de verkavelingsvergunning voor deze loten kan verleend worden, zonder enige restrictie. Anders ligt het voor de loten 3 en 4 (...). Deze loten zijn gedeeltelijk begrepen binnen de genoemde zone voor reservatie en erfdienstbaarheden. Het is wenselijk dat deze begrenzing wordt opgenomen in een eventueel nieuw verkavelingsontwerp en een afzonderlijk lot wordt voorzien dat het gebied voor reservatie en erfdienstbaarheden bevat, zodat dit lot uit een verkavelingsvergunning kan worden gesloten"; dat de bestendige deputatie in het bestreden besluit uitdrukkelijk uitgaat van de aangehaalde vaststellingen en daarop haar besluit steunt; Overwegende dat uit dit relaas blijkt dat de bestendige deputatie, in het licht van de tegenstrijdige standpunten omtrent de afbakening van het gebied voor reservatie en erfdienstbaarheid, die afbakening zelf onderzocht heeft, op basis van een nota opgesteld door een deskundige, welke tot stand gekomen is na een onderzoek van alle relevante plannen en na een bezoek ter plaatse; dat het bij de nota gevoegde uittreksel uit het gewestplan, waarop de kadastrale gegevens zijn X-11.302-6/14 aangebracht en waarop ook het te verkavelen perceel is aangeduid, steun biedt aan de opvatting dat de percelen 1 en 2 geheel buiten de zone voor reservatie en erfdienstbaarheid liggen, en dat de loten 3 en 4 gedeeltelijk binnen die zone liggen; dat aan de verweerster niet verweten kan worden dat zij onzorgvuldig heeft gehandeld door een eigen onderzoek uit te voeren en daaruit een bepaalde conclusie te trekken; dat het middel in dit opzicht niet kan worden aangenomen; Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat de verweerster onzorgvuldig heeft gehandeld door de gemachtigde ambtenaar niet uit te nodigen op de hoorzitting, in strijd overigens met artikel 53, § 1, tweede lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996; dat, afgezien van de vraag of deze grief voor het eerst in de memorie van wederantwoord kon worden aangevoerd, uit het dossier blijkt dat een uitnodiging voor de hoorzitting is gericht aan de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Landschappen, bestuur Ruimtelijke Ordening (Limburg); dat de grief feitelijke grondslag mist; Overwegende dat de verzoekers in hun verzoekschrift geen concrete gegevens aanvoeren ter betwisting van de vaststellingen van de door de verweerster aangestelde deskundige; dat zij in hun memorie van wederantwoord wel aanvoeren dat de deskundige geen rekening gehouden heeft met een bouwvrije strook van 30 meter die wordt opgelegd bij de artikelen 1 en 2 van het koninklijk besluit van 4 juni 1958 betreffende de vrije stroken langs de autosnelwegen; dat deze grief, die reeds in het verzoekschrift had kunnen worden aangevoerd, niet op ontvankelijke wijze aan de Raad van State wordt voorgelegd; dat het middel, in zoverre het de schending aanvoert van de voorschriften van het gewestplan, uitgaat van gegevens die geen steun vinden in het dossier en in dit opzicht dus feitelijke grondslag mist; 2.2. Overwegende dat de verzoekers in hun memorie van wederantwoord aanvoeren dat op het door de tussenkomende partij ingediende verkavelingsontwerp niet is aangegeven dat er een reservatiezone is, en dat het verkavelingsdossier aldus niet voldoet aan de vereisten van artikel 1 van het ministerieel besluit van 6 februari 1971 tot vaststelling van de voorwaarden waaraan een dossier betreffende een verkavelingsaanvraag moet voldoen om als volledig te worden beschouwd; dat die grief vreemd is aan de in het middel uiteengezette grief, en dus als een nieuw middel moet worden beschouwd; dat dit nieuwe middel echter X-11.302-7/14 reeds in het verzoekschrift kon worden aangevoerd; dat het bijgevolg onontvankelijk is; 3. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 53, § 3, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, en van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsmede uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringsverplichting; dat zij uiteenzetten dat het bestreden besluit op grond van artikel 53, § 3, van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 en de wet van 29 juli 1991 formeel gemotiveerd dient te zijn; dat zij in de eerste plaats aanvoeren dat het bestreden besluit niet verduidelijkt waarom het afwijkt van een reeks ongunstige adviezen en elementen en waarom het wel gevolg geeft aan het tweede advies van de afdeling Wegen en Verkeer; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat het bestreden besluit geen antwoord geeft op de juridische argumentatie vervat in het bezwaarschrift van de verzoekers, gesteund op het beginsel "non bis in idem", het verstrijken van de termijn om beroep in te stellen, het miskennen van de rechtspraak van de Raad van State en de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, welke argumentatie door het college van burgemeester en schepenen is bijgevallen; Overwegende, wat betreft de afwijking van de ongunstige adviezen en de weigeringsbeslissingen van het college van burgemeester en schepenen, uit de bespreking van het eerste middel blijkt dat de bestendige deputatie haar beslissing niet steunt op een keuze voor het tweede advies van de afdeling Wegen en Verkeer en op een afwijzing van de daarmee strijdige adviezen en beslissingen; dat de bestendige deputatie integendeel op grond van een eigen onderzoek tot de conclusie is gekomen dat de loten 1 en 2 uitsluitend in het woongebied liggen en dat daarvoor een vergunning kan worden verleend; dat de bestreden beslissing aldus een antwoord bevat op de adviezen en beslissingen, in zoverre die op een ander uitgangspunt steunen; dat het middel in dit opzicht feitelijke grondslag mist; Overwegende, wat betreft het gebrek aan antwoord op de door de verzoekers ingediende bezwaren, dat het middel verwijst naar de juridische argumentatie van de verzoekers in verband met de macht van het bestuur om over een tweede verkavelingsaanvraag uitspraak te doen, nadat een identieke eerste aanvraag is afgewezen; dat uit het feit zelf dat het bestreden besluit de aanvraag gedeeltelijk inwilligt, blijkt dat de bestendige deputatie de bedoelde argumentatie niet X-11.302-8/14 bijvalt; dat de bestendige deputatie, die niet verplicht was om alle bezwaren uitdrukkelijk te beantwoorden, er te dezen niet toe gehouden was om nader te motiveren waarom er geen reden was om af te wijken van de regel dat de bestendige deputatie, in het kader van een bij haar ingesteld beroep, de aanvraag ten gronde kan en moet beoordelen; dat het middel in dit opzicht niet kan worden aangenomen; 4. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 53, § 1, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, de principes vastgelegd in het arrest nr. 85.915 van de Raad van State (van 14 maart 2000), en het gezag van gewijsde, alsmede uit de schending van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, met name de motiveringsverplichting, het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel, en het beginsel "non bis in idem"; dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat de erfgenamen Tallon reeds in augustus 2001 een volledig identieke verkavelingsaanvraag hebben ingediend, die door het college van burgemeester en schepenen op 25 januari 2002 voor alle loten is geweigerd, dat tegen deze weigering geen beroep is ingesteld bij de bestendige deputatie, zodat de bedoelde beslissing in feite definitief was en "gezag van gewijsde" had verkregen, dat het opnieuw indienen van een identieke aanvraag manifest in strijd is met het algemeen rechtsbeginsel "non bis in idem", dat dit beginsel inhoudt dat men een identiek dossier geen tweemaal kan indienen bij dezelfde overheid, dat dit beginsel in verband met bouwvergunningen van toepassing is, en het overigens de logica zelve is; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de bestreden beslissing artikel 53, § 1, van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996 schendt, dat volgens die bepaling de aanvrager "binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van het schepencollege" in beroep kan gaan bij de bestendige deputatie, dat die termijn te dezen beoordeeld moet worden ten opzichte van de eerste beslissing van het college van burgemeester en schepenen van 25 januari 2002, dat het beroep ingesteld op 23 augustus 2002 buiten de termijn is ingesteld, dat, zelfs als men de hernieuwde aanvraag bij het college van burgemeester en schepenen, ingediend op 11 maart 2002, als een "beroep" zou beschouwen, ook dit beroep buiten de termijn is ingesteld, dat er anders over oordelen met zich zou brengen dat elke burger de procedure en de termijnen bepaald in het decreet kan omzeilen door, in plaats van beroep aan te tekenen binnen de normale termijn, dezelfde aanvraag eenvoudig een tweede maal in te dienen en voor zichzelf een bijkomende aanleg te creëren, dat daarmee het "gezag van gewijsde" van de eerste beslissing wordt miskend, dat het een algemeen principe is dat men de rechtsmiddelen die de wet ter beschikking stelt X-11.302-9/14 eerst moet uitputten, en dat men in geval van verzuim hiervan de gevolgen moet dragen; dat de verzoekers ook nog aanvoeren dat de Raad van State in een vergelijkbare zaak, waarin werken waren vergund die verregaand overeenstemden met wat eerder was geweigerd, zonder dat er voor die ommezwaai een draagkrachtige motivering werd gegeven, de vergunning onwettig heeft verklaard (arrest van 14 mei 2000, Nijs, nr. 85.915), dat de omstandigheden in de voorliggende zaak sinds de weigeringsbeslissing niet gewijzigd zijn, dat een nieuw feit niet gevonden kan worden in de gewijzigde zienswijze van de afdeling Wegen en Verkeer ten aanzien van de ligging van de reservatiezone, dat enkel een wijziging van het gewestplan een nieuw feit kon uitmaken; dat de verzoekers aanvoeren dat het motiveringsbeginsel wordt geschonden, doordat het bestreden besluit de verkavelingsvergunning gedeeltelijk verleent, terwijl er een volledig tegengestelde beslissing van 25 januari 2002 is, waartegen geen enkel rechtsmiddel meer openstaat; dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat het rechtszekerheids- en het vertrouwensbeginsel zijn geschonden, dat zij rechtmatig konden verwachten, en er zelfs zeker van konden zijn, dat geen verkavelingsvergunning zou worden afgegeven, gelet op de definitieve beslissing (van 25 januari 2002) waartegen de aanvrager geen rechtsmiddel heeft aangewend, dat de bestendige deputatie door haar beslissing de ontstane rechtszekerheid en het gewekte vertrouwen tenietgedaan heeft; 4.1. Overwegende dat een arrest van de Raad van State geen rechtsregel inhoudt waarvan de schending tot de vernietiging van een bestreden handeling aanleiding kan geven; dat het middel, in zoverre het de schending inroept van de principes vastgelegd in het arrest nr. 85.915 van de Raad van State van 14 maart 2000, niet ontvankelijk is; 4.2. Overwegende dat artikel 53, § 1, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, bepaalt dat de aanvrager van een vergunning binnen dertig dagen na de ontvangst van de beslissing van het schepencollege in beroep kan gaan bij de bestendige deputatie; dat de bedoelde termijn betrekking heeft op het aanwenden van een rechtsmiddel tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen, in het kader van de administratieve procedure die met het indienen van de betrokken aanvraag is ingezet; dat die decreetsbepaling geen betrekking heeft op het indienen van een nieuwe aanvraag bij het college van burgemeester en schepenen, ook al zou die aanvraag een identiek voorwerp hebben als de eerste aanvraag; dat het middel, in zoverre het de schending inroept van artikel 53, § 1, van het gecoördineerde decreet van 22 oktober 1996, faalt naar recht; X-11.302-10/14 4.3. Overwegende dat het middel voor het overige steunt op de opvatting dat, als een aanvraag tot het verkrijgen van een verkavelingsvergunning is afgewezen bij een beslissing waartegen geen rechtsmiddel meer openstaat, geen tweede aanvraag met hetzelfde voorwerp kan worden ingediend, of minstens dat een dergelijke aanvraag niet kan worden ingediend zolang de omstandigheden niet gewijzigd zijn; Overwegende dat beslissingen van administratieve overheden niet met enig gezag van gewijsde zijn bekleed; dat er geen rechtsregel is, en met name niet het door de verzoekers ingeroepen beginsel "non bis in idem", die een administratieve overheid belet om een tweede vergunningsaanvraag, met een identiek voorwerp als een eerder afgewezen aanvraag, te ontvangen en te beoordelen; dat het betrokken bestuur in dat geval wel rekening dient te houden met het feit zelf van de eerder genomen beslissing, en dat het, in geval van afwijking van een dergelijke beslissing, daarvoor een afdoende motivering dient te geven; Overwegende dat de bestendige deputatie te dezen niet gebonden was door de zienswijze van het college van burgemeester en schepenen, zoals die tot uiting was gebracht in diens besluit van 25 januari 2002, ook al was tegen dat besluit geen beroep ingesteld; dat de bestendige deputatie zelf bij het bestreden besluit voor het eerst over de gevraagde verkaveling uitspraak gedaan heeft, en dat zij dan ook geen door haarzelf gewekte verwachtingen heeft kunnen miskennen; dat zij in het bestreden besluit de redenen opgeeft op grond waarvan zij beslist tot de gedeeltelijke inwilliging van de aanvraag, en dat uit die redengeving duidelijk blijkt waarom zij de zienswijze van het college van burgemeester en schepenen niet volgt; Overwegende dat het middel, in zoverre het de schending inroept van het gezag van gewijsde en van een aantal algemene rechtsbeginselen, niet kan worden aangenomen; X-11.302-11/14 5. Overwegende dat de verzoekers een vierde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, in het bijzonder de schending van de hoorplicht ("audi et alteram partem"), en uit de schending van het principe van de onpartijdigheid; dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat zij in hun bezwaarschrift gevraagd hebben om gehoord te worden, indien de verwerping van hun bezwaren overwogen werd, dat op hun vraag niet is ingegaan, dat de bestendige deputatie integendeel op 10 december 2002 een hoorzitting heeft gehouden, waarop de raadsman van de aanvrager werd uitgenodigd, maar niet de verzoekers, dat de verzoekers overeenkomstig de beginselen van behoorlijk bestuur het recht hadden om gehoord te worden, en dat dit recht volkomen genegeerd is, dat ook de afdeling Wegen en Verkeer zich allesbehalve correct heeft gedragen, door een gesprek te hebben met de notaris van de tussenkomende partij, zonder de verzoekers hierop uit te nodigen; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de afdeling Wegen en Verkeer blijk gegeven heeft van minstens een schijn van partijdigheid, dat het principe van de onpartijdigheid ook geldt ten aanzien van de organen van het actief bestuur; Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending van de hoorplicht door de bestendige deputatie, dat artikel 53, § 1, tweede lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, op het ogenblik dat het bestreden besluit is genomen bepaalde dat de aanvrager of zijn raadsman, het college van burgemeester en schepenen of zijn gemachtigde, en de gemachtigde ambtenaar op hun verzoek door de bestendige deputatie worden gehoord; dat geen bepaling voorschrijft dat ook de bezwaarindieners door de bestendige deputatie worden gehoord, ook niet wanneer de hiervóór genoemde partijen vragen om te worden gehoord; dat aan de bestendige deputatie niet kan worden verweten dat zij de hoorplicht heeft miskend door de verzoekers niet uit te nodigen op de hoorzitting; dat het middel in dit opzicht faalt naar recht; Overwegende, wat betreft de aangevoerde schending door de afdeling Wegen en Verkeer van de hoorplicht en het beginsel van de onpartijdigheid, dat de genoemde afdeling zich beperkt heeft tot het geven van een niet-bindend advies; dat het bestreden besluit is gesteund op een onafhankelijk onderzoek van de gegevens van het dossier; dat een eventuele onregelmatigheid van het advies van de afdeling Wegen en Verkeer te dezen geen invloed kan hebben op de wettigheid van het bestreden besluit; dat het middel in dit opzicht bij gebrek aan belang onontvankelijk is; X-11.302-12/14 6. Overwegende dat het auditoraat ambtshalve een middel inroept, afgeleid uit de overschrijding van bevoegdheid; dat het auditoraat, hierin in de laatste memorie uitdrukkelijk bijgevallen door de verzoekers, aanvoert dat de bestendige deputatie het voorwerp van een vergunningsaanvraag niet mag aanpassen door daarin essentiële wijzigingen aan te brengen, dat de aanvraag te dezen betrekking heeft op een perceel met vier bouwkavels, dat de bestendige deputatie de aanvraag inwilligt voor twee van die kavels en verwerpt voor de overige twee kavels, dat zij de oorspronkelijke aanvraag aldus reduceert tot twee kavels, en de aanvraag daarmee op essentiële wijze wijzigt, dat indien de bestendige deputatie van oordeel was dat twee van de vier loten niet voor vergunning in aanmerking kwamen, zij geen andere mogelijkheid had dan de aanvraag in haar geheel te verwerpen, dat door het voorwerp van de aanvraag essentieel te wijzigen, de bestendige deputatie haar bevoegdheid heeft overschreden, dat die bevoegdheidsoverschrijding de openbare orde raakt; Overwegende dat de verkavelingsaanvraag te dezen betrekking heeft op vier loten, en dat de bestendige deputatie de aanvraag inwilligt voor de loten 1 en 2 en niet inwilligt voor de loten 3 en 4; dat, zo de bestendige deputatie niet de macht heeft om in beroep een vergunning te verlenen voor een verkaveling die op essentiële punten afwijkt van de aanvraag die bij het college van burgemeester en schepenen was ingediend, er daarentegen geen regel is die haar belet om een ongewijzigde aanvraag gedeeltelijk in te willigen en gedeeltelijk af te wijzen; dat de bestendige deputatie haar macht te dezen dan ook niet heeft overschreden; dat het ambtshalve ingeroepen middel niet kan worden aangenomen; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 1.400 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor een vierde. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. X-11.302-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-11.302-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.405 Gerelateerde publicatie(
- s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.128.637 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div