id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.412 Rolnummer: A. 179994/VII-36822 Zaak: Arrest 166412 - Dienst Vreemdelingenzaken - 08/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-10 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 13:00 Fiche Arrest nr 166.412 van 8 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.412 van 8 januari 2007 in de zaak A. 179.994/VII-36.822 In zake : XXX en haar minderjarige kinderen XXX, XXX en XXX, die woonplaats kiest bij advocaat M. VERLINDEN, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van ex-Joegoslavische nationaliteit, op 5 januari 2007 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 december 2006 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op de beschikking van 8 januari 2007 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, inzonderheid op de artikelen 17 en 18; Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 6 januari 2007 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 8 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-36.822-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat M. VERLINDEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat A. DE MEU, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLLIN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De feiten. De verzoekende partij vordert bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 29 december 2006, die als volgt is gemotiveerd: “(...) België is niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag die aan de Franse autoriteiten toekomt, met toepassing van art. 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en van art. 16§1e van de Europese Verordening 343/
- Betrokkene heeft op 31/08/2004 in Frankrijk een asielaanvraag ingediend en de Franse overheid heeft op datum van 04/12/2006 ingestemd met de vraag tot terugname van bovengenoemde persoon. Betrokkene verklaart te zijn teruggekeerd naar Kosovo, maar kan geen dat (datum) van aankomst of vertrek geven, noch de gevolgde route. Betrokkene verklaart opnieuw in België asiel te hebben aangevraagd vanwege de eerdere procedure hier en het feit dat de twee jongste kinderen in België geboren werden. Volgens de echtgenoot van betrokkene verliet het gezin Frankrijk in mei 2006 en verbleven ze tot 04/09/2006 in Kosovo. Een specifieke reden voor de terugkeer wordt niet gegeven. Daarna zou het gezin per wagen via Slovenië, Oostenrijk en Duitsland naar België zijn gereisd. Betrokkene leggen een huwelijksakte en geboorteaktes dd. 14/06/2006 voor, lidkaarten van de Roma gemeenschap in Kosovo, een attest van deze vereniging betreffende hun situatie in Kosovo en twee foto’s van het vernielde huis van het gezin dd. 04/08/
- Geen van deze documenten bewijzen een verblijf in Kosovo - om deze documenten van de VN-administratie in Kosovo te bekomen is de aanwezigheid van de betrokkene personen niet genoodzaakt. Uit geen van de andere documenten kan afgeleid worden dat deze ter plekke werden overhandigd aan betrokkenen. Zowel de eerste asielaanvraag als de eerste aanvraag tot regularisatie in België werden onontvankelijk verklaard. De vermeende gebeurtenissen bij de terugkeer in Kosovo kunnen niet als nieuwe elementen voor een tweede asielaanvraag in België beschouwd worden aangezien het verblijf in Kosovo niet kan aangetoond worden. Art. 16§3 van bovengenoemde verordening is derhalve niet van toepassing. Het feit dat het gezin vier jaar in België verbleef en slechts twee jaar in Frankrijk en als gevolg meer banden heeft met België, vormt op zich onvoldoende grond om de asielaanvraag te behandelen op basis van art. 3§2 of art. 15 van bovengenoemde Verordening. Bijgevolg zal de bovengenoemde worden overgedragen aan de bevoegde Franse autoriteiten.”. VII-36.822-2/5
- Beoordeling. 2.
- Op grond van artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat er een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
- De verzoekende partij omschrijft het moeilijk te herstellen ernstig nadeel als volgt: “Uit het voorgaande blijkt duidelijk dat Verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig nadeel lijdt indien de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit niet wordt geschorst. Zoals blijkt uit het verzoek tot regularisatie, dat namens Verzoeker op 13 december 2006 werd ingediend (stuk 13), is XXX XXX, de dochter van verzoeker, sinds september 2006 in behandeling bij dokter Françoise Mouchet verbonden aan het “Centre Hospitalier Universitaire Saint-Pierre" (Rue Haute, 322, 1000 Brussel) wegens een "tuberculose" besmetting (cf. stuk 14). Deze behandeling duurt zolang dokter Françoise Mouchet het nodig acht en minstens tot maart
- Toen Dhr. en Mevrouw XXXnaar Frankrijk vertrokken in augustus 2004, dienden ze de eerste 5 dagen op straat te leven en kregen ze tijdens hun volledige verblijf - in afwachting van een beslissing over zijn asielaanvraag - geen enkele bijstand. Indien de beslissing wordt uitgevoerd, zal XXX XXX niet de gepaste medische behandeling krijgen in Frankrijk en Verzoekers dienen dus in België te blijven, in ieder geval minstens zolang XXX XXX haar behandeling nodig is. Dit maakt zonder twijfel een zeer ernstig nadeel uit voor Verzoekers. De overbrenging van Verzoekers naar Frankrijk berokkent Verzoekers tevens een zwaar nadeel, gelet op het feit dat de zus van Dhr. XXX, XXX (haar familienaam wijzigde door haar huwelijk), haar 5 kinderen en haar echtgenoot op basis van een geldige verblijfstitel in Antwerpen verblijven. Om evidente redenen wil Dhr. XXX en zijn gezin de relatie met zijn zus en haar familie zo goed mogelijk in stand houden. Indien Verzoeker zou verplicht worden om naar Kosovo terug te keren, zou hij niet langer de mogelijkheid hebben om zijn zus te bezoeken en om de relatie met zijn zus in stand te houden. Ook dit maakt zonder twijfel een zeer ernstig nadeel uit voor Verzoekers. Tenslotte berokkent het gedwongen vertrek uit België, terwijl ze hier in totaal reeds 4 jaar hebben verbleven, waarbij ze steeds in de grootste onzekerheid verkeerden met betrekking tot hun lot, ze een nieuw leven hebben trachten op te bouwen en ze nooit de kans hebben gekregen verweerster te overtuigen van de ontvankelijkheid en gegrondheid van hun asielaanvraag, een bijzonder ernstig nadeel. Na in totaal meer dan 4 jaar in België te hebben verbleven, hoopten verzoekers hier te kunnen blijven, en hun asielaanvraag hier behandeld te zien. De repatriëring naar Frankrijk ontneemt verzoekers tenslotte de kans om hun verzoek tot regularisatie, dat op 13 december 2006 werd ingediend bij de gemeente Anderlecht te laten behandelen.”. De verzoekende partij toont niet aan dat de ziekte van het kind in Frankrijk niet op een adequate wijze zal kunnen worden verzorgd. De bewering dat de verzoekende partij in 2004 in dat land geen enkele bijstand kreeg, wordt door geen enkel VII-36.822-3/5 bewijskrachtig gegeven gestaafd. Evenmin wordt aannemelijk gemaakt dat er vrees bestaat dat dit thans opnieuw het geval zou zijn. Met betrekking tot het verblijf van het naaste familielid stelt de verzoekende partij dat indien zij zou verplicht worden om naar haar land van herkomst terug te keren, zij niet langer de mogelijkheid zou hebben om haar naaste verwante te bezoeken en om de relatie in stand te houden De bestreden beslissing verplicht de verzoekende partij evenwel niet terug te keren naar hert land van herkomst, maar naar Frankrijk. Dit beweerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel vindt dus geen oorzaak in de thans bestreden beslissing. Verwachtingen en eventuele hoop die voortvloeien uit een illegaal verblijf in België kunnen niet in aanmerking worden genomen. Dit klemt des te meer nu blijkt dat de verzoekende partij bij arrest nr. 156.463 van 16 maart 2006 geacht wordt afstand te hebben gedaan van haar beroep tot nietigverklaring tegen de beslissing van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen die haar asielverzoek in België verwerpt. De bewering omtrent het niet kunnen verderzetten van de regularisatieaanvraag kan evenmin worden in aanmerking genomen. Uit de uiteenzetting van de verzoekende partij blijkt dat zij in de eerste plaats nastreeft als asielzoeker te worden erkend. Zoals de verwerende partij terecht stelt zijn er geen redenen voorhanden om te twijfelen aan de bekwaamheid en de objectiviteit van de Franse autoriteiten en asielinstanties.
- Er is niet voldaan aan de derde van de door artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden. Deze vaststelling volstaat om het verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid af te wijzen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. VII-36.822-4/5 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht januari tweeduizend en zeven, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-36.822-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.412 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div