← België

Arrest 166407 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.407 Rolnummer: A. 175952/X-12985 Zaak: Arrest 166407 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-24 Raadplegingen: 69 - laatst gezien 2026-06-29 12:59 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 166.407 van 8 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.407 van 8 januari 2007 in de zaak A. 175.952/X-12.985. In zake : Luc SLECHTEN, die woonplaats kiest bij Advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : 1. de Deputatie van de provincieraad van LIMBURG, 2. de stad BILZEN, die woonplaats kiest bij Advocaat J. VANDERSANDEN, kantoor houdende te 3600 GENK, Grotestraat 22. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Luc SLECHTEN op 18 augustus 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van: 1. het besluit van 21 juni 2006 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg houdende gedeeltelijke goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Bilzen, 2. het besluit van 6 maart 2006 van de gemeenteraad van de stad Bilzen houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Bilzen; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; X-12.985-1/6 Gelet op de beschikking van 21 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 november 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaten D. RYCKBOST en A. LIPPENS die verschijnen voor de verzoekende partij, van bestuurssecretaris S. MOENS die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van Advocaat K. LEIJSSEN die loco Advocaat J. VANDERSANDEN verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de gemeenteraad van de stad Bilzen bij besluit van 12 juli 2005 het ontwerp van gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Bilzen voorlopig heeft vastgesteld; dat tijdens het openbaar onderzoek 120 bezwaarschriften worden ingediend, waaronder één door de verzoeker; dat de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening van de stad Bilzen op 11 januari 2006 een advies heeft uitgebracht; dat de gemeenteraad van de stad Bilzen bij besluit van 6 maart 2006 het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Bilzen definitief heeft vastgesteld; dat dit het tweede bestreden besluit is; dat de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg bij besluit van 21 juni 2006 het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Bilzen gedeeltelijk heeft goedgekeurd; dat dit het eerste bestreden besluit is; Overwegende dat de eerste verwerende partij opwerpt dat de vordering niet ontvankelijk is aangezien de bestreden besluiten ten aanzien van de X-12.985-2/6 verzoekende partij geen rechtsgevolgen hebben en derhalve geen voor vernietiging vatbare rechtshandelingen zijn; Overwegende dat een beroep tot nietigverklaring -en een vordering tot schorsing als accessorium ervan- krachtens artikel 14 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State een administratieve rechtshandeling tot voorwerp moet hebben; dat onder rechtshandeling in de zin van voormelde bepaling dient te worden verstaan een handeling waarbij wordt beoogd rechtsgevolgen te doen ontstaan of te beletten dat zij tot stand komen, m.a.w. wordt beoogd wijzigingen aan te brengen in een bestaande rechtsregel of rechtstoestand dan wel zodanige wijziging te beletten; Overwegende dat in casu de schorsing van de tenuitvoerlegging wordt gevorderd van het besluit van 6 maart 2006 van de gemeenteraad van de stad Bilzen houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Bilzen (tweede bestreden besluit) en van het besluit van 21 juni 2006 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan Bilzen (eerste bestreden besluit); Overwegende dat artikel 18 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, hierna het decreet ruimtelijke ordening genoemd, een ruimtelijk structuurplan definieert als volgt : "Onder ruimtelijk structuurplan wordt verstaan een beleidsdocument dat het kader aangeeft voor de gewenste ruimtelijke structuur. Het geeft een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied in kwestie. Het is erop gericht samenhang te brengen in de voorbereiding, de vaststelling en de uitvoering van beslissingen die de ruimtelijke ordening aanbelangen"; Overwegende dat artikel 19, § 5, van hetzelfde decreet luidt als volgt : "Na de vaststelling van een ruimtelijk structuurplan neemt de overheid die het structuurplan heeft vastgesteld de nodige maatregelen om de ruimtelijke uitvoeringsplannen in kwestie in overeenstemming te brengen met het ruimtelijk structuurplan"; X-12.985-3/6 dat artikel 19, § 6, van hetzelfde decreet bepaalt wat volgt : "De ruimtelijke structuurplannen vormen geen beoordelingsgrond voor de werken en handelingen, bedoeld in artikelen 99 en 101, noch voor een stedenbouwkundig uittreksel en attest, bedoeld in artikel 135"; dat artikel 19, § 2, eerste en vierde lid, van hetzelfde decreet bepaalt wat volgt : "Bij het opmaken van een ruimtelijk structuurplan duidt de instantie die het plan definitief vaststelt de onderdelen ervan aan die bindend zijn. (...) Voor het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan zijn deze onderdelen bindend voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren"; Overwegende dat uit de hiervóór aangehaalde bepalingen op het eerste gezicht kan worden afgeleid dat het bestreden gemeentelijk ruimtelijk structuurplan een beleidsdocument is dat loutere beleidsdoelstellingen op lange termijn omvat voor de realisatie waarvan nog (verordenende) maatregelen moeten worden genomen; dat het ruimtelijk structuurplan aldus enkel de beleidsintenties voor de gewenste ruimtelijke structuur en een langetermijnvisie op de ruimtelijke ontwikkeling van het gebied aangeeft; dat weliswaar op grond van artikel 19, § 5, van het decreet ruimtelijke ordening de overheid die het ruimtelijk structuurplan heeft vastgesteld, verplicht is de nodige maatregelen te nemen om de betrokken ruimtelijke uitvoeringsplannen met het ruimtelijk structuurplan in overeenstemming te brengen; dat deze rechtsplicht, die in casu enkel in hoofde van de gemeente bestaat, niet inhoudt dat het bestreden ruimtelijk structuurplan in hoofde van de verzoeker rechtsgevolgen doet ontstaan of belet dat zij tot stand komen; dat de onderdelen van het gemeentelijk ruimtelijk structuurplan, die als bindend zijn aangeduid, immers enkel bindend zijn voor de gemeente en voor de instellingen die eronder ressorteren; dat het ruimtelijk structuurplan als beleidsdocument in het algemeen en de bindende onderdelen ervan in het bijzonder derhalve op het eerste gezicht in hoofde van verzoeker geen rechtsgevolgen doen ontstaan, noch beletten dat zij tot stand komen; dat, daargelaten of, zoals de verzoeker ter terechtzitting betoogt, een negatief planologisch attest kan worden gesteund op de onverenigbaarheid van de aanvraag met een ruimtelijk structuurplan, die omstandigheid op het eerste gezicht aan de X-12.985-4/6 voormelde conclusie geen afbreuk doet; dat immers luidens artikel 145ter, § 1, derde lid, van het decreet ruimtelijke ordening, een planologisch attest enkel kan worden aangevraagd door en voor een bedrijf waarvoor het maken of wijzigen van een ruimtelijk uitvoeringsplan (of plan van aanleg) overwogen moet worden om de uitbreiding of het herbouwen van het bedrijf mogelijk te maken (en dat voldoet aan één van de in deze bepaling opgenomen voorwaarden), en dat, zolang de ruimtelijke uitvoeringsplannen niet in overeenstemming zijn gebracht met het ruimtelijk structuurplan, het ruimtelijk structuurplan geen beoordelingsgrond kan vormen voor de werken en handelingen bedoeld in de artikelen 99 en 101, noch voor het stedenbouwkundig uittreksel en attest bedoeld in artikel 135 van hetzelfde decreet; dat de exceptie in deze stand van het geding kan worden aangenomen; dat de vordering tot schorsing van de bestreden besluiten niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.985-5/6 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.985-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.407 Gerelateerde publicatie(
  2. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.193.294 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.