id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.435 Rolnummer: A. 175253/X-12962 Zaak: Arrest 166435 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-24 Raadplegingen: 68 - laatst gezien 2026-06-29 06:15 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(
- en)DE Fiche Arrest nr 166.435 van 9 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.435 van 9 januari 2007 in de zaak A. 175.253/X-12.962. In zake : 1. Raymond DE ROOVER, 2. Seraphina DE ROOVER, die woonplaats kiezen bij Advocaat J. BILLIET, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 146, bus 9 tegen : 1. de gemeente HEIST-OP-DEN-BERG, die woonplaats kiest bij Advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CAREME, kantoor houdende te 3001 HEVERLEE-LEUVEN, Industrieweg 4, bus 1, 2. de Deputatie van de provincieraad van ANTWERPEN. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raymond DE ROOVER en Seraphina DE ROOVER op 26 juli 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van: 1/ het besluit van de gemeenteraad van de gemeente Heist-op-den-Berg van 21 februari 2006 houdende definitieve vaststelling van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Het Moer"; 2/ het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen van 20 april 2006 houdende goedkeuring van het gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "Het Moer" van de gemeente Heist-op-den-Berg; Gezien de nota's van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 17 november 2006; X-12.962-1/7 Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat F. van DIEVOET die loco Advocaat J. BILLIET verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat K. VAN HERCK die loco Advocaten P. LUYPAERS en H.-K. CARÈME verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van bestuurssecretaris E. VAN MEENSEL die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; Overwegende dat de verwerende partijen de ontvankelijkheid van het beroep betwisten; dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vordering tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen exceptie te onderzoeken; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende dat, wat de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, de verzoekende partijen uiteenzetten wat volgt: "Dat zoals boven reeds werd aangehaald, de bestemming van de percelen van verzoekers wordt omgevormd van bouwgrond naar zone voor binnenplaatsen en tuinen én dat de ontsluiting van de percelen van verzoekers die was voorzien in het toenmalige BPA Het Moer door het nieuwe GRUP Het Moer wordt afgeschaft; Dat deze veranderingen ten aanzien van het BPA Het Moer allerminst een louter financieel - en dus principieel herstelbaar - nadeel teweegbrengen, maar dat de waarde en het nut van de percelen van verzoekers ten gevolge van het GRUP 'Het Moer' fundamenteel wordt herleid; Dat de X-12.962-2/7 procedure voor het Hof van Beroep te Antwerpen ernstige vertraging zal oplopen; Dat verzoekers voor het overige verwijzen naar hun uiteenzetting hieronder, Dat ingevolge de bestemmingsvoorschriften van het GRUP 'Het Moer' de bestemming van de percelen van verzoekers wordt omgezet van bouwland naar zone voor binnenplaatsen en tuinen; Dat dit een gehele ommekeer is ten aanzien van het BPA 'Het Moer' waarin werd voorzien in een ontsluiting van de percelen bouwland van verzoekers; Dat de bestemming tot een zone voor binnenplaatsen en tuinen duidelijk elk nut ontneemt aan de gronden van verzoekers en hen in de onmogelijkheid stelt om bij de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing hiermee nog iets nuttig aan te vangen; Dat verzoekers hieromtrent wijzen op de stedenbouwkundige voor-schriften bij het GRUP Het Moer wat betreft de complementaire functies in de strook voor binnenplaatsen en tuinen: (...) Dat uit de stedenbouwkundige voorschriften aldus duidelijk blijkt dat elk nut aan de percelen van verzoekers wordt ontnomen; Dat immers aan verzoekers elke mogelijkheid wordt ontnomen om nog enige constructie op hun percelen aan te brengen; Dat de ontsluiting van de percelen van verzoekers overeenkomstig het oude BPA Het Moer niet kon worden doorgevoerd, aangezien een onwettig vergunde verkaveling verleend door de gemeente Heist-op-den-Berg d.d. 05.05.1992 het verzoekers definitief onmogelijk maakte om hun grond overeenkomstig de bepalingen van dit BPA te verkavelen; Dat de toestemming van de eigenaars binnen de onwettig vergunde verkaveling d.d. 05.05.1992 immers vereist was om de percelen van verzoekers nog te kunnen ontsluiten; Dat deze toestemming onmogelijk kon worden verkregen; Dat verzoekers op 16 december 1998 een aanvraag indienden tot het bekomen van een stedenbouwkundig attest nr. 2 met het oog op de verkaveling van het achtergelegen perceel bouwland samen met de drie aanpalende percelen gelegen aan de straat Het Moer, dit alles conform het goedgekeurde BPA (...); Dat deze aanvraag door de gemeente Heist-op-den-Berg op 14 maart 2000 werd afgewezen; Dat verzoekers op 1 april 2000 een tweede aanvraag indienden tot het bekomen van een stedenbouwkundig attest nr. 2; Dat in dit ontwerp van verkaveling rekening gehouden werd met de verkavelingsvergunning d.d. 5 mei 1992 en een uitweg werd geconcipieerd langs de provinciebaan, de Liersesteenweg; Dat de gemeente Heist-op-den-Berg de aanvraag op 27 november 2001 opnieuw heeft geweigerd omdat 'de voorgestelde ontsluiting niet voorzien is in het goedgekeurde BPA 'Het Moer' er derhalve niet mee in overeenstemming is' (sic) (...); Dat de gemeente Heist-op-den-Berg verzoekers had gerustgesteld dat zij hun percelen bouwgrond zouden kunnen ontsluiten ingevolge een nog goed te keuren GRUP 'Het Moer'; Dat verzoekers echter op geen enkele wijze persoonlijk op de hoogte werden gebracht van de herziening van het BPA Het Moer; Dat overeenkomstig de voorontwerpen van dit GRUP de percelen van verzoekers inderdaad konden worden ontsloten; Dat de gemeente Heist-op-den-Berg en de provincie Antwerpen echter op onrechtmatige wijze rekening hebben gehouden met ingediende bezwaren na het openbaar onderzoek, het verslag van de Gecoro d.d. 14.12.2005 en de toelichtingsnota van de IOK; Dat zij zonder enig advies in te winnen essentiële bepalingen van het voorontwerp hebben aangepast en aldus de ontsluiting van de percelen van verzoekers onmogelijk hebben gemaakt; Dat zij bovendien de bestemming van de percelen van verzoekers hebben omgevormd van bouwgrond tot zone voor binnenplaatsen en tuinen; Dat verzoekers rekenden op bepalingen in het GRUP 'Het Moer' die hen in staat zouden stellen hun (toenmalige) bouwgronden te ontsluiten en op deze een X-12.962-3/7 project uit te voeren tot de bouw van een aantal loten; Dat dit project geheel in de lijn ligt van het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen (RSV), de adviezen van de planologische ambtenaar, de Minister en de Bestendige Deputatie van de provincie Antwerpen die stelden dat de woningdichtheid in het desbetreffende gebied diende te worden verhoogd, onder andere door inbreiding in het gebied tussen de Moerstraat, de Schrieksesteenweg en de Goorweg; Dat verzoekers aldus sinds 14 maart 2000 -datum waarop zij kennis namen van de schade voortvloeiend uit de manifest onwettige verkavelingsvergunning d.d. 05.05.1992- wachten op een oplossing voor de ontsluiting van hun percelen; Dat verweerders door middel van de voorontwerpen van het GRUP Het Moer in een mogelijke oplossing voorzagen voor de percelen van verzoekers; Dat verzoekers hun project wilden aanvatten vanaf de goedkeuring van het GRUP Het Moer zoals geconcipieerd in de voorontwerpen; Dat het aangepaste GRUP Het Moer echter elk project vanwege verzoekers op hun percelen onmogelijk maakt; Dat een onmiddellijke schorsing van het GRUP Het Moer zich opdringt, teneinde het project van verzoekers te vrijwaren; Dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing de gemeente zal toelaten om over te gaan tot het afleveren van een individuele bouwvergunning wat betreft andere percelen gelegen aan het Moer; Dat eigenaars van andere percelen aldus constructies kunnen oprichten op een gebied waar de eigenlijke ontsluitingsweg voor de percelen van verzoekers werd geconcipieerd volgens de voorontwerpen van het GRUP Het Moer; Dat dit tot gevolg zal hebben dat een verharding ter ontsluiting van de percelen van verzoekers ook voor de toekomst - mogelijks in de hypothese dat het GRUP Het Moer niet wordt geschorst, maar wel vernietigd gezien haar manifeste onwettigheid - zal worden uitgesloten; Dat een onmiddellijke schorsing zich aldus opdringt teneinde een moeilijk te herstellen nadeel te voorkomen en te vermijden dat verzoekers in een onomkeerbare situatie terechtkomen; Dat de hinder die aldus zou worden veroorzaakt, moeilijk te herstellen is; Dat verzoekers einde 2005 informatie hebben ingewonnen bij de gemeente Heist-op-den-Berg wat betreft de voorontwerpen van het GRUP Het Moer; Dat op basis van deze voorontwerpen de landmeter de heer Eylenbosch van verzoekers verschillende mogelijkheden heeft ontworpen om de percelen van verzoekers te bebouwen; Dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het GRUP Het Moer de inspanningen van de landmeter teniet zou doen; Dat verzoekers in een procedure voor het Hof van Beroep te Antwerpen (2006/AR/537) schadevergoeding eisen van de gemeente Heist-op-den-Berg en het Vlaamse Gewest wegens het verlenen van een verkavelingsvergunning, namelijk deze verleend op 05.05.1992, die manifest in strijd is met het toen geldende BPA 'Het Moer'; Dat de inwerkingtreding en de uitvoering van het GRUP 'Het Moer' de procedure voor het Hof van Beroep te Antwerpen ernstig zal vertragen en bemoeilijken; Dat er tevens dient te worden gewezen op de respectabele leeftijd van verzoekers; Dat een onmiddellijke schorsing zich opdringt om aan verzoekers de mogelijkheid te laten de hun toebehorende percelen nog -op een nuttige wijze- te kunnen verkopen; Dat zoals boven en onder aangetoond, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel samenhangt met de voorschriften en plannen van het GRUP Het Moer en met de ernstige middelen die verzoekers aanvoeren; Dat uit de rechtspraak van uw Raad blijkt dat wanneer een meervoudig nadeel met verschillende componenten wordt aangevoerd, het niet opgaat om elk van deze componenten afzonderlijk te beoordelen en het nadeel te verwerpen omdat één van de componenten ervan op zichzelf beschouwd niet ernstig of niet moeilijk te herstellen zou zijn; (...) X-12.962-4/7 Dat blijkens artikel 17, § 2, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, de eis omtrent het nadeel voor de toewijzing van een vordering tot schorsing niet is dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel 'zal berokkenen' maar dat (zij) zulk een nadeel 'kan berokkenen'; Dat aldus volstaat dat verzoekers het reëel risico lopen een nadeel te ondergaan; Dat er tot slot kan worden op gewezen dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel voortvloeit uit de ernst van de middelen tot schorsing"; Overwegende, wat betreft het vereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, dat een verzoeker zich niet mag beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dat hij integendeel zeer concrete gegevens moet aanvoeren waaruit blijkt dat hij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaat of kan ondergaan, zodat de Raad van State kan nagaan of er al dan niet een dergelijk nadeel voorhanden is, en het voor de tegenpartijen mogelijk is om zich met kennis van zaken tegen de door de verzoeker aangehaalde feiten en argumenten te verdedigen; dat te dezen de verzoekende partijen geen gegevens aanbrengen waaruit zou moeten blijken dat de eventuele onmogelijkheid om hun gronden te verkavelen en de daaruit door hen geschetste voortvloeiende gevolgen, hun een ernstig en tevens moeilijk te herstellen nadeel oplevert; dat zij met name geen gegevens aanvoeren waaruit kan blijken dat de realisatie van hun "verkavelingswil" voor hen een bijzonder belang vertoont; dat het niet kunnen realiseren van deze verkavelingswil derhalve in wezen neerkomt op een financieel nadeel; dat een financieel nadeel in beginsel niet moeilijk te herstellen is; dat de verzoekende partijen geen concrete en precieze gegevens bijbrengen waaruit zou kunnen blijken dat dit in casu wel het geval zal zijn; dat ook hun bewering dat de voor het Hof van Beroep te Antwerpen aanhangige vordering tot schadevergoeding ernstig zal worden vertraagd en bemoeilijkt, te herleiden is tot een financieel nadeel waarvan niet is aangetoond dat het moeilijk te herstellen is; dat het nadeel afgeleid uit het "tenietdoen" van de inspanningen van de landmeter, geen persoonlijk nadeel is; dat voorts de tijd die een annulatieprocedure in beslag neemt niet in aanmerking kan worden genomen, aangezien, naar de bedoeling van de wetgever, het moeilijk te herstellen ernstig nadeel moet voortvloeien uit de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit en niet uit de tijd die de annulatieprocedure in beslag neemt; dat verder de wettelijke voorwaarde van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel een constitutieve en autonome schorsingsvoorwaarde is; dat de aard evenals de graad van ernst van de ingeroepen middelen, en met andere woorden de graad van onwettigheid van een bestreden beslissing, in principe abstracte gegevens zijn die op zichzelf geen nadelige gevolgen genereren; dat bijgevolg het verwijzen in het verzoekschrift ter adstructie van het ernstig nadeel naar de (ernst van
- de)middelen en de samenhang tussen beide X-12.962-5/7 wettelijke voorwaarden niet volstaat om het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen; dat ondanks het feit dat de verzoekende partijen hun vermeende nadelen uitgebreid uiteenzetten, zij hun betoog vrij hypothetisch en vaag houden en onvoldoende concrete gegevens of overtuigende argumenten aanbrengen waaruit zou kunnen blijken dat de opgeworpen nadelen persoonlijk, ernstig en moeilijk te herstellen zijn; dat de uiteenzetting in het verzoekschrift tot schorsing geen afdoende en concrete gegevens bevat die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen zoals bedoeld door artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State; Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel 1. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 2. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.962-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.962-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.435 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.196.502 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.