id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.439 Rolnummer: A. 170767/X-12722 Zaak: Arrest 166439 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 09/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-18 Raadplegingen: 87 - laatst gezien 2026-06-29 13:02 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 166.439 van 9 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.439 van 9 januari 2007 in de zaak A. 170.767/X-12.
(2000)die de leefbaarheid van de polderdorpen garanderen", dat het college van burgemeester en schepenen bij schrijven van 24 maart 2006 aan de raadsman van de eerste verzoekster dan ook uitdrukkelijk heeft medegedeeld dat het niet akkoord ging met het voornemen van de verzoekster om een schorsings- en vernietigingsprocedure in te stellen, nu het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan "op dringende vraag en onder zware druk van de gemeente Beveren tot stand gekomen (is), vooral voor de bescherming van de polderdorpen Kieldrecht, Verrebroek en Kallo, na de schorsing op 30 juli 2002 van de tweede gewestplanwijziging (bij besluit van de Vlaamse regering van 8 september 2000)"; dat de eerste tussenkomende partij besluit dat de gemeente in X-12.722-13/86 de gegeven omstandigheden geen belang heeft bij de vernietiging of de schorsing van de bestreden beslissing; Overwegende dat artikel 194 van het Gemeentedecreet aan een of meer inwoners van een gemeente de mogelijkheid biedt, ingeval het college van burgemeester en schepenen niet in rechte optreedt, om zelf namens de gemeente in rechte op te treden, voor de verdediging van de belangen waarvoor deze instaat; dat die bepaling aan de inwoners slechts een initiatiefrecht geeft in zoverre de gemeente zelf op ontvankelijke wijze de zaak aanhangig zou kunnen maken; dat te dezen uit de gegevens van het dossier blijkt dat de gemeente Beveren vragende partij was voor de vaststelling van het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan, dat de gemeenteraad over het ontwerpplan een gunstig advies heeft gegeven, en dat het college van burgemeester en schepenen met nadruk heeft laten weten dat het de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring niet in het belang van de gemeente en van de inwoners van de polderdorpen achtte; dat die gegevens met zich brengen dat, als de gemeente Beveren, vertegenwoordigd door haar college van burgemeester en schepenen, een vordering tot schorsing en een beroep tot nietigverklaring zou hebben ingesteld tegen het plan dat door de verzoekers wordt bestreden, haar vordering en haar beroep bij gebrek aan belang onontvankelijk verklaard zouden worden; dat hieruit volgt dat ook de vierde verzoekster, optredend op grond van artikel 194 van het Gemeentedecreet, in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van het rechtens vereiste belang om de schorsing en de vernietiging van het bestreden besluit te vorderen; dat de exceptie in de huidige stand van het geding gegrond lijkt; 6. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van X-12.722-14/86 de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 7. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, geredigeerd als volgt: "Schending van: - de richtlijn 2001/42/EG van de het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's, inzonderheid de artikelen 3, 4, 5, 6 en 10; - artikel 38 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; - de verplichting voor elke overheid om iedere beslissing in feite en in rechte formeel en materieel te motiveren; - de verplichting voor elke administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven. Samenvatting Er werd geen plan-MER opgesteld. Er wordt ook niet gemotiveerd waarom dergelijke MER niet werd opgesteld c.q. niet verplicht was. Toelichting Voorafgaandelijk In het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen d.d. 21 juli 2001 verscheen de richtlijn 2001/42/EG van de het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's. Artikel 3 van deze richtlijn legt de verplichting op om in sommige gevallen voor bepaalde plannen (zoals in casu) een milieubeoordeling op te maken die volgens artikel 4 moet worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling of onderwerping aan de wetgevingsprocedure van het plan, waarbij artikel 5 voorschrijft dat in het geval een milieubeoordeling vereist is, een milieurapport moet worden opgesteld om de informatie in de bijlage 1 van de richtlijn te verschaffen. Artikel 6 bepaalt dat het ontwerp-plan en het milieurapport o.a. voor het publiek beschikbaar moet worden gesteld waarbij het publiek de mogelijkheid moet worden gegeven om tijdig, daadwerkelijk en binnen een passend tijdschema, vóór de vaststelling van het plan, (zijn) mening te geven. De richtlijn diende overeenkomstig artikel 13 te worden omgezet vóór 21 juni 2004, hetgeen slechts zeer gedeeltelijk is gebeurd. Het is immers zo X-12.722-15/86 dat enkel d.m.v. artikel 11 van het decreet van 29 januari 2004 houdende wijziging van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, een 6/ werd toegevoegd aan artikel 38, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, waardoor artikel 38, § 1, (eerste lid), nu als volgt luidt: 'Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: l/ een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is; 2/ de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer; 3/ een weergave van de feitelijke en juridische toestand; 4/ de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is; 5/ in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; 6/ in voorkomend geval, het ruimtelijk veiligheidsrapport, het planmilieueffectenrapport en/of de passende beoordeling.' Artikel 11 van het decreet van 29 januari 2004 en aldus het gewijzigde artikel 38, § 1, zijn in werking getreden op 8 februari 2004. De genoemde bepalingen van de richtlijn zijn trouwens voldoende precies, zodat zij rechtstreekse werking hebben. Zij worden immers ingeroepen tegen partijen die deel uitmaken van de overheid van een lidstaat, wat zowel geldt voor het Vlaams Gewest als voor het Havenbedrijf Antwerpen. Het gaat hier dus om de zgn. verticale rechtstreekse werking. Volgens vaste Europese en Belgische (Cass. 27 mei 1971, Franco-suisse) rechtspraak hebben deze bepalingen ook voorrang op de interne wetgeving. Bovendien is de lidstatelijke rechter verplicht om, ongeacht of de bepalingen rechtstreekse werking hebben of niet, het lidstatelijk recht zoveel als mogelijk in het licht van en in overeenstemming met de richtlijnen te interpreteren. Het lijdt geen twijfel dat de ingeroepen bepalingen voldoende duidelijk zijn. Artikel 3 legt in duidelijk omschreven gevallen de verplichting op om een milieubeoordeling (gedefinieerd in artikel 2) op te maken. Artikel 4 bepaalt duidelijk dat deze beoordeling moet worden uitgevoerd in de voorbereidingsfase en vóór de vaststelling van het plan. Ook de artikelen 5 en 6 volstaan op zichzelf om toepasbaar te zijn zonder dat verdere reglementering met het oog op precisering of vervollediging noodzakelijk is. Deze artikelen leggen namelijk de plicht op om een bepaalde wijze te handelen (opstellen van milieurapport dat de in de bijlage 1 vermelde informatie verstrekt, het voorzien van inspraakmogelijkheden, ... ). Eerste onderdeel Artikel 3 'Werkingssfeer' van deze richtlijn luidt als volgt: X-12.722-16/86 '1. Een milieubeoordeling wordt uitgevoerd overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9, voor de in de leden 2, 3 en 4 bedoelde plannen en programma's die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 2. Onverminderd lid 3, wordt een milieubeoordeling gemaakt van alle plannen en programma's
- a)die voorbereid worden met betrekking tot landbouw, bosbouw, visserij, energie, industrie, vervoer, afvalstoffenbeheer, waterbeheer, telecommunicatie, toerisme en ruimtelijke ordening of grondgebruik en die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor de in bijlagen I en II bij Richtlijn 85/337/EEG genoemde projecten, of
- b)waarvoor, gelet op het mogelijk effect op gebieden, een beoordeling vereist is uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van Richtlijn 92/43/EEG. 3. Voor in lid 2 bedoelde plannen en programma's die het gebruik bepalen van kleine gebieden op lokaal niveau en voor kleine wijzigingen van in lid 2 bedoelde plannen en programma's is een milieubeoordeling alleen dan verplicht wanneer de lidstaten bepalen dat zij aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. 4. Voor andere dan de in lid 2 bedoelde plannen en programma's, die het kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten, bepalen de lidstaten of het plan of het programma aanzienlijke milieueffecten kan hebben. 5. De lidstaten stellen vast, door een onderzoek per geval of door specificatie van soorten plannen en programma's, of door combinatie van beide werkwijzen, of de in de leden 3 en 4 bedoelde plannen of programma's aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben. Hierbij houden zij voor alle gevallen rekening met de relevante criteria van bijlage II, om ervoor te zorgen dat plannen en programma's met mogelijke aanzienlijke milieueffecten door deze richtlijn zijn gedekt. 6. Bij het onderzoek per geval en bij de specificatie van soorten plannen en programma's, zoals bedoeld in lid 5, worden de in artikel 6, lid 3, bedoelde instanties geraadpleegd. 7. De lidstaten zien erop toe dat de in lid 5 bedoelde vaststellingen, inbegrepen de redenen waarom geen milieubeoordeling overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 9 wordt verlangd, voor het publiek beschikbaar worden gesteld. 8. De volgende plannen en programma's vallen niet onder deze richtlijn: plannen en programma's die uitsluitend bestemd zijn voor - nationale defensie of noodsituaties, - financiële of begrotingsplannen en programma's. 9. Deze richtlijn geldt niet voor plannen en programma's die worden medegefinancierd in het kader van de huidige respectieve programmeringsperioden van de Verordeningen (EG) nr. 1260/1999 en (EG) nr. 1257/1999 van de Raad.' X-12.722-17/86 Het lijdt geen twijfel dat het bestreden plan onder de werkingssfeer van de richtlijn valt. Het gaat immers om een plan dat valt: - zowel onder artikel 3.2, a), nu het plan betrekking heeft op de aanleg en wijziging van zeehandelshavens alsmede waterwegen en havens voor de binnenvaart, bevaarbaar voor schepen van meer dan 1350 ton en (zie o.a. artikel 8 van bijlage I, en - mocht er per impossibile twijfel zijn - artikel 10 van bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG) alsook voorziet in bedrijven die chemische producten opslaan c.q. verwerken (zie o.a. artikelen 1 en 6 van bijlage I, en - mocht er per impossibile twijfel zijn - artikel 6 'Chemische industrie' van bijlage II bij richtlijn 85/337/EEG); - als onder artikel 3.2, b), nu het plan een (passende) beoordeling vereist uit hoofde van de artikelen 6 of 7 van richtlijn 92/43/EEG. Dit laatste mag blijken uit het feit dat een poging tot passende beoordeling werd ondernomen (zie tweede middel). De bestreden beslissing vermeldt trouwens expressis verbis de passende beoordeling. Het bestreden plan valt ook niet onder de uitzonderingsbepalingen van de richtlijn: het is zeker geen plan dat het gebruik bepaalt van een klein gebied op lokaal niveau (art. 3.3.3) noch valt het onder artikel 3.3.8 of 3.3.9 (nationale defensie of noodsituaties, financiële of begrotingsplannen en programma's, financieringsprogramma's). Ingevolge artikel 3 diende dus een milieubeoordeling te worden gemaakt, hetgeen niet is gebeurd. Genoemd artikel 3 is dan ook geschonden. Volledigheidshalve merken verzoekers op dat het op 5 oktober 2001 conform verklaarde MER 'Linkerscheldeoever Deurganckdok' niet als plan-MER kan dienen. In de conformiteitsverklaring wordt immers het volgende gesteld: 'Het rapport verwijst ondermeer naar de EUR-richtlijn voor m.e.r. voor projecten (RL 85/337/EEG, gewijzigd door 97/11/EG). Het mag duidelijk zijn dat voorliggend MER een project-MER is en geen (nog op te stellen) plan-MER. Ondertussen werd wel de EU-Richtlijn inzake plan-MER op 21.07.2001 gepubliceerd (Richtlijn 2001/42/EG); ze dient nog in interne regelgeving te worden omgezet.' Hieruit blijkt dat de Cel MER er trouwens vanuit ging dat een plan-MER zou worden opgesteld wanneer een bestemmingsplan zou worden goedgekeurd. Tevens blijkt uit het bestreden plan niet waarom geen plan-MER werd opgesteld. Er is dus ook een schending van de verplichting dat elke overheidsbeslissing - zo ook een besluit tot vaststelling van een gewestplan of naar analogie een RUP - dient te zijn gesteund op in rechte en in feite aanvaardbare motieven (...). Conform artikel 4 van de richtlijn diende de milieubeoordeling te worden uitgevoerd tijdens de voorbereiding en vóór de voorlopige vaststelling van het bestreden RUP. Dit is ook niet gebeurd. (...). X-12.722-18/86 Tweede onderdeel Artikel 5 stelt dat wanneer een milieubeoordeling vereist, er een milieurapport moet worden opgesteld waarin de milieueffecten en de alternatieven worden beschreven en beoordeeld. De voor dit doel te verstrekken informatie wordt beschreven in de bijlage 1 van de richtlijn. Artikel 6 schrijft voor dat het ontwerpplan samen met het milieurapport moet worden beschikbaar gesteld aan het publiek dat de mogelijkheid moet hebben om bezwaar in te dienen. Het milieurapport moet m.a.w. worden onderworpen aan het openbaar onderzoek. In casu ligt geen milieurapport voor, laat staan dat dit aan het publiek beschikbaar werd gesteld en het voorwerp uitmaakte van het openbaar onderzoek. De bestreden beslissing motiveert ook niet waarom dergelijke rapport ontbreekt en niet aan het publiek beschikbaar werd gesteld. (...). Derde onderdeel Tenslotte is ook 38, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening geschonden doordat het bestreden RUP geen planmilieueffectenrapport bevat. In de bestreden beslissing wordt hieromtrent het volgende gesteld: 'in navolging van het advies van VLACORO wordt verduidelijkt dat de nodige voorafgaande effectbeoordelingen voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan gebaseerd zijn op de bestaande uitvoerige effectbeoordelingen die gemaakt werden voor de projecten die vergund werden op basis van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden; dat specifiek voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan de passende beoordeling nader onderzocht is en onder andere rekening houdt met de natuurcompensaties die opgesomd zijn in het voormelde decreet van 14 december 2001; dat er dus wel degelijk een actualisatie van de passende beoordeling is gebeurd, dat de tekst daarvan in de toelichtingsnota is opgenomen zoals die ter inzage was in het openbaar onderzoek; dat in een latere fase die passende beoordeling wordt opgenomen als deel van de plan-MER voor de gehele zeehaven'. Dat later een plan-MER voor de gehele zeehaven zal worden opgesteld doet geen afbreuk aan het feit dat ook het bestreden plan een plan-MER behoefde. Dit is ook geen in rechte en in feite aanvaardbare motivatie (...) voor het ontbreken van een plan-MER in het kader van de bestreden beslissing"; 7.1. Overwegende, wat betreft het eerste onderdeel, dat richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende X-12.722-19/86 de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's voorziet in een verplichting om voor bepaalde plannen en programma's die aanzienlijke milieueffecten kunnen hebben, een milieubeoordeling uit te voeren; dat de bepalingen van de richtlijn in het interne recht zijn omgezet bij het decreet van 18 december 2002 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel betreffende de milieueffect- en veiligheidsrapportage; Overwegende dat artikel 13 van de richtlijn bepalingen bevat i.v.m. de toepassing van de richtlijn; dat de leden 1 en 3 van dat artikel luiden als volgt: "1. De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen in werking treden om vóór 21 juli 2004 aan deze richtlijn te voldoen. De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de genomen maatregelen. 3. De in artikel 4, lid 1, bedoelde verplichting (d.i. de verplichting om de in artikel 3 bedoelde milieubeoordeling uit te voeren tijdens de voorbereiding en vóór de vaststelling of onderwerping aan de wetgevingsprocedure van een plan of programma) is van toepassing op plannen en programma's waarvoor de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na het in lid 1 vermelde tijdstip. Plannen en programma's waarvoor de eerste voorbereidende handeling vóór deze datum plaatsvindt en die later dan 24 maanden na dat tijdstip worden aangenomen of ingediend ten behoeve van wetgeving, vallen onder de verplichting van artikel 4, lid 1, tenzij de lidstaten per geval beslissen dat dit niet haalbaar is en het publiek van hun beslissing op de hoogte stellen"; Overwegende dat deze bepalingen zijn omgezet in artikel 14, § 2, eerste en tweede lid, van het genoemde decreet van 18 december 2002, luidend als volgt: "§ 2. Hoofdstuk II van Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid treedt slechts in werking op een per plan of programma of per categorie van plan of programma nader door de Vlaamse regering te bepalen datum en uiterlijk op 21 juli 2004. De in Hoofdstuk II van Titel IV van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid bedoelde verplichtingen zijn van toepassing op plannen en programma's waarvoor: X-12.722-20/86 1/ de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt na de in het eerste lid bedoelde datum; of 2/ de eerste formele voorbereidende handeling plaatsvindt voor de in het eerste lid bedoelde datum en het definitieve besluit over het plan of programma als bedoeld in artikel 4.2.9, § 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid meer dan 24 maanden na het hiervoor vermelde tijdstip wordt genomen, tenzij de Vlaamse regering geval per geval beslist dat dit niet haalbaar is en deze beslissing openbaar maakt"; Overwegende dat, zoals door de verweerder wordt opgemerkt, de eerste formele voorbereidende handeling met betrekking tot het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bestaat in de plenaire vergadering, welke heeft plaatsgevonden op 3 mei 2004, d.i. vóór 21 juli 2004, zijnde de datum bedoeld in artikel 13, lid 3, eerste volzin, van richtlijn 2001/42/EG en in artikel 14, § 2, tweede lid, 1/, van het decreet van 18 december 2002; dat het bestreden besluit zelf is aangenomen op 16 december 2005, d.i. binnen de termijn van 24 maanden na 21 juli 2004, bedoeld in artikel 13, lid 3, tweede volzin, van richtlijn 2001/42/EG en in artikel 14, § 2, tweede lid, 2/, van het decreet van 18 december 2002; dat uit een en ander volgt dat de verplichting om m.b.t. een plan een milieubeoordeling uit te voeren nog niet van toepassing was op het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan; dat het onderdeel niet ernstig is; 7.2. Overwegende, wat betreft het tweede onderdeel, dat uit artikel 5, lid 1, van richtlijn 2001/42/EG blijkt dat de verplichting om m.b.t. een voorgenomen plan een milieurapport op te stellen slechts geldt voor de gevallen waarin een milieubeoordeling vereist is; dat uit het onderzoek van het eerste onderdeel blijkt dat een milieubeoordeling te dezen niet vereist was; dat een milieurapport dan ook evenmin vereist was; dat het tweede onderdeel niet ernstig is; 7.3. Overwegende, wat betreft het derde onderdeel, dat artikel 38, § 1, eerste lid, 6/, van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan "in voorkomend X-12.722-21/86 geval" het planmilieueffectenrapport bevat; dat die bepaling zo moet worden begrepen dat het ruimtelijk uitvoeringsplan slechts een planmilieueffectenrapport moet bevatten indien het opmaken ervan op grond van andere bepalingen is voorgeschreven; dat uit het onderzoek van het eerste en het tweede onderdeel blijkt dat het opmaken van een milieueffectenrapport te dezen noch door richtlijn 2001/42/EG, noch door het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid vereist was; dat het derde onderdeel niet ernstig is; 8. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, geredigeerd als volgt: "Schending van: - artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; - de artikelen 38 en 42 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; - artikel 2 van het decreet van 6 december 2002 houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998, en van de artikelen 5 en 6 van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998; - het beginsel van behoorlijk bestuur, inzonderheid het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel. Samenvatting De zgn. passende beoordeling werd niet gevoegd bij het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan dat in het kader van het openbaar onderzoek ter inzage (moet worden) gelegd in het gemeentehuis van elke gemeente waarvan het grondgebied door het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan geheel of ten dele wordt bestreken (eerste onderdeel). Er werd geen passende beoordeling gemaakt voor wat betreft de betekenisvolle effecten die het bestreden plan veroorzaakt op de speciale beschermingszones (tweede onderdeel). Er is niet voldaan aan de bijzondere motiveringsplicht, bedoeld in artikel 36ter, § 6, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (derde onderdeel). Eerste onderdeel X-12.722-22/86 1. Het lijdt geen twijfel dat het bestreden ruimtelijke uitvoeringsplan een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de volgende speciale beschermingszone kan veroorzaken of beter veroorzaakt: - de middels het besluit van de Vlaamse regering d.d. 23 juni 1998 (tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones inzake het behoud van de vogelstand) aangewezen SBZ-V 3.6, 'schorren en polders van de Beneden-Schelde'; - de SBZ-H vermeld in artikel 1, 6/, 'Schelde- en Durmeëstuarium van de Nederlandse grens tot Gent', en artikel 1, 38/, 'Historische fortengordels van Antwerpen als vleermuizenhabitats', van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 (tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermingszones); Dit blijkt duidelijk uit het goedkeuringsbesluit alsook uit de toelichtingsnota (p. 21 en p. 23). (Bij de uiteenzetting van de feiten in het verzoekschrift) werd reeds toegelicht dat omzeggens het ganse projectgebied van het bestreden plan gelegen is in de vermelde SBZ-V. Bijgevolg diende de bestreden beslissing te worden onderworpen aan een passende beoordeling voor wat betreft de betekenisvolle effecten van het plan voor de speciale beschermingszone(
- s)(zoals bedoeld in artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu). Eén en ander blijkt trouwens uit de bestreden beslissing zelf die uitdrukkelijk verwijst naar genoemd artikel 36ter en uit het feit dat een passende beoordeling (of een poging daartoe - zie tweede onderdeel) werd opgesteld. Ook in de toelichtingsnota wordt gesteld: 'het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan beperkt zich voor wat de negatieve effecten betreft tot die delen van de zeehaven die onderzocht worden in die passende beoordeling' (p. 23). Genoemd artikel 36ter luidt als volgt: '§ 1. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, in de speciale beschermingszones, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, de nodige instandhoudingsmaatregelen die steeds dienen te beantwoorden aan de ecologische vereisten van de typen habitats vermeld in bijlage I van dit decreet en de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet. De Vlaamse regering stelt nadere regels vast met bet rekking t ot de nodige instandhoudingsmaatregelen en de ecologische vereisten. § 2. De administratieve overheid neemt, binnen haar bevoegdheden, ongeacht de bestemming van het betrokken gebied, tevens alle nodige maatregelen om
- a)elke verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de habitats van bijlage I van dit decreet en van de habitats X-12.722-23/86 van de soorten vermeld in de bijlagen II, III en IV van dit decreet in een speciale beschermingszone te vermijden;
- b)elke betekenisvolle verstoring van een soort vermeld in de bijlagen II, III of IV van dit decreet in een speciale beschermingszone te vermijden. De Vlaamse regering stelt hiervoor nadere regels vast. § 3. Een vergunningsplichtige activiteit die, of een plan of programma dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone. De verplichting tot het uitvoeren van een passende beoordeling geldt ook indien wegens het verstrijken van de lopende vergunning van de vergunningsplichtige activiteit een nieuwe vergunning moet worden aangevraagd. De initiatiefnemer is verantwoordelijk voor het opstellen van de passende beoordeling. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uit voering van de project-MERrichtlijn of de plan-MERrichtlijn, geschiedt de passende beoordeling in het kader van de milieueffectrapportage. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de herkenbaarheid van de passende beoordeling in het milieueffectrapport. Indien een vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma niet onderworpen is aan de verplichting tot milieueffectrapportage overeenkomstig de wetgeving in uitvoering van de project-MERrichtlijn of de plan-MERrichtlijn, vraagt de administratieve overheid steeds het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen in verband met de inhoud en de vorm van de passende beoordeling. § 4. De overheid die over een vergunningsaanvraag, een plan of programma moet beslissen, mag de vergunning slechts toestaan of het plan of programma slechts goedkeuren indien het plan of programma of de uitvoering van de activiteit geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de betrokken speciale beschermingszone kan veroorzaken. De bevoegde overheid draagt er steeds zorg voor dat door het opleggen van voorwaarden er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan ontstaan. § 5. In afwijking op de bepalingen van § 4, kan een vergunningsplichtige activiteit die of een plan of programma dat afzonderlijk of in combinatie met één of meer bestaande of X-12.722-24/86 voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, slechts toegestaan of goedgekeurd worden
- a)nadat is gebleken dat er voor de natuurlijke kenmerken van de speciale beschermingszone geen minder schadelijke alternatieve oplossingen zijn en
- b)omwille van dwingende redenen van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Wanneer de betrokken speciale beschermingszone of een deelgebied ervan, een gebied met een prioritair type natuurlijke habitat of een prioritaire soort is, komen alleen argumenten die verband houden met de menselijke gezondheid, de openbare veiligheid of met voor het milieu wezenlijk gunstige effecten dan wel, na advies van de Europese Commissie, andere dwingende redenen van groot openbaar belang, in aanmerking. De afwijking bedoeld in het voorgaande lid kan bovendien slechts toegestaan worden nadat voldaan is aan de volgende voorwaarden: 1/ de nodige compenserende maatregelen genomen zijn en de nodige actieve instandhoudingsmaatregelen genomen zijn of worden die waarborgen dat de algehele samenhang van de speciale beschermingszone en -zones bewaard blijft; 2/ de compenserende maatregelen zijn van die aard dat een evenwaardige habitat of het natuurlijk milieu ervan, van minstens een gelijkaardige oppervlakte in principe actief is ontwikkeld. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen voor het opstellen van een passende beoordeling van de effecten van de activiteit op de habitats, de habitats van een soort en op de soort of soorten waarvoor de speciale beschermingszone is aangewezen, voor het onderzoeken van minder schadelijke alternatieven en inzake de compenserende maatregelen. De Vlaamse regering oordeelt over het bestaan van een dwingende reden van groot openbaar belang met inbegrip van redenen van sociale of economische aard. Elke beslissing in uitvoering van de afwijkingsprocedure van deze paragraaf, wordt met redenen omkleed. § 6. De overheid houdt bij haar beslissing over de voorgenomen actie, en in voorkomend geval ook bij de uitwerking ervan, rekening met het goedgekeurde milieueffectrapport, de passende beoordeling of het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud. De overheid motiveert elke beslissing over de voorgenomen actie in het bijzonder op volgende punten: l/ de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven; X-12.722-25/86 2/ de aanvaardbaarheid van de te verwachten betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone; 3/ de in het milieueffectrapport, in de passende beoordeling of de in het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud voorgest elde compenserende maat regelen en act ieve instandhoudingsmaatregelen. Wordt deze beslissing genomen in het kader van een vergunningverlening of het verlenen van een toestemming of machtiging, dan deelt de overheid haar beslissing mee aan de aanvrager op dezelfde wijze als de beslissing op de aanvraag voor de vergunning of de toestemming of machtiging wordt meegedeeld. § 7. Voor de speciale beschermingszones kan de Vlaamse regering een specifieke regeling uitwerken voor de cumulatieve toepassing van de procedures voorzien in dit artikel en in de artikelen 13, 15 en 26bis.' 2. De passende beoordeling werd echter niet samen met het ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ter inzage bij het openbaar onderzoek gevoegd. Dit openbaar onderzoek werd afgekondigd in het Belgisch Staatsblad d.d. 30 november 2004 en liep van 10 januari 2005 tot 10 maart 2005. De volgende stukken werden ter inzage op de gemeentehuizen van Beveren en Zwijndrecht gelegd: een eensluidend afschrift van het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 2004 houdende de voorlopige vaststelling van het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan « Afbakening zeehavengebied Waaslandhaven fase 1 en omgeving », samen met de bijlagen bij dit besluit: - Bijlage 1 bevat het grafisch plan; - Bijlage 2 bevat de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften; - Bijlage 3 Toelichtingsnota. Verzoekers voegen de brief d.d. 30 december 2004 bij die door de dienst Afdeling Planning aan het College van Burgemeester en Schepenen van Beveren werd overgemaakt met de vermelde bijlagen. De passende beoordeling was niet bij het dossier gevoegd. Inderdaad werd de passende beoordeling bij inzage niet aangetroffen. Eén en ander mag trouwens blijken uit het bericht dat op 13 januari 2005 in het Belgisch Staatsblad verscheen: 'Bij besluit van de Vlaamse Regering van 12 november 2004 wordt het volgende bepaald: Artikel 1. Het bij dit besluit gevoegde ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan 'Waaslandhaven fase 1 en omgeving' wordt voorlopig vastgesteld. De normatieve delen van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gevoegd bij dit besluit als bijlagen I en II: 1/ Bijlage I bevat het grafisch plan; 2/ Bijlage II bevat de stedenbouwkundige voorschriften bij het grafisch plan. X-12.722-26/86 De niet-normatieve delen van dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gevoegd bij dit besluit als onderdeel van bijlage III, de Toelichtingsnota. Het gaat om: 1/ een weergave van de feitelijke en juridische toestand, meer bepaald de tekstuele toelichting en de kaarten; 2/ de relatie met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen; 3/ een lijst van de voorschriften die strijdig zijn met het bij dit besluit gevoegde ontwerp van gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan en die worden opgeheven; 4/ de passende beoordeling opgemaakt in uitvoering van artikel 36ter van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu.' M.a.w. gaf de Vlaamse regering zelf uitdrukkelijk toe dat de passende beoordeling niet bij het dossier was gevoegd. Nochtans diende dit stuk bij het dossier te zijn gevoegd. Zoals gezegd, luidt artikel 38 (§ 1, eerste lid) van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening als volgt: 'Een ruimtelijk uitvoeringsplan bevat: l/ een grafisch plan dat aangeeft voor welk gebied of welke gebieden het plan van toepassing is; 2/ de erbij horende stedenbouwkundige voorschriften inzake de bestemming, de inrichting en/of het beheer; 3/ een weergave van de feitelijke en juridische toestand; 4/ de relatie met het ruimtelijk structuurplan of de ruimtelijke structuurplannen waarvan het een uitvoering is; 5/ in voorkomend geval, een zo mogelijk limitatieve opgave van de voorschriften die strijdig zijn met het ruimtelijk uitvoeringsplan en die opgeheven worden; 6/ in voorkomend geval, het ruimtelijk veiligheidsrapport, het planmilieueffectenrapport en/of de passende beoordeling.' Het spreekt voor zich dat deze stukken ook bij het ontwerp / dossier dat -in het kader van het openbaar onderzoek- ter inzage wordt gelegd, moeten zijn gevoegd. Er kan in dit verband verder ook worden gewezen op verschillende bepalingen van het boven vermelde Verdrag van Aarhus d.d. 25 juni 1998. Artikel 2 van het decreet van 6 december 2002 (houdende instemming met het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II) bepaalt dat het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, en de Bijlagen I en II, ondertekend te Aarhus op 25 juni 1998, volkomen gevolg zullen hebben, voor het Vlaamse Gewest. De bepalingen van het decreet c.q. het Verdrag zijn toepasselijk daar het bestreden plan betrekking heeft op een zeehandelshaven die schepen van meer dan 1.350 ton kan ontvangen. In casu zijn de artikelen 5 (verzamelen en verspreiden van milieu-informatie), 6 (inspraak in besluiten over specifieke activiteiten) en X-12.722-27/86 7 (inspraak betreffende plannen, programma's en beleid betrekking hebbende op het milieu) van het Verdrag relevant. In wezen wordt het participatiebeginsel vastgelegd volgens hetwelk milieuvraagstukken moeten worden aangepakt met deelneming van alle betrokken burgers op het relevante niveau. Zo dient de overheid de burger gedurende de voorbereiding van de plannen de benodigde informatie te verstrekken en dient elke burger o.m. de mogelijkheid te hebben om actief deel te nemen aan het besluitvormingsproces. Op grond van artikel 7 namelijk moet elke verdragsluitende Partij de passende praktische en/of andere voorzieningen nemen voor inspraak gedurende de voorbereiding van plannen en programma's in verband met het milieu. Overeenkomstig artikel 6 van het Verdrag moet deze inspraak verlopen in een vroeg stadium, en bovendien tijdig en doeltreffend zijn. Aldus moeten volgens artikel 6, 3, van het Verdrag de inspraakprocedures redelijke termijnen bevatten voor de verschillende stappen van de besluitvorming, en die moeten voldoende tijd laten voor het informeren van het publiek. Daarnaast moet de inspraak in een vroegtijdig stadium gebeuren, op een moment waarop alle opties nog open zijn en er doeltreffende inspraak kan plaatsvinden (artikel 6, 4, van het Verdrag). Tenslotte vereist artikel 6, 8, nadrukkelijk dat de participatie effectief zou zijn, dit wil zeggen dat in de besluitvorming naar behoren zou rekening worden gehouden met het resultaat van de inspraak. Gelet op deze bepalingen kan er geen twijfel over bestaan dat de passende beoordeling bij het dossier van het openbaar onderzoek diende te zijn gevoegd. Het Vlaamse Gewest is dus niet zorgvuldig geweest. Er dient trouwens te worden gewezen op het feit dat de overheid in toepassing van genoemd artikel 36ter, § 6, bij haar beslissing over de actie of maatregelen i.v.m. de speciale beschermingzone rekening moet houden met de passende beoordeling. Het is niet redelijk dat het Vlaamse Gewest wel over de passende beoordeling beschikt en haar beslissing daar dient op te baseren terwijl verzoekers o.a. hun bezwaar niet kunnen baseren op de informatie die verstrekt wordt in die beoordeling. (...). Tweede onderdeel Het lijdt geen twijfel dat het bestreden planbesluit is onderworpen aan een passende beoordeling. Deze werd echter niet gemaakt. Pas achteraf is men die vergissing gaan inzien, hetgeen uit het eerste onderdeel blijkt. In de bestreden beslissing wordt hieromtrent het volgende gesteld: 'in navolging van het advies van VLACORO wordt verduidelijkt dat de nodige voorafgaande effectbeoordelingen voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan gebaseerd zijn op de bestaande uitvoerige X-12.722-28/86 effectbeoordelingen die gemaakt werden voor de projecten die vergund werden op basis van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden; dat specifiek voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan de passende beoordeling nader onderzocht is en onder andere rekening houdt met de natuurcompensaties die opgesomd zijn in het voormelde decreet van 14 december 2001; dat er dus wel degelijk een actualisatie van de passende beoordeling is gebeurd, dat de tekst daarvan in de toelichtingsnota is opgenomen zoals die ter inzage was in het openbaar onderzoek; dat in een latere fase die passende beoordeling wordt opgenomen als deel van de plan-MER voor de gehele zeehaven.' Over de zgn. actualisatie vindt men inderdaad iets terug in de toelichtingsnota. Bemerk dat de eerste alinea er is gekomen als repliek op de (hieronder geciteerde) bewaren van zowel het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen als de gemeente Zwijndrecht. '3.6. Passende beoordeling ten aanzien van als speciale beschermingzones te beschouwen gebieden. De nodige voorafgaande effectbeoordelingen voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gebaseerd op de bestaande effectbeoordelingen voor de projecten die vergund werden op basis van het nooddecreet en houden bijgevolg rekening met de natuurcompensaties die zijn opgesomd in het voormelde nooddecreet. Specifiek voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is de passende beoordeling nader bekeken. In een latere fase zal deze passende beoordeling worden opgenomen als deel van het plan-MER voor de gehele zeehaven. Het decreet natuurbehoud bepaalt dat ieder plan dat - afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's - een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een als speciale beschermingszone te beschouwen gebied kan veroorzaken, dient onderworpen te worden aan een passende beoordeling. Het gaat om gebieden die door de Vlaamse regering zijn voorgesteld of aangewezen als Speciale Beschermingszone in toepassing van de Vogelrichtlijn (richtlijn 79/409/EEG van 02.05.1979) en de Habitatrichtlijn (richtlijn 92/43/EEG van 21.05.1992). Voorliggend ruimtelijk uitvoeringsplan omvat onder meer de uitwerking van een gedeelte van de permanente en tijdelijke natuurcompensaties die conform het milieueffectenrapport en de passende beoordeling als bijlage bij de stedenbouwkundige aanvraag voor de bouw van het Deurganckdok noodzakelijk zijn en in het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende reden van groot algemeen belang gelden (het nooddecreet) zijn vastgesteld. Het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan beperkt zich voor wat de negatieve effecten betreft X-12.722-29/86 tot die delen van de zeehaven die onderzocht worden in die passende beoordeling. Het RUP heeft concreet betrekking op de compensatiegebieden: - Paardenschor; - zoetwaterkreek in de buffer (Zuid-West B); - tijdelijke compensatie weidevogelgebied 'Putten west'; - plas 'Drydijck' met inbegrip van ecologische buffer; - waterplassen gelegen in de zone 'Putten Plas' en overige waterplassen in Z2-gebied (Verrebroekse plassen); - tijdelijke inrichting van de spuitvelden 'Zwijndrecht', 'ex-Doeldok' en 'Z2-gebied'; - Steenlandpolder. De compensatiegebieden die niet opgenomen zijn in het RUP, met name weidevogelgebieden gelegen in zoekzone 'Doelpolder noord' en de kreek ter hoogte van het Paardenschor (Buffer-noord) worden in hun uitwerking geenszins gehypothekeerd door voorliggend RUP. De vastlegging van de compenserende maatregelen bij decreet van 14 december 2001 houdt de garantie in van de volledige, zij het gefaseerde herbestemmingen ten behoeve van de inrichting van deze compensatiegebieden. De gebieden voor permanente natuurcompensaties krijgen in het ruimtelijk uitvoeringsplan een herbestemming tot natuurgebied (art. 4, 5, 6). Deze gebieden met hoofdfunctie natuur zijn gericht op de instandhouding, de ontwikkeling en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en van landschapswaarden. De stedenbouwkundige voorschriften garanderen dat er geen werken, handelingen, voorzieningen, inrichtingen of functiewijzigingen zijn toegelaten die een verslechtering van de natuurkwaliteit en het natuurlijk milieu van de bedoelde habitats of een betekenisvolle verstoring van de bedoelde soorten zouden veroorzaken. In de gebieden aangeduid voor tijdelijke natuurcompensaties (art. 1 en 17) voorzien de voorschriften enkel in de mogelijkheid voor werken, handelingen, voorzieningen, inricht ingen en functiewijzigingen die gericht zijn op het behoud, de vervanging of de ontwikkeling van natuurwaarden die ingevolge de bepalingen voor de speciale beschermingzones in het decreet natuurbehoud nodig zijn om de bestemming havengebied blijvend te kunnen realiseren. Voor de bestemming artikel 1 is tevens in het nooddecreet uitdrukkelijk bepaald welke minimale oppervlakte steeds dient ingericht en beheerd te worden in functie van de aanduiding als Speciale Beschermingszone. Daarnaast vormt de herbestemming van het agrarisch gebied tot poldergebied, waar landbouw en natuur in het ruimtelijk uitvoeringsplan nevengeschikte functies zijn, een doeltreffend kader voor de instandhouding conform de aanduiding van het gebied als Vogelrichtlijngebied. X-12.722-30/86 Tenslotte wordt in het ruimtelijk uitvoeringsplan uitwerking gegeven aan de compensatiegebieden die aangeduid zijn voor het historisch passief door de herbestemming van deze gebieden naar natuurgebied. Het betreft: - Groot Rietveld en Put van Fien; - Zuidelijke groenzone. Dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan veroorzaakt derhalve geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van één van de bedoelde gebieden.' Bij deze gang van zaken passen een aantal bemerkingen. Zoals gezegd, was een passende beoordeling vereist voor de bestreden beslissing. Immers moet voor elk plan een passende beoordeling worden opgesteld wanneer op grond van objectieve gegevens niet kan worden uitgesloten dat het afzonderlijk of in combinatie met andere plannen of projecten significante gevolgen heeft voor het gebied. (...) Echter kan het project-MER dat voorafgaand aan het nooddecreet werd opgesteld, niet worden aangewend als passende beoordeling. Het nooddecreet-MER heeft immers enkel betrekking op het onderzoek van de effecten veroorzaakt door het uitvoeren van de werken die voorzien waren in het Nooddecreet, dus inzonderheid de aanleg van het Deurganckdok. Het bestreden decreet daarentegen legt bestemmingen vast, m.a.w. functies die op de gebieden mogen uitgevoerd. Het spreekt voor zich dat er een onderscheid bestaat tussen enerzijds het graven van een put en de aanleg van kaaimuren en anderzijds de daadwerkelijke exploitatie van een zeehaven met inbegrip van de oprichting en exploitatie van inrichtingen die gevaarlijke stoffen opslaan of verwerken. Uiteraard hebben beide zaken een totaal verschillend effect. Het bestreden plan wijkt trouwens af van het nooddecreet waar het onder meer voorziet in een aansluiting van dit dok met de Waaslandhaven (zone voor aan te leggen waterwegverbinding) alsook in een bredere invaargeul van het Deurganckdok. Tevens houdt de deelstudie 13 mobiliteit van het nooddecreet-MER geen rekening met een mogelijke sluiting van de ring en wordt daarin de Liefkenshoektunnel vooropgesteld ter ontlasting van de ring rond Antwerpen en de Kennedytunnel. Er is de meer dan aanzienlijke u it br e id ing va n he t z e e ha ve ng e bie d t o t d e h o e k Oostlangeweg-Engelsesteenweg. Enz.... Er diende dan ook een afzonderlijke passende beoordeling te worden gemaakt van de effecten van de exploitatie van het Deurganckdok die door het bestreden planbesluit wordt voorzien. In het eerste middel werd reeds gewezen op het feit dat een plan-MER diende te worden opgesteld. Conform artikel 36ter, § 3, diende de passende beoordeling in het kader van die milieueffectrapportage te gebeuren, hetgeen niet gebeurd is. Zelfs mocht het nooddecreet-MER een voldoende passende beoordeling zijn geweest die aan actualisatie toe was, dan nog moet worden X-12.722-31/86 vastgesteld dat de gedane actualisatie onvoldoende en zelfs naast de kwestie is. De actualisatie beperkt er zich immers toe te stellen dat het bestreden besluit onder meer de uitwerking omvat van een gedeelte van de permanente en tijdelijke natuurcompensaties en dat het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan derhalve geen betekenisvolle aantasting veroorzaakt van de natuurlijke kenmerken van één van de bedoelde compensaties. Vooreerst (
- is)het duidelijk dat de passende beoordeling niet gemotiveerd is. Men gaat ervan uit dat geen betekenisvolle aantasting zal worden veroorzaakt aan de SBZ zonder dit echter te motiveren. Verder spreekt het voor zich dat de passende beoordeling geen betrekking moet hebben op een onderzoek van de effecten van de aanleg van compensaties maar wel van de effecten van de natuurwaarden-vernielende plannen en vergunningen die aanleiding (geven) tot compensatie. In de actualisatie wordt op geen enkele manier ingaan op de meest recente keuzen inzake exploitatie van het dok en de bedrijven die er gevestigd zullen zijn hetgeen nochtans net de essentie van een actualisatie zou zijn. Nergens wordt onderzocht wat de invloed van het voorzien van de inrichting van bijzonder gevaarlijke bedrijven zal zijn op de betrokken SBZ-V. Tenslotte is vereist dat de passende beoordeling betrekking heeft op mogelijke gecombineerde effecten van het specifieke plan dat aan de goedkeuringsprocedure in kwestie wordt onderworpen (in casu het bestreden plan) én andere plannen of projecten die niet in dezelfde goedkeuringsprocedure aan de orde zijn (zie de nota "Beheer van Natura 2000 gebieden", Europese Commissie april 2000). Uit de bestreden beslissing en uit de zgn. actualisatie van de passende beoordeling blijkt zeer duidelijk dat de ganse Zeehaven (dus linker- en rechteroever) zal worden opgenomen in een RUP o.a. om de zeehaven af te bakenen. De passende beoordeling bij het bestreden plan moest dan ook rekening houden met dit aangekondigde plan. Bovendien moet de passende beoordeling ook rekening houden met de volgende projecten waarvoor momenteel een MER-procedure loopt (...) waaronder bijvoorbeeld: - Aanleg van een butadiëenleiding vanaf de Antwerp Gas Terminal (LO) tot aan Fina Antwerp Olefins (RO); Dossiercode PR0056 - Aanleg van een waterstofgasleiding in de Waaslandhaven (LO) in het kader van het NITRACO H2-netwerk te Antwerpen; dossiercode PR0107 - Aanleg van tweede spoorverbinding onder de Schelde (Liefkenshoekspoortunnel); dossiercode PR0055 - Oosterweelverbinding; dossiercode PR015 2 - enz ... De passende beoordeling voldoet dus niet. Dit was trouwens ook het standpunt van het Gemeentelijk Havenbedrijf Antwerpen. In zijn bezwaarschrift dat het tijdens het openbaar onderzoek heeft neergelegd, heeft het immers gesteld: X-12.722-32/86 'Het GHA hoopt dat deze passende beoordeling voldoende rechtszekerheid geeft.' Enigszins scherper was het bezwaar van de gemeente Zwijndrecht: '5.6. Passende beoordeling ten aanzien van als speciale beschermingszones te beschouwen gebieden (...) De toelichtingsnota stelt dat dit gewestelijke ruimtelijk uitvoeringsplan geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van de habitat- of vogelrichtlijngebieden kan veroorzaken. Het plan zou vertrekken van de passende beoordeling gemaakt door het MER opgemaakt in functie van de stedenbouwkundige aanvraag voor de bouw van het Deurganckdok. De stedenbouwkundige voorschriften garanderen dat geen betekenisvolle verstoring van de habitats of bedoelde soorten zou veroorzaken. Dit lijkt een nogal voortvarende conclusie: het studiegebied is in de MER-rapportage omtrent het Deurganckdok in verschillende studies beperkt tot de lijn Verrebroek-Kallo (o.a. deelstudie 10 - flora en deelstudie 11 - fauna). Tevens houdt de deelstudie 13 - mobiliteit nog geen rekening met een mogelijke sluiting van de ring en wordt daarin de Liefkenshoektunnel vooropgesteld ter ontlasting van de ring rond Antwerpen en de Kennedytunnel. Hoe een dergelijke -binnen de omschrijving van het RUP- onvolledige studie een passende beoordeling kan aanreiken naar het Vogelrichtlijngebied Blokkersdijk toe bv., is toch wel een raadsel. Het is anderzijds ook een raadsel hoe een zeehavengebied zonder veel restricties garandeert dat geen verslechtering van de natuurkwaliteit optreedt van de omringende gebieden. Dit is een veronderstelling die nergens onderbouwd wordt en dus aangevochten wordt. Het RUP biedt trouwens in tegenstelling tot wat de laatste zin sub 3.6 stelt, geen enkele garantie dat er geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van één van de bedoelde gebieden zal plaatsvinden: artikel 1 van de stedenbouwkundige bepalingen stelt enkel dat dit soort van gebieden toegelaten zijn, niet dat die zolang zij hun functie als tijdelijk compensatiegebied uitoefenen onaantastbaar zijn. In heel het gebied bedekt door artikel 1 zijn volgens de stedenbouwkundige voorschriften -zonder beperking- alle werken, voorzieningen, inrichtingen en functiewijzigingen voor de realisatie van de bestemming en voor de exploitatie toegelaten. Onder die omstandigheden dient geconcludeerd dat de passende beoordeling waarvan sprake helemaal niet voldoet en dat voorafgaand aan de opmaak van dit GRUP een effectief passende beoordeling diende te gebeuren.' In de door haar neergelegde nota stelde de gemeente Zwijndrecht het volgende (plenaire vergadering d.d. 3 mei 2004): 'Hoe een dergelijke -binnen de omschrijving van het RUP- onvolledige studie een passende beoordeling kan aanreiken naar het X-12.722-33/86 Vogelrichtlijngebied Blokkersdijk toe bv., is toch wel een raadsel. Men zou zich hier op dat vlak ook wel eens in een juridisch moeras kunnen begeven. Anderzijds is het niet duidelijk hoe een studie die de Liefkenshoektunnel aanwijst ter ontlasting van de ring, een passende beoordeling aanreikt voor de sluiting van de ring op een andere wijze (want niet zo voorzien in dit Grup). Het is anderzijds ook een raadsel hoe een zeehavengebied zonder veel restricties garandeert dat geen verslechtering van de natuurkwaliteit optreedt. Ofwel gaat men hier lichtzinnig te werk (en riskeert men voor de derde keer juridische problemen), ofwel dient de tekst van artikel 3.6 op een andere wijze geschreven.' De passende beoordeling voldoet dus duidelijk niet. Derde onderdeel Hierboven werd reeds gewezen op artikel 36ter, § 6, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu. (...) Artikel 36ter, § 6, legt de overheid (...) een bijzondere, uitdrukkelijke motiveringsplicht op wanneer zij moet beslissen over een plan of programma dat een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken. Deze bijzondere motiveringsplicht heeft betrekking op de keuze van de acties, de aanvaardbaarheid van de aantasting van de SBZ, enz.... Men zal in casu in het bestreden besluit vruchteloos zoeken naar enige motivering voor de keuze voor de voorgenomen actie, voor de aanvaardbaarheid van de te verwachten betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone, en voor de compenserende maatregelen. Er werd dus niet voldaan aan de bijzondere motiveringsplicht die artikel 36ter, § 6, oplegt. (...)"; 8.1. Overwegende, wat betreft het eerste onderdeel, dat de verzoekers daarin in essentie aanvoeren dat de "passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten (van het ontworpen plan) voor de speciale beschermingszone", in de zin van artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu, niet samen met het ontwerpplan ter inzage bij het openbaar onderzoek was gevoegd; Overwegende dat uit het in de toelichting bij het eerste onderdeel aangehaalde bericht dat is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad X-12.722-34/86 van 30 november 2004 blijkt dat niet enkel het ontwerpplan, voorlopig vastgesteld bij besluit van de Vlaamse regering van 17 november 2004, maar ook een aantal bijlagen, waaronder de toelichtingsnota (bijlage 3), ter inzage zouden worden gelegd; dat de verzoekers in hun toelichting bij het tweede onderdeel punt 3.6 van de toelichtingsnota bij het bestreden plan aanhalen, dat betrekking heeft op de "passende beoordeling ten aanzien van als speciale beschermingszones te beschouwen gebieden"; dat uit het dossier blijkt, en door de verzoekers niet betwist wordt, dat dit punt, met uitzondering van de na het openbaar onderzoek ingevoegde eerste alinea, reeds voorkwam in de toelichtingsnota gevoegd als bijlage bij het voorlopig vastgestelde plan; dat de afdeling Ruimtelijke Planning van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap bij brieven van 30 december 2004 aan het College van burgemeester en schepenen van de gemeente Beveren een eensluidend afschrift van het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 12 november 2004 en van de bijlagen meedeelde, zowel op papieren drager als in digitale vorm, met het oog op de organisatie van het openbaar onderzoek; dat de passende beoordeling derhalve, als onderdeel van de toelichtingsnota, tijdens het openbaar onderzoek ter inzage lijkt te zijn gelegd; dat het eerste onderdeel feitelijke grondslag lijkt te missen; 8.2. Overwegende, wat betreft het tweede onderdeel, dat de verzoekers daarin in essentie aanvoeren dat geen afzonderlijke passende beoordeling is uitgevoerd van de effecten van de exploitatie van het Deurganckdok waarin het bestreden plan voorziet, minstens, in zoverre volstaan zou kunnen worden met een actualisatie van het milieueffectrapport dat voorlag bij de goedkeuring van het genoemde decreet van 14 december 2001, die actualisatie onvoldoende en naast de kwestie is; 8.2.1. Overwegende dat artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu o.m. bepaalt dat een plan dat, afzonderlijk of in combinatie met één of meer bestaande of voorgestelde plannen, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone kan veroorzaken, onderworpen X-12.722-35/86 dient te worden aan een passende beoordeling wat betreft de betekenisvolle effecten voor de speciale beschermingszone; Overwegende dat, zoals hiervóór is opgemerkt, punt 3.6 van de toelichtingsnota bij het bestreden plan de "passende beoordeling ten aanzien van als speciale beschermingszones te beschouwen gebieden" bevat; dat de eerste alinea van dit punt luidt als volgt: "De nodige voorafgaande effectbeoordelingen voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan zijn gebaseerd op de bestaande effectbeoordelingen voor de projecten die vergund werden op basis van het nooddecreet en houden bijgevolg rekening met de natuurcompensaties die zijn opgesomd in het voormelde nooddecreet. Specifiek voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan is de passende beoordeling nader bekeken. In een latere fase zal deze passende beoordeling worden opgenomen als deel van het plan-MER voor de gehele zeehaven"; Overwegende dat, zoals de verweerder terecht opmerkt, het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan o.m. de consolidatie beoogt van de werken die vergund zijn met toepassing van het decreet van 14 december 2001 en van de compenserende maatregelen waarin dat decreet met betrekking tot het betrokken gebied voorziet; dat de effecten van de bedoelde werken het voorwerp hebben uitgemaakt van een milieueffectrapport Linkerscheldeoever-Deurganckdok, door de Cel MER van de Administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer op 5 oktober 2001 conform de ter zake toepasselijke reglementering verklaard; dat dit milieueffectrapport voorlag bij de parlementaire voorbereiding van het decreet van 14 december 2001 en nadien uitdrukkelijk in aanmerking is genomen bij de beoordeling van de aanvragen tot het verkrijgen van de stedenbouwkundige vergunningen voor de in het decreet bedoelde werken; dat het voorwerp van het milieueffectrapport in dat rapport zelf wordt omschreven als volgt: "De ingrepen die in dit MER besproken worden omvatten de bouw en de exploitatie van een getijdendok op de Linkeroever, in dit rapport verder Deurganckdok genoemd, en alle ermee onlosmakelijk verbonden deelprojecten (alle gerelateerde opspuitingen en alle gerelateerde X-12.722-36/86 infrastructuur), met inbegrip van het uitbaggeren van de Schelde in de directe nabijheid van het Deurganckdok en het onderhouden van de diepte van het dok en de Schelde in de omgeving van het dok, en alle deelprojecten waartoe indirect aanzet wordt gegeven (zoals de industriële ontwikkeling van de opspuitingen). Tevens worden de cumulatieve effecten onderzocht van de aanleg en de exploitatie van het Verrebroekdok. Er worden aanbevelingen gedaan voor de realisering van de benodigde compenserende en milderende voorzieningen. Dit MER voorziet ook in de inrichting van eventueel opgespoten oppervlakten, anders dan de direct aan het dok gelegen haventerreinen. Indien het oppervlak daarvan de 100 ha te boven gaat, dan is een dergelijke ontwikkeling m.e.r.-plichtig conform de vigerende wetgeving. Hoewel vanuit de verschillende alternatieven nog niet geheel duidelijk is hoeveel industrieterrein opgespoten zal worden, zullen deze potentiële zones voor haven- en industrieontwikkeling beschouwd worden vanuit een maximalistisch uitgangspunt ten aanzien van de verstoring voor natuur en mens. Meer specifiek zullen in deze rapportage de gevolgen van de bouw en de exploitatie van het Deurganckdok, tezamen met de exploitatie van het Verrebroekdok, het gebruik en de situering van de infrastructuur en de aanleg van de compenserende en milderende voorzieningen aan de orde komen. Indien voor de aanleg van infrastructurele voorzieningen een separate m.e.r. noodzakelijk is, dan zullen waar nodig de cumulatieve gevolgen van het gebruik van die voorzieningen en het gebruik van beide dokken in dit MER geanalyseerd worden. Voor de aanleg van die voorzieningen zal dan naar een aparte m.e.r. verwezen worden, indien de aanleg ervan m.e.r.-plichtig is en buiten het projectgebied van dit MER gelegen is (wat het geval kan zijn bij grotere spoorbundels nabij het toekomstige logistiek park). Ook bij het Verrebroekdok heeft dit plaatsgevonden: de aanleg is in een eigen m.e.r. besproken, maar de gevolgen worden hier beschouwd. (...)"; Overwegende dat uit die omschrijving van de in het milieueffectrapport beschreven ingrepen blijkt dat het in het rapport gaat, niet enkel om de effecten veroorzaakt door de eigenlijke aanleg van het Deurganckdok en de ermee samenhangende infrastructuur, maar ook om de effecten veroorzaakt door de exploitatie van die voorzieningen; dat zulks ook blijkt uit de inhoud zelf van het milieueffectrapport; X-12.722-37/86 Overwegende dat, wat betreft die voorzieningen, het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan in essentie geen andere betekenisvolle effecten veroorzaakt dan die welke reeds voortvloeien uit de projecten vergund met toepassing van het decreet van 14 december 2001; dat het genoemde decreet compenserende maatregelen oplegt, ter voldoening aan de vereisten van de genoemde habitatrichtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992; dat de decreetgever er aldus van uitgegaan is dat de exploitatie van het Deurganckdok en van de ermee samenhangende infrastructuur significante gevolgen heeft voor de betrokken speciale beschermingszones, maar dat het Deurganckproject niettemin moest worden gerealiseerd, zij het met compenserende maatregelen om te waarborgen dat de algehele samenhang van Natura 2000 bewaard zou blijven (artikel 6, lid 4, van de genoemde richtlijn); dat de passende beoordeling van de gevolgen van het bestreden plan voor de door het plangebied bestreken speciale beschermingszones in die bijzondere omstandigheden is kunnen uitgaan van de effectbeoordelingen die reeds m.b.t. het decreet van 14 december 2001 en m.b.t. de bedoelde projecten zijn gemaakt en die steunen op het genoemde milieueffectrapport; dat de beoordeling van de milieueffecten met andere woorden, in het licht van de reeds eerder door de decreetgever genomen beslissingen, niet meer geheel moest worden overgedaan en ook niet moest slaan op de effecten voor de speciale beschermingszones als zodanig, maar dat specifiek voor het bestreden plan de passende beoordeling zich kon beperken tot een onderzoek van de vraag of de bestemmings-, beheers- en inrichtingsvoorschriften van dat plan geen betekenisvolle aantasting zouden veroorzaken van de compensatiegebieden waarin het decreet van 14 december 2001, op grond van de ter gelegenheid daarvan uitgevoerde beoordeling, heeft voorzien; 8.2.2. Overwegende dat de verzoekers aanvoeren, m.b.t. de passende beoordeling zoals die is opgenomen in punt 3.6 van de toelichtingsnota bij het bestreden plan, dat niet gemotiveerd wordt waarom het bestreden plan geen betekenisvolle aantasting van de speciale beschermingszones zal veroorzaken; X-12.722-38/86 Overwegende dat, zoals hiervóór is uiteengezet, de speciale beoordeling zich te dezen kon beperken tot een onderzoek van de gevolgen van de ontworpen voorschriften op de compensatiegebieden waarin het decreet van 14 december 2001 heeft voorzien, en dat het niet meer nodig was om de effecten van de in het decreet bedoelde werken op de speciale beschermingszones als zodanig te onderzoeken; dat de kritiek van de verzoekers op het punt van de motivering dan ook niet ter zake dienend is; 8.2.3. Overwegende dat de verzoekers ook nog aanvoeren dat de passende beoordeling zoals die is opgenomen in punt 3.6 van de toelichtingsnota bij het bestreden plan geen rekening houdt met het aangekondigde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor het hele zeehavengebied (linker- en rechteroever), noch met een aantal projecten waarvoor een MER-procedure lopende is; Overwegende dat artikel 36ter, § 3, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu bepaalt dat een passende beoordeling vereist is als "een vergunningsplichtige activiteit (...), een plan of programma (...), afzonderlijk of in combinatie met één of meerdere bestaande of voorgestelde activiteiten, plannen of programma's, een betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van speciale beschermingszone kan veroorzaken"; dat een plan dus onderworpen is aan een passende beoordeling indien het, afzonderlijk of in combinatie met één of meer "bestaande of voorgestelde" plannen, een betekenisvolle aantasting kan veroorzaken; dat, zoals de Europese Commissie stelt i.v.m. artikel 6, lid 3, eerste volzin, van de habitatrichtlijn 92/43/EEG, waarvan artikel 36ter, § 3, van het decreet van 21 oktober 1997 de omzetting in het interne recht vormt, aldus mede rekening moet worden gehouden met de effecten van reeds voltooide of goedgekeurde plannen, alsmede met die van nog niet goedgekeurde plannen, voor zover die "werkelijk zijn voorgesteld" (Europese Commissie, Beheer van "Natura 2000"-gebieden. De bepalingen van artikel 6 van de habitatrichtlijn (Richtlijn 92/43/EEG), 2000, p. 35, nr. 4.4.3); dat daarentegen geen rekening moet worden gehouden met plannen die nog niet "werkelijk zijn voorgesteld", zoals het X-12.722-39/86 aangekondigde gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan voor de afbakening van het hele havengebied; dat voor de beoordeling van de gevolgen van een plan evenmin rekening moet worden gehouden met de effecten van voorgestelde projecten; dat de kritiek van de verzoekers op de volledigheid van de actualisatie dan ook niet gegrond lijkt; 8.2.4. Overwegende dat het onderdeel niet ernstig is; 8.3. Overwegende, wat betreft het derde onderdeel, dat de verzoekers daarin aanvoeren dat het bestreden besluit niet voldoet aan de bijzondere motiveringsverplichting opgelegd bij artikel 36ter, § 6, van het decreet van 21 oktober 1997; Overwegende dat de overheid op grond van de voornoemde bepaling haar beslissing dient te motiveren, in het bijzonder op de volgende punten: "l/ de keuze voor de voorgenomen actie, een bepaald alternatief of bepaalde deelalternatieven; 2/ de aanvaardbaarheid van de te verwachten betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van een speciale beschermingszone; 3/ de in het milieueffectrapport, in de passende beoordeling of de in het advies van de administratie bevoegd voor het natuurbehoud voorgestelde compenserende maatregelen en actieve instandhoudingsmaatregelen"; Overwegende dat in de overwegingen van het bestreden besluit zelf het volgende wordt gesteld i.v.m. de passende beoordeling inzake de speciale beschermingszones: "(In) navolging van het advies van VLACORO wordt verduidelijkt dat de nodige voorafgaande effectbeoordelingen voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan gebaseerd zijn op de bestaande uitvoerige effectbeoordelingen die gemaakt werden voor de projecten die vergund werden op basis van het decreet van 14 december 2001 voor enkele bouwvergunningen waarvoor dwingende redenen van groot algemeen belang gelden; dat specifiek voor dit gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan de passende beoordeling nader onderzocht is en onder andere rekening houdt X-12.722-40/86 met de natuurcompensaties die opgesomd zijn in het voormelde decreet van 14 december 2001; dat er dus wel degelijk een actualisatie van de passende beoordeling is gebeurd, dat de tekst daarvan in de toelichtingsnota is opgenomen zoals die ter inzage was in het openbaar onderzoek; dat in een latere fase die passende beoordeling wordt opgenomen als deel van (het) plan-MER voor de gehele zeehaven"; Overwegende dat, zoals bij de bespreking van het tweede onderdeel is overwogen, het bestreden gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan o.m. de consolidatie beoogt van de werken die vergund zijn met toepassing van het decreet van 14 december 2001 en van de compenserende maatregelen waarin dat decreet met betrekking tot het betrokken gebied voorziet; dat de beslissing om de bedoelde werken mogelijk te maken, om de te verwachten betekenisvolle aantasting te aanvaarden en om de bedoelde compenserende maatregelen op te leggen genomen is door de decreetgever; dat de Vlaamse regering bij het vaststellen van het bestreden plan niet meer gehouden was om de motieven te expliciteren die de decreetgever ertoe aangezet hebben om de beslissingen te nemen waarvan het plan de consolidatie beoogt; dat de aangehaalde motivering, vervat in de overwegingen van het bestreden besluit, gelezen in samenhang met de passende beoordeling, vervat in punt 3.6 van de toelichtingsnota, zich ertoe beperkt in te gaan op de effecten van het bestreden plan op de natuurcompensaties waartoe de decreetgever besloten heeft; dat die motivering in de gegeven bijzondere omstandigheden lijkt te volstaan ter voldoening van de verplichting opgelegd bij artikel 36ter, § 6, van het decreet van 21 oktober 1997; dat het onderdeel niet ernstig is; 9. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, geredigeerd als volgt: "Schending van - de artikelen 5, 6, 7 en 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid; - de verplichting voor elke administratieve overheid om haar beslissingen te steunen op in rechte en in feite aanvaardbare motieven. Samenvatting X-12.722-41/86 Er werd niet onderzocht of het bestreden plan een risico op een 'schadelijk effect' inhoudt. Bovendien diende deze watertoets te gebeuren in een MER (eerste onderdeel). Er is niet voldaan aan de uitdrukkelijke motiveringsplicht, bedoeld in artikel 8, § 2, van het decreet betreffende het algemeen waterbeleid (tweede onderdeel). Het bestreden plan schendt de doelstellingen en beginselen van integraal waterbeleid (derde onderdeel). Eerste onderdeel Het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid legt in hoofdstuk III, afdeling I, de overheden een aantal verplichtingen op, die de watertoets worden genoemd. Artikel 8 van dat decreet luidt: '§ 1. De overheid die over een vergunning, een plan of programma moet beslissen, draagt er zorg voor, door het weigeren van de vergunning of door goedkeuring te weigeren aan het plan of programma dan wel door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma, dat geen schadelijk effect ontstaat of zoveel mogelijk wordt beperkt en, indien dit niet mogelijk is, dat het schadelijk effect wordt hersteld of, in de gevallen van de vermindering van de infiltratie van hemelwater of de vermindering van ruimte voor het watersysteem, gecompenseerd. Wanneer een vergunningsplichtige activiteit, een plan of programma, afzonderlijk of in combinatie met een of meerdere bestaande vergunde activiteiten, plannen of programma's, een schadelijk effect veroorzaakt op de kwantitatieve toestand van het grondwater dat niet door het opleggen van gepaste voorwaarden of aanpassingen aan het plan of programma kan worden voorkomen, kan die vergunning slechts worden gegeven of kan dat plan of programma slechts worden goedgekeurd omwille van dwingende redenen van groot maatschappelijk belang. In dat geval legt de overheid gepaste voorwaarden op om het schadelijke effect zoveel mogelijk te beperken, of indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren. § 2. De overheid houdt bij het nemen van die beslissing rekening met de relevante door de Vlaamse regering vastgestelde waterbeheerplannen, bedoeld in hoofdstuk VI, voorzover die bestaan. De beslissing die de overheid neemt in het kader van § 1 wordt gemotiveerd, waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst. § 3. De overheid die moet beslissen over een vergunningsaanvraag kan advies vragen over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken of, indien dit niet mogelijk is, te herstellen of te compenseren aan de door de Vlaamse regering aan te wijzen instantie. Die brengt een gemotiveerd advies uit binnen dertig kalenderdagen na ontvangst van het dossier. X-12.722-42/86 Wordt er al op basis van andere regelgeving advies gevraagd in de loop van de vergunningsprocedure, dan beschikt de door de Vlaamse regering aan te wijzen instantie over dezelfde termijn als de andere adviesverleners. Als er binnen die termijnen geen advies is verleend, mag aan de adviesvereiste worden voorbijgegaan. Zolang geen plannen als bedoeld in hoofdstuk VI zijn vastgesteld of in het in § 1, tweede lid, bedoelde geval, moet de vergunningverlenende overheid bij twijfel over het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te voorkomen, te beperken, te herstellen of te compenseren advies vragen aan de door de Vlaamse regering aangewezen instantie. De Vlaamse regering kan nadere regels vaststellen over de wijze waarop dit advies moet worden aangevraagd en over de integratie ervan in andere adviesprocedures. § 4. Voor de vergunningsplichtige activiteit of een plan of programma die zijn onderworpen aan een milieueffectenrapportage geschiedt de analyse en evaluatie van het al dan niet optreden van een schadelijk effect en de op te leggen voorwaarden om dat effect te vermijden, te beperken, te herstellen of te compenseren, in dit rapport.' Sinds 24 november 2003 is het decreet betreffende het algemeen waterbeleid in voege getreden en is de watertoets vereist: bij elke beslissing over een plan, programma of vergunning moet de bevoegde overheid nagaan of er schade kan ontstaan aan het watersysteem. De watertoets is dus vereist bij elk plan, programma of stedenbouwkundige vergunning. Zie ook de parlementaire voorbereiding van het decreet integraal waterbeleid (Parl. St., Vl. Parl., Stuk 1730 (2002-2003) - Nr. 1, p. 23 e.v.): 'Dit artikel geeft uitvoering aan het principe van de integratie van integraal waterbeleid bij de planvorming en vergunningverlening. Telkens wanneer er een beslissing wordt genomen op andere beleidsterreinen van het Vlaamse Gewest en van de overige besturen, moet er op basis van dit artikel rekening worden gehouden met het integraal waterbeleid. De betrokken overheid moet dan als het ware het dossier aan een 'watertoets' onderwerpen vooraleer een beslissing te nemen. Deze 'watertoets' kan in het algemeen worden opgevat als het proces van vroegtijdig informeren, adviseren, afwegen en uiteindelijk beoordelen van de mogelijke schadelijke effecten van plannen, programma's of vergunningsbesluiten op het watersysteem. De grootste winst ligt dus bij de vroegtijdige informatievoorziening en afweging Daarmee fungeert de 'watertoets' ook als een belangrijk preventief instrument. In het eerste lid van § 1 wordt de algemene regeling verwoord. De watertoetsregeling is, voor wat de vergunningverlening betreft, geïnspireerd op de regeling van artikel 16 van het Decreet Natuurbehoud. Omdat het integraal waterbeleid een ruim toepassingsgebied heeft, wordt het begrip vergunning opgevat in zijn spraakgebruikelijke betekenis. Er kan bv. worden gedacht aan de milieuvergunning en de stedenbouwkundige vergunning. In aansluiting met het advies van de SERV over het voorontwerp van decreet integraal waterbeleid wordt de X-12.722-43/86 watertoets ook toepasselijk gemaakt op plannen en programma's. Het is inderdaad logisch dat niet enkel op niveau van de vergunningverlening, maar reeds vroeger, tijdens het voortraject van het initiatief of de activiteit, op niveau van de planvorming en de programma's rekening wordt gehouden met mogelijke schadelijke effecten van de voorgenomen initiatieven of activiteiten op het watersysteem. Voor wat betreft de begrippen 'plannen' en 'programma's' kan worden verwezen naar wat daaronder wordt verstaan in artikel 4. 1. 1, § 1, 4/, DABM. Overeenkomstig het eerste lid van artikel 8, § 1, dienen overheden bij het verlenen van een vergunning of bij het goedkeuren van een plan of programma telkens te onderzoeken of de betrokken activiteit of activiteiten een schadelijk effect kan (kunnen) doen ontstaan. Als de uitoefening van de activiteit of activiteiten gepaard gaat met (een reële kans
- op)een schadelijk effect, dan wordt ervoor gezorgd dat er dusdanige voorwaarden worden opgelegd bij het verlenen van de vergunning of bij de goedkeuring van het plan of programma, dat het ontstaan van elk schadelijke effect wordt vermeden of zo beperkt mogelijk wordt gehouden. Deze voorwaarden kunnen bv. betrekking hebben op de locatiekeuze of de omvang van de activiteiten, de gebruikte materialen (bv. infiltratiesystemen, zoals doorlatende verharding) of bouwwijze (bv. gering verhard oppervlak), enz. Indien het schadelijk effect niet kan worden voorkomen of geen beperkende maatregelen mogelijk blijken, dienen de op te leggen voorwaarden gericht te zijn op herstel. (...) De uitdrukkelijke motiveringsplicht voorzien in § 2 van dit artikel werd ingevoegd om te benadrukken dat de beslissingen bedoeld in de eerste alinea moeten worden getoetst vanuit de doelstellingen en beginselen van integraal waterbeleid.' Het lijdt geen twijfel dat de bestreden beslissing onder het toepassingsgebied van het decreet betreffende het algemeen waterbeleid valt. Het gaat immers om een ruimtelijk uitvoeringsplan. (...) (...) Uit de tekst van artikel 8 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en uit de memorie van toelichting blijkt (voorts) dat ieder plan of vergunning aan de watertoets is onderworpen, los van het risico op een schadelijk effect. De watertoets strekt er immers net toe om te onderzoeken of het plan of de vergunning een schadelijk effect (kan) doen ontstaan. (...) De eerste stap in de watertoets is inderdaad net het stellen van de vraag of het goed te keuren plan een schadelijke effect kan veroorzaken (...). Wat er ook van zij, verzoekers merken nu reeds op dat er geen twijfel kan bestaan over het feit dat het bestreden plan risico's op een 'schadelijk effect' inhoudt. Het plangebied (evenals de eigendommen van verzoekers) ligt in overstromingsgebied, en in het bekken 'Beneden-Scheldebekken' (...). Er wordt verder o.a. voorzien in de aanleg van het Deurganckdok (zone voor waterwegeninfrastructuur) en een aansluiting van dit dok met de X-12.722-44/86 Waaslandhaven (zone voor aan te leggen waterwegverbinding). Bijvoorbeeld het Doeldok heeft zoet water van zeer goede kwaliteit. De aansluiting van het Deurganckdok zal leiden tot een verzilting van dit water. Er kan ook worden gewezen op de zeer brede invaargeul van het Deurganckdok die wordt ingekleurd als zone voor waterwegeninfrastructuur. Enz.. Concreet zijn er dus voldoende gegevens die noopten tot een specifiek onderzoek van de multifunctionele wateraspecten waaronder: - het feit dat de helft van het Doeldok gedempt wordt, terwijl dit dok een belangrijk zoetwaterreservoir vormde met een zeer zuivere waterkwaliteit, zeer geschikt als viswater, mogelijkheid tot drinkwaterwinning (zoet water), slaapplaats en fourageergebied van allerlei eenden en fuutachtigen, aalscholvers, ... ; - het feit dat in art. 6 een zone wordt voorzien voor aan te leggen waterwegverbinding, wat een zeer ernstige impact kan hebben op de samenstelling van de waterlichamen in de Waaslandhaven onder meer wat de saliniteit (zoutgehalte) betreft, de uitwisseling van watervervuilende stoffen tussen de Waaslandhaven en de Zeeschelde/Deurganckdok. Via het Deurganckdok kan immers brak water massaal de Waaslandhaven binnenstromen, en dit cumulatief met de instroom van brak Scheldewater via de Kallosluis; - het feit dat door de aanleg van het Deurganckdok en de nieuwe zonering langs de Scheldeoevers (van natuurgebied met erfdienstbaarheid naar waterweggebied en bijbehoren) de bestaande schorren en slikken verdwijnen, dewelke een enorme waterzuiveringscapaciteit hadden door filtering en absorptie van o.a. nitraten, zwevende stoffen, zware metalen, .... - enz ... Er diende dus zeker te worden onderzocht of het plan een risico op een 'schadelijk effect' inhoudt hetgeen niet is gebeurd. (...). In het eerste middel werd reeds aangetoond dat het bestreden plan MER-plichtig is. In dergelijk geval dient, overeenkomstig artikel 8, § 4, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid de watertoets te gebeuren in het plan-MER. Dergelijke plan-MER ligt niet voor. Er kan ook geen beroep worden gedaan op het Nooddecreet-MER. Dit MER dateert van lang vóór de inwerkingtreding van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid en houdt geen toetsing in aan de doelstelling van artikel 5 en 6 van dit decreet. Trouwens, ten tijde van het Nooddecreet was onder meer niet voorzien in de aansluiting van het Deurganckdok met de Waaslandhaven. Ook is de vaargeul in het bestreden plan veel breder dan voorzien in het Nooddecreet. Er diende dus een plan-MER te worden opgesteld. (...). Tweede onderdeel X-12.722-45/86 De vermelde watertoets dient uitdrukkelijk te worden opgenomen in de bestreden beslissing. Inderdaad, zoals hierboven reeds aangegeven, bepaalt artikel 8, § 2, tweede lid, van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid dat de overheid het plan uitdrukkelijk moet motiveren, 'waarbij in elk geval de doelstellingen en de beginselen van het integraal waterbeleid worden getoetst'. De doelstellingen waarvan sprake zijn geformuleerd in artikel 5 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het integraal waterbeleid: '1/ de bescherming, de verbetering of het herstel van oppervlaktewater- en grondwaterlichamen op zo'n wijze dat tegen uiterlijk 22 december 2015 een goede toestand van de watersystemen wordt bereikt. Onder een goede toestand wordt verstaan :
- a)minstens een goede chemische, ecologische en kwantitatieve toestand voor oppervlaktewaterlichamen;
- b)minstens een goede chemische toestand en een goed ecologisch potentieel voor kunstmatige en sterk veranderde waterlichamen;
- c)minstens een goede chemische en kwantitatieve toestand van grondwaterlichamen; 2/ het voorkomen en verminderen van de verontreiniging van oppervlaktewater en grondwater, onder meer door :
- a)het progressief verminderen van de verontreiniging door prioritaire stoffen;
- b)het stopzetten of het progressief beëindigen van de verontreiniging door prioritair gevaarlijke stoffen; 3/ het duurzaam beheer van de voorraden aan oppervlakte- en grondwater door :
- a)een duurzame watervoorziening, met inbegrip van de winning, opvang, behandeling en distributie van water bestemd voor menselijke aanwending;
- b)een duurzaam watergebruik; 4/ het voorkomen van de verdere achteruitgang van aquatische ecosystemen, van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen en van waterrijke gebieden, onder meer door :
- a)het zoveel mogelijk behouden en herstellen van de natuurlijke werking van watersystemen;
- b)het ongedaan maken of het beperken van het schadelijk effect van versnippering die is ontstaan door niet-natuurlijke elementen in en langs oppervlaktewaterlichamen;
- c)de vrije vismigratie te verzekeren voor alle soorten vis vóór 1 januari 2010, in alle hydrografische stroomgebieden, en het voorkomen van nieuwe migratieknelpunten;
- d)het hanteren van technieken van natuurtechnische milieubouw; 5/ het verbeteren en het herstellen van aquatische ecosystemen en van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen :
- a)tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de waterrijke gebieden van internationale betekenis; X-12.722-46/86
- b)tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in het Vlaams Ecologisch Netwerk;
- c)tot op nader te bepalen of van toepassing zijnde referentieniveaus in de groengebieden, de parkgebieden, de bosgebieden, de natuurontwikkelingsgebieden en de met al deze gebieden vergelijkbare bestemmingsgebieden, aangewezen op de plannen van aanleg of de ruimtelijke uitvoeringsplannen die van kracht zijn in de ruimtelijke ordening;
- d)in de speciale beschermingszones voorzover het maatregelen betreft bedoeld in artikel 36ter, §§ 1 en 2, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu; 6/ het beheer van hemelwater en oppervlaktewater zo organiseren dat :
- a)het hemelwater zoveel mogelijk verdampt of nuttig wordt aangewend of geïnfiltreerd, en dat het overtollig hemelwater en effluentwater gescheiden van het afvalwater en bij voorkeur op een vertraagde wijze via het oppervlaktewaternet wordt afgevoerd;
- b)verdroging wordt voorkomen, beperkt of ongedaan gemaakt;
- c)zoveel mogelijk ruimte wordt geboden aan water, met behoud en herstel van de watergebonden functies van de oeverzones en overstromingsgebieden;
- d)de risico's op overstromingen die de veiligheid aantasten van de vergunde of vergund geachte woningen en bedrijfsgebouwen, gelegen buiten overstromingsgebieden, worden teruggedrongen; 7/ het terugdringen van landerosie en van de aanvoer van sedimenten naar de oppervlaktewaterlichamen, en van het door menselijk ingrijpen veroorzaakt transport en de afzetting van slib en sediment in het oppervlaktewaterlichaam; 8/ het beheer en het ontwikkelen van waterwegen met het oog op de bevordering van een milieuvriendelijker transportmodus van personen en goederen via de waterwegen en het realiseren van de intermodaliteit met de andere vervoersmodi en het bevorderen van de internationale verbindingsfunctie ervan; 9/ de integrale afweging van de diverse functies binnen een watersysteem, evenals het onderling verband tussen de verschillende functies van het watersysteem; 10/ het bevorderen van de betrokkenheid van de mens met het watersysteem, waaronder de verhoging van de belevingswaarde in stedelijk gebied en vormen van zachte recreatie. Bij de verwezenlijking van deze doelstellingen wordt rekening gehouden met het onderlinge verband tussen :
- a)het water en de andere onderdelen van het milieu, in het bijzonder het met het water verbonden ecosysteem;
- b)het grondwater, oppervlaktewater en hemelwater;
- c)de waterkwaliteit en de waterkwantiteit.' De beginselen waarvan sprake zijn geformuleerd in artikel 6 van het decreet betreffende het algemeen waterbeleid: X-12.722-47/86 '1/ het standstillbeginsel, op grond waarvan moet worden voorkomen dat de toestand van watersystemen verslechtert; 2/ het preventiebeginsel, op grond waarvan moet worden opgetreden om schadelijke effecten te voorkomen, veeleer dan die achteraf te moeten herstellen; 3/ het bronbeginsel, op grond waarvan preventieve maatregelen aan de bron worden genomen; 4/ het voorzorgsbeginsel, op grond waarvan het treffen van maatregelen ter voorkoming van schadelijke effecten niet moet worden uitgesteld omdat na afweging het bestaan van een oorzakelijk verband tussen het handelen of nalaten en de gevolgen ervan niet volledig door wetenschappelijk onderzoek is aangetoond; 5/ het 'de vervuiler betaalt'-beginsel, op grond waarvan de kosten voor maatregelen ter voorkoming, vermindering en bestrijding van schadelijke effecten en de kosten voor het herstellen van deze schade voor rekening zijn van de veroorzaker; 6/ het kostenterugwinningsbeginsel, op grond waarvan de kosten voor waterdiensten, met inbegrip van de milieukosten en de kosten van de hulpbronnen, in rekening worden gebracht met inachtneming van een economische analyse van het watergebruik; 7/ het herstelbeginsel, op grond waarvan bij schadelijke effecten deze voorzover mogelijk daadwerkelijk worden hersteld tot de van toepassing zijnde referentieniveaus; 8/ het participatiebeginsel, op grond waarvan aan de burgers vroeg, tijdig en doeltreffend inspraak wordt verleend bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid; 9/ het beginsel van hoog beschermingsniveau, op grond waarvan een zo hoog mogelijk beschermingsniveau wordt nagestreefd van de aquatische ecosystemen, met inbegrip van de rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen en waterrijke gebieden, zonder evenwel het multifunctionele gebruik van de watersystemen uit het oog te verliezen; 10/ het beginsel dat het watersysteem een van de ordenende principes is in de ruimtelijke ordening; 11/ het beginsel van de evaluatie ex ante, op grond waarvan een voorafgaande, systematische en grondige evaluatie van de gevolgen van het integraal waterbeleid op het milieu, het economische en sociale aspect en voor de samenleving, en voor de uitvoerende en handhavende instanties wordt uitgevoerd.' Artikel 8, § 2, van het decreet betreffende het algemeen waterbeleid legt, zoals aangegeven, een uitdrukkelijke motiveringsplicht op. Deze motiveringsplicht geeft aan wat de overheid allemaal in acht moet nemen. De beslissing, zoals in casu het bestreden besluit, moet worden getoetst vanuit de doelstellingen en beginselen van integraal waterbeleid. De uitdrukkelijke motiveringsplicht vereist dat voor elk van deze doelstellingen en beginselen wordt nagegaan wat de te verwachten effecten zijn en of er aldus sprake kan zijn van een schadelijk effect. Zijn er doelstellingen en X-12.722-48/86 beginselen die geen betrekking hebben op de te vergunnen activiteit of het goed te keuren plan of programma, dan moet uiteraard worden aangegeven waarom de overheid die mening is toegedaan. Immers, artikel 8, § 2, decreet IWB legt een uitdrukkelijke motiveringsplicht op (...). Het bestreden besluit stelt omtrent de watertoets enkel het volgende: 'Wat de watertoets betreft moet worden benadrukt dat het overgrote deel van het plan de ordening betreft van een deel van de Waaslandhaven; dat in de haventerreinen het water essentieel is voor het functioneren van het gebied, dat de stedenbouwkundige voorschriften die de haventerreinen en de waterwegeninfrastructuur beheersen (artikelen 1, 6, 7 en 8) alle werken toelaten die het goed functioneren van dit watersysteem moeten verzekeren; dat daarnaast in meerdere voorschriften voor andere gebieden rekening gehouden is met de nood aan waterbeheersingswerken en werken om wateroverlast tegen te gaan; dat met name artikel 4, § 4.2, tweede lid, artikel 5, § 5.2, eerste lid en tweede lid, l/, en artikel 11, tweede lid, 4/, expliciteren dat werken, handelingen en wijzigingen toegelaten zijn nodig voor het beheersen van overstromingen of het voorkomen van wateroverlast buiten de natuurlijke overstromingsgebieden.' Uw Raad zal vaststellen dat in casu eigenlijk geen watertoets is gebeurd, ondergeschikt dat de toetsing zeker niet aan alle doelstellingen en beginselen van artikel 5 en 6 van genoemd decreet is gebeurd. Er wordt enkel gewezen op het belang van het water voor het project en dat de bestemmingsvoorschriften werken toestaan om wateroverlast tegen te gaan. Er wordt echter niet nagegaan wat o.a. de schadelijke effecten van het plan kunnen zijn en het hoe het plan zich verhoudt t.a.v. de bedoelde beginselen en doelstellingen. Er is dus niet voldaan aan de bijzondere motiveringsplicht die artikel 8, § 2, oplegt. (...). Derde onderdeel Tenslotte is ook duidelijk dat het bestreden besluit een schending inhoudt van de artikelen 5, 6 en 7 van het decreet van 18 juli 2003 betreffende het algemeen waterbeleid. Zoals gezegd, bevat artikel 5 een aantal doelstellingen en artikel 6 een aantal beginselen. Artikel 7 luidt als volgt: 'De doelstellingen en beginselen van dit hoofdstuk zijn van toepassing op alle aspecten van het integraal waterbeleid.' Onder alle aspecten van het integraal waterbeleid valt onder meer de ruimtelijke ordening (...). Zie trouwens ook art. 6, 10/, van het genoemde decreet. Het bestreden besluit voldoet niet aan de geciteerde doelstellingen en beginselen. Zo zal het geplande Deurganckdok bijv. helemaal niet zorgen voor het verbeteren en het herstellen van aquatische ecosystemen en van rechtstreeks van waterlichamen afhankelijke terrestrische ecosystemen (artikel 5, 5/) van X-12.722-49/86 de (ten onrechte en op onrechtmatig wijze gedeeltelijk afgeschafte) speciale beschermingszone. Verder is ook niet voldaan aan het participatiebeginsel (artikel 6, 8/) volgens hetwelk de verschillende overheden, waaronder het Vlaamse Gewest en het Havenbedrijf bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid de burgers vroeg, tijdig en doeltreffend inspraak dienen te verlenen bij het voorbereiden, het vaststellen, het uitvoeren, het opvolgen en het evalueren van het integraal waterbeleid. Integraal waterbeleid is het beleid gericht op het gecoördineerd en geïntegreerd ontwikkelen, beheren en herstellen van watersystemen met het oog op het bereiken van de