← België

Arrest 166422 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 09/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.422 Rolnummer: Zaak: Arrest 166422 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 09/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-24 Raadplegingen: 47 - laatst gezien 2026-06-29 06:15 Fiche Arrest nr 166.422 van 9 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.422 van 9 januari 2007 in de zaken A. 138.221/XIV-15.639 138.223/XIV-15.

  1. In zake : I. XXX, II. XXX, die woonplaats kiezen bij Advocaat J.-L. TEHEUX, kantoor houdende te 4020 LUIK, rue de chaudfontaine 13 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servisch- Montenegrijnse nationaliteit, op 20 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Servisch- Montenegrijnse nationaliteit, op 20 juni 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 21 mei 2003 tot bevestiging van de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 15 juli 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; XIV-15.639-1/6 Gezien het administratief dossier van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de beschikkingen van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 6 december 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. VAN BAELEN die, loco Advocaat J.-L. TEHEUX verschijnt voor de verzoekende partijen en van Attaché Fr. VEREEKEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de procedure. Overwegende dat de echtgenoten XXX en XXX, ieder in een afzonderlijk verzoekschrift de nietigverklaring vragen van de voornoemde bevestigende beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat in hun respectieve verzoekschriften beide echtgenoten identiek hetzelfde enig middel aanvoeren; dat, in het belang van een goede rechtsbedeling, het aangewezen is beide beroepen van de zaken samen te behandelen en te berechten;
  3. Over de gegevens van de zaken. Overwegende dat de gegevens van de zaken als volgt kunnen worden samengevat: 2.
  4. XXX, van Servisch-Montenegrijnse nationaliteit, is in België binnengekomen op 20 juni 1999 en heeft zich de volgende dag vluchteling verklaard. 2.
  5. Op 6 maart 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. XIV-15.639-2/6 2.
  6. Op 21 mei 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf. Dit is de eerste bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u werd verstuurd op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. 2.
  7. A. XXX, van Servisch-Montenegrijnse nationaliteit, is in België binnengekomen op 20 juni 1999 en heeft zich de volgende dag vluchteling verklaard. 2.
  8. Op 6 maart 2001 neemt de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 2.
  9. Op 21 mei 2003 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken van 6 maart 2001 tot weigering van verblijf. Dit is de tweede bestreden beslissing die luidt als volgt: “(...) Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u werd verstuurd op uw gekozen woonplaats. Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. (...).”. XIV-15.639-3/6
  10. Over de gegrondheid van de beroepen. 3.
  11. Overwegende dat verzoekers als enig middel aanvoeren: “
  12. EXPOSE DE DROIT Sur l'unique moyen pris de l'excès de pouvoir, de la violation des formalités prescrites à peine de nullité, des articles 50 et 52 de la loi du 15 décembre 1980 sur l'accès au territoire, le séjour, l'établissement et l'éloignement des étrangers. de l'erreur manifeste d'appréciation et des principes de bonne administration. La partie adverse motive l'acte attaqué par le désintérêt dont aurait fait preuve la requérante en ne se présentant pas à la convocation qui lui a été adressée alors qu'en introduisant un recours contre la décision de refus de séjour avec ordre de quitter le territoire lui notifié par l'Office des Etrangers du 06.03.2001, la requérante a marqué officiellement son désaccord avec cette décision. La requérante a avisé le Commissariat Général de son impossibilité de répondre à la convocation en raison de son état de santé; il a adressé le certificat médical confirmant sa maladie et l'interdiction qui lui était faite de sortir. Si le Commissaire Général n'est pas tenu de la loi d'entendre le candidat réfugié, il n'en reste pas moins que la partie adverse, dès lors qu'elle décidait de convoquer la requérant pour procéder à son audition et que la requérant, par l'envoi d'un certificat médical, a manifesté le désir d'être entendue, le C.G.R.A. ne pouvait faire abstraction du certificat médical établissant l'impossibilité pour la requérante d'être présente à l'audition, il ne pouvait, sans l'avoir entendue, décider que le recours urgent ne contenait aucun élément neuf de nature à remettre en cause le bien-fondé de la décision incriminée. En conclusion, l'acte attaqué doit être annulé.”; 3.
  13. Overwegende dat de verzoekende partijen nalaten aan te duiden op welke wijze de bestreden beslissingen artikel 50 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) hebben geschonden; dat, voor zover de verzoekende partijen van een schending van "de beginselen van behoorlijk bestuur" gewag maken, dient opgemerkt dat zij niet eens aanduiden welk(e) beginsel(en) van behoorlijk bestuur zij geschonden achten; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen bij brief van 25 februari 2003, die aangetekend werd verzonden naar de laatst gekozen woonplaats van de verzoekende partijen, beide verzoekende partijen heeft opgeroepen om te worden verhoord; dat uit de stukken van het administratief dossier tevens blijkt dat de verzoekende partijen, via een ter post aangetekende brief van 17 maart 2003, binnen de maand na voormelde brief van 25 februari 2003, aan de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen hebben meegedeeld dat zij omwille van gezondheidsredenen niet aanwezig zouden kunnen zijn op het voorziene verhoor; dat de verzoekende partijen aan hun brief van 17 maart 2003 elk een afzonderlijk medisch attest voegen waaruit ontegensprekelijk blijkt dat zij omwille van ziekte niet in staat zijn "om naar buiten te gaan en zich te verplaatsen"; dat in artikel 52, § 2, 4/ van de Vreemdelingenwet wordt bepaald dat een asielaanvraag onontvankelijk kan worden verklaard wanneer de vreemdeling binnen de maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan de oproeping of een verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden kan opgeven; dat wanneer de verzoekende partijen bij aangetekende brief op hun laatst gekozen woonplaats worden uitgenodigd door de Commissaris-generaal voor de XIV-15.639-4/6 vluchtelingen en de staatlozen om hun asielrelaas te komen toelichten, de verzoekende partijen worden verzocht om, in geval van overmacht, het bewijs van de ingeroepen overmacht en de elementen ter ondersteuning van haar asielaanvraag, binnen de maand volgend op de oproeping, per aangetekend schrijven over te maken aan de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat de oproepingsbrief duidelijk vermeldt dat de status van vluchteling kan worden geweigerd wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen, ondanks het bewijs van overmacht; dat de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen in casu op grond van artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet, beide bevestigende beslissingen heeft genomen; dat de beide bevestigende beslissingen op hetzelfde, determinerende motief steunen: “Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag onontvankelijk is. U heeft immers, zonder geldige reden, geen gevolg gegeven binnen de maand aan de vraag om inlichtingen vervat in de brief die u aangetekend werd verstuurd op 26 februari 2003 op uw gekozen woonplaats.”; dat de verzoekende partijen er ten onrechte van uit gaan dat de bestreden beslissingen werden genomen omdat zij geen gevolg hebben gegeven aan de uitnodigingen voor het verhoor; dat deze niet daarop zijn gesteund, doch wel op het geen gevolg geven aan de vraag om inlichtingen; dat uit het administratieve dossier duidelijk blijkt dat de verzoekende partijen aan de vraag om inlichtingen geen gevolg hebben gegeven; dat het enig middel, in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is;
  14. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vorderingen tot schorsing, als accessoria van de nietigverklaring, derhalve samen met de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. De zaken nrs. A. 138.221/XIV-15.639 en 138.223/XIV-15.641 worden gevoegd. Artikel
  16. De vorderingen tot schorsing en de beroepen tot nietigverklaring worden verworpen. XIV-15.639-5/6 Artikel
  17. De kosten van de beroepen, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari tweeduizend en zeven, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-15.639-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.422 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.