id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.421 Rolnummer: A. 135240/XIV-14602 Zaak: Arrest 166421 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 09/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:15 Fiche Arrest nr 166.421 van 9 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.421 van 9 januari 2007 in de zaak A. 135.240/XIV-14.602. In zake : XXX handelend in eigen naam en in de hoedanigheid van de wettelijke vertegenwoordigster van haar twee meerderjarige kinderen : 1. XXX, 2. XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Canadesen Hof, Bevrijdingslaan 4, bus 1 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraanse nationaliteit, op 9 april 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van 1) de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 maart 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan verzoekster aangetekend verzonden op 17 maart 2003 en 2) "de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 waarbij beslist wordt tot weigering van verblijf en waarbij bevel gegeven wordt om het grondgebied te verlaten"; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 15 april 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; XIV-14.602-1/16 Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat I. VERHELLE die, loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, van Iraanse nationaliteit, is in België binnengekomen op 8 oktober 2000 en heeft zich de volgende dag vluchteling verklaard. 1.2. Op 9 april 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten (tweede bestreden beslissing). 1.3. Op 12 maart 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 tot weigering van verblijf. Dit is de eerste bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) A. Vluchtrelaas U, een Iraans staatsburger van Perzische origine, verklaart problemen te hebben gehad in Iran omwille van het feit dat uw kinderen XXX en XXX alcohol hadden gedronken. Op 07/07/1379 (Iraanse tijdrekening; komt overeen met 29/09/2000 Europese tijdrekening) verliet u Iran. Op 17/07/1379 (09/10/2000) kwam u in België aan waar u op 09/10/2000 asiel aanvroeg. Volgens uw verklaringen op het Commissariaat-Generaal zijn uw problemen begonnen op 17/06/1379 (08/09/2000). Het was de verjaardag van uw dochter en u besloot een feestje te geven. Elf vrienden van uw kinderen waren aanwezig. Men was gekleed naar de gelegenheid en er werd alcohol gedronken. Toen het feestje een tweetal uur aan de XIV-14.602-2/16 gang was vielen een drie à viertal personen binnen van de Sepah-e Pasdaran (korps van revolutiewachters). De kinderen stelden zich op tegen hen maar werden allen gearresteerd. U en uw man zijn meegegaan naar het comité van Kavar waar jullie de nacht hebben doorgebracht. De volgende dag zijn u en uw man naar huis gegaan. De kinderen werden na twee dagen overgebracht naar de rechtbank van Shiraz. Enkele uren later zijn ze vrijgelaten op borg. Er werd eveneens een afspraak gemaakt dat ze zich enkele dagen later terug moesten aanmelden. Aangezien u en uw man vreesden dat de straf heel zwaar zou zijn besloten jullie dat u en de kinderen zouden vertrekken naar Teheran waar jullie verbleven bij een vriend. Op een bepaald moment kreeg u telefoon van uw echtgenoot die u wist te vertellen dat er een veroordeling was uitgesproken bij verstek. De straf bedroeg 6 maanden gevangenisstraf, 75 zweepslagen en een geldboete van 100.000 Toeman per kind. Omdat u schrik had dat uw kinderen deze straf niet zouden aankunnen besloot u het land te verlaten. Uit contact vanuit België met uw echtgenoot weet u dat hij gearresteerd geweest is en dat men hem twee weken heeft vastgehouden. Het huis dat u in borg had gegeven werd in beslag genomen en men komt regelmatig in de winkel van uw man. Ze verhinderen hem om het land te verlaten B. Motivering Vooreerst dient een ernstige tegenstrijdigheid te worden vastgesteld tussen uw opeenvolgende verklaringen bij Dienst Vreemdelingenzaken (DVZ) en het Commissariaat-Generaal (CGVS). Hierdoor komt de geloofwaardigheid van uw asielrelaas in het gedrang. Uw legde een tegenstrijdige verklaring af omtrent de datum waarop het feestje plaatsvond. Zo verklaarde u voor Dienst Vreemdelingenzaken dat u de verjaardag van uw dochter hebt gevierd op 15/06/1379 (06/09/2000), enkele dagen voor haar verjaardag, omdat zo haar meeste vrienden en vriendinnen aanwezig konden zijn (zie gehoor DVZ punt 42). Terwijl u voor het Commissariaat-Generaal verklaarde dat u het feestje hebt gevierd op 17/06/1379 (08/09/2000), de dag van haar verjaardag (zie gehoor CGVS p. 16-17). Tijdens het gehoor op het Commissariaat-Generaal werd u gewezen op de tegenstrijdigheid tussen de door u afgelegde verklaringen. Hierop hebt u verklaard dat u zo'n verklaring op Dienst Vreemdelingenzaken niet hebt afgelegd. Die verklaring kan niet als een afdoende uitleg worden beschouwd, omdat blijkt dat u de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen voor akkoord ondertekend heeft, u tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal verklaarde dat alles goed verlopen was voor de Dienst Vreemdelingenzaken daar u alles had kunnen vertellen en omdat u geen enkel element aanbrengt waaruit blijkt dat de door u op de Dienst Vreemdelingenzaken afgelegde verklaringen in het verslag verkeerd weergegeven zijn. Bovendien dient te worden opgemerkt dat deze feiten van private en gemeenrechtelijke aard zijn en als dusdanig buiten het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie vallen. U verklaarde uw land te hebben verlaten omwille van het feit dat uw kinderen bij verstek veroordeeld zijn tot zes maanden gevangenisstraf, 75 zweepslagen en een geldboete van 100.000 Toeman wegens het drinken van alcohol en hun niet aangepaste kledij. Hierbij dient te worden opgemerkt dat dit een misdrijf is van gemeenrechtelijke aard waarvoor de normale rechtsgang moet worden doorlopen. Niets wijst erop dat uw kinderen, omwille van één van de criteria voorzien in de Conventie van Genève, een oneerlijk proces hebben gekregen van de Iraanse autoriteiten. Aldus dient gewezen te worden op het feit dat de redenen waarop u uw asielaanvraag baseert strikt juridisch gezien niet onder één van de in de Geneefse Vluchtelingenconventie vastgestelde redenen ressorteren (redenen van politieke of religieuze overtuiging, uw nationaliteit of etnie of het behoren tot een sociale groep). De door u in het kader van uw asielprocedure neergelegde documenten wijzigen hetgeen hiervoor werd uiteengezet niet. De kopies van uw boekje van burgerlijke stand, het boekje van burgerlijke stand van uw man en twee kinderen bevatten enkel persoonsgegevens waaraan niet wordt getwijfeld. Het bewijs van arrestatie van uw twee kinderen tonen enkel aan dat uw kinderen gearresteerd zijn geweest maar wijzigen bovenstaande motivering niet. Gelet op het voorgaande kan in uw hoofde geen vermoeden van het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging, zoals bedoeld in de Conventie van Genève van 28 juli 1951, worden vastgesteld. XIV-14.602-3/16 C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag bedrieglijk is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat u uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat het geen verband houdt met de criteria van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen noch met andere criteria die de toekenning van asiel wettigen. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.). (...).”. 2. Over de ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat voorliggend beroep tevens gericht is tegen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 9 april 2001 tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat deze beslissing echter werd bevestigd door de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 12 maart 2003; dat, gelet op de devolutieve werking van het in artikel 63/2 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen bedoeld dringend beroep bij de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het beroep tegen voornoemde beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken niet ontvankelijk is, behoudens wat betreft het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; dat in casu uit de expliciete bewoordingen van de middelen blijkt dat geen enkel middel is gericht tegen het bevel om het grondgebied te verlaten van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken; dat de vordering derhalve ook in die mate niet- ontvankelijk is; 3. Over de gegrondheid van het beroep. 3.1.1. Overwegende dat verzoekster als eerste middel aanvoert: “III.1. Eerste middel. Schending van art. 2 en art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, B.S. 12 september 1991. III.1.1. De verzoekende partij is zich er uiteraard van bewust dat de betwiste administratieve beslissingen niet onderworpen zijn aan de jurisdictionele motiveringsplicht van art. 149 van de Gecoördineerde Grondwet. De verzoekende partij is zich er evenzeer van bewust dat art. 2 en art. 3 van genoemde Wet van 29 juli 1991 als zodanig geen betrekking hebben op de materiële motivering van bestuurshandelingen, doch op de formele motivering ervan. XIV-14.602-4/16 Dit alles belet echter niet dat elk orgaan van actief bestuur rekening dient te houden met alle relevante en objectieve elementen van het dossier. Wordt er verzuimd om een formele motivering te bieden m.b.t. een element dat nochtans determinerend kan zijn, dan weet - terwijl dit nu net het precieze objectief van de bedoelde motiveringsplicht uitmaakt - de adressant van de beslissing niet waarom er in zijnen hoofde een dergelijke beslissing is getroffen. III.1.2. In casu dient vastgesteld dat de bestreden beslissing van 12 maart 2003 verzoeksters asielaanvraag enerzijds als “bedrieglijk” bestempelt, zonder dat anderzijds hierin ook maar enigszins wordt aangegeven waarom de aanvraag dergelijk adjectief verdient. Het gegeven dat de Adjunct-Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen klaarblijkelijk een ernstige tegenstrijdigheid meent te kunnen putten uit het beweerdelijk door verzoekster opgegeven hebben van twee verschillende data voor het verjaardagsfeestje van haar dochter - gegeven dat, indien aangenomen wordt dat dit de materiële motivering van de bestreden beslissing zou behelzen, in het tweede ernstig middel wordt besproken (infra) - kan bezwaarlijk beschouwd worden als toelichting voor het predicaat "ernstige" tegenstrijdigheid, laat staan dat de asielaanvraag hierdoor ronduit “bedrieglijk” zou worden. III.1.3. Inderdaad, op geen enkele wijze wordt door de Adjunct Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen toegelicht waarom de formele en hardnekkige - en tot op heden aangehouden - ontkenning van verzoekster terzake van iedere waarde ontdaan is en waarom of hoe hieruit vervolgens de bedrieglijkheid van de gehele asielaanvraag moet worden afgeleid. Nog los van het gegeven dat verzoekster er geen enkel belang bij heeft leugenachtige verklaringen af te leggen over de datum waarop haar dochter haar verjaardagsfeestje zou hebben georganiseerd, het gegeven dat de precieze datum van het feestje voor de kern van haar vluchtrelaas van gering belang is, het gegeven dat, nu verzoekster uit een land komt waar een andere kalender geldt, er op Dienst Vreemdelingenzaken makkelijk verwarring omtrent de precieze datum hiervan kan zijn ontstaan, is het verzoekster volstrekt onduidelijk waarom deze ene weerhouden, schijnbare tegenstrijdigheid meteen heel haar asielrelaas ongeloofwaardig, zelfs 'bedrieglijk' maakt, a fortiori nu er aan de persoonsgegevens van zowel verzoekster zelf als van haar kinderen niet wordt getwijfeld en er klaarblijkelijk geen andere tegenstrijdigheden in haar relaas werden weergevon(d)en. Indachtig de even welbekende als beruchte gevestigde praktijk van het Commissariaat Generaal om iedere minieme afwijking tussen de opeenvolgende door asielzoekers afgelegde verklaringen te baat te nemen om een banvloek uit te spreken over de geloofwaardigheid van hun asielaanvragen en -relazen, dient in voorliggende casus de afwezigheid van enige verdere tegenstrijdigheid in verzoeksters verklaringen bijgevolg als ernstige, bijkomende aanwijzing te worden beschouwd van de goede trouw en het niet-bedrieglijk karakter van haar aanvraag. Vermits verzoekster terecht van mening moet worden geacht geen duidelijkheid te zijn verschaft omtrent het waarom van de bedrieglijk- verklaring van (heel) haar asielaanvraag, dient besloten dat de bestreden beslissing in die zin geenszins afdoende formeel is gemotiveerd en zodoende artikel 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen schendt. III.1.4. De overweging dat het door verzoekster louter tegenspreken van haar vermeende tegenstrijdige verklaringen niet als een afdoende uitleg kan worden aanvaard nu zij beweerd heeft dat op de Dienst Vreemdelingenzaken alles naar wens was verlopen en nu zij de door haar afgelegde verklaringen voor akkoord heeft ondertekend, is evenmin van aard een afdoende formele motivering van de beslissing uit te maken. Immers, de Adjunct Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen weet beter dan wie ook dat het vluchtrelaas dat op de Dienst XIV-14.602-5/16 Vreemdelingenzaken uit de mond van de asielzoeker wordt opgetekend in de taal van de onderzoeker (in casu het Nederlands), en dus niet in een taal die de verzoekster - van Iranese afkomst en op het ogenblik van de verklaring nog onvoldoende lang in België opdat van haar redelijkerwijs zou mogen worden verwacht dat zij het Nederlands reeds machtig is - begrijpt. Wanneer achteraf de ondervraagde asielzoeker, zoals in casu verzoekster, gevraagd wordt de in een voor haar onbegrijpelijke taal op schrift gezette door haar afgelegde verklaringen voor 'gelezen en goedgekeurd' te onderteken, dan mag het toch duidelijk zijn dat deze ondertekening/goedkeurig waarde nihil heeft en dat de verwijzing hiernaar in de bestreden beslissing om hiermee de onbetwistbaarheid van de correcte weergave van het asielrelaas aan te tonen niet kan worden geacht een afdoende materiële motivering voor de vermeende bedrieglijkheid van de asielaanvraag uit te maken. Ook m.b.t. dit onderdeel van de bestreden beslissing kan verzoekster er bijgevolg niet anders dan van uit gaan dat de terzake in de bestreden beslissing weerhouden overwegingen niet als materiële motivering voor de vermeende bedrieglijkheid van haar asielaanvraag bedoeld zijn, én dat er dus bijgevolg gewoonweg niet werd aangegeven waarom haar asielaanvraag het predikaat bedrieglijk werd toegekend. III.5. Besloten moet aldus worden dat in de eerste bestreden beslissing niet formeel (laat staan materieel) werd gemotiveerd waarom verzoekers asielaanvraag "bedrieglijk" zou zijn. De formele motiveringsplicht zoals omschreven in de artikelen 2 en 3 van de Wet dd. 29.7.1991 is manifest geschonden. Mocht de Adjunct Commissaris Generaal per impossibile toch de tegenovergestelde mening zijn toegedaan, dan dient de motivering m.b.t. het bedrieglijk karakter van de asielaanvraag te worden verworpen wegens schending van de materiële motiveringsplicht (infra).”; 3.1.2.1. Overwegende dat verzoekster de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen aanvoert; dat verzoekster in essentie doet gelden dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen haar asielaanvraag bedrieglijk verklaart, zonder dat "ook maar enigszins wordt aangegeven waarom de aanvraag dergelijk adjectief verdient"; 3.1.2.2. Overwegende dat de aangevochten beslissing afdoende is geschraagd door het motief in verband met het ontbreken van enig verband met de criteria van het Vluchtelingenverdrag; dat de onregelmatigheid van het motief, ontleend aan de bedrieglijkheid van verzoeksters asielaanvraag, op zich dan ook niet vermag tot vernietiging van de aangevochten beslissing te leiden; dat verzoekster niet kan gevolgd worden waar zij aanvoert dat haar asielaanvraag bedrieglijk wordt verklaard, zonder dat door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen aangegeven wordt waarom haar asielaanvraag dergelijk adjectief verdient; dat er in de bestreden beslissing duidelijk wordt op gewezen dat er een ernstige tegenstrijdigheid dient te worden vastgesteld tussen verzoeksters opeenvolgende verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, waardoor de geloofwaardigheid van haar asielrelaas in het gedrang komt; dat ze op de Dienst Vreemdelingenzaken verklaarde dat het feestje plaatsvond op 15/06/1379 (06/09/2000), enkele dagen vóór de verjaardag van haar dochter omdat zo haar meeste vrienden en vriendinnen aanwezig konden zijn; dat volgens haar verklaringen op het Commissariaat- XIV-14.602-6/16 generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het feestje plaatsvond op de dag zelf van de verjaardag (17/6/1379 of 8/9/2000); dat, voor zover verzoekster in haar eerste middel van de schending van de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 gewaagt omwille van een gebrek aan kenbaarheid van de motieven, dient te worden besloten dat het eerste middel niet gegrond is; dat, voor zover verzoekster in haar eerste middel van de schending van de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 gewaagt omwille van een gebrek aan draagkracht van de motieven, de concrete grieven die verzoekster te dezen uiteenzet bij de bespreking van het tweede middel zullen onderzocht worden; 3.2.1. Overwegende dat verzoekster als tweede middel aanvoert: “III.2. Tweede middel. Schending van het Internationaal Verdrag van Genève betreffende de Vluchtelingen en de Staatslozen, ondertekend op 28 juni 1951 en goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953, B.S. 4 oktober 1953. Schending van het protocol betreffende de status der Vluchtelingen opgemaakt te New York op 31 januari 1967. Schending van artikel 48 en 52 §2 van de Wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, B.S. 31 december 1980. Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur als daar zijn het redelijkheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel, alsook van het beginsel dat elke bestuurshandeling door een materieel motief moet gedragen worden. III.2.1 Overeenkomstig art. 52 §2 van de Vreemdelingenwet kan een aanvraag als onontvankelijk afgewezen worden wanneer de aanvraag klaarblijkelijk steunt op motieven die totaal vreemd zijn aan asiel, inzonderheid omdat ze bedrieglijk zouden zijn of omdat ze geen verband zouden houden met de criteria bepaald bij artikel 1 A, 20 van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. III.2.2. Verzoekende partij herinnert voorafgaandelijk aan de betoogde niet-afdoende formele motivering van de beslissing van de Adjunct Commissaris Generaal (supra). III.2.3. Waar in de (eerste) bestreden beslissing gewezen wordt op het gegeven dat verzoekster tijdens het interview op Dienst Vreemdelingenzaken en ter gelegenheid van haar verklaringen op het Commissariaat Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, een verschillende datum zou hebben opgegeven m.b.t. het feestje ter gelegenheid van de verjaardag van haar dochter, en hieruit vervolgens de bedrieglijkheid van de gehele asielaanvraag wordt afgeleid, volstaat dit naar het oordeel van de verzoekende partij niet om haar asielaanvraag onontvankelijk te verklaren en zodoende een onderzoek naar de gegrondheid van de aanvraag uit te sluiten. Wanneer dit onderdeel van de bestreden beslissing toch zou moeten worden geacht de toelichting -en dus de formele motivering (supra, eerste middel) - uit te maken bij het vermeende "bedrieglijk' karakter van verzoeksters asielaanvraag, dan heeft laatstgenoemde de eer op te merken dat dergelijke magere vaststelling geenszins bovenvermelde verregaande en ongefundeerde kwalificatie van de aanvraag kan wettigen. Immers, de verzoekende partij, hiermee geconfronteerd ter gelegenheid van het verhoor op het Commissariaat Generaal, heeft op afdoende wijze deze schijnbare tegenstrijdigheid in haar opeenvolgende verklaringen weerlegd door tot vervelens toe te benadrukken dat zij gewoonweg nooit gezegd heeft dat het verjaardagsfeestje van haar dochter op 15/6/1379 (6 september 2000) i.p.v. op 17/6/1379 (8 september 2000) werd gehouden, laat staan dat ze voor het op een andere datum houden van het feestje een specifieke reden zou XIV-14.602-7/16 hebben opgegeven ('meer vrienden en vriendinnen konden hierdoor aanwezig zijn'). De verzoekende partij is van oordeel dat de vermeende tegenstrijdigheid terug te leiden is tot een misverstand en dat er onduidelijkheid moet hebben geheerst bij de afnemer van het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken. Eén en ander kan zijn oorsprong vinden in het verhaal, door verzoekster op de Dienst Vreemdelingenzaken uit de doeken gedaan, over de correcte geboortedatum van haar dochter. Immers, de ware geboortedatum van XXX is 9 oktober 1984 - datum die ook bij de Belgische instanties als haar geboortedatum werd opgegeven. Op haar Iranese identiteitsdocumenten evenwel staat als geboortedatum 9 september 1984, dit om reden dat het verzoeksters dochter op het moment dat haar deze documenten werden afgeleverd beter uitkwam om een maand vroeger te zijn geboren dan in werkelijkheid het geval, meer bepaald nu zij zonder deze ‘aanpassing' niet een studiejaar zou verliezen en pas het volgende kalenderjaar met dat jaar een aanvang zou moeten nemen. Op het verhoor heeft verzoekster dan ook toegelicht dat het eigenlijke vieren van haar dochters verjaardagsfeest, teneinde geen wantrouwen te wekken, eveneens op de fictieve datum plaatsvindt, en niet op de ware datum (9 oktober). Een andere reden die verzoekster hierbij opgaf ter gelegenheid van het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken is dat het in september vieren van de verjaardag van haar dochter toelaat meer vrienden en vriendinnen uit te nodigen.... Dit is inderdaad precies dezelfde redengeving als deze die in de bestreden beslissing wordt opgedist om het beweerdelijk twee dagen op voorhand houden van het verjaardagsfeestje te motiveren. De verzoekende partij vermoedt dan ook dat tijdens het interview op de Dienst Vreemdelingenzaken deze twee elementen dooreen gehaspeld werden en dat de vermeende tegenstrijdigheid met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid hieraan toe te schrijven is. Waar het precies twee dagen eerder houden van het verjaardagsfeestje vandaan komt, heeft verzoekster echter kompleet het raden naar, tenzij er enige vermenging zou zijn ontstaan met haar verklaring dat er op het feestje, hoewel ze een hoger aantal had verwacht, slechts twee meisjes aanwezig waren. In elk geval kan er geen twijfel over bestaan dat het verjaardagsfeest van verzoeksters dochter op 17/5/1379 (8 september 2000) en niet op 15/6/1379 (6 september 2000) werd weerhouden, evenmin dat verzoekster hieromtrent geenszins een dergelijke verklaring heeft afgelegd. Anderzijds kan zij uiteraard slechts gissen naar de werkelijke wijze waarop het misverstand is kunnen tot stand komen, evenwel niet zonder dat zij hiervoor bij wege van voorliggend verzoekschrift enige ver van onwaarschijnlijke potentiële denkpistes heeft naar voor geschoven. Voorts kan de verzoekende partij slechts herhalen dat zij er sowieso hoegenaamd geen enkel belang bij heeft leugenachtige verklaringen af te leggen over de datum waarop haar dochter haar verjaardagsfeestje zou hebben gehouden, alsook dat de jammerlijk ontstane verwarring omtrent de precieze datum van dit feestje niets afdoet aan de (betrouwbaarheid van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.