← België

Arrest 166438 - Wegenwezen - 09/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.438 Rolnummer: A. 66119/X-7045 Zaak: Arrest 166438 - Wegenwezen - 09/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2026-06-29 13:02 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 166.438 van 9 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.438 van 9 januari 2007 in de zaak A. 66.119/X-7045. In zake : Jeanne GUNS, die woonplaats kiest bij Advocaat M. DENYS, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jeanne GUNS op 27 oktober 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 28 augustus 1995 van de voor de provincie Vlaams-Brabant gemachtigde ambtenaar van de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening waarbij aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de vergunning wordt verleend "tot het herinrichten van de kruispunten en de realisatie van (een) fiets- en voetgangerstunnel" op de N 227 (RO) te Overijse en Hoeilaart, ter hoogte van de Terblockstraat en de Welriekende dreef; Gelet op het arrest nr. 64.965 van 4 maart 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de bestreden beslissing verworpen wordt; Gezien de toelichtende memorie van verzoekster; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de beschikking van 21 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-7045-1/10 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van verzoekster; Gelet op de beschikking van 4 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. DENYS die verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat T. DE KETELAERE die loco Advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de verzoekster stelt te wonen aan de Leopold II laan te Hoeilaart, die deel uitmaakt van de steenweg Mechelen-Waterloo (thans N 227), nabij het kruispunt van voornoemde steenweg met de Terblockstraat en de Welriekende Dreef; dat deze gelijkgrondse kruispunten door verkeerslichten geregeld werden; dat de thans vergunde werken tot doel hebben deze kruispunten met verkeerslichten af te schaffen en te vervangen door een voetgangers- en fietstunnel en een parallelle in- en uitloopstrook van de N 227; dat verzoeksters eigendom gelegen is in de onmiddellijke omgeving van dit kruispunt; dat de vergunde werken inhouden dat verzoeksters eigendom wordt afgesneden van een rechtstreekse toegang tot de N 227 en dat de parallelweg wordt aangelegd tot tegen haar eigendom; dat, wat de werken betreft die op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest worden uitgevoerd, de gemachtigde ambtenaar van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 25 juni 1996 aan het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap de stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het herinrichten van het kruispunt op een perceel gelegen te Watermaal-Bosvoorde, kruispunt van de ring RO/Welriekende dreef/steenweg op Sint-Jansberg; dat niet blijkt dat verzoekster de wettigheid van deze beslissing heeft betwist; Overwegende dat de verzoekster in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 2, 1/ en 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaamse Gewest van de categorieën van werken X-7045-2/10 en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieu- effectrapport is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning en van punt 1 van de omzendbrief van 18 oktober 1989 betreffende de toepassing van voornoemd besluit: "Doordat de bestreden vergunning het Vlaams Gewest de toelating verleent om aan de N 227 Mechelen-Waterloo (
  2. op)zodanige wijze werken uit te voeren dat deze steenweg wordt omgevormd tot autosnelweg, En doordat, de bouwvergunning strekkende tot omvorming tot autosnelweg is afgeleverd op basis van een bouwaanvraag die niet was vergezeld van een milieu-effect rapport waarin de milieu-effecten die aan de uitvoering der werken zijn verbonden worden onderzocht en waarin alternatieve oplossingen worden onderzocht en geëvalueerd, En doordat door de uitvoering van de werken alle gelijkgrondse overgangen en rechtstreekse toegangen tot deze snelweg, anders dan door een oprittensysteem zullen worden afgeschaft, zodat de uitvoering van de werken wel degelijk neerkomt op de aanleg van een autosnelweg, en minstens op de aanleg van een autoweg die beantwoordt aan de definities ter zake van de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975, Terwijl uit artikel 1 (lees: 2), l/ en 2/, van het Besluit van de Vlaamse Executieve d.d. 23 maart 1989 houdende bepaling van de categorieën van werken en handelingen andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieu-effect rapport vereist is voor de volledigheid van de bouwaanvraag blijkt dat voor de aanleg of het aanbrengen van ingrijpende wijzigingen van autosnelwegen en voor de aanleg van autowegen die beantwoorden aan de definities ter zake van de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975 een milieu-effect rapport moet worden gevoegd bij de bouwaanvraag, wil deze volledig zijn, En terwijl uit punt 1 van de Omzendbrief d.d. 18 oktober 1989 betreffende de toepassing van voornoemd besluit blijkt dat met het woord 'autosnelweg' wordt bedoeld: 'een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen, zonder uitwegen naar aanliggende percelen en die : - behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk, is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn door een strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering op andere wijze; -geen andere weg, geen spoor- of tramweg of voetpad gelijkvloers kruist; en -door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid', En terwijl uit de plannen en het bestek die in verband met de werken werden opgemaakt duidelijk blijkt dat de weg die het Vlaams Gewest zich voorneemt aan te leggen aan deze voorwaarden uit deze Omzendbrief voldoet, En terwijl uit de oorspronkelijke benaming van de plannen en de verwijzing naar het doel van de aanneming in het bestek zeer duidelijk blijkt dat het Vlaams Gewest ook de intentie heeft om de aan te leggen weg als autosnelweg te gebruiken, en deze dan ook van de daarvoor vereiste verkeerstekens te voorzien, En terwijl uit de rechtspraak van de Raad van State blijkt dat wanneer bouwaanvragen met betrekking tot Mer-plichtige werken niet vergezeld zijn van dit milieu-effect rapport, de bouwvergunning die ingevolge deze bouwaanvraag wordt afgeleverd onwettig is wegens onvolledigheid van de bouwaanvraag (...)"; X-7045-3/10 Overwegende dat in zoverre verzoekster zich beroept op de schending van de in het middel aangegeven omzendbrief, deze geen verordenende kracht heeft; dat derhalve het middel in die mate onontvankelijk is; Overwegende dat niet wordt betwist dat er geen milieu- effectrapport werd opgesteld; Overwegende dat artikel 2, 1/ en 2/, van het besluit van de Vlaamse regering van 23 maart 1989 houdende bepaling voor het Vlaams Gewest van de categorieën van werken en handelingen, andere dan hinderlijke inrichtingen, waarvoor een milieuvergunning is vereist voor de volledigheid van de aanvraag om bouwvergunning, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij besluit van de Vlaamse regering van 10 december 2004 houdende vaststelling van de categorieën van projecten onderworpen aan milieueffectrapportage, luidde als volgt : "Artikel 2. Voor de volledigheid van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning dient voor volgende categorieën van projecten, voor zover dit project of een gedeelte ervan het voorwerp van een vergunning moet uitmaken in uitvoering van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, een milieueffectrapport opgesteld : 1/ aanleg en/of ingrijpende wijzigingen van autosnelwegen; 2/ aanleg en/of ingrijpende wijzigingen van autowegen die beantwoorden aan de definities ter zake van de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen van 15 november 1975"; Overwegende dat luidens de punten II.2 en II.3 van bijlage II van de Europese Overeenkomst inzake internationale hoofdverkeerswegen, opgemaakt te Genève op 15 november 1975 en goedgekeurd bij wet van 15 maart 1985, onder "autosnelwegen" en "autowegen" dient te worden verstaan hetgeen volgt : "II. 2 Autosnelwegen: Een 'autosnelweg' is een weg die speciaal is ontworpen en aangelegd voor verkeer met motorvoertuigen, zonder uitwegen naar aanliggende percelen, en die (
  3. i)behalve op bepaalde plaatsen of tijdelijk is voorzien van gescheiden rijbanen voor beide verkeersrichtingen, welke rijbanen van elkaar gescheiden zijn hetzij door een strook die niet voor het verkeer is bestemd, hetzij, bij uitzondering, op andere wijze; (
  4. ii)geen andere weg, geen spoor- of tramweg of voetpad gelijkvloers kruist; en (iii) door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid. II. 3 Autowegen: Wegen, bestemd voor autoverkeer, alleen toegankelijk via knooppunten of door verkeerslichten geregelde kruispunten en waarop het in het bijzonder is verboden te stoppen of te parkeren"; X-7045-4/10 Overwegende dat de vergunde werken hiervóór werden geschetst; dat de verzoekster niet aannemelijk maakt dat de N 227 na de uitvoering van de vergunde werken beantwoordt aan de hiervóór weergegeven definitie van autosnelweg; dat inzonderheid niet blijkt dat de betrokken weg door speciale verkeerstekens als autosnelweg is aangeduid, noch dat het doel van de vergunde werken was de N 227 dit statuut te verlenen; dat de verzoekster zich ter zake in haar laatste memorie beperkt tot de bewering "dat het Vlaams Gewest alles in het werk heeft gesteld om te ontsnappen aan de verplichting om de bouwaanvraag vergezeld te doen gaan van een milieu-effect rapport", dat het "dan ook voor zich spreekt dat het Vlaams Gewest niet de onvoorzichtigheid zal begaan ter plaatse de verkeerstekens aan te brengen die de weg bestempelen als autosnelweg"; dat evenwel gelet op het marginale toezicht dat de Raad van State ter zake vermag uit te oefenen, deze intenties of voornemens toegeschreven aan de bouwheer geen afbreuk doen aan de vaststelling dat in de feiten aan deze formele vereiste moet voldaan zijn opdat er in rechte sprake kan zijn van een autosnelweg; dat niet is aangetoond -overigens ook nog niet op het ogenblik van de sluiten van de debatten - dat de N 227 werd of wordt aangeduid met borden die tot gevolg hebben dat deze weg wordt gerangschikt als autosnelweg; dat minstens om deze reden het middel faalt in zoverre het de N 227 kwalificeert als een autosnelweg; Overwegende dat daarnaast moet worden vastgesteld dat, zelfs indien de N 227 zou beschouwd worden als een autosnelweg in de hiervóór bepaalde zin, de verplichting tot het opstellen van een milieu-effectrapport enkel geldt bij de aanleg en/of ingrijpende wijziging van een autosnelweg; dat de aard van de werken, die in synthese inhouden het wegwerken van gelijkgrondse kruisingen waarop het verkeer werd geregeld met verkeerslichten, op zich niet aantonen dat deze werken moeten worden gekwalificeerd als de aanleg van een autosnelweg; dat deze werken in dit concrete geval evenmin een "ingrijpende wijziging" van een autosnelweg inhouden; dat dit laatste begrip niet is omschreven zodat het in zijn spraakgebruikelijke betekenis dient te worden begrepen; dat hiermee niet elke wijziging van een (bestaande) autosnelweg wordt bedoeld, maar enkel die welke een verstrekkende wijziging ervan inhoudt; dat de verzoekster niet aannemelijk maakt dat de vergunde werken als een wijziging van die aard moeten worden beschouwd; Overwegende dat, daargelaten de vraag of de N 227 kan worden beschouwd als een autoweg in de hiervóór bepaalde zin, en daargelaten de vraag of de vergunde parallelweg en toegangen tot de N 227 kunnen worden beschouwd als "knooppunten" in de zin van de genoemde Europese Overeenkomst van 15 november 1975, de vergunde werken evenmin beschouwd kunnen worden als de "aanleg" van X-7045-5/10 een dergelijke weg; dat om de hiervóór inzake de kwalificatie als autosnelweg uiteengezette redenen evenmin is aangetoond dat de vergunde werken een "ingrijpende wijziging" van een autoweg uitmaken, te meer daar een autoweg ook toegankelijk kan zijn via door verkeerslichten geregelde kruispunten, hetgeen het geval was vóór de uitvoering van de thans bestreden werken; dat de ingeroepen bepalingen niet van toepassing zijn; dat het middel in zijn geheel genomen niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekster in een tweede middel de schending aanvoert van de ordonnantie van 30 juli 1992 betreffende de voorafgaande effectenbeoordeling van bepaalde projecten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, gelezen in samenhang met het samenwerkingsakkoord van 4 juli 1994 tussen het Vlaamse Gewest, het Waalse Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest betreffende de uitwisseling van informatie over projecten met gewestoverschrijdende milieu-effecten (hierna: het samenwerkingsakkoord), en van artikel 7 van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten: "Doordat de werken die het Vlaams Gewest zich voorneemt uit te voeren zich gedeeltelijk bevinden op het grondgebied van de gemeenten Watermaal-Bosvoorde en Oudergem, en dus op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, En doordat de door het Vlaams Gewest geplande werken dus niet alleen effecten sorteren op een ander gewest, doch bovendien op het grondgebied van een ander gewest worden uitgevoerd, En doordat het Vlaams Gewest zijn plannen met betrekking tot de werken die het voorwerp zijn van de bestreden vergunning op geen enkel ogenblik heeft bekendgemaakt aan het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, Terwijl de door het Vlaams Gewest geplande werken volgens de vigerende wetgeving van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in ieder geval mer-plichtig (zijn) (cfr. bijlage A, l/, C en D, zoals opgenomen in de ordonnantie d.d. 23 november 1993, waarbij de ordonnantie van 30 juli 1992 wordt gewijzigd), En terwijl uit artikel 2 (van) het samenwerkingsakkoord d.d. 4 juli 1994 tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, het Waals Gewest en het Vlaams Gewest duidelijk blijkt dat elk project dat op basis van de geldende gewestelijke reglementeringen hetzij ambtshalve, hetzij krachtens de beslissing van de bevoegde overheid mer-plichtig is, valt onder het toepassingsgebied van de (...) overeenkomst, En terwijl het Vlaams Gewest dus in opvolging (van) artikel 3 van deze overeenkomst het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de hoogte had dienen te brengen van de geplande werken, teneinde het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in staat te stellen de nodige maatregelen te nemen om de milieueffecten van de geplande werken op zijn grondgebied na te gaan, En terwijl artikel 7 van de richtlijn van de Raad nr. 85/337/EEG d.d. 27 juni 1985, die rechtstreekse werking heeft, en dus in het voordeel van de rechtsonderhorige op wie de richtlijn van toepassing is kan worden ingeroepen, duidelijk stelt dat wanneer een Lidstaat een project plant dat grensoverschrijdende effecten heeft, hij de Lidstaat op wiens grondgebied deze effecten voelbaar zullen zijn volledig over zijn plannen dient te informeren, X-7045-6/10 En terwijl deze richtlijn omwille van haar rechtstreekse werking niet alleen kan worden ingeroepen tegen nationale Staten, doch ook tegen subnationale structuren wier bevoegdheden zo zijn verdeeld dat zij op eigen kracht en dankzij exclusieve bevoegdheden projecten kunnen plannen die effecten ressorteren op andere subnationale of nationale gebieden zoals in casu het Vlaams Gewest, het Waals Gewest en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (...)"; Overwegende dat uit het antwoord op het eerste middel is gebleken dat de vergunde werken, voor zover ze zijn uitgevoerd op het grondgebied van het Vlaams Gewest, niet onderworpen waren aan de opmaak van een milieu- effectrapport; dat daargelaten de vraag of de verzoekster zich kan beroepen op alle in het middel ingeroepen bepalingen, deze geen toepassing vinden; dat bovendien uit de hiervóór uiteengezette feiten blijkt dat het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap een vergunning heeft aangevraagd en verkregen bij het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; dat derhalve hoe dan ook mag worden aangenomen dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op de hoogte werd gebracht van de geplande werken; dat het middel niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekster een derde middel afleidt uit de schending van het redelijkheids- en het zorgvuldigheidsbeginsel, alsook uit de schending van het koninklijk besluit van 4 juni 1958 betreffende de vrije stroken langs de autosnelwegen: "Doordat de uitvoering van de plannen tot gevolg zou hebben dat een autosnelweg zal worden aangelegd midden doorheen een reeds zeer lang bestaande woonkern op de kruising van de Welriekende Dreef, de Terblockstraat en de N 227 Mechelen-Waterloo, En doordat het aanleggen van een autosnelweg doorheen deze woonkern, zonder dat deze woningen worden onteigend, tot gevolg zal hebben dat de bewoners van deze woonkern zullen wonen op nog geen 10 meter van een autosnelweg, terwijl hun woning van deze autosnelweg zal worden gescheiden door een permanent bereden parallelweg rakelings langs hun woning en door een geluidswerend scherm van ongeveer 2 meter hoog, Terwijl artikel 1 van het K.B. d.d. 4 juni 1958 in uitvoering van de wet van 12 juli 1956 tot vaststelling van het statuut der autosnelwegen duidelijk stelt dat de vrije stroken langs beiden zijden van een autosnelweg 30 meter dienen te bedragen, En terwijl de instelling van deze bouwvrije zone van 30 meter langs een autosnelweg onder meer ingegeven is door de overweging dat de snelweg misschien zal moeten worden uitgebreid en door veiligheidsoverwegingen, doch ongetwijfeld ook vanuit de overweging dat niet op een menswaardige wijze kan worden geleefd op minder dan 30 meter afstand van een autosnelweg, En terwijl het dan ook strijdig is met het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur om een autosnelweg aan te leggen midden door een bestaande woonkern, En terwijl door deze wijze van aanleggen van een autosnelweg tevens een inbreuk wordt gemaakt op het vrijwaren van een bouwvrije strook langs weerszijden van de autosnelweg"; X-7045-7/10 Overwegende dat het middel geheel uitgaat van de bij de bespreking van het eerste middel verkeerd bevonden premisse dat de N 227 wordt omgevormd tot een autosnelweg; dat het niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekster in een vierde middel de schending aanvoert van de artikelen 13 en 160 van de Grondwet, doordat "het Vlaams Gewest de bouwvergunning d.d. 24 februari 1995 die voor de Raad van State wordt bestreden, (heeft) vervangen door de bestreden vergunning zonder dat het voorwerp of de modaliteiten van deze vergunning werden gewijzigd doch met als enige doel zodoende te ontsnappen aan de grondwettelijk gewaarborgde controle van de Raad van State"; Overwegende dat de stedenbouwwet het indienen van een nieuwe aanvraag en de afgifte van een vergunning op grond van deze aanvraag niet verbiedt; dat het gebruik maken, door de aanvrager van een bouwvergunning, van deze mogelijkheid op zich de grondwettelijk gewaarborgde controle door de Raad van State over de oude en vervangen of ingetrokken beslissing niet uitsluit noch, a fortiori, over de nieuwe beslissing; dat het vierde middel om die reden alleen reeds niet gegrond is; Overwegende dat de verzoekster in een vijfde middel de schending aanvoert van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het motiverings-beginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur: "Doordat in de bestreden vergunning op geen enkel wijze wordt gemotiveerd waarom deze vergunning werd afgeleverd ter vervanging van de vergunning van 24 februari 1995, En doordat nergens in de vergunning wordt vermeld dat gewijzigde plannen of gewijzigde modaliteiten tot een nieuwe bouwaanvraag en de aflevering van een nieuwe bouwvergunning noopten, Terwijl artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen duidelijk vermeldt dat de opgelegde motivering de juridische en feitelijke motiveringen dient te bevatten die aan de beslissing ten grondslag liggen, En terwijl (...) op het ogenblik van de aflevering van de bestreden vergunning een uitvoerbare bouwvergunning bestond op basis van dewelke de herinrichting van het kruispunt en het aanleggen van een voetgangers- en fietserstunnel ter hoogte van het voormelde kruispunt kon worden uitgevoerd, En terwijl dus de enige feitelijke en juridische motivering voor de aflevering van de bestreden vergunning in weerwil van de bestaande vergunning kan schuilen in de aanwending van nieuwe plannen of nieuwe modaliteiten voor de uitvoering van de werken die nopen tot het indienen van een nieuwe bouwaanvraag en het afleveren van een nieuwe vergunning die de bestaande vervangt, X-7045-8/10 En terwijl de bestreden vergunning in geen enkel opzicht vermeldt waarom een nieuwe vergunning in vervanging van de bestaande en uitvoerbare bouwvergunning diende te worden afgeleverd, Zodat, door het afleveren van een nieuwe bouwvergunning in vervanging van een bestaande en uitvoerbare bouwvergunning, zonder te motiveren welke de feitelijke en juridische gronden zijn die tot deze vervanging nopen, het Vlaams Gewest is tekortgeschoten in haar motiveringsplicht zoals omschreven in de voormelde wet d.d. 29 juli 1991"; Overwegende dat geen enkele bepaling van de stedenbouwwet de houder van een vergunning verbiedt een nieuwe bouwaanvraag in te dienen; dat het verlenen van de bestreden vergunning het gevolg is van het indienen van een nieuwe bouwaanvraag; dat de formele motiveringsplicht niet inhoudt dat in de beslissing de historiek van het dossier inzake een vergunningsaanvraag wordt uiteengezet, noch inzonderheid dat formeel in de akte tot uitdrukking wordt gebracht -zoals de verzoekster voorhoudt- "welke de feitelijke en juridische gronden zijn die tot (
  5. de)vervanging nopen" van een eerdere verleende vergunning; dat de verzoekster haar kritiek overigens richt tegen een motief dat niet in de bestreden beslissing voorkomt, maar dat zij zelf beschouwt als het "enige feitelijke en juridische" motief, terwijl de bestreden beslissing op andere motieven steunt, waarop het middel geen kritiek uitoefent; dat het middel niet kan worden aangenomen; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-7045-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-7045-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.438 Gerelateerde publicatie(
  6. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.64.965 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.