← België

Arrest 166440 - Handelsvestigingen - 09/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.440 Rolnummer: A. 179947/XII-4980 Zaak: Arrest 166440 - Handelsvestigingen - 09/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-12 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 13:02 Fiche Arrest nr 166.440 van 9 januari 2007 Economische zaken - Handelsvestigingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.440 van 9 januari 2007 in de zaak A. 179.947/XII-

  1. In zake : de NV FIEVEZ-CADET, die woonplaats kiest bij advocaat J. Kempinaire, kantoor houdende te Kortrijk, Koning Leopold I-straat 27 tegen :
  2. de STAD MENEN,
  3. de BURGEMEESTER VAN DE STAD MENEN, die woonplaats kiezen bij advocaat D. Van Heuven, kantoor houdende te Kortrijk, President Kennedypark 8 B. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het 3 januari 2007 gedateerd verzoekschrift dat NV Fievez- Cadet heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 2 januari 2007 van de burgemeester van de stad Menen om dansinrichting Lagoa te sluiten voor een termijn van achttien dagen, evenals van de beslissing van dezelfde dag waarbij het college van burgemeester en schepenen het besluit van de burgemeester bevestigt; Gezien de nota van de verwerende partijen; Gelet op de beschikking van 4 januari 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 januari 2007, om 15.30 uur; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van advocaten J. Kempinaire en A. Van Pachtenbeke, die verschijnen voor verzoekster, en van advocaten S. Ronse en J. Verpraet, die verschijnen voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. Colin; XII-4980-1/4 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat verzoekster dancing Lagoa uitbaat te Menen, Wervikstraat 94; dat de burgemeester van de stad Menen de dancing bij besluit van18 december 2006 “in toepassing van art. 9 bis van de Wet dd. 24 februari 1921 inzake verdovende middelen” sluit voor een termijn van twee maanden, met ingang van 2 januari 2007; dat het besluit, zoals het nog dezelfde dag door het college van burgemeester en schepenen bevestigd is, bij arrest van de Raad van State nr. 166.335 van 29 december 2006 in zijn tenuitvoerlegging geschorst wordt; dat de burgemeester zijn beslissing van 18 december 2006 op 2 januari 2007 intrekt en vervolgens dansinrichting Lagoa “in toepassing van art. 9 bis van de Wet dd. 24 februari 1921 inzake verdovende middelen” sluit gedurende een termijn van achttien dagen, die ingaat op 5 januari 2007; dat nog steeds op 2 januari 2007 het college van burgemeester en schepenen de nieuwe sluiting bevestigt, en de gemeenteraad van de beslissing van de burgemeester kennis neemt; Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat verzoekster in hoofdzaak de aantasting van de bedrijfsreputatie doet gelden: de berichtgeving in de pers over de sluiting schept een negatieve atmosfeer rond de dancing doordat verzoekster “geïdentificeerd [wordt] met “druggerelateerde activiteiten” en aldus in een kwaad daglicht wordt gesteld; dit effect wordt nog versterkt door de uitlatingen van de burgemeester in de pers, waaronder de suggestie dat verzoekster iets zou hebben “mispeuterd”; eens het merk Lagoa “met negatieve zaken” geassocieerd wordt, zal het moeilijk zijn om het voort te exploiteren met commercieel succes; volgens experten duurt het herstellen van een geschonden bedrijfsreputatie minstens drie jaar; voor een kleine onderneming als die van verzoekster is een dergelijke periode “haast onoverkomelijk”; door de aantasting van XII-4980-2/4 de bedrijfsreputatie wordt ook de concurrentiepositie ernstig bedreigd, wat tot het definitieve einde van de onderneming kan leiden; Overwegende dat verzoekster aanvullend ook nog een winstderving ter sprake brengt, die “niet zomaar eenvoudige financiële schade” is; Overwegende dat blijkens de bestreden beslissing van de burgemeester, de aangevochten sluiting in wezen “slechts betrekking heeft op drie zaterdagen, waarin geen mega-fuiven zijn voorzien”; dat verzoekster dit niet betwist; dat niet duidelijk is waarom verzoekster de voor die dagen gederfde winst niet tenminste kan ramen; dat zij het zelfs niet probeert; dat het betreffende nadeel niet voor ernstig kan worden gehouden; Overwegende, voorts, dat verwerende partijen op het eerste gezicht terecht opmerken dat de naam Lagoa reeds “sedert jaar en dag gerelateerd [wordt] aan drugsfeiten”; dat de Raad moet vaststellen dat verzoekster zelf op pagina 2 van haar verzoekschrift schrijft dat in Lagoa regelmatig vaststellingen van drugsdelicten zijn gebeurd, op pagina 3 dat het moeilijk is om Lagoa van drugs te vrijwaren, op pagina 10 dat er regelmatig drugs werden aangetroffen in Lagoa, en op pagina 11 dat het aantal processen-verbaal wegens drugsdelicten in 2005 “nog 59” bedroeg en in 2006 “nog slechts 39 was”; dat zich in dit licht, tenminste voorlopig, de conclusie opdringt dat áls verzoekster met drugsgerelateerde activiteiten in verband wordt gebracht en daardoor schade aan haar bedrijfsreputatie oploopt, dit bezwaarlijk kan worden toegerekend aan de bestreden beslissingen die, strikt genomen, de drugsgerelateerde activiteiten alleen willen keren; Overwegende, bovendien, dat de bestreden beslissingen op het eerste gezicht beduidend minder negatief zijn voor verzoekster dan deze wil laten uitschijnen; dat de burgemeester in zijn bestreden besluit zelfs met zoveel woorden toegeeft dat de uitbaatster coöperatief is ten opzichte van de politiediensten; dat, in essentie, de centrale boodschap van het besluit lijkt te zijn dat de financiële inspanningen die de gemeenschap levert in verband met de drugsgerelateerde hinder veroorzaakt door de bezoekers van Lagoa “meer dan aanzienlijk zijn” en dat het in die omstandigheden niet volstaat dat verzoekster zich vergenoegt met bijstand aan de politiediensten, maar op grond van haar “eigen verantwoordelijkheden” “passende maatregelen” moet organiseren met het oog op een effectieve drugsbestrijding; dat mogelijk de burgemeester die essentie niet correct aan de pers heeft meegedeeld; dat XII-4980-3/4 deze -beweerde- foute communicatie evenwel niet lijkt toe te laten dat tegen de bestreden beslissingen in aanmerking wordt genomen wat er, op de keper beschouwd, vreemd aan is; Overwegende dat verzoekster niet aannemelijk maakt ten gevolge van, welbepaald, de bestreden beslissingen een reputatienadeel te riskeren die het voor een schorsing vereiste moeilijk te herstellen ernstig karakter vertoont; Overwegende dat niet aan de tweede van de cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid is voldaan; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
  4. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  5. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen januari 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4980-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.440 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.621 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.