← België

Arrest 166421 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 09/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.421 Rolnummer: A. 135240/XIV-14602 Zaak: Arrest 166421 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 09/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:15 Fiche Arrest nr 166.421 van 9 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.421 van 9 januari 2007 in de zaak A. 135.240/XIV-14.602. In zake : XXX handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordigster van haar twee meerderjarige kinderen : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 9 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van 1) de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan verzoekster aangetekend verzonden op 17 maart 2003 en 2) "de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 waarbij beslist wordt tot weigering van verblijf en waarbij bevel gegeven wordt om het grondgebied te verlaten"; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; XIV-14.602-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. VERHELLE die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Iraanse nationaliteit, is in België binnengekomen op 8 oktober 2000 en heeft zich de volgende dag vluchteling verklaard. 1.2. Op 9 april 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten (tweede bestreden beslissing). 1.3. Op 12 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 tot weigering van verblijf. Dit is de eerste bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger van Perzische origine, verklaart problemen te hebben gehad in Iran omwille van het feit dat uw kinderen XXX en XXX alcohol hadden gedronken. Op 07/07/1379 (Iraanse tijdrekening; komt overeen met 29/09/2000 Europese tijdrekening) verliet u Iran. Op 17/07/1379 (09/10/2000) kwam u in België aan waar u op 09/10/2000 asiel aanvroeg. Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-Generaal zijn uw problemen begonnen op 17/06/1379 (08/09/2000). Het was de verjaardag van uw dochter en u besloot een feestje te geven. Elf vrienden van uw kinderen waren aanwezig. Men was gekleed naar de gelegenheid en er werd alcohol gedronken. Toen het feestje een tweetal uur aan de XIV-14.602-2/16 gang was vielen een drie à viertal personen binnen van de Sepah-e Pasdaran (korps van revolutiewachters). De kinderen stelden zich op tegen hen maar werden allen gearresteerd. U en uw man zijn meegegaan naar het comité van Kavar waar jullie de nacht hebben doorgebracht. De volgende dag zijn u en uw man naar huis gegaan. De kinderen werden na twee dagen overgebracht naar de rechtbank van Shiraz. Enkele uren later zijn ze vrijgelaten op borg. Er werd eveneens een afspraak gemaakt dat ze zich enkele dagen later terug moesten aanmelden. Aangezien u en uw man vreesden dat de straf heel zwaar zou zijn besloten jullie dat u en de kinderen zouden vertrekken naar Teheran waar jullie verbleven bij een vriend. Op een bepaald moment kreeg u telefoon van uw echtgenoot die u wist te vertellen dat er een veroordeling was uitgesproken bij verstek. De straf bedroeg 6 maanden gevangenisstraf, 75 zweepslagen en een geldboete van 100.000 Toeman per kind. Omdat u schrik had dat uw kinderen deze straf niet zouden aankunnen besloot u het land te verlaten. Uit contact vanuit België met uw echtgenoot weet u dat hij gearresteerd geweest is en dat men hem twee weken heeft vastgehouden. Het huis dat u in borg had gegeven werd in beslag genomen en men komt regelmatig in de winkel van uw man. Ze verhinderen hem om het land te verlaten B. Motivering Vooreerst dient een ernstige tegenstrijdigheid te worden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen bij Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-Generaal (CGVS). Hierdoor komt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in het gedrang. Uw legde een tegenstrijdige verklaring af omtrent de datum waarop het feestje plaatsvond. Zo verklaarde u voor Dienst Vreemdelingenzaken dat u de verjaardag van uw dochter hebt gevierd op 15/06/1379 (06/09/2000), enkele dagen voor haar verjaardag, omdat zo haar meeste vrienden en vriendinnen aanwezig konden zijn (zie gehoor DVZ punt 42). Terwijl u voor het Commissariaat-Generaal verklaarde dat u het feestje hebt gevierd op 17/06/1379 (08/09/2000), de dag van haar verjaardag (zie gehoor CGVS p. 16-17). Tijdens het gehoor op het Commissariaat-Generaal werd u gewezen op de tegenstrijdigheid tussen de door u afgelegde verklaringen. Hierop hebt u verklaard dat u zo'n verklaring op Dienst Vreemdelingenzaken niet hebt afgelegd. Die verklaring kan niet als een afdoende uitleg worden beschouwd, omdat blijkt dat u de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen voor akkoord ondertekend heeft, u tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal verklaarde dat alles goed verlopen was voor de Dienst Vreemdelingenzaken daar u alles had kunnen vertellen en omdat u geen enkel element aanbrengt waaruit blijkt dat de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen in het verslag verkeerd weergegeven zijn. Bovendien dient te worden opgemerkt dat deze feiten van private en gemeenrechtelijke aard zijn en als dusdanig buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen. U verklaarde uw land te hebben verlaten omwille van het feit dat uw kinderen bij verstek veroordeeld zijn tot zes maanden gevangenisstraf, 75 zweepslagen en een geldboete van 100.000 Toeman wegens het drinken van alcohol en hun niet aangepaste kledij. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een misdrijf is van gemeenrechtelijke aard waarvoor de normale rechtsgang moet worden doorlopen. Niets wijst erop dat uw kinderen, omwille van één van de criteria voorzien in de Conventie van Genève, een oneerlijk proces hebben gekregen van de Iraanse autoriteiten. Aldus dient gewezen te worden op het feit dat de redenen waarop u uw asielaanvraag baseert strikt juridisch gezien niet onder één van de in de Geneefse Vluchtelingenconventie vastgestelde redenen ressorteren (redenen van politieke of religieuze overtuiging, uw nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep). De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. De kopies van uw boekje van burgerlijke stand, het boekje van burgerlijke stand van uw man en twee kinderen bevatten enkel persoonsgegevens waaraan niet wordt getwijfeld. Het bewijs van arrestatie van uw twee kinderen tonen enkel aan dat uw kinderen gearresteerd zijn geweest maar wijzigen bovenstaande motivering niet. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. XIV-14.602-3/16 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat u uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat het geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat voorliggend beroep tevens gericht is tegen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat deze beslissing echter werd bevestigd door de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 maart 2003; dat, gelet op de devolutieve werking van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het beroep tegen voornoemde beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken niet ontvankelijk is, behoudens wat betreft het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat in casu uit de expliciete bewoordingen van de middelen blijkt dat geen enkel middel is gericht tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de vordering derhalve ook in die mate niet- ontvankelijk is; 3. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.1. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “III.1. Eerste middel. Schending van art. 2 en art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, B.S. 12 september 1991. III.1.1. De verzoekende partij is zich er uiteraard van bewust dat de betwiste administratieve beslissingen niet onderworpen zijn aan de jurisdictionele motiveringsplicht van art. 149 van de Gecoördineerde Grondwet. De verzoekende partij is zich er evenzeer van bewust dat art. 2 en art. 3 van genoemde Wet van 29 juli 1991 als zodanig geen betrekking hebben op de materiële motivering van bestuurshandelingen, doch op de formele motivering ervan. XIV-14.602-4/16 Dit alles belet echter niet dat elk orgaan van actief bestuur rekening dient te houden met alle relevante en objectieve elementen van het dossier. Wordt er verzuimd om een formele motivering te bieden m.b.t. een element dat nochtans determinerend kan zijn, dan weet - terwijl dit nu net het precieze objectief van de bedoelde motiveringsplicht uitmaakt - de adressant van de beslissing niet waarom er in zijnen hoofde een dergelijke beslissing is getroffen. III.1.2. In casu dient vastgesteld dat de bestreden beslissing van 12 maart 2003 verzoeksters asielaanvraag enerzijds als “bedrieglijk” bestempelt, zonder dat anderzijds hierin ook maar enigszins wordt aangegeven waarom de aanvraag dergelijk adjectief verdient. Het gegeven dat de Adjunct-Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen klaarblijkelijk een ernstige tegenstrijdigheid meent te kunnen putten uit het beweerdelijk door verzoekster opgegeven hebben van twee verschillende data voor het verjaardagsfeestje van haar dochter - gegeven dat, indien aangenomen wordt dat dit de materiële motivering van de bestreden beslissing zou behelzen, in het tweede ernstig middel wordt besproken (infra) - kan bezwaarlijk beschouwd worden als toelichting voor het predicaat "ernstige" tegenstrijdigheid, laat staan dat de asielaanvraag hierdoor ronduit “bedrieglijk” zou worden. III.1.3. Inderdaad, op geen enkele wijze wordt door de Adjunct Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen toegelicht waarom de formele en hardnekkige - en tot op heden aangehouden - ontkenning van verzoekster terzake van iedere waarde ontdaan is en waarom of hoe hieruit vervolgens de bedrieglijkheid van de gehele asielaanvraag moet worden afgeleid. Nog los van het gegeven dat verzoekster er geen enkel belang bij heeft leugenachtige verklaringen af te leggen over de datum waarop haar dochter haar verjaardagsfeestje zou hebben georganiseerd, het gegeven dat de precieze datum van het feestje voor de kern van haar vluchtrelaas van gering belang is, het gegeven dat, nu verzoekster uit een land komt waar een andere kalender geldt, er op Dienst Vreemdelingenzaken makkelijk verwarring omtrent de precieze datum hiervan kan zijn ontstaan, is het verzoekster volstrekt onduidelijk waarom deze ene weerhouden, schijnbare tegenstrijdigheid meteen heel haar asielrelaas ongeloofwaardig, zelfs 'bedrieglijk' maakt, a fortiori nu er aan de persoonsgegevens van zowel verzoekster zelf als van haar kinderen niet wordt getwijfeld en er klaarblijkelijk geen andere tegenstrijdigheden in haar relaas werden weergevon(d)en. Indachtig de even welbekende als beruchte gevestigde praktijk van het Commissariaat Generaal om iedere minieme afwijking tussen de opeenvolgende door asielzoekers afgelegde verklaringen te baat te nemen om een banvloek uit te spreken over de geloofwaardigheid van hun asielaanvragen en -relazen, dient in voorliggende casus de afwezigheid van enige verdere tegenstrijdigheid in verzoeksters verklaringen bijgevolg als ernstige, bijkomende aanwijzing te worden beschouwd van de goede trouw en het niet-bedrieglijk karakter van haar aanvraag. Vermits verzoekster terecht van mening moet worden geacht geen duidelijkheid te zijn verschaft omtrent het waarom van de bedrieglijk- verklaring van (heel) haar asielaanvraag, dient besloten dat de bestreden beslissing in die zin geenszins afdoende formeel is gemotiveerd en zodoende artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt. III.1.4. De overweging dat het door verzoekster louter tegenspreken van haar vermeende tegenstrijdige verklaringen niet als een afdoende uitleg kan worden aanvaard nu zij beweerd heeft dat op de Dienst Vreemdelingenzaken alles naar wens was verlopen en nu zij de door haar afgelegde verklaringen voor akkoord heeft ondertekend, is evenmin van aard een afdoende formele motivering van de beslissing uit te maken. Immers, de Adjunct Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen weet beter dan wie ook dat het vluchtrelaas dat op de Dienst XIV-14.602-5/16 Vreemdelingenzaken uit de mond van de asielzoeker wordt opgetekend in de taal van de onderzoeker (in casu het Nederlands), en dus niet in een taal die de verzoekster - van Iranese afkomst en op het ogenblik van de verklaring nog onvoldoende lang in België opdat van haar redelijkerwijs zou mogen worden verwacht dat zij het Nederlands reeds machtig is - begrijpt. Wanneer achteraf de ondervraagde asielzoeker, zoals in casu verzoekster, gevraagd wordt de in een voor haar onbegrijpelijke taal op schrift gezette door haar afgelegde verklaringen voor 'gelezen en goedgekeurd' te onderteken, dan mag het toch duidelijk zijn dat deze ondertekening/goedkeurig waarde nihil heeft en dat de verwijzing hiernaar in de bestreden beslissing om hiermee de onbetwistbaarheid van de correcte weergave van het asielrelaas aan te tonen niet kan worden geacht een afdoende materiële motivering voor de vermeende bedrieglijkheid van de asielaanvraag uit te maken. Ook m.b.t. dit onderdeel van de bestreden beslissing kan verzoekster er bijgevolg niet anders dan van uit gaan dat de terzake in de bestreden beslissing weerhouden overwegingen niet als materiële motivering voor de vermeende bedrieglijkheid van haar asielaanvraag bedoeld zijn, én dat er dus bijgevolg gewoonweg niet werd aangegeven waarom haar asielaanvraag het predikaat bedrieglijk werd toegekend. III.5. Besloten moet aldus worden dat in de eerste bestreden beslissing niet formeel (laat staan materieel) werd gemotiveerd waarom verzoekers asielaanvraag "bedrieglijk" zou zijn. De formele motiveringsplicht zoals omschreven in de artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29.7.1991 is manifest geschonden. Mocht de Adjunct Commissaris Generaal per impossibile toch de tegenovergestelde mening zijn toegedaan, dan dient de motivering m.b.t. het bedrieglijk karakter van de asielaanvraag te worden verworpen wegens schending van de materiële motiveringsplicht (infra).”; 3.1.2.1. Overwegende dat verzoekster de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aanvoert; dat verzoekster in essentie doet gelden dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen haar asielaanvraag bedrieglijk verklaart, zonder dat "ook maar enigszins wordt aangegeven waarom de aanvraag dergelijk adjectief verdient"; 3.1.2.2. Overwegende dat de aangevochten beslissing afdoende is geschraagd door het motief in verband met het ontbreken van enig verband met de criteria van het Vluchtelingenverdrag; dat de onregelmatigheid van het motief, ontleend aan de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag, op zich dan ook niet vermag tot vernietiging van de aangevochten beslissing te leiden; dat verzoekster niet kan gevolgd worden waar zij aanvoert dat haar asielaanvraag bedrieglijk wordt verklaard, zonder dat door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangegeven wordt waarom haar asielaanvraag dergelijk adjectief verdient; dat er in de bestreden beslissing duidelijk wordt op gewezen dat er een ernstige tegenstrijdigheid dient te worden vastgesteld tussen verzoeksters opeenvolgende verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waardoor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas in het gedrang komt; dat ze op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat het feestje plaatsvond op 15/06/1379 (06/09/2000), enkele dagen vóór de verjaardag van haar dochter omdat zo haar meeste vrienden en vriendinnen aanwezig konden zijn; dat volgens haar verklaringen op het Commissariaat- XIV-14.602-6/16 generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het feestje plaatsvond op de dag zelf van de verjaardag (17/6/1379 of 8/9/2000); dat, voor zover verzoekster in haar eerste middel van de schending van de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 gewaagt omwille van een gebrek aan kenbaarheid van de motieven, dient te worden besloten dat het eerste middel niet gegrond is; dat, voor zover verzoekster in haar eerste middel van de schending van de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 gewaagt omwille van een gebrek aan draagkracht van de motieven, de concrete grieven die verzoekster te dezen uiteenzet bij de bespreking van het tweede middel zullen onderzocht worden; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “III.2. Tweede middel. Schending van het Internationaal Verdrag van Genève betreffende de Vluchtelingen en de Staatslozen, ondertekend op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953, B.S. 4 oktober 1953. Schending van het protocol betreffende de status der Vluchtelingen opgemaakt te New York op 31 januari 1967. Schending van artikel 48 en 52 §2 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S. 31 december 1980. Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur als daar zijn het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, alsook van het beginsel dat elke bestuurshandeling door een materieel motief moet gedragen worden. III.2.1 Overeenkomstig art. 52 §2 van de Vreemdelingenwet kan een aanvraag als onontvankelijk afgewezen worden wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk zouden zijn of omdat ze geen verband zouden houden met de criteria bepaald bij artikel 1 A, 20 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. III.2.2. Verzoekende partij herinnert voorafgaandelijk aan de betoogde niet-afdoende formele motivering van de beslissing van de Adjunct Commissaris Generaal (supra). III.2.3. Waar in de (eerste) bestreden beslissing gewezen wordt op het gegeven dat verzoekster tijdens het interview op Dienst Vreemdelingenzaken en ter gelegenheid van haar verklaringen op het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, een verschillende datum zou hebben opgegeven m.b.t. het feestje ter gelegenheid van de verjaardag van haar dochter, en hieruit vervolgens de bedrieglijkheid van de gehele asielaanvraag wordt afgeleid, volstaat dit naar het oordeel van de verzoekende partij niet om haar asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en zodoende een onderzoek naar de gegrondheid van de aanvraag uit te sluiten. Wanneer dit onderdeel van de bestreden beslissing toch zou moeten worden geacht de toelichting -en dus de formele motivering (supra, eerste middel) - uit te maken bij het vermeende "bedrieglijk' karakter van verzoeksters asielaanvraag, dan heeft laatstgenoemde de eer op te merken dat dergelijke magere vaststelling geenszins bovenvermelde verregaande en ongefundeerde kwalificatie van de aanvraag kan wettigen. Immers, de verzoekende partij, hiermee geconfronteerd ter gelegenheid van het verhoor op het Commissariaat Generaal, heeft op afdoende wijze deze schijnbare tegenstrijdigheid in haar opeenvolgende verklaringen weerlegd door tot vervelens toe te benadrukken dat zij gewoonweg nooit gezegd heeft dat het verjaardagsfeestje van haar dochter op 15/6/1379 (6 september 2000) i.p.v. op 17/6/1379 (8 september 2000) werd gehouden, laat staan dat ze voor het op een andere datum houden van het feestje een specifieke reden zou XIV-14.602-7/16 hebben opgegeven ('meer vrienden en vriendinnen konden hierdoor aanwezig zijn'). De verzoekende partij is van oordeel dat de vermeende tegenstrijdigheid terug te leiden is tot een misverstand en dat er onduidelijkheid moet hebben geheerst bij de afnemer van het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken. Eén en ander kan zijn oorsprong vinden in het verhaal, door verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken uit de doeken gedaan, over de correcte geboortedatum van haar dochter. Immers, de ware geboortedatum van XXX is 9 oktober 1984 - datum die ook bij de Belgische instanties als haar geboortedatum werd opgegeven. Op haar Iranese identiteitsdocumenten evenwel staat als geboortedatum 9 september 1984, dit om reden dat het verzoeksters dochter op het moment dat haar deze documenten werden afgeleverd beter uitkwam om een maand vroeger te zijn geboren dan in werkelijkheid het geval, meer bepaald nu zij zonder deze ‘aanpassing' niet een studiejaar zou verliezen en pas het volgende kalenderjaar met dat jaar een aanvang zou moeten nemen. Op het verhoor heeft verzoekster dan ook toegelicht dat het eigenlijke vieren van haar dochters verjaardagsfeest, teneinde geen wantrouwen te wekken, eveneens op de fictieve datum plaatsvindt, en niet op de ware datum (9 oktober). Een andere reden die verzoekster hierbij opgaf ter gelegenheid van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken is dat het in september vieren van de verjaardag van haar dochter toelaat meer vrienden en vriendinnen uit te nodigen.... Dit is inderdaad precies dezelfde redengeving als deze die in de bestreden beslissing wordt opgedist om het beweerdelijk twee dagen op voorhand houden van het verjaardagsfeestje te motiveren. De verzoekende partij vermoedt dan ook dat tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken deze twee elementen dooreen gehaspeld werden en dat de vermeende tegenstrijdigheid met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hieraan toe te schrijven is. Waar het precies twee dagen eerder houden van het verjaardagsfeestje vandaan komt, heeft verzoekster echter kompleet het raden naar, tenzij er enige vermenging zou zijn ontstaan met haar verklaring dat er op het feestje, hoewel ze een hoger aantal had verwacht, slechts twee meisjes aanwezig waren. In elk geval kan er geen twijfel over bestaan dat het verjaardagsfeest van verzoeksters dochter op 17/5/1379 (8 september 2000) en niet op 15/6/1379 (6 september 2000) werd weerhouden, evenmin dat verzoekster hieromtrent geenszins een dergelijke verklaring heeft afgelegd. Anderzijds kan zij uiteraard slechts gissen naar de werkelijke wijze waarop het misverstand is kunnen tot stand komen, evenwel niet zonder dat zij hiervoor bij wege van voorliggend verzoekschrift enige ver van onwaarschijnlijke potentiële denkpistes heeft naar voor geschoven. Voorts kan de verzoekende partij slechts herhalen dat zij er sowieso hoegenaamd geen enkel belang bij heeft leugenachtige verklaringen af te leggen over de datum waarop haar dochter haar verjaardagsfeestje zou hebben gehouden, alsook dat de jammerlijk ontstane verwarring omtrent de precieze datum van dit feestje niets afdoet aan de (betrouwbaarheid van

  1. de)rest van verzoeksters vluchtrelaas, laat staan aan de kernproblematiek, m.n. de religieus geïnspireerde en door de Iranese rechterlijke macht voltrokken vervolging. Nu in de bestreden beslissing de Adjunct Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen geenszins aannemelijk maakt waarom niet kan worden aanvaard dat één en ander klaarblijkelijk (al dan niet letterlijk) tot een misverstand terug te voeren is, en nu bovendien zijn gevolgtrekkingen hieruit, m.n. het zowaar voor bedrieglijk aanzien van voorwaar de gehele asielaanvraag, volstrekt onnavolgbaar zijn, kan er geen twijfel over bestaan dat de bestreden beslissing een aanfluiting is van elk der hierboven als geschonden aangemerkte rechtsbepalingen. III.2.4. Een tweede schending van de in opgave bij het tweede middel vermelde rechtsbepalingen moet worden vastgesteld waar verzoeksters vrees voor vervolging en bestraffing door het Commissariaat Generaal voor de XIV-14.602-8/16 Vluchtelingen en de Staatlozen wordt afgedaan als "geen verband [te houden] met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen". De Adjunct-Commissaris Generaal fundeert dit oordeel echter op de foutieve en ronduit schandalige veronderstelling dat de ingeroepen feiten "van private en gemeenrechtelijke aard zijn" en dat "niets erop wijst dat (
  2. de)kinderen, omwille van één van de criteria voorzien in de Conventie van Genève, een oneerlijk proces hebben gekregen van de Iranese autoriteiten". Meteen kan er trouwens op gewezen worden dat de bestreden beslissing inwendig tegenstrijdig is nu enerzijds wordt gesteld dat er slechts sprake is van problemen van "private" aard, terwijl anderzijds niet wordt ontkend dat de verzoekende partij en dan vooral haar twee kinderen in het kader van de geschetste feitelijkheden met de Iranese autoriteiten in aanraking zijn gekomen. Vanzelfsprekenderwijs maakt deze contradictie een schending uit van de materiële motiveringsplicht, en strikt genomen zelfs van de formele motiveringsplicht zoals omschreven in de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Bovenal echter kan onmogelijk worden aangenomen dat de nemer van de bestreden beslissing op basis van de concrete feitelijke gegevens van het dossier ertoe mocht besluiten dat de problemen van de verzoekende partij en in het bijzonder haar twee -destijds minderjarige - kinderen geen uitstaans hadden met criteria voorzien in de Conventie van Genève, dat er geen redenen van politieke of religieuze overtuiging aan hun problemen ten grondslag liggen. Immers, in de bestreden beslissing wordt niet ontkend dat verzoekers, zelf gematigde moslims, door het streng-orthoxe moslim 'korps van revolutiewachters' (Sepah-e Pasdaran) werden gearresteerd en ter beschikking van de rechtbank van Shiraz gesteld, dit niet allen om redenen die in het licht van de universele mensenrechten hoegenaamd niet een vrijheidsberoving (arrestatie) rechtvaardigen - t.t.z. het gebruik, tijdens een private aangelegenheid, van alcoholische dranken en het dragen door de genodigden van 'niet aangepaste' kledij - maar die bovendien hebben uitgemond in een bestraffing die onmiskenbaar gecatalogeerd moet worden als vallend onder het concept 'onmenselijke en vernederende straffen' zoals bedoeld in het Verdrag van New York dd. 10 december 1984 betreffende de foltering en andere straffen en onmenselijke en vernederende behandelingen. Tenzij men op het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen er natuurlijk vanuit zou gaan dat het niet meer dan normaal is dat minderjarigen die op een onschuldig privé verjaardagsfeestje even uit de bol gaan maandenlange effectieve celstraffen (voorafgegaan door een voorhechtenis) foltering (75 zweepslagen) en forse geldboetes (in casu 100.00 Toeman) verdienen.... Aangezien de veroordeling er gekomen is door de officiële Iranese instanties, m.n. de Iranese rechterlijke macht, dient bovendien vastgesteld dat de problematiek van de verzoekende partij niet alleen religieus gestoeld is, doch tevens in de politieke gesteldheid van haar land van herkomst zijn oorsprong en bekrachtiging kent. Hoe schrijnend is het dan niet te moeten vaststellen dat de Adjunct Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, die verzoekster problematiek nochtans onderkent, er zich vanaf maakt met te stellen dat er slechts sprake is van "een misdrijf van gemeenrechtelijke aard waarvoor de normale rechtsgang moet worden doorlopen”! Dat deze absurde vorm van vervolging en bestraffing door verzoekster en haar kinderen overigens nog niet op systematische basis mocht worden genoten, kan hen bezwaarlijk kwalijk genomen en vermag al zeker niet de realiteit van de door de overheid bekrachtigde (religieuze) beknotting van hun vrijheid wegnemen. Evenmin is dit gegeven enigszins van aard de gegronde vrees voor vervolging en opsluiting weg te nemen die verzoekende partij voor/bij zichzelf en haar kinderen dagelijks blijft ondervinden voor het geval zij zouden dienen terug te keren naar Iran. De Orwelliaanse behandeling die verzoeksters echtgenoot in Iran sedert het vluchten van zijn gezin XIV-14.602-9/16 klaarblijkelijk te beurt blijft vallen (cf. 11.8), mag hierbij een bijkomend argument zijn. Tot slot dient opgemerkt dat verzoekster reeds eerder in de procedure het bewijs van arrestatie van haar kinderen heeft voorgebracht, dit terwijl moet worden vastgesteld dat in de bestreden beslissing hierover met geen woord wordt gerept.... Besloten dient dan ook dat de stelling van de Adjunct Commissaris Generaal dat verzoeksters asielaanvraag "geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen" kant nog wal raakt en derhalve de opgegeven wettelijke bepalingen op manifeste wijze schendt. III.2.5 Er kan in casu dan ook in geen geval vastgesteld worden dat de feiten die door de verzoekende partij zijn ingeroepen, kennelijk onwaar of bedrieglijk zijn op basis van de elementen die in de beslissing aangehaald worden. Evenmin is gebleken dat de door verzoeker ingeroepen elementen geen uitstaans zouden hebben met de criteria van het Verdrag van Genève dd. 28.7.1951 betreffende de Status van Vluchtelingen. De door de Adjunct Commissaris Generaal ontwikkelde argumentatie kan dan ook in geen geval een grond tot onontvankelijkheid zijn. De beslissing dd. 8.8.2002 is dan ook niet afdoende materieel gemotiveerd, onredelijk en onzorgvuldig geredigeerd. In de ontvankelijkheidsfase had er derhalve moeten geoordeeld worden dat in de gegrondheidsfase moest onderzocht worden of de verzoekende partij effectief aan het begrip vervolging voldeed. Enkel en alleen had de toegang tot de gegrondheidsfase kunnen geweigerd worden, indien er zou zijn vastgesteld dat het hele feitenrelaas van de verzoekende partij bedrieglijk was. In casu heeft de Adjunct Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen wel dergelijke gevolgtrekking gemaakt, doch volstrekt ongefundeerd want zonder de nodige grondslag op basis van verzoeksters dossier. In casu heeft de verzoekende partij aangetoond dat er niet op ernstige wijze aangenomen kan worden, dit in tegenstelling tot de bewoordingen van de eerste bestreden beslissing (die zodoende de tweede bestreden beslissing bijtreedt), dat de feiten die door de verzoekende partij zijn ingeroepen, bedrieglijk zouden zijn. De ingeroepen rechtsgronden zijn dan ook op kennelijke wijze geschonden.”; 3.2.2.1. Overwegende dat verzoekster de schending van de Conventie van Genève, van "het Protocol betreffende de status der Vluchtelingen, opgemaakt te New York op 31 januari 1967", van de artikelen 48 en 52, § 2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van het redelijkheidsbeginsel, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel, van het vertrouwensbeginsel en van het motiveringsbeginsel aanvoert; 3.2.2.2. Overwegende dat de schending van artikel 48 van de Vreemdelingenwet niet dienstig kan worden aangevoerd aangezien artikel 48 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat de vreemdeling "die voldoet aan de voorwaarden die te dien einde worden gesteld door de internationale overeenkomsten die België binden", als vluchteling kan worden erkend; dat de Conventie van Genève de verdragsluitende staten een ruime appreciatiebevoegheid geeft, meer in het bijzonder wat de organisatie van een procedure met betrekking tot het onderzoek naar de ontvankelijkheid van een asielaanvraag betreft; dat de Belgische overheid van deze bevoegdheid gebruik heeft gemaakt in artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat in casu XIV-14.602-10/16 verzoeksters asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard met toepassing van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat er dient vastgesteld dat, wat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het rechtszekerheidsbeginsel en van het vertrouwensbeginsel betreft, het verzoekschrift geen uiteenzetting van het middel bevat; dat in het geheel niet wordt verduidelijkt welke bepalingen van de als geschonden opgegeven verdragen zouden zijn miskend; dat uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster in wezen de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert; dat in casu de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk heeft verklaard; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verzoeksters asielaanvraag onontvankelijk heeft bevonden omdat ze geen verband houdt met de criteria van de Conventie van Genève noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat, met betrekking tot het motief ontleend aan de bedrieglijkheid van haar asielaanvraag verzoekster een aantal grieven doet gelden; dat, zoals reeds bij de bespreking van het eerste middel gesteld, de onregelmatigheid van het motief, ontleend aan de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag, op zich niet tot vernietiging van de aangevochten beslissing vermag te leiden; dat deze beslissing immers afdoende is geschraagd door de andere beweegreden (ontbreken van enig verband met de criteria van het Vluchtelingenverdrag); dat verzoekster ten eerste aanklaagt dat het haar volstrekt onduidelijk is waarom de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in aanmerking genomen tegenstrijdigheid met betrekking tot de datum van het verjaardagsfeestje waarbij haar kinderen alcohol hebben geconsumeerd, heel haar asielrelaas ongeloofwaardig maakt; dat zij erop wijst dat ze geen belang heeft bij leugenachtige verklaringen, dat ze te goeder trouw is en dat de precieze datum van haar verjaardagsfeestje voor de kern van haar asielrelaas van gering belang is; dat verzoekster tevens kritiek uit op het feit dat het oordeel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen als zou ze de betreffende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken nopens de datum van het kwestieus verjaardagsfeestje niet hebben afgelegd, niet volstaat, daar, volgens de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, verzoekster het verslag van haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken voor akkoord heeft ondertekend en op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen zelf heeft verklaard dat bij haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken alles naar wens is verlopen; dat zij te dezen doet gelden dat haar verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken door de onderzoeker in het Nederlands werden opgetekend en dat haar dus eigenlijk gevraagd werd in een voor haar onbegrijpelijke taal op schrift gestelde verklaringen voor gelezen en goedgekeurd te ondertekenen; dat de ondertekening van haar eigen verklaringen volgens verzoekster "waarde nihil" zou hebben; dat verzoekster ten tweede probeert het motief met betrekking tot de tegenstrijdigheid inzake de datum van het kwestieus verjaardagsfeestje in de feiten te weerleggen c.q. te ontkrachten; dat zij betoogt dat er sprake is van verwarring bij haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en dat er een misverstand moet gerezen zijn bij de persoon die haar heeft verhoord; dat het misverstand volgens verzoekster zijn oorsprong vindt in haar verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken omtrent de echte geboortedatum van haar XIV-14.602-11/16 dochter; dat verzoekster stelt wat dat laatste betreft dat de ware geboortedatum van haar ene dochter, XXX, 9 oktober 1984 is, dit is de datum die ook bij de Belgische asielinstanties als haar geboortedatum werd opgegeven; dat op de Iraanse identiteitsdocumenten van haar dochter echter 9 september 1984 als geboortedatum vermeld staat, omdat "het beter uitkwam om een maand vroeger te zijn geboren dan in werkelijkheid het geval (was)"; dat de dochter van verzoekster anders een studiejaar zou hebben "verloren"; dat bij het verhoor verzoekster dan ook heeft verklaard dat "het eigenlijke vieren van haar dochters verjaardagsfeest, teneinde geen wantrouwen te wekken, eveneens op een fictieve datum plaatsvindt, en niet op de ware datum (9 oktober)."; dat verzoekster betoogt dat zij bij haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken nog een andere reden gaf om haar verjaardag op de fictieve datum, meer bepaald 9 september, te vieren, meer bepaald het feit dat ze op deze manier meer vrienden en vriendinnen kon uitnodigen; dat verzoekster meent dat tijdens haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken deze twee elementen "door elkaar gehaspeld werden" en dat de in aanmerking genomen tegenstrijdigheid "met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid" hieraan toe te schrijven is; dat verzoekster betoogt, met betrekking tot het verschil van twee kalenderdagen tussen de, enerzijds, op de Dienst Vreemdelingenzaken (6 september 2000) en, anderzijds, de op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen (8 september 2000) opgegeven datum waarop het kwestieuze verjaardagsfeestje zou gehouden zijn, dat er "enige vermenging (
  3. is)ontstaan met haar verklaring dat er op het feestje, hoewel ze een hoger aantal verwacht had, slechts twee meisjes aanwezig waren"; dat voor het overige verzoekster blijft ontkennen dat zij op de Dienst Vreemdelingenzaken zou hebben verklaard dat het kwestieus verjaardagsfeestje op 6 september 2000 werd gehouden; dat uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster bij haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken geen opmerkingen heeft geformuleerd over eventuele vertaalproblemen, verwarringen of misverstanden en haar verklaringen voor akkoord heeft ondertekend; dat, nadat het verhoorverslag op de Dienst Vreemdelingenzaken aan haar werd voorgelezen, zij wijzigingen had kunnen laten aanbrengen, wat zij niet deed; dat verzoekster, bijgevolg akkoord ging met de inhoud van het verhoorverslag; dat de stelling van verzoekster dat de ondertekening van haar eigen verklaringen "waarde nihil" zou hebben, dan ook niet kan gevolgd worden; dat deze vaststelling des te meer klemt nu uit het administratief dossier overigens ontegensprekelijk blijkt dat verzoeksters verklaringen haar in het Perzisch werden voorgelezen; dat verzoeksters argument dat zij geen belang heeft bij het afleggen van tegenstrijdige verklaringen, aan deze vaststelling geen afbreuk doet; dat verzoekster mogelijkerwijs te goeder trouw is, evenmin afbreuk doet aan de vaststelling door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat haar asielaanvraag bedrieglijk is; dat kwade trouw, in de zin van een manifeste wil om de Belgische overheden, in het bijzonder de asielinstanties, te misleiden, niet vereist is om in redelijkheid tot het bedrieglijk karakter van een asielaanvraag te besluiten; dat, met betrekking tot het argument dat de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in aanmerking genomen tegenstrijdigheid slechts van gering belang is voor de kern van haar asielrelaas, dient opgemerkt dat tegenstrijdigheden als zwaarwichtig kunnen beschouwd worden XIV-14.602-12/16 wanneer ze essentiële elementen in de vluchtmotieven van een kandidaat-vluchteling betreffen; dat uit het administratief dossier ontegensprekelijk blijkt dat de door verzoekster ingeroepen vervolgingsfeiten een aanvang namen naar aanleiding van het kwestieus verjaardagsfeestje; dat tegenstrijdige verklaringen met betrekking tot het kwestieus verjaardagsfeestje dan ook rechtstreeks in verband staan met de directe aanleiding voor verzoeksters vlucht uit Iran en dan ook essentiële elementen in de vluchtmotieven van verzoekster betreffen; dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dan ook naar recht en redelijkheid uit de door hem in aanmerking genomen tegenstrijdigheid de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag kon afleiden; dat, met betrekking tot de tweede grief van verzoekster dient opgemerkt dat zij in wezen probeert post factum een verklaring naar voren te brengen voor de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in aanmerking genomen tegenstrijdigheid; dat haar verklaring echter niet van aard is om het motief ontleend aan de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag te weerleggen of te ontkrachten, aangezien verzoekster er nergens in slaagt aan te tonen of minstens aannemelijk te maken dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen op kennelijk onredelijke wijze verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk heeft verklaard; dat dit ten eerste het geval is omdat verzoekster slechts “vermoedt” dat tijdens haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken twee elementen, enerzijds, de fictieve geboortedatum en, anderzijds, de datum van het kwestieus feestje, door elkaar gehaspeld zijn; dat eenvoudige vermoedens echter nooit van aard zijn om aan het oordeel van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen afbreuk te doen; dat deze vaststelling des te meer klemt nu uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster bij haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken als enige geboortedatum van haar dochter 9 oktober opgaf (vraag 14 verhoorverslag Dienst Vreemdelingenzaken) en dat er nergens verder in het verhoorverslag van de Dienst Vreemdelingenzaken ook maar gewag wordt gemaakt van twee verschillende geboortedata; dat er dan ook niet valt in te zien hoe er van enig "verhaspelen" van verscheidene elementen op de Dienst Vreemdelingenzaken sprake zou kunnen zijn; dat ten tweede dient opgemerkt dat, zelfs al had verzoekster mogelijkerwijs een andere, fictieve geboortedatum van haar dochter opgegeven, zulks nog niet verklaart waarom er exact twee kalenderdagen liggen tussen de datum van het kwestieus verjaardagsfeestje die verzoeksters, enerzijds, opgaf bij haar verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken en, anderzijds, bij haar verhoor op het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat verzoekster ten andere zelf toegeeft dat ze daarnaar "compleet het raden" heeft; dat een dergelijke verklaring allerminst van aard is om aan te tonen dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de grenzen van de kennelijke redelijkheid zou hebben overschreden bij het nemen van zijn besluit dat verzoeksters asielaanvraag bedrieglijk is; dat het louter negeren van haar eigen verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken, zoals die blijken uit het betreffende verhoorverslag, evenmin van aard is om afbreuk te doen aan het voornoemde besluit van de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat dient besloten dat, wat betreft het besluit van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen nopens de XIV-14.602-13/16 bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag, de bestreden beslissing geschraagd wordt door pertinente, afdoende en deugdelijke motieven die steun vinden in het administratief dossier en niet weerlegd noch ontkracht worden door verzoekster en dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht toepassing heeft gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat, met betrekking tot het motief ontleend aan de vaststelling dat haar asielaanvraag vreemd is aan de criteria bepaald bij artikel 1, A, 2 van de Conventie van Genève, verzoekster doet gelden dat de bestreden beslissing "intern tegenstrijdig" is; dat verzoekster er op wijst dat er, enerzijds, in de bestreden beslissing wordt gesteld dat er slechts sprake is van problemen van "private" aard, terwijl er, anderzijds, niet wordt ontkend dat verzoekster en vooral haar twee kinderen met de Iraanse autoriteiten in aanraking zijn gekomen; dat verzoekster bovendien betoogt dat in de bestreden beslissing niet wordt ontkend dat zij en haar kinderen, als gematigde moslims, door het streng- orthodoxe moslim "korps van revolutiewachters" werden gearresteerd en ter beschikking van de rechtbank van Shiraz gesteld; dat verzoekster vervolgens doet gelden dat de veroordeling, meer bepaald tot de straf van 75 zweepslagen als lijfstraf en 100.000 Toeman als geldboete, er gekomen is door de officiële Iraanse instanties, zodat dient te worden vastgesteld dat de problematiek niet alleen religieus gestoeld is, doch tevens in de politieke gesteldheid van het land van herkomst zijn oorsprong en bekrachtiging kent; dat volgens verzoekster de stelling van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat haar asielaanvraag geen verband houdt met de criteria van de Conventie van Genève noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen "kant noch wal" raakt; dat dient vastgesteld dat er helemaal geen "interne tegenstrijdigheid" mee gepaard gaat, waar de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vaststelt dat de door verzoekster ingeroepen vervolgingsfeiten van private en gemeenrechtelijke aard zijn; dat de gemeenrechtelijke aard van de kwestieuze feiten inhoudt dat de feiten niet gekaderd kunnen worden binnen de criteria van de Conventie van Genève; dat er slechts sprake is van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève wanneer er vervolging is wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging; dat de veroordeling er gekomen is na een arrestatie door streng-orthodoxe moslims en dat de veroordeling tevens verband houdt met de "politieke gesteldheid" van Iran, nog niet betekent dat er ipso facto sprake is van vervolging wegens godsdienst of politieke overtuiging; dat, nergens uit het administratief dossier blijkt dat de kwestieuze veroordeling er gekomen is omwille van de politieke overtuiging(
  4. en)van verzoekster (en haar kinderen) of dat de problemen die ze hebben ondervonden er gekomen zijn omwille van hun religieuze overtuiging(en); dat verzoekster het nergens aannemelijk maakt dat de door haar ingeroepen vervolgingsfeiten wél verband houden met de overige criteria van de Conventie van Genève of met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat mogelijkerwijs de uitgesproken straffen "onmenselijke en vernederende straffen" uitmaken zoals bedoeld in het Verdrag van New York van 10 november 1984 betreffende de foltering en andere straffen en onmenselijke en vernederende behandelingen, en dat de feiten naar aanleiding van het kwestieus verjaardagsfeestje in het licht van de "universele mensenrechten" geen XIV-14.602-14/16 vrijheidsberoving wettigen, overigens geen afbreuk doet aan de vaststelling dat verzoeksters asielaanvraag geen verband houdt met de voornoemde criteria van de Conventie van Genève of andere criteria die de toekenning van asiel wettigen; dat dient worden besloten dat, wat betreft het besluit van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen dat verzoeksters asielaanvraag onontvankelijk is omdat ze geen verband houdt met de criteria van de Conventie van Genève noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen, de bestreden beslissing geschraagd wordt door pertinente, afdoende en deugdelijke motieven die steun vinden in het administratief dossier en niet weerlegd noch ontkracht worden door verzoekster en dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen terecht toepassing heeft gemaakt van artikel 52 van de Vreemdelingenwet; dat het tweede middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 4. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-14.602-15/16 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-14.602-16/16 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.421 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.