id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.419 Rolnummer: A. 143363/XIV-17349 Zaak: Arrest 166419 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 09/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 06:15 Fiche Arrest nr 166.419 van 9 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.419 van 9 januari 2007 in de zaak A. 143.363/XIV-17.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat A. BOESMANS, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, Henri Wafelaertsstraat 47-51 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bengaalse nationaliteit, op 15 oktober 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 15 september 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juni 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 5 november 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2006; XIV-17.349-1/5 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. BOESMANS, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX, van Bengaalse nationaliteit, is in België binnengekomen op 28 december 1999 en heeft zich op 30 december 1999 vluchteling verklaard. 1.
- Op 13 juni 2000 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 15 september 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 13 juni 2000 tot weigering van verblijf. Dit is de bestreden beslissing waarvan de motivering als volgt luidt: “Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de oproeping vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 08/08/2003 op uw gekozen woonplaats.”.
- Over de gegrondheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “Afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht, meer bepaald de artikelen 2 en 3 van de uitdrukkelijke motiveringswet van 29 juli 1991, alsmede de schending van het artikel 62 van de wet van 15 december 1980, en van artikel 1, A, 2 van het verdrag van Genève betreffende de status van vluchtelingen, schending van het zorgvuldigheidsbeginsel en machtsoverschrijding. DOORDAT het CGVS de asielaanvraag van verzoeker verwerpt door te stellen dat verzoeker zonder geldige reden niet naar het voorziene verhoor is gekomen; XIV-17.349-2/5 TERWIJL verzoeker een medisch attest heeft afgegeven aan het CVGS, binnen de maand na verzending van de oproep, tesamen met zijn geschreven verklaringen; Eerste onderdeel : Overwegende dat de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen de asielaanvraag verwerpt door te stellen dat hij zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de oproep die hem werd verstuurd; Overwegende dat nergens in de bestreden beslissing wordt aangegeven dat er een medisch attest werd afgegeven aan het CGVS, teneinde de overmacht van verzoeker aan te tonen om zich op de voorgestelde datum naar het CGVS te begeven; Overwegende dat het bestaan zelf van dit attest niet wordt vermeld, en a fortiori dat ook de reden waarom het CGVS heeft beschouwd dat dit attest de overmacht van verzoeker aantoont. Overwegende dat derhalve het CGVS een beslissing heeft genomen zonder acht te slaan op alle elementen uit het dossier van verzoeker; Overwegende dat Uw Raad reeds heeft gesteld dat "het zorgvuldigheidsprincipe impliceert dat de bevoegde Overheid haar beslissing op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden; dat dit laatste veronderstelt dat de bevoegde Overheid haar beslissing stoelt op een correcte feitenvinding, wat inhoudt dat de bevoegde Overheid zich op alle mogelijke manieren dient te informeren over alle relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen " (R.v.S., arrest nr. 100.731 van 12 november 200 l); Dat het zorgvuldigheidsprincipe dan ook noodzakelijkerwijze inhoudt dat de Overheid de beschikbare informatie gebruikt teneinde door een behoorlijke voorbereiding en door behoorlijke belangenafweging tot een redelijke beslissing te kunnen komen; Dat nergens blijkt uit de beslissing van het CGVS dat er rekening werd gehouden met het medisch attest dat werd afgeleverd. Dat de tegenpartij aldus een beslissing heeft genomen zonder dit aspect in overweging te nemen. Dat het CGVS als administratieve overheid de verplichting heeft, zoals blijkt uit voormeld arrest, om op basis van het zorgvuldigheidsprincipe zich dient te informeren teneinde met kennis van zaken een beslissing te kunnen nemen; Overwegende dat het CGVS aldus het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden door zonder rekening te houden met het medisch attest een beslissing inzake de asielaanvraag van verzoeker te nemen; Tweede onderdeel: Overwegende dat het CGVS in de bestreden beslissing nergens enige melding maakt van het feit dat zij in het bezit waren van een medisch attest teneinde de overmacht van verzoeker aan te tonen; Overwegende dat het CGVS aldus geen motivering geeft omtrent de reden waarom het afgegeven attest de overmacht van verzoeker aantoont; Overwegende dat het CGVS aldus de motiveringsplicht schendt, door een essentieel element, het medisch attest niet te vermelden noch te vermelden waarom het attest niet aanvaard zou kunnen worden als bewijs van overmacht; Overwegende dat verzoeker op deze wijze tevens in de onmogelijkheid wordt gesteld om zich op dit punt te verdedigen, gezien verzoeker enkel kan stellen dat het attest niet werd vermeld, en a fortiori, niet werd aanvaard door het CGVS, maar dat hij niet in de mogelijkheid wordt gesteld om te argumenteren waarom dit attest aanvaard zou moeten worden; Overwegende dat « motiver une décision, c'est l'expliquer, c'est exposer le raisonnement de droit et de fait, le syllogisme qui lui sert de fondement ; (..) il s'agit non seulement de contraindre l'administration à se justifier envers l'administré, mais également par là même de l'astreindre à fournir au juge une base solide à son contrôle de légalité » (D. LAGASSE, La loi du 29 juillet 1991 relative à la motivation formelle des actes administratifs, in J.T., 1991, p.737); Overwegende dat de Commissaris-generaal zijn beslissing niet afdoende motiveert om te besluiten tot bevestigende beslissing tot weigering van verblijf wegens het niet gevolg geven aan een oproep voor het CGVS ; Aangezien verzoeker om al de bovenstaande redenen meent dat het door hem aangevoerde middel ernstig is;”; XIV-17.349-3/5 2.
- Overwegende dat artikel 1 van de Conventie van Genève geen directe werking heeft; dat het zorgvuldigheidsbeginsel voor de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de plicht inhoudt om zijn beslissing zorgvuldig voor te bereiden en ze te steunen op een correcte feitenvinding; dat hij zich dient te informeren over alle relevante elementen om met kennis van zaken een beslissing te nemen; dat uit het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeker heeft uitgenodigd om zijn asielrelaas uiteen te zetten tijdens een interview; dat bovendien verzoeker de kans heeft gekregen een vragenlijst met betrekking tot zijn asielaanvraag in te vullen; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zich heeft gebaseerd op de elementen van het dossier; dat uit het voorgaande volgt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in overeenstemming met het zorgvuldigheidsbeginsel heeft gehandeld; dat verzoeker het tegendeel niet aantoont; dat verzoeker stelt dat hij een medisch attest heeft afgegeven aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen binnen de maand na de verzending van de oproep, dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dit attest niet in aanmerking zou hebben genomen, dat in de bestreden beslissing het attest niet zou zijn vermeld, waaruit verzoeker afleidt dat er geen rekening mee is gehouden; dat uit de bestreden beslissing blijkt dat deze is gebaseerd op de elementen uit het administratief dossier; dat het attest is opgenomen in het administratief dossier; dat hieruit volgt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen er wel degelijk rekening mee heeft gehouden; dat hij heeft gemotiveerd dat verzoeker zonder geldige reden geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping vervat in de brief die aangetekend werd verstuurd op 8 augustus 2003; dat uit het aangevoerde medische attest enkel blijkt dat verzoeker zelf heeft verklaard dat hij ziek was van 5 augustus 2003 tot 26 augustus 2003; dat de geneesheer dit op geen enkele wijze bevestigt; dat hij zelf de ziekte niet heeft vastgesteld; dat verzoeker pas op 2 september 2003 bij de geneesheer is geweest; dat het aangevoerde attest geen enkel bewijs van overmacht levert; dat verzoeker stelt dat hij niet in de mogelijkheid wordt gesteld om te argumenteren waarom dit attest aanvaard zou moeten worden, omdat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het attest niet vermeldt in zijn motivering; dat de bestreden beslissing noodzakelijkerwijze impliceert dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het attest niet aanvaardt als bewijs van overmacht; dat het niet duidelijk is waarom verzoeker in het verzoekschrift niet zou kunnen aantonen dat het attest wel dient aanvaard te worden; dat verzoeker niet aantoont op welke wijze het aangevoerde attest de bestreden beslissing zou kunnen wijzigen; dat het enig middel niet gegrond is; XIV-17.349-4/5
- Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-17.349-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.419 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.