id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.511 Rolnummer: Zaak: Arrest 166511 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 10/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-07 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 13:07 Fiche Arrest nr 166.511 van 10 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.511 van 10 januari 2007 in de zaak A. 175.062/X-12.944 175.063/X-12.945 175.064/X-12.946 175.065/X-12.947 175.371/X-12.967 175.372/X-12.968. In zake : I. In de zaak 175.062/X-12.944 1. Monique de BRIEY 2. Thierry de HEMRICOURT de GRUNNE II. In de zaak 175.063/X-12.945 vzw NATUURBESCHERMINGSACTIE LIMBURG III. In de zaak 175.064/X-12.946 vzw LANDELIJK VLAANDEREN, VERENIGING VAN BOS-, LAND- EN NATUUREIGENAARS IV. In de zaak 175.065/X-12.947 vzw KONINKLIJKE VERENIGING DER HISTORISCHE WOONSTEDEN EN TUINEN VAN BELGIË V. In de zaak 175.371/X-12.967 Michel de BRIEY VI. In de zaak 175.372/X-12.968 1. Thibault de BRIEY 2. Henrianne de GERLACHE de GOMERY, handelend als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen Gaëtan de BRIEY en Anne-Claire de BRIEY Alle verzoekende partijen kiezen in alle zaken woonplaats bij Advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : in alle zaken: 1. de Bestendige Deputatie van de provincieraad van LIMBURG, die woonplaats kiest bij Advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131, 2. het VLAAMSE GEWEST, X-12.944-1/27 dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. tussenkomende partijen : I. In alle zaken: de nv PLINIUS, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II laan 180, II. In de zaak 175.062/X-12.944: de nv PLINIUS VASTGOED, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II laan 180. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Monique de BRIEY en Thierry de HEMRICOURT de GRUNNE op 18 juli 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van, eensdeels, het besluit van 18 mei 2006 van de Vlaamse Minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijke uitvoeringsplan toeristisch hefboom- project "Plinius" (Tongeren) van de provincie Limburg, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2006, en anderdeels, het besluit van 15 maart 2006 van de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg houdende definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan "Plinius" (A. 175.062/X- 12.944); Gezien het verzoekschrift dat de vzw NATUUR- BESCHERMINGSACTIE LIMBURG op 18 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde besluiten (A. 175.063/X-12.945); X-12.944-2/27 Gezien het verzoekschrift dat de vzw LANDELIJK VLAANDEREN, VERENIGING VAN BOS-, LAND- EN NATUUREIGENAARS op 18 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde besluiten (A. 175.064/X-12.946); Gezien het verzoekschrift dat de vzw KONINKLIJKE VERENIGING DER HISTORISCHE WOONSTEDEN EN TUINEN VAN BELGIË op 18 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde besluiten (175.065/X-12.947); Gezien het verzoekschrift dat Michel de BRIEY op 28 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde besluiten (A. 175.371/X-12.967); Gezien het verzoekschrift dat Thibault de BRIEY en Henrianne de GERLACHE de GOMERY, handelend als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen Gaëtan de BRIEY en Anne-Claire de BRIEY op 28 juli 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde besluiten (A. 175.372/X-12.968); Gezien de nota's van de verwerende partijen in alle zaken; Gezien het verslag in alle zaken opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 3 oktober 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 10 november 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. RYCKBOST die verschijnt voor de verzoekende partijen, van Advocaat K. WAUTERS die loco Advocaat K. GEELEN verschijnt voor de eerste verwerende partij, van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van Advocaat S. VAN GEETERUYEN die verschijnt voor de nv Plinius en de nv Plinius Vastgoed; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; X-12.944-3/27 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; 1. Overwegende dat de vorderingen in de zaken A. 175.062 /X- 12.944, A. 175.063 /X-12.945, A. 175.064 /X-12.946, A. 175.065 /X-12.947, A. 175.371 /X-12.967 en A. 175.372 /X-12.968 gericht zijn tegen hetzelfde besluit; dat de zes zaken samenhangend zijn, en dan ook samengevoegd worden; 2. Overwegende dat de n.v. PLINIUS VASTGOED en de n.v. PLINIUS met op 30 augustus 2006 ter post aangetekende verzoekschriften vragen om in het administratief kort geding in de zaak A. 175.062 /X-12.944 te mogen tussenkomen; dat er grond is om de verzoeken in te willigen; Overwegende dat de n.v. PLINIUS met op 30 augustus 2006 ter post aangetekende verzoekschriften vraagt om ook in het administratief kort geding in de zaken A. 175.063 /X-12.945, A. 175.064 /X-12.946, A. 175.065 /X-12.947, A. 175.371 /X-12.967 en A. 175.372 /X-12.968 te mogen tussenkomen; dat er grond is om de verzoeken in te willigen; 3.1. Overwegende dat de provincie Limburg sinds een aantal jaren het toeristisch hefboomproject Plinius wil realiseren, waarmee de bouw van een Gallo-Romeins themapark "Land van Ooit" in Tongeren wordt beoogd; dat dit park gebouwd zou worden in een gebied dat volgens het gewestplan Sint-Truiden - Tongeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 april 1977 en gewijzigd o.m. bij besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2001, bestemd is als recreatiepark; dat artikel 12 van de stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan voor een dergelijk gebied o.m. bepaalt dat de ordening ervan wordt vastgesteld in een bijzonder plan van aanleg of een ruimtelijk uitvoeringsplan, voorafgaand aan de ontwikkeling van dat gebied; dat tegen het wijzigende besluit van 7 september 2001 een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing zijn ingesteld door een aantal verzoekers, waaronder twee van de verzoekers in de voorliggende zaken; dat de Raad van State bij arrest nr. 108.300 van 21 juni 2002 de vordering tot schorsing X-12.944-4/27 heeft verworpen, op grond van het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel; dat het beroep tot nietigverklaring nog aanhangig is; Overwegende dat het provinciaal ruimtelijk structuurplan Limburg, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 12 februari 2003, in punt 40 van het bindend gedeelte voorziet in de opmaak door de provincie van ruimtelijke uitvoeringsplannen voor nieuwe grootschalige toeristisch-recreatieve infrastructuur in de toeristisch- recreatieve gemeenten type I en binnen de kleinstedelijke gebieden, in overleg met de betrokken gemeenten en belanghebbende partijen; dat de stad Tongeren volgens punt 18 van het genoemde gedeelte behoort tot de toeristisch-recreatieve gemeenten van type I; Overwegende dat, ter uitvoering van de genoemde voorschriften, de provincieraad van Limburg bij besluit van 16 maart 2005 het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan toeristisch hefboomproject "Plinius" voorlopig heeft vastgesteld; dat het plangebied voor het grootste deel bestaat uit het gebied dat volgens het gewestplan bestemd is als recreatiepark; dat een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden van 12 april tot 10 juni 2005; dat naar aanleiding van bezwaren gemaakt tijdens het openbaar onderzoek de bestendige deputatie op 23 juni 2005 en 7 juli 2005 heeft beslist om zich te richten naar de voorschriften inzake de milieueffectrapportering en de procedure te hernemen vanaf de fase van het voorontwerp; dat de provincieraad bij besluit van 19 oktober 2005 het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan andermaal voorlopig heeft vastgesteld; dat een nieuw openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden van 8 november 2005 tot 6 januari 2006; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening op 5 januari 2006 een voorwaardelijk gunstig advies heeft gegeven; dat de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening op 22 februari 2006 een gunstig advies heeft verleend; dat de provincieraad bij besluit van 15 maart 2006 het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan "Plinius" definitief heeft vastgesteld; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening dit plan bij besluit van 18 mei 2006 heeft goedgekeurd; dat de genoemde besluiten van 15 maart 2006 en 18 mei 2006 het voorwerp vormen van de voorliggende vordering; 3.2. Overwegende dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar vervolgens, bij besluit van 23 mei 2006, een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend aan de nv STRABAG voor het bouwen van het genoemde themapark "Land van Ooit" (fase I); dat de verzoekers in de voorliggende zaak ook tegen dat besluit X-12.944-5/27 van 23 mei 2006 beroepen tot vernietiging en vorderingen tot schorsing hebben ingesteld (zaken A. 175.066, A. 175.067, A. 175.068, A. 175.069, A. 175.213 en A. 175.214); dat de Raad van State bij arrest nr. 166.512 van heden over de vorderingen tot schorsing uitspraak doet; Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Tongeren ondertussen, bij besluit van 31 januari 2006, een milieuvergunning had verleend aan de nv DEA DIA voor het exploiteren van het dagrecreatiepark "Land van Ooit"; dat het administratief beroep van o.m. de verzoekers in de voorliggende zaak is verworpen door de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg, bij besluit van 8 juni 2006; dat de verzoekers in de voorliggende zaak, met uitzondering van de verzoekster in de zaak A. 175.065, tegen het laatst- genoemde besluit een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing hebben ingesteld (zaken A. 175.071, A. 175.072, A. 175.073, A. 175.373 en A. 175.374); dat deze zaken nog aanhangig zijn; 4. Overwegende dat de verweerders en de tussenkomende partijen excepties van onontvankelijkheid opwerpen, afgeleid uit het ontbreken van het vereiste belang in hoofde van de verzoekers in de zaken A. 175.062, A. 175.371 en A. 175.372, en uit het ontbreken van de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang in hoofde van de verzoekers in de zaken A. 175.063, A. 175.064 en A. 175.065; Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vorderingen tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken; 5. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 6. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, bestaande uit vier onderdelen, geredigeerd als volgt: X-12.944-6/27 Eerste onderdeel Schending van artikel 3, lid 2, van richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma's (zogenaamde SEA-Richtlijn) juncto de artikelen 4.2.1 en 4.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid, doordat krachtens de eerste en de tweede bestreden beslissing wordt overgegaan tot het definitief vaststellen van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius met het oog op het uitvoeren van het hefboomproject Plinius zonder dat voorafgaandelijk een plan-MER werd opgesteld, terwijl in artikel 3, lid 2, van de SEA-Richtlijn expliciet wordt gesteld dat voor alle plannen en programma's die voor een aantal sectoren (o.a. industrie, toerisme, ruimtelijke ordening en grondgebruik) worden voorbereid en die een kader vormen voor de toekenning van toekomstige vergunningen voor projecten vermeld in de bijlagen I en II van de richtlijn 85/337/EEG, een plan-MER noodzakelijk is, en terwijl in de artikelen 4.2.1 en 4.2.2 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid wordt bepaald dat deze plannen en programma's, alvorens ze kunnen worden goedgekeurd, aan een milieueffectrapportage zijn onderworpen; Tweede onderdeel Schending van artikel 4.2.2, § 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid, doordat de bestreden beslissingen enerzijds het gevolg zijn van het hernemen van de procedure bij gebrek aan een plan-MER en anderzijds geen plan-MER bevatten doch via het zogenaamde integratiespoor getracht wordt te voldoen aan de plan-MER-plicht met verwijzing naar het bepaalde in artikel 4.2.2, § 3, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid, terwijl niet kan worden aanvaard dat enerzijds wordt erkend dat de procedure moet hernomen worden wegens een gebrek aan een plan-MER en anderzijds bij het nieuw georganiseerd openbaar onderzoek geen dergelijk plan-MER ter inzage wordt gelegd maar genoegen wordt genomen met het principe van het integratiespoor, X-12.944-7/27 en terwijl geenszins kon verwezen worden naar artikel 4.2.2, § 3, van het decreet van 5 april 1995 bij het nemen van de bestreden beslissingen; Derde onderdeel Schending van de artikelen 4.2.7, § 1, en 4.1.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid, doordat in de bestreden beslissingen verwezen wordt naar het bepaalde in artikel 4.1.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid met betrekking tot de voorwaarden voor het integratiespoor en hieruit wordt afgeleid dat een afdoende milieueffectbeoordeling op planniveau werd doorgevoerd, terwijl geenszins kan worden verwezen naar artikel 4.1.4, § 2, zijnde de vereisten van het integratiespoor, gezien artikel 4.2.2, § 3, van het decreet van 5 april 1995 geen toepassing kan vinden, en terwijl geenszins een afdoende beoordeling van de milieu- effecten op planniveau werd gemaakt en bijgevolg de bestreden beslissingen een schending inhouden van artikel 4.2.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995; Vierde onderdeel Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het vertrouwensbeginsel, de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet van 29 juli 1991, doordat aan de bestreden beslissingen geen afdoende plan-MER werd toegevoegd en dit terwijl de overheid het opstellen ervan initieel had voorop- gesteld, terwijl uit het redelijkheidsbeginsel volgt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist, en dat de kern van elke discretionaire bestuursbeslissing bestaat uit de belangenafweging die het bestuur dient te doen, en terwijl uit het vertrouwensbeginsel volgt dat het bestuur moet vermijden dat de burger in de rechtmatige verwachtingen welke hij uit het bestuursoptreden put, wordt gefrustreerd; het bestuur immers bij zijn optreden het vertrouwensbeginsel dient na te leven ten aanzien van de burger en de burger moet X-12.944-8/27 kunnen betrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in een concreet geval heeft gedaan, en terwijl een zorgvuldige besluitvorming inhoudt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist, en terwijl de materiële motiveringsplicht impliceert dat beslissingen gedragen worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn en ingevolge de formele of uitdrukkelijke motiveringsverplichting zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissingen ten grondslag liggen in de beslissingen zelf moeten terug te vinden zijn; 6.1. Overwegende, wat betreft het eerste onderdeel, dat uit de motieven van de bestreden besluiten blijkt dat zowel de provincieraad als de minister ervan uitgaan, met overneming van de redenen vervat in de beslissing van de Cel MER van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer van 13 november 2005 tot goedkeuring van het project-milieueffectrapport over het recreatiepark Plinius, dat het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan onderworpen is aan een "milieubeoordeling op planniveau", en dat het bedoelde project-milieueffectrapport de nodige informatie bevat "om te voldoen als milieubeoordeling voor dit planniveau"; dat het te dezen niet nodig is om uit te maken of de betrokken overheden er al dan niet terecht van uitgegaan zijn dat zij aan een verplichting tot milieueffectrapportage waren onderworpen, en nog minder om in te gaan op de vraag of die verplichting te dezen voortvloeit uit de bepalingen van het decreet van 5 april 1995 dan wel uit die van richtlijn 2001/42/EG van 27 juni 2001; dat het volstaat om vast te stellen dat de betrokken overheden zich naar de regeling inzake milieueffectrapportage op planniveau gericht hebben; dat het onderdeel, dat aan de bestreden besluiten verwijt dat ze genomen zijn zonder dat rekening gehouden is met de verplichting tot het uitvoeren van een milieueffectrapportage op planniveau, niet ernstig is; Overwegende dat de vraag of het project-milieueffectrapport waarop te dezen gesteund wordt wettig gebruikt kon worden in de milieueffectrapportage met betrekking tot het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, het voorwerp uitmaakt van de overige onderdelen van het middel; X-12.944-9/27 6.2. Overwegende, wat betreft het tweede onderdeel, dat de verzoekers in de toelichting bij dit onderdeel preciseren dat geen plan-milieueffectrapport is opgesteld, maar dat wel genoegen is genomen met een in enige mate uitgebreid project-milieueffectrapport, dat daarmee het zogenaamde integratiespoor is gevolgd als bedoeld in artikel 4.2.2, § 3, van het decreet van 5 april 1995, dat die bepaling echter niet toegepast kan worden, bij gebreke van een lijst die de Vlaamse regering ter uitvoering van die bepaling dient vast te stellen; Overwegende dat artikel 4.2.2., § 3, van het decreet van 5 april 1995 bepaalt dat de Vlaamse regering de plannen en programma’s aanwijst die niet worden onderworpen aan de milieueffectrapportage bedoeld in hoofdstuk II van titel IV van het genoemde decreet, omdat de desbetreffende besluitvormingsprocedure de in artikel 4.1.4, § 2, opgesomde essentiële kenmerken van de milieueffect-rapportage heeft; dat die bepaling tot doel heeft om voor bepaalde plannen en programma’s de milieueffectrapportage te koppelen aan en te integreren in de besluitvormingsprocedure die specifiek voor die plannen en programma’s geldt; dat artikel 4.2.2, § 3, weliswaar, bij gebreke van een besluit van de Vlaamse regering waarbij de lijst wordt vastgesteld van de plannen en programma’s die niet onderworpen zijn aan de milieueffectrapportage bedoeld in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995, nog niet toegepast kan worden; dat echter ook niet blijkt dat bij de opmaak van het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan toepassing gemaakt is van artikel 4.2.2, § 3; dat aan die laatste vaststelling geen afbreuk wordt gedaan door de omstandigheid dat in het bestreden besluit van de provincieraad van 15 maart 2006 uitdrukkelijk wordt verwezen naar artikel 4.2.2, § 3, ter verantwoording van het volgen van het zogenaamde integratiespoor; Overwegende dat de integratie van het project-milieueffectrapport voor het recreatiepark Plinius in de milieueffectrapportage met betrekking tot de opmaak van het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wel geacht moet worden te steunen op artikel 4.1.6, § 1, van het decreet van 5 april 1995, dat luidt als volgt: "Als meerdere rapportages moeten worden uitgevoerd, hetzij krachtens deze titel, hetzij krachtens deze titel en andere gewestelijke en/of federale regelgeving, neemt de administratie op eigen initiatief of op verzoek van de initiatiefnemer(
- s)een beslissing over de mogelijkheid tot afstemming of integratie van de verschillende rapporten en voorzover mogelijk van de verschillende rapportages. Er wordt in ieder geval naar gestreefd dat de verschillende rapportages zoveel mogelijk gelijktijdig worden uitgevoerd. X-12.944-10/27 De administratie neemt een beslissing over de wenselijkheid van de afstemming of integratie uiterlijk bij haar beslissing over de inhoud van het rapport, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, 4.3.5, § 1, en 4.5.3, § 1. De administratie en de initiatiefnemer(
- s)plegen hierover vooraf overleg"; Overwegende dat het op grond van die bepaling mogelijk is om bijvoorbeeld een project-milieueffectrapport, opgesteld met het oog op het verkrijgen van een milieuvergunning en een stedenbouwkundige vergunning, te integreren in de milieueffectrapportage voorafgaand aan de goedkeuring van een ruimtelijk uitvoeringsplan; dat te dezen een project-milieueffectrapport voor het recreatiepark Plinius is opgemaakt, waarvan het ontwerp na bespreking met de provincie is "aangevuld met een aantal aspecten (o.a. locatie-alternatieven- onderzoek, lucht, ...) om alzo als "milieubeoordeling" voor het plan (i.c. PRUP) te kunnen gelden ("integraal spoor" of "integratiespoor")"; dat in dit milieueffect- rapport uitdrukkelijk wordt gesteld dat de resultaten ervan voor Plinius "het kader (vormen) voor de milieubeoordeling op planniveau"; dat de Cel MER met de integratie van dat milieueffectrapport in de milieueffectrapportage voor de opmaak van het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan heeft ingestemd; dat hij immers, in zijn beslissing van 3 november 2005 houdende goedkeuring van het bedoelde project-milieueffectrapport, i.v.m. de juridische en beleidsmatige context ervan het volgende heeft overwogen: "Voor het recreatiegebied werd een ontwerp van PRUP Plinius opgemaakt. Tussentijdse resultaten van het MER werden als stedenbouwkundige voorschriften en randvoorwaarden geïntegreerd in het ontwerp van PRUP. Het PRUP is eveneens onderworpen aan een milieubeoordeling op planniveau. Voorliggend MER bevat de nodige informatie om te voldoen als milieubeoordeling voor dit planniveau"; Overwegende dat het op grond van die beslissing niet nodig was om een volledig nieuw plan-milieueffectrapport op te maken, en de daarvoor bepaalde procedure vanaf het begin te doorlopen; dat het volstond om het project- milieueffectrapport ter inzage te leggen tijdens het openbaar onderzoek over het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, en dat milieueffectrapport te gebruiken als hulpmiddel bij de besluitvorming omtrent dat plan; dat dit te dezen ook effectief gebeurd is; dat het project-milieueffectrapport ter inzage is gelegd tijdens het openbaar onderzoek dat heeft plaatsgevonden van 8 november 2005 tot 6 januari 2006; dat, zoals o.m. uit de samenvatting van het ontwerp van bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan blijkt, "de milieueffecten en milderende maatregelen die gevraagd worden in het MER, ... , waar nuttig en mogelijk, op het planologisch X-12.944-11/27 niveau (worden) doorvertaald en ruimtelijk-juridisch (worden) verankerd"; dat in de toelichtingsnota bij het bestreden plan een overzicht van de bedoelde milderende maatregelen en een samenvatting van het milieueffectrapport worden gegeven (punten 10.4 en 10.5); Overwegende dat het onderdeel niet ernstig is; 6.3.1. Overwegende, wat betreft het derde onderdeel, dat de verzoekers daarin in de eerste plaats aanvoeren dat de bestreden besluiten ten onrechte verwijzen naar artikel 4.1.4, § 2, van het decreet van 5 april 1995, op grond dat artikel 4.2.2, § 3, van dat decreet geen toepassing kan vinden; Overwegende dat het juist is dat in het bestreden besluit van de provincieraad van 15 maart 2006 wordt verwezen, m.b.t. het gevolgde integratie- spoor, naar artikel 4.2.2, § 3, van het decreet van 5 april 1995 en naar het in dat artikel genoemde artikel 4.1.4, § 2, van hetzelfde decreet; dat artikel 4.1.4, § 2, de essentiële kenmerken van een milieueffectrapportage vaststelt waaraan een besluit- vormingsprocedure moet voldoen opdat een plan of een programma, met toepassing van artikel 4.2.2, § 3, door de Vlaamse regering kan worden onttrokken aan de milieueffectrapportage als bedoeld in hoofdstuk II van titel IV van het decreet van 5 april 1995; dat, zoals in het antwoord op het eerste onderdeel is uiteengezet, te dezen evenwel geen toepassing is gemaakt van artikel 4.2.2, § 3; dat de vraag of de besluitvormingsprocedure in verband met het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan beantwoordt aan de essentiële kenmerken van artikel 4.1.4, § 2, dan ook niet relevant is voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden besluiten; 6.3.2. Overwegende dat de verzoekers in het derde onderdeel voorts aanvoeren dat er in de procedure die gevolgd is met het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan geen afdoende beoordeling is geweest van de milieu- effecten op planniveau, overeenkomstig de vereisten bepaald bij artikel 4.2.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995; 6.3.2.1. Overwegende dat, als toepassing wordt gemaakt van artikel 4.1.6, § 1, van het decreet van 5 april 1995 om een project-milieueffectrapport te integreren in de milieueffectrapportage met betrekking tot een plan of een programma, dit niet wegneemt dat in de procedure m.b.t. dat plan of dat programma een milieu- X-12.944-12/27 effectrapport moet voorliggen dat ten minste bestaat uit de onderdelen opgesomd in artikel 4.2.7, § 1, van dat decreet; dat dit te dezen betekent dat het projectmilieu- effectrapport voor het recreatiepark Plinius slechts gebruikt kon worden voor de milieueffectrapportage met betrekking tot het bestreden plan indien dat milieueffect- rapport voldoet aan de vereisten van de laatst genoemde bepaling; 6.3.2.2. Overwegende dat uit artikel 4.2.8, § 2, van het decreet van 5 april 1995, gelezen in samenhang met artikel 4.1.6, § 1, van dat decreet volgt dat de Cel MER het project-milieueffectrapport moet toetsen aan o.m. de overeenkomstig artikel 4.2.7 vereiste gegevens, alvorens hij kan beslissen dat dit milieueffectrapport geïntegreerd kan worden in de milieueffectrapportage met betrekking tot een plan of een programma; dat de Cel MER die toetsing te dezen heeft uitgevoerd, en in zijn hiervóór aangehaalde beslissing tot het besluit is gekomen dat het projectmilieu- effectrapport voor het recreatiepark Plinius "de nodige informatie (bevat) om te voldoen als milieubeoordeling voor (het) planniveau"; dat de Raad van State, bevoegd voor de toetsing van de wettigheid van een ruimtelijk uitvoeringsplan, zijn beoordeling op het punt van de intrinsieke degelijkheid van het milieueffectrapport niet in de plaats kan stellen van die van de Cel MER; dat hij enkel kan nagaan of de Cel MER wettig tot zijn beslissing is kunnen komen; 6.3.2.3. Overwegende dat de verzoekers in hun toelichting bij het derde onderdeel aanvoeren dat het milieueffectrapport op een aantal specifieke punten niet beantwoordt aan de vereisten van artikel 4.2.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995, waarvan de relevante bepalingen luiden als volgt: "Tenzij anders is bepaald in de beslissing, bedoeld in artikel 4.2.5, § 1, bestaat het plan-MER ten minste uit de volgende onderdelen : 1/ een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
- a)een beschrijving van de doelstellingen en krachtlijnen van het voorgenomen plan of programma en van het verband met andere, relevante plannen en programma's;
- b)een overzicht van de motieven voor het voorgenomen plan of programma;
- c)een schets van de beschikbare alternatieven voor het voorgenomen plan of programma of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake de bescherming van het milieu;
- d)een vergelijking tussen het voorgenomen plan of programma en de beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede de motivatie voor de selectie van de te onderzoeken alternatieven;
- e)(...);
- f)(...); 2/ een deel betreffende de milieueffecten dat de volgende informatie bevat :
- a)(...); X-12.944-13/27
- b)een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de mogelijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen plan of programma en van de onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ontwikkeling, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit, en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het voorgenomen plan of programma; de beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
- c)een beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de aanzienlijke negatieve milieueffecten van het voorgenomen plan of programma op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
- d)(...);
- e)(...); 3/ (...); 4/ (...)”; Overwegende dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat het hele project recreatiepark Plinius bestaat uit twee fasen, waarvan de eerste fase bestaat uit de oprichting van het themapark en de tweede fase uit de oprichting van verblijfswoningen en een zwembad aan de rand van het themapark, en dat het milieueffectrapport, bij gebreke van definitieve en gedetailleerde inrichtingsplannen voor de tweede fase, geen evaluatie van die fase bevat, terwijl die fase aanleiding geeft tot belangrijke ingrepen binnen landschappelijk waardevolle landschaps- eenheden; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.2.7, § 1, 1/, a en b, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat in het verslag van de Cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat "waar mogelijk ... bij elke discipline de impact van de tweede fase van het Pliniusproject (werd) beoordeeld", ook al werd dit "zeer kort beschreven wegens het ontbreken van concrete informatie voor deze tweede fase"; dat de verzoekers niet concreet aangeven op welke punten de informatie vervat in het milieueffectrapport onvoldoende zou zijn, in het licht van de vereisten die daaraan bij artikel 4.2.7, § 1, 1/, a en b, gesteld worden; dat zij niet aannemelijk maken dat de vaststelling door de Cel MER dat de informatie voldoende is, op dit punt kennelijk onredelijk is; X-12.944-14/27 Overwegende dat de verzoekers vervolgens kritiek uitoefenen op twee soorten alternatieven die in het milieueffectrapport worden besproken, met name de inrichtingsalternatieven (die een subtype vormen van de uitvoerings- alternatieven) en de locatiealternatieven; dat zij aanvoeren dat voor de keuze van de inrichting zoals die in het project is beschreven, is uitgegaan van een bezoekers-aantal dat vijf maal kleiner is dan de capaciteit waarvoor het recreatiepark zal worden opgericht, dat de voorziene buffering ontoereikend is en het voor een minimale aantasting van het landschappelijk uitzicht en het behoud van de eigenheid van de omgeving nodig is het hoofdgebouw elders in te planten, en dat voor fase 2 van het project alternatieven worden opengelaten, maar het juist nodig is dat die fase nu reeds geëvalueerd wordt; dat zij voorts aanvoeren dat de conclusie dat de gekozen locatie voor de inplanting van het recreatiepark de meest geschikte is steunt op het onderzoek van een aantal alternatieve locaties die op een heel summiere manier en aan de hand van een confuus vergelijkingssysteem, gebaseerd op enkele parameters, worden aangereikt, terwijl er in de ruimere omgeving heel wat meer alternatieven aanwezig zijn, waarvan ten onrechte geen melding is gemaakt in het milieueffect- rapport; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.2.7, § 1, 1/, c en d, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat in het verslag van de Cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport geen kritiek wordt uitgeoefend op de keuze van de alternatieven en op de beoordeling ervan; dat i.v.m. de inrichtingsalternatieven wordt uiteengezet dat die in een voorafgaande fase zijn onderzocht, in functie van o.m. buffergebieden, landschappelijke randvoorwaarden en wijze van parkeren, en dat het tot stand komen van dit proces aan bod komt in het eerste deel van het milieueffectrapport; dat i.v.m. de locatiekeuze voor de Pliniussite wordt uiteengezet dat die in het milieueffectrapport wordt weergegeven in tabelvorm, waarin zeven mogelijke locaties in of aan de rand van het kleinstedelijk gebied Tongeren worden getoetst aan acht parameters (planologische randvoorwaarden, bereikbaarheids- profiel, landschappelijke inpasbaarheid, relatie omringende bebouwing, aanwezige natuurwaarden, belang voor de landbouw en cultuurhistorische elementen), en dat blijkens een synthesetabel wordt besloten dat de zone Plinius op basis van de geselecteerde criteria als meest geschikt wordt beschouwd; Overwegende dat in het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat geen andere inrichtingsalternatieven worden bestudeerd voor fase 1, maar dat tijdens het proces van opstellen van het milieueffectrapport en van het bestreden provinciaal X-12.944-15/27 ruimtelijk uitvoeringsplan in overleg met de initiatiefnemer inrichtingsalternatieven zijn bepaald, die elders in het milieueffectrapport worden besproken; dat een dergelijke bijsturing, in het bijzonder van het plan, beantwoordt aan de doel-stellingen die met een milieueffectrapportage nagestreefd worden; dat de kritiek van de verzoekers op bepaalde aspecten van de inrichting zoals die in het milieueffect- rapport in aanmerking worden genomen, niet van die aard lijkt dat ze blijk geeft van een kennelijk onredelijke beoordeling van het milieueffectrapport door de Cel MER; dat in het milieueffectrapport voorts wordt opgemerkt dat het voor fase 2 mogelijk is dat de verblijfsaccomodatie anders wordt ingericht en dat er in plaats van bungalows een hotelaccomodatie komt, maar dat de meeste milieueffecten vergelijkbaar zullen zijn of niet erg zullen verschillen; dat hieruit blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met inrichtingsalternatieven voor die fase, en dat daarvan ook een milieubeoordeling, hoe summier ook, is gegeven; dat, gelet op het nog onzekere karakter van fase 2, die werkwijze niet kennelijk onredelijk lijkt; Overwegende dat in het milieurapport zeven locatiealternatieven worden besproken, waarvan de zone Pliniusbron (Pliniussite) uiteindelijk als de meest geschikte wordt beschouwd; dat de kritiek van de verzoekers op de gekozen alternatieven niet van die aard is dat ze in de huidige stand van de procedure tot de conclusie leidt dat die keuze kennelijk onredelijk is; dat de verzoekers weliswaar een aantal locaties in de omgeving opnoemen die eveneens in acht genomen en geëvalueerd hadden kunnen worden, maar dat zij in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk maken dat het gaat om "beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden", in de zin van artikel 4.2.7, § 1, 1/, d, van het decreet van 5 april 2005; Overwegende dat de verzoekers voorts aanvoeren dat in het milieueffectrapport verscheidene milderende maatregelen worden voorgesteld, maar dat de schematische voorstelling van de milderende effecten niet kan volstaan om voor de omwonenden te kunnen garanderen dat de hinder tot een minimum zal worden herleid; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.2.7, § 1, 2/, c, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat in deel 8 van het milieueffectrapport voor elk milieuonderdeel wordt onderzocht welke milderende maatregelen genomen zouden kunnen worden; dat in deel 9 per onderdeel een schematisch overzicht wordt gegeven van de relevante milieueffecten en de overeenstemmende milderende maatregelen; dat X-12.944-16/27 de verzoekers niet duidelijk maken in welk opzicht die beschrijvingen niet beantwoorden aan hetgeen in verband met de beschrijving en de evaluatie van de mogelijke milderende maatregelen op grond van artikel 4.2.7, § 1, 2/, c, is vereist; dat het onderdeel in dit opzicht bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk lijkt; Overwegende dat de verzoekers ook nog aanvoeren dat het milieueffectrapport geen concreet onderzoek bevat naar de effecten van de inplanting van het project op de luchtverontreiniging ten aanzien van de stad Tongeren, dat de luchtverontreiniging onlosmakelijk verbonden is met de stijging van de verkeersdrukte, welke zijn weerslag vooral heeft op de ozonconcentraties in de lucht, dat in het milieueffectrapport zelf wordt erkend dat door toename van de verkeersdrukte een lichte verslechtering van de luchtkwaliteit is te verwachten, dat het milieueffectrapport voorts wijst op een gebrek aan kennis van de bestaande luchtkwaliteit in de omgeving van het project, maar dat dit gebrek aan kennis verholpen had kunnen worden door het aanwerven van een expert terzake; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport door het ontbreken van een afdoende analyse van de te verwachten luchtverontreiniging niet voldoet aan artikel 4.2.7, § 1, 2/, b, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat in het verslag van de Cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport wordt opgemerkt: "Binnen de discipline "Lucht" wordt besloten dat de toename van emissies ten gevolge van de verkeerstoename niet onbelangrijk zijn, maar kaderend binnen de huidige verkeerstoestand toch als relatief beperkt kunnen worden beschouwd. Er wordt ingeschat dat in het studiegebied normoverschrijdingen zullen voorkomen in de toekomst met een beperkte negatieve invloed van het Pliniusproject"; dat, gelet op de analyse die het milieueffectrapport i.v.m. het aspect lucht bevat, de verzoekers niet aannemelijk maken dat die beoordeling kennelijk onredelijk is; dat artikel 4.2.7, § 1, 2/, b, van het decreet van 5 april 1995 slechts vereist dat de "mogelijk aanzienlijke" milieu-effecten van het voorgenomen plan of programma worden beschreven en beoordeeld; dat de verzoekers in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk maken dat het milieueffectrapport verzuimd heeft om "mogelijk aanzienlijke" effecten van het bestreden ruimtelijk uitvoeringsplan op de kwaliteit van de lucht te beschrijven en te beoordelen; Overwegende dat de verzoekers voorts aanvoeren dat het milieu- effectrapport de te verwachten aanzienlijke en ondraaglijke hinder ten gevolge van X-12.944-17/27 het bestreden plan en ten gevolge van de onderzochte alternatieven niet op afdoende wijze analyseert, en evenmin concreet weergeeft hoe aan de hinder ten gevolge van het bestreden plan kan worden tegemoet gekomen; dat zij met name wijzen op de verkeershinder die door het exploiteren van het dagrecreatiepark zal worden veroorzaakt; dat zij aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.2.7, § 1, 2/, b en c, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat het milieueffectrapport de effecten op o.m. het verkeer analyseert; dat, zoals wordt opgemerkt in het verslag van de Cel MER van 3 november 2005, daarbij o.m. wordt vastgesteld dat de verhouding intensiteit/capaciteit ten gevolge van het Pliniusproject voor sommige wegen tot meer dan 80 % zal toenemen, en dat ook voor een aantal kruispunten de capaciteit sterk gereduceerd zal worden; dat bij het onderzoek van de alternatieven eveneens rekening is gehouden met de effecten op het verkeer; dat tot de milderende maatregelen o.m. de aanpassing van het kruispunt N20-Fonteindreef behoort, zoals ook wordt opgemerkt in het genoemde verslag van de Cel MER; dat de verzoekers in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk maken dat de informatie vervat in het milieueffectrapport onvoldoende zou zijn, in het licht van de vereisten die daaraan bij artikel 4.2.7, § 1, 2/, b en c, gesteld worden; Overwegende dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat de op te richten buffer tussen de Mulkerweg en de interne ontsluitingsweg bestaat uit een rij bomen van 6 tot 10 meter, die echter facultatief zijn, dat de buffer aldus als ontoereikend moet worden beschouwd, zoals ook reeds was gebleken uit de adviezen verleend ten tijde van het opstellen van het ontwerp van milieu-effectrapport, dat hieruit volgt dat de impact van het inplanten van het recreatiepark niet op afdoende wijze werd geanalyseerd; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.2.7, § 1, 2/, b, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat de verzoekers op dit punt wel kritiek uitoefenen op het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, maar dat zij niet duidelijk maken in welk opzicht het milieueffectrapport niet beantwoordt aan hetgeen in verband met de beschrijving en de beoordeling van de milieueffecten op grond van artikel 4.2.7, § 1, 2/, b, is vereist; dat het onderdeel in dit opzicht bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk lijkt; 6.3.3. Overwegende dat het derde onderdeel niet ernstig is; X-12.944-18/27 6.4. Overwegende, wat betreft het vierde onderdeel, dat uit de toelichting ervan blijkt dat de verzoekers in essentie aanvoeren dat de provincieraad en de minister gehandeld hebben met schending van een aantal algemene rechtsbeginselen en van de formele motiveringsplicht, op grond dat zij het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan hebben vastgesteld en goedgekeurd zonder dat vooraf een afdoend plan-milieueffectrapport is opgesteld en zonder dat voldaan is aan de vereisten van het integratiespoor; Overwegende dat uit het antwoord op het tweede onderdeel blijkt dat de grief i.v.m. het volgen van het integratiespoor, d.i. het gebruiken van het project-milieueffectrapport om te voldoen aan de milieueffectrapportage op planniveau, niet ernstig is, en dat uit het antwoord op het derde onderdeel blijkt dat de grieven i.v.m. het afdoend karakter van het milieueffectrapport evenmin ernstig zijn; dat het vierde onderdeel dan ook lijkt uit te gaan van premissen die niet aannemelijk zijn; dat het vierde onderdeel niet ernstig is; 7. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 4, lid 1, en 6, leden 2, 3 en 4, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora (habitatrichtlijn), doordat artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn bepaalt dat de lidstaten op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens een lijst van gebieden voorstellen waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen, en artikel 6 voorziet in de communautaire bescherming van de door de Commissie, op basis van de door de lidstaten op grond van artikel 4 van de habitatrichtlijn aangemelde gebieden, uiteindelijk aangewezen beschermingszones, terwijl de niet-aanmelding van het projectgebied door het Vlaamse Gewest conform artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn tot gevolg heeft dat het betrokken projectgebied werd onttrokken aan de communautaire rechtsbescherming zoals geformuleerd in artikel 6 van de habitatrichtlijn, met inbegrip van de verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling, en terwijl aan de habitatrichtlijn directe werking dient te worden toegekend en de bestreden beslissingen bijgevolg een schending inhouden van artikel X-12.944-19/27 6, lid 3, van de habitatrichtlijn daar er geen passende beoordeling heeft plaatsgevonden bij het opmaken van het milieueffectrapport; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat het gebied waarop het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan betrekking heeft, niet gelegen is in een gebied dat de Vlaamse regering met toepassing van artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn bij het hierna genoemde besluit van 24 mei 2002 als speciale beschermingszone heeft voorgesteld, en dat het uiteraard evenmin opgenomen is in de lijst van gebieden van communautair belang, door de Europese Commissie vastgesteld bij beschikking 2004/813/EG van 7 december 2004; dat zich op ongeveer 550 meter van het plangebied wel een gebied van communautair belang bevindt, met name de "bossen en kalkgraslanden van Haspengouw"; dat in de motieven van het bestreden besluit van de provincieraad van 15 maart 2006 wordt vastgesteld dat in het milieueffectrapport is onderzocht welke effecten het Pliniusproject heeft op de fauna en flora in dat habitatrichtlijngebied, dat daaruit blijkt dat geen betekenisvolle aantasting van de natuurlijke kenmerken van dat gebied veroorzaakt wordt, en dat de bijkomende opmaak van een passende beoordeling, als bijkomend onderdeel van het milieueffectrapport of het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan dan ook niet noodzakelijk is; dat in het middel geen grief wordt aangevoerd tegen de beoordeling van de effecten voor het bedoelde habitatrichtlijngebied; Overwegende dat in het middel wel wordt aangevoerd dat de Vlaamse regering het plangebied zelf niet heeft voorgesteld als speciale beschermingszone, ook al vertoont het alle kenmerken ervan, waardoor het ten onrechte niet onderworpen is aan de verplichting tot het opmaken van een passende beoordeling, in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn; dat de verzoekers aldus in wezen de onwettigheid aanvoeren van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermings-zones; Overwegende dat artikel 4 van de habitatrichtlijn van 21 mei 1992 luidt als volgt : "1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lidstaat een lijst van gebieden voor, X-12.944-20/27 waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lidstaten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht. De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier. 2. Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere Lidstaat voor elk van de vijf in artikel 1, letter
- c)onder iii), genoemde biogeografische regio's en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de Lidstaten een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen. De Lidstaten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast. De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21. 3. De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld. 4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lidstaat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging. 5. Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4"; dat bijlage III bij de habitatrichtlijn een reeks "criteria voor de selectie van gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang en als speciale beschermingszones" omvat; dat blijkens de punten A en B van fase 1 van deze bijlage het gaat om "criteria voor de beoordeling" van gebieden; dat, zoals het Hof van Justitie in zijn arresten van 11 september 2001, in de zaken C-67/99, Commissie/Ierland, C-71/99, Commissie/Duitsland, en C-220/99, X-12.944-21/27 Commissie/Frankrijk, heeft overwogen, de lidstaten bij het voorstellen van gebieden die voor aanwijzing als speciale beschermingszone in aanmerking komen, over "een zekere beoordelingsmarge" beschikken, ook al dienen zij daarbij de in de richtlijn bepaalde criteria in acht te nemen; Overwegende dat de verzoekers het niet-aanmelden van het plangebied als gebied dat in aanmerking komt voor aanwijzing als speciale beschermingszone betwisten, gelet op de criteria bepaald in bijlage I van de habitatrichtlijn; dat zij niet specifiek verwijzen naar een bepaald type van natuurlijke habitat, vermeld in die bijlage I, noch naar een bepaald daarmee verband houdend criterium, vermeld in bijlage III, fase 1, punt A; dat zij zich beperken tot de algemene opmerking dat in de toelichtingsnota bij het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan wordt vastgesteld dat bepaalde delen "binnen het recreatiepark (zijn) aangeduid als biologisch waardevol, enerzijds aansluitend op het parkgebied van het kasteel van Betho, anderzijds in het verlengde van het natuurpark van het kasteel van Rooi"; dat zij ook nog aanvoeren dat het rust- en foerageergebied van de speciale beschermingszone "Bossen en kalkgraslanden van Haspengouw" gesitueerd ligt in het open gebied waar het project zal worden uitgevoerd; Overwegende dat de door de verzoekers aangevoerde gegevens geenszins aannemelijk maken dat de Vlaamse regering haar beoordelingsmarge overschreden heeft door het plangebied niet op te nemen in de opsomming van gebieden in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002; dat het bedoelde besluit dan ook niet genomen lijkt te zijn met schending van artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn; Overwegende dat, gelet op die voorlopige conclusie, de vraag naar de mogelijke directe werking van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn ten aanzien van het plangebied niet relevant is; Overwegende dat het middel niet ernstig is; 8. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 3 en 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, doordat de bestreden beslissing een op maat gemaakt plan is ter realisatie van het project Plinius en bijgevolg enkel ten dienste staat van het project, zonder dat een correcte invulling wordt gegeven aan de goede ruimtelijke ordening, X-12.944-22/27 terwijl bij het opstellen van het bestreden (plan) rekening dient te worden gehouden met een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, afhankelijk van de behoeften van de toekomstige generaties, waarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig worden afgewogen, rekening houdend met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen op lange termijn voor het leefmilieu, de sociale, economische en culturele consequenties, zodat de bestreden beslissing een schending inhoudt van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999; 8.1. Overwegende dat de verzoekers in de toelichting bij het middel in de eerste plaats aanvoeren dat uit artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 volgt dat bij het opstellen van een ruimtelijk uitvoeringsplan rekening moet worden gehouden met een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, met de behoeften van generaties en met de ruimtelijke draagkracht voor het plan, en dat het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan onverenigbaar is met de goede plaatselijke ordening; dat zij uiteenzetten dat het betrokken gebied vóór de wijziging van het gewestplan Sint- Truiden - Tongeren bij het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2001 bestemd was als parkgebied en natuurgebied, dat het ten gevolge van die wijziging bestemd is als recreatiegebied, dat reeds tegen die wijziging 270 bezwaarschriften zijn ingediend, dat er, gelet op dat grote aantal, geen maat-schappelijk draagvlak blijkt te zijn voor het inplanten van een recreatiegebied op de betrokken locatie, dat bezwaarschriften ook zijn ingediend tegen het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan en in het kader van de procedures voor het verlenen van de stedenbouwkundige vergunning en de milieuvergunning, dat het bestreden plan bij gebreke van maatschappelijk draagvlak een schending inhoudt van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999; Overwegende dat het enkele feit dat tegen een ontwerp van ruimtelijk uitvoeringsplan of tegen een eerdere wijziging van het gewestplan voor het betrokken gebied een groot aantal bezwaren is ingediend, niet aantoont dat het ruimtelijk uitvoeringsplan onverenigbaar is met de goede ruimtelijke ordening; dat de verzoekers nalaten concrete gegevens in te roepen waaruit de onverenigbaarheid van het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan met de goede ruimtelijke ordening zou blijken; dat het middel in dit opzicht niet ernstig is; 8.2. Overwegende dat de verzoekers in de toelichting bij het middel voorts aanvoeren dat de grenzen van het plangebied vrijwel geheel samenvallen met X-12.944-23/27 het projectgebied of de gronden waarop het Pliniusproject concreet gestalte zal krijgen, en dat het plangebied bijgevolg één eigenaar kent, zijnde de nv PLINIUS, dat het plan grotendeels op maat wordt gemaakt voor de toekomstige investeerders, dat hieruit volgt dat de bouw van het recreatiepark enkel is ingegeven door het "privaat belang" van de nv PLINIUS en haar private partners en dat deze percelen derhalve niet (worden geordend) omwille van nieuwe functionele noden en nieuwe marktvragen die gepaard gaan met bijkomende ruimtevraag, dat het project ten dienste moet staan van de gehele regio en niet enkel en alleen van de private belangen van een ondernemer; Overwegende dat artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening o.m. bepaalt dat bij de ruimtelijke ordening de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen; dat hieruit volgt dat een ruimtelijk uitvoeringsplan niet mag worden opgemaakt uitsluitend ter behartiging van bepaalde individuele belangen, maar dat het integendeel slechts kan worden aangenomen met het oog op de goede ruimtelijke ordening van het betrokken gebied; dat evenwel de omstandigheid dat een ruimtelijk uitvoeringsplan wordt opgemaakt met het oog op het creëren van een ruimtelijk kader voor een project waaraan ook een of meer private ondernemers deelnemen, op zich niet bewijst dat het plan niet of onvoldoende geïnspireerd is door het algemeen belang; Overwegende dat in de motieven van het bestreden besluit van de provincieraad van 15 maart 2006 op gelijkaardige bezwaren als die welke in het middel worden aangevoerd, het volgende antwoord wordt gegeven, overgenomen uit het advies van de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening: "- M.b.t. het bezwaar dat het PRUP enkel ten dienste staat van het project Plinius, niet wordt ingezet voor een goede ruimtelijke ordening en geen gewag maakt van een mogelijk ruimer kader dat de ruimtelijke inpasbaarheid van het project schetst, kan gesteld worden dat het PRUP binnen de zone recreatiepark (gewestplan), conform het besluit van de Vlaamse regering van 7 september 2001, "de integratie van een bovenlokaal toeristisch recreatief trefpunt in de bestaande ruimtelijke eigenheid van de site" bewerkstelligt. Het PRUP dient tevens gekaderd binnen het ruimtelijk structuurplan provincie Limburg (RSPL), nl. bindende bepaling 40: "de provincie maakt ruimtelijke uitvoeringsplannen op voor nieuwe grootschalige toeristisch-recreatieve infrastructuur in toeristisch-recreatieve gemeenten type I en binnen de kleinstedelijke gebieden". Tongeren is in het RSPL geselecteerd als toeristisch-recreatief knooppunt type I. Het PRUP wordt dus binnen een duidelijke en brede juridische en ruimtelijke beleidscontext geplaatst en heeft de opdracht een toeristisch-recreatief project mogelijk te maken, afgestemd op de eigenheid van de site, en dit los van een bepaald project. In het X-12.944-24/27 ruimtelijk vooronderzoek van het PRUP is een uitgebreide en degelijke landschappelijke analyse van de eigenheid van de site (o.a. historische omgeving) uitgevoerd. Dit heeft geleid tot een objectieve bepaling van structuurbepalende kenmerken en landschapseenheden en tot een aantal ruimtelijke maatregelen die ook juridisch vastgelegd worden in het PRUP (o.a. behoud dreefstructuren/vista’s, aanleg van groenbuffer, behoud van parkgebied rond Mulken, aanduiding landschapsbeeldbepalende zone). Deze hebben zelfs geleid tot een bijsturing van het concrete project (zie ook toelichtingsnota, p. 48, 3.2 confrontatie project met context, eerste paragraaf) teneinde de noodzakelijke landschapskenmerken te vrijwaren en te integreren in het project en alzo in een goede ruimtelijke ordening te voorzien. (...) - Het voorliggend Pliniusproject is van algemeen belang en beoogt niet louter privaat-commerciële doelstellingen. Het is niet omdat gestreefd wordt naar een publiek-private samenwerking dat er van algemeen belang geen sprake meer zou kunnen zijn en dat het belang van de publieke partijen niet meer gerealiseerd kan worden. Het Pliniusproject heeft, naast commerciële doelstellingen, ook toeristische en educatieve doelstellingen (die behartigd en gegarandeerd worden door de publieke partijen). De exploitatie dient te allen tijde te voldoen aan de doelstellingen en voorwaarden (i.c. algemeen belang) zoals door de Vlaamse regering gesteld in het kader van de hefboomprojecten in het algemeen en het Pliniusproject in het bijzonder. Daarenboven is het algemeen nut reeds gebleken bij de onteigenings- procedure door Toerisme Vlaanderen (zie Belgisch Staatsblad, 12 juli 2004). Het feit/bewijs van "algemeen belang" is ook reeds door de vonnissen van de vrederechter en de Raad van State vastgesteld. Het PRUP heeft niet als voorwaarde het project te toetsen aan de doelstellingen van de Vlaamse regering. Het project werd zeer grondig getoetst aan de doelstelling van algemeen belang (en beantwoordt eraan), vooraleer de minister (die toezicht houdt op de nv LISOM) een positieve beslissing heeft genomen om de nv LISOM de toelating te geven te investeren in een bepaald project en voor zover deze middelen bij voorkeur aangewend worden voor publieke doelstellingen (waarvan sprake in het besluit) en dus het algemeen nut rechtvaardigen. (...)"; Overwegende dat in de motieven van het bestreden ministerieel besluit voorts wordt overwogen "dat in het kader van het PRUP getracht is om een evenwicht te vinden tussen de specifieke opties van een concreet project en een globale ruimtelijke en landschappelijke toets; dat in de toelichtingsnota bij het PRUP een zeer omstandig landschappelijk afwegingskader is opgebouwd; dat de essentiële ruimtelijke en landschappelijke randvoorwaarden zijn vastgelegd in het verordenend grafisch plan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften"; Overwegende dat uit de aangehaalde motieven blijkt dat het bestreden provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan weliswaar is ingegeven door de bedoeling om de realisatie van het Pliniusproject mogelijk te maken, maar dat het steunt op een ruimtelijke afweging die ook met andere belangen dan die van de initiatiefnemer rekening houdt, en dat het, op basis van "structuurbepalende X-12.944-25/27 kenmerken en landschapseenheden", de "essentiële ruimtelijke en landschappelijke randvoorwaarden" bepaalt waaraan het genoemde project zal moeten voldoen; dat de verzoekers in de huidige stand van de rechtspleging niet aannemelijk maken dat het bestreden plan "enkel is ingegeven door het "privaat belang" van de nv PLINIUS en haar private partners"; dat het middel in dit opzicht niet ernstig is; 9. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; BESLUIT: Artikel 1. De zaken A. 175.062/X-12.944, 175.063/X-12.945, 175.064/X-12.946, 175.065/X-12.947, 175.371/X-12.967 en 175.372/X-12.968 worden gevoegd. Artikel 2. De verzoeken tot tussenkomst van de nv PLINIUS en de nv PLINIUS VASTGOED in de administratieve korte gedingen worden ingewilligd. Artikel 3. De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-12.944-26/27 De kosten van de tussenkomsten in de schorsingsprocedure, bepaald op 875 euro, komen ten laste van de nv Plinius ten belope van 750 euro, en van de nv Plinius Vastgoed ten belope van 125 euro. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.944-27/27 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.511 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div