← België

Arrest 166512 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.512 Rolnummer: Zaak: Arrest 166512 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 10/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-02 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-29 13:07 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(

  1. en)DE Fiche Arrest nr 166.512 van 10 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Samenvoeging Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.512 van 10 januari 2007 in de zaken A. 175.066/X-12.948 175.067/X-12.949 175.068/X-12.950 175.069/X-12.951 175.213/X-12.960 175.214/X-12.961. In zake : I. In de zaak 175.066/X-12.948 1. Monique de BRIEY 2. Thierry de HEMRICOURT de GRUNNE II. In de zaak 175.067/X-12.949 vzw NATUURBESCHERMINGSACTIE LIMBURG III. In de zaak 175.068/X-12.950 vzw LANDELIJK VLAANDEREN, VERENIGING VAN BOS-, LAND- EN NATUUREIGENAARS IV. In de zaak 175.069/X-12.951 vzw KONINKLIJKE VERENIGING DER HISTORISCHE WOONSTEDEN EN TUINEN VAN BELGIË V. In de zaak 175.213/X-12.960 Michel de BRIEY VI. In de zaak 175.214/X12.961 1. Thibault de BRIEY 2. Henrianne de GERLACHE de GOMERY, handelend als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen Gaëtan de BRIEY en Anne-Claire de BRIEY Alle verzoekende partijen kiezen in alle zaken woonplaats bij Advocaten D. RYCKBOST en E. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : in alle zaken: het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure 5. X-12.948-1/24 tussenkomende partijen : I. In alle zaken: 1. de nv STRABAG BELGIUM die woonplaats kiest bij Advocaten D. CAESTECKER en E. EMPEREUR, kantoor houdende te 2600 ANTWERPEN, Uitbreidingstraat 2, 2. de nv PLINIUS, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II laan 180, II. In de zaak 175.066/X-12.948 3. de nv PLINIUS VASTGOED, die woonplaats kiest bij Advocaat S. VAN GEETERUYEN, kantoor houdende te 1080 BRUSSEL, Leopold II laan 180. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Monique de BRIEY en Thierry de HEMRICOURT de GRUNNE op 18 juli 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het besluit van 23 mei 2006 van de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar waarbij aan de nv STRABAG BELGIUM de stedenbouwkundige vergunning is verleend voor het bouwen van een themapark "Land van Ooit" aan de Hasseltsesteenweg en de Mulkerstraat te Tongeren (A. 175.066/X-12.948); Gezien het verzoekschrift dat de vzw NATUUR- BESCHERMINGSACTIE LIMBURG op 18 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van hetzelfde besluit (A.175.067/X-12.949); Gezien het verzoekschrift dat de vzw LANDELIJK VLAANDEREN, VERENIGING VAN BOS-, LAND- EN NATUUREIGENAARS op 18 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van hetzelfde besluit (A. 175.068/X-12.950); X-12.948-2/24 Gezien het verzoekschrift dat de vzw KONINKLIJKE VERENIGING DER HISTORISCHE WOONSTEDEN EN TUINEN VAN BELGIË op 18 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van hetzelfde besluit (175.069/X-12.951); Gezien het verzoekschrift dat Michel de BRIEY op 25 juli 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van hetzelfde besluit (A. 175.213/X-12.960); Gezien het verzoekschrift dat Thibault de BRIEY en Henrianne de GERLACHE de GOMERY, handelend als wettelijk vertegenwoordigster van haar minderjarige kinderen Gaëtan de BRIEY en Anne-Claire de BRIEY op 25 juli 2006 hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van hetzelfde besluit (A. 175.214/X-12.961); Gezien de nota's van de verwerende partij in alle zaken; Gezien het verslag in alle zaken opgemaakt door Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikkingen van 5 oktober 2006 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 10 november 2006; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat D. RYCKBOST die verschijnt voor de verzoekende partijen in alle zaken, van Advocaat P. AERTS die verschijnt voor de verwerende partij in alle zaken, van Advocaat A. VERLINDEN die loco Advocaten D. CAESTECKER en E. EMPEREUR verschijnt voor de nv STRABAG BELGIUM, en van Advocaat S. VAN GEETERUYEN die verschijnt voor de nv PLINIUS en voor de nv PLINIUS VASTGOED; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; X-12.948-3/24 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Gelet op het bij artikel 90, § 3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vereiste advies van de Auditeur-generaal; 1. Overwegende dat de vorderingen in de zaken A. 175.066/X-12.948, A. 175.067 /X-12.949, A. 175.068 /X-12.950, A. 175.069 /X-12.951, A. 175.213 /X-12.960 en A. 175.214 /X-12.961 gericht zijn tegen hetzelfde besluit; dat de zes zaken samenhangend zijn, en dan ook samengevoegd worden; 2. Overwegende dat de nv STRABAG BELGIUM met op 8 augustus 2006 ter post aangetekende verzoekschriften vraagt om in het administratief kort geding in alle samengevoegde zaken te mogen tussenkomen; dat er grond is om de verzoeken in te willigen; Overwegende dat de nv PLINIUS met op 31 augustus 2006 ter post aangetekende verzoekschriften vraagt om in het administratief kort geding in alle samengevoegde zaken te mogen tussenkomen; dat er grond is om de verzoeken in te willigen; Overwegende dat de nv PLINIUS VASTGOED met een op 31 augustus 2006 ter post aangetekend verzoekschrift vraagt om in het administratief kort geding in de zaak A. 175.066 /X-12.948 te mogen tussenkomen; dat er grond is om het verzoek in te willigen; 3.1. Overwegende dat de provincieraad van de provincie Limburg bij besluit van 19 oktober 2005 het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan toeristisch hefboomproject "Plinius" voorlopig heeft vastgesteld; dat een openbaar onderzoek heeft plaatsgevonden van 8 november 2005 tot 6 januari 2006; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening op 5 januari 2006 een voorwaardelijk gunstig advies heeft gegeven; dat de provinciale commissie voor ruimtelijke ordening op 22 februari 2006 een gunstig advies heeft verleend; dat de provincieraad bij besluit van 15 maart 2006 het provinciaal ruimtelijk uitvoerings-plan "Plinius" definitief heeft vastgesteld; dat de Vlaamse minister bevoegd inzake ruimtelijke ordening dit plan bij besluit van 18 mei 2006 heeft goedgekeurd; dat de X-12.948-4/24 verzoekers in de voorliggende zaak tegen de genoemde besluiten van 15 maart 2006 en 18 mei 2006 beroepen tot vernietiging en vorderingen tot schorsing hebben ingesteld (zaken A. 175.062, A. 175.063, A. 175.064, A. 175.065, A. 175.371 en A. 175.372); dat de Raad van State bij arrest nr. 166.511 van heden de vorderingen tot schorsing heeft verworpen; Overwegende dat de eerste tussenkomende partij ondertussen een aanvraag had ingediend, ontvangen op 24 februari 2006, strekkende tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning voor het bouwen van een themapark "Land van Ooit" (fase I) op een perceel dat gelegen is te Tongeren, aan de Hasseltsesteenweg en de Mulkerstraat, binnen het gebied dat het voorwerp uitmaakt van het genoemde provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, en dat kadastraal gekend is onder Tongeren, 7de afdeling, sectie A, nrs. 612 h, 618 a, 656 e, 656 d, 655 a, 657 c, 657 e, 658 p, 658 m, 654 c, 653 m, 651 e2, 651 d2, 660 d, 652 e, 650, 649 a, 648 d, 642 g, 620 p, 620 n, 620 c, 620 k, 620 l, 620 m en 621 a; dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar bij besluit van 23 mei 2006 de gevraagde vergunning verleent; dat dit besluit het voorwerp vormt van de voor-liggende vordering; 3.2. Overwegende dat het College van burgemeester en schepenen van de stad Tongeren ondertussen, bij besluit van 31 januari 2006, een milieuvergunning had verleend aan de nv DEA DIA voor het exploiteren van het dagrecreatiepark "Land van Ooit"; dat het administratief beroep van o.m. de verzoekers in de voorliggende zaak is verworpen door de Bestendige Deputatie van de provincieraad van Limburg, bij besluit van 8 juni 2006; dat de verzoekers in de voorliggende zaak, met uitzondering van de verzoekster in de zaak A. 175.069, tegen het laatst- genoemde besluit een beroep tot vernietiging en een vordering tot schorsing hebben ingesteld (zaken A. 175.071, A. 175.072, A. 175.073, A. 175.373 en A. 175.374); dat deze zaken nog aanhangig zijn; 4. Overwegende dat de verweerder en de tussenkomende partijen excepties van onontvankelijkheid opwerpen, afgeleid uit het ontbreken van het vereiste belang in hoofde van de verzoekers in de zaken A. 175.066, A. 175.213 en A. 175.214, uit het ontbreken van de vereiste hoedanigheid en het vereiste belang in hoofde van de verzoekers in de zaken A. 175.067, A. 175.068 en A. 175.069, en uit de laattijdigheid van de vordering in de zaken A. 175.213 en A. 175.214; X-12.948-5/24 Overwegende dat uit hetgeen hierna volgt zal blijken dat in elk geval niet voldaan is aan de grondvoorwaarden voor het inwilligen van de vorderingen tot schorsing; dat het in die omstandigheden niet nodig is om de opgeworpen excepties te onderzoeken; 5. Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 6. Overwegende dat de verzoekers een eerste middel inroepen, bestaande uit twee onderdelen, in essentie geredigeerd als volgt: Eerste onderdeel Schending van artikel 2, lid 1, en de artikelen 5 tot 10, juncto bijlage I, punt 11,
  2. a)(sic), van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11/EG, juncto de artikelen 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid, zoals ingevoegd bij het decreet van 18 december 2002, juncto artikel 104 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, doordat voorafgaandelijk aan de bestreden beslissing een afdoende project-MER diende te worden opgesteld conform de bepalingen van artikel 2, lid 1, en de artikelen 5 tot 10, juncto bijlage I, punt 7,
  3. a)(sic), van richtlijn 85/337/EEG van de Raad van 27 juni 1985 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten, zoals gewijzigd bij richtlijn 97/11 /EG, juncto de artikelen 4.3.1, 4.3.2 en 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen van het milieubeleid, juncto artikel 104 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, terwijl de bestreden beslissing geen afdoende project-MER bevatte en kan worden aangetoond dat het voorliggende project-MER significante leemten bevat en bijgevolg een schending inhoudt van artikel 2, lid 1, en de artikelen 5 tot 10, juncto bijlage I, punt 11,
  4. a)(sic), van richtlijn 85/337/EEG, juncto de artikelen 4.3.1, X-12.948-6/24 4.3.2 en 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995, juncto artikel 104 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening; Tweede onderdeel Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel en de materiële motiveringsplicht en de artikelen 2 en 3 van de formele motiveringswet van 29 juli 1991, doordat aan de bestreden beslissingen geen afdoende project-MER werd toegevoegd, terwijl uit het redelijkheidsbeginsel volgt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist en dat de kern van elke discretionaire bestuursbeslissing bestaat uit de belangenafweging die het bestuur dient te doen, en terwijl een zorgvuldige besluitvorming inhoudt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist, en terwijl de materiële motiveringsplicht impliceert dat beslissingen gedragen worden door motieven die rechtens en feitelijk aanvaardbaar zijn en ingevolge de formele of uitdrukkelijke motiveringsverplichting zoals bepaald in de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissingen ten grondslag liggen in de beslissingen zelf moeten terug te vinden zijn; 6.1. Overwegende dat de tussenkomende partijen een exceptie van onontvankelijkheid van het middel opwerpen, afgeleid uit het feit dat het niet gericht is tegen het bestreden besluit, maar tegen het project-milieueffectrapport dat te dezen is opgesteld, en dat dit milieueffectrapport bovendien is goedgekeurd door de Cel MER van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer, bij een beslissing waartegen de verzoekers niet zijn opgekomen; Overwegende dat de tussenkomende partijen niet betwisten dat een project-milieueffectrapport vereist was voor de regelmatigheid van de bestreden stedenbouwkundige vergunning; dat de verzoekers de wettigheid van dat besluit dan ook kunnen betwisten door te wijzen op gebreken in het milieueffectrapport; dat geen X-12.948-7/24 bepaling hen verplichtte om een afzonderlijk beroep in te stellen tegen de beslissing waarbij dat milieueffectrapport door de bevoegde overheid werd goedgekeurd; dat de exceptie dan ook ongegrond lijkt; 6.2.1. Overwegende, wat betreft het eerste onderdeel, dat de verzoekers aan het bestreden besluit niet verwijten dat het is genomen zonder dat voorafgaandelijk een project-milieueffectrapport is opgesteld, maar enkel dat het project-milieueffectrapport dat te dezen is opgesteld, niet "afdoende" is; dat het onderdeel, in zoverre het de schending aanvoert van bepalingen die enkel voorzien in een verplichting tot milieueffectrapportage over projecten, onontvankelijk lijkt bij gebrek aan belang; dat het onderdeel voor het overige niet preciseert waarin de schending van richtlijn 85/337/EEG bestaat, en het mitsdien ook in zoverre onontvankelijk lijkt; dat het onderdeel aldus slechts ontvankelijk lijkt in zoverre het de schending aanvoert van artikel 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 2005; 6.2.2. Overwegende dat uit artikel 4.3.8, § 2, van het decreet van 5 april 1995 volgt dat de Cel MER van de administratie Milieu-, Natuur-, Land- en Waterbeheer het project-milieueffectrapport moet toetsen aan o.m. de overeen- komstig artikel 4.3.7 vereiste gegevens, alvorens hij kan beslissen tot goedkeuring van dit milieueffectrapport; dat de Cel MER die toetsing te dezen heeft uitgevoerd, en in zijn verslag van 3 november 2005 over het milieueffectrapport i.v.m. het recreatiepark Plinius heeft geoordeeld dat dit project-milieueffectrapport "voldoende invulling (heeft) gegeven aan de richtlijnen die overeenkomstig artikel 4.3.5, § 1, van het decreet (van 5 april 1995) werden vastgesteld, alsook aan de opmerkingen geformuleerd naar aanleiding van de ontwerptekstbespreking", en dat "het MER ... voldoende informatie (bevat) om het aspect milieu een volwaardige plaats te geven bij de besluitvorming"; dat de Cel MER, na vastgesteld te hebben dat het milieueffectrapport voldoet aan alle vereisten van artikel 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995, dienvolgens dat rapport heeft goedgekeurd; dat de Raad van State, bevoegd voor de toetsing van de wettigheid van een stedenbouwkundige vergunning, zijn beoordeling op het punt van de intrinsieke degelijkheid van het milieueffectrapport niet in de plaats kan stellen van die van de Cel MER; dat hij enkel kan nagaan of de Cel MER wettig tot zijn beslissing is kunnen komen; 6.2.3. Overwegende dat de verzoekers in hun toelichting bij het eerste onderdeel aanvoeren dat het milieueffectrapport op een aantal specifieke punten niet X-12.948-8/24 beantwoordt aan de vereisten van artikel 4.3.7, § 1, van het decreet van 5 april 1995, waarvan de relevante bepalingen luiden als volgt: "Tenzij anders bepaald in de beslissing, bedoeld in artikel 4.3.5, § 1, bestaat het project-MER uit ten minste volgende onderdelen : 1/ een algemeen deel dat de volgende informatie bevat :
  5. a)(...);
  6. b)(...);
  7. c)een beschrijving van de krachtlijnen van het voorgenomen project waarbij in voorkomend geval het begrip milieutechnische eenheid het uitgangspunt vormt en met in het bijzonder; 1) een beschrijving van de fysieke kenmerken van het hele project en de vereisten met betrekking tot het gebruik van grond en terrein tijdens de constructie en bedrijfsfasen alsook de aard en hoeveelheden van de gebruikte materialen; 2) (...); 3) (...);
  8. d)een schets van de beschikbare alternatieven voor het project of onderdelen ervan; onder meer inzake doelstellingen, locaties en wijze van uitvoering of inzake de bescherming van het milieu;
  9. e)een vergelijking tussen het voorgenomen project en de beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden, alsmede de redenen voor de selectie van de te onderzoeken alternatieven;
  10. f)(...);
  11. g)(...); 2/ een deel betreffende de milieueffecten dat de volgende informatie bevat:
  12. a)(...);
  13. b)een beschrijving en onderbouwde beoordeling van de waarschijnlijk aanzienlijke milieueffecten van het voorgenomen project en van de onderzochte alternatieven op of inzake, in voorkomend geval, de gezondheid en veiligheid van de mens, de ruimtelijke ontwikkeling, de biodiversiteit, de fauna en flora, de energie- en grondstoffenvoorraden, de bodem, het water, de atmosfeer, de klimatologische factoren, het geluid, het licht, de stoffelijke goederen, het cultureel erfgoed met inbegrip van het architectonisch en archeologisch erfgoed, het landschap, de mobiliteit en de samenhang tussen de genoemde factoren; deze beschrijving van de milieueffecten omvat de directe, en in voorkomend geval de indirecte, secundaire, cumulatieve en synergetische effecten, permanent en tijdelijk, positief en negatief, op korte, middellange en lange termijn van het project; De beoordeling van de aanzienlijke milieueffecten gebeurt onder meer in het licht van de overeenkomstig Hoofdstuk II van Titel II van dit decreet vastgestelde milieukwaliteitsnormen;
  14. c)een beschrijving en evaluatie van de mogelijke maatregelen om de aanzienlijke nadelige milieueffecten van het voorgenomen project op een samenhangende wijze te vermijden, te beperken, te verhelpen of te compenseren;
  15. d)(...);
  16. e)een globale evaluatie van het voorgenomen project en de onderzochte alternatieven. 3/ (...); 4/ (...); 5/ (...)"; Overwegende dat de verzoekers in de eerste plaats aanvoeren dat het hele project recreatiepark Plinius bestaat uit twee fasen, waarvan de eerste fase bestaat uit de oprichting van het themapark en de tweede fase uit de oprichting van X-12.948-9/24 verblijfswoningen en een zwembad aan de rand van het themapark, en dat het milieueffectrapport, bij gebreke van definitieve en gedetailleerde inrichtingsplannen voor de tweede fase, geen evaluatie van die fase bevat, terwijl die fase aanleiding geeft tot belangrijke ingrepen binnen landschappelijk waardevolle landschaps- eenheden; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 1/, c, 1), van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat in het verslag van de Cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat "waar mogelijk ... bij elke discipline de impact van de tweede fase van het Pliniusproject (werd) beoordeeld", ook al werd dit "zeer kort beschreven wegens het ontbreken van concrete informatie voor deze tweede fase"; dat de verzoekers niet concreet aangeven op welke punten de informatie vervat in het milieueffectrapport onvoldoende zou zijn, in het licht van de vereisten die daaraan bij artikel 4.3.7, § 1, 1/, c, 1), gesteld worden; dat zij niet aannemelijk maken dat de vaststelling door de Cel MER dat de informatie voldoende is, op dit punt kennelijk onredelijk is; Overwegende dat de verzoekers vervolgens kritiek uitoefenen op twee soorten alternatieven die in het milieueffectrapport worden besproken, met name de inrichtingsalternatieven (die een subtype vormen van de uitvoerings- alternatieven) en de locatiealternatieven; dat zij aanvoeren dat voor de keuze van de inrichting zoals die in het project is beschreven, is uitgegaan van een bezoekers-aantal dat vijf maal kleiner is dan de capaciteit waarvoor het recreatiepark zal worden opgericht, dat de voorziene buffering ontoereikend is en het voor een minimale aantasting van het landschappelijk uitzicht en het behoud van de eigenheid van de omgeving nodig is het hoofdgebouw elders in te planten, en dat voor fase 2 van het project alternatieven worden opengelaten, maar het juist nodig is dat die fase nu reeds geëvalueerd wordt; dat zij voorts aanvoeren dat de conclusie dat de gekozen locatie voor de inplanting van het recreatiepark de meest geschikte is steunt op het onderzoek van een aantal alternatieve locaties die op een heel summiere manier en aan de hand van een confuus vergelijkingssysteem, gebaseerd op enkele parameters, worden aangereikt, terwijl er in de ruimere omgeving heel wat meer alternatieven aanwezig zijn, waarvan ten onrechte geen melding is gemaakt in het milieueffectrapport; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 1/, d en e, en 2/, e, van het decreet van 5 april 1995; X-12.948-10/24 Overwegende dat in het verslag van de Cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport geen kritiek wordt uitgeoefend op de keuze van de alternatieven en op de beoordeling ervan; dat i.v.m. de inrichtingsalternatieven wordt uiteengezet dat die in een voorafgaande fase zijn onderzocht, in functie van o.m. buffergebieden, landschappelijke randvoorwaarden en wijze van parkeren, en dat het tot stand komen van dit proces aan bod komt in het eerste deel van het milieueffectrapport; dat i.v.m. de locatiekeuze voor de Pliniussite wordt uiteengezet dat die in het milieueffectrapport wordt weergegeven in tabelvorm, waarin zeven mogelijke locaties in of aan de rand van het kleinstedelijk gebied Tongeren worden getoetst aan acht parameters (planologische randvoorwaarden, bereikbaarheids- profiel, landschappelijke inpasbaarheid, relatie omringende bebouwing, aanwezige natuurwaarden, belang voor de landbouw en cultuurhistorische elementen), en dat blijkens een synthesetabel wordt besloten dat de zone Plinius op basis van de geselecteerde criteria als meest geschikt wordt beschouwd; Overwegende dat in het milieueffectrapport wordt opgemerkt dat geen andere inrichtingsalternatieven worden bestudeerd voor fase 1, maar dat tijdens het proces van opstellen van het milieueffectrapport in overleg met de initiatief-nemer inrichtingsalternatieven zijn bepaald, die elders in het milieueffectrapport worden besproken; dat een dergelijke bijsturing beantwoordt aan de doelstellingen die met een milieueffectrapportage nagestreefd worden; dat de kritiek van de verzoekers op bepaalde aspecten van de inrichting zoals die in het milieueffect-rapport in aanmerking worden genomen, niet van die aard lijkt dat ze blijk geeft van een kennelijk onredelijke beoordeling van het milieueffectrapport door de Cel MER; dat in het milieueffectrapport voorts wordt opgemerkt dat het voor fase 2 mogelijk is dat de verblijfsaccomodatie anders wordt ingericht en dat er in plaats van bungalows een hotelaccomodatie komt, maar dat de meeste milieueffecten vergelijk-baar zullen zijn of niet erg zullen verschillen; dat hieruit blijkt dat wel degelijk rekening is gehouden met inrichtingsalternatieven voor die fase, en dat daarvan ook een milieubeoordeling, hoe summier ook, is gegeven; dat, gelet op het nog onzekere karakter van fase 2, die werkwijze niet kennelijk onredelijk lijkt; Overwegende dat in het milieurapport zeven locatiealternatieven worden besproken, waarvan de zone Pliniusbron (Pliniussite) uiteindelijk als de meest geschikte wordt beschouwd; dat de kritiek van de verzoekers op de gekozen alternatieven niet van die aard is dat ze in de huidige stand van de procedure tot de conclusie leidt dat die keuze kennelijk onredelijk is; dat de verzoekers weliswaar een X-12.948-11/24 aantal locaties in de omgeving opnoemen die eveneens in acht genomen en geëvalueerd hadden kunnen worden, maar dat zij in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk maken dat het gaat om "beschikbare alternatieven die redelijkerwijze onderzocht kunnen worden", in de zin van artikel 4.3.7, § 1, 1/, e, van het decreet van 5 april 2005; Overwegende dat de verzoekers voorts aanvoeren dat in het milieueffectrapport verscheidene milderende maatregelen worden voorgesteld, maar dat de schematische voorstelling van de milderende effecten niet kan volstaan om voor de omwonenden te kunnen garanderen dat de hinder tot een minimum zal worden herleid; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 2/, c, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat in deel 8 van het milieueffectrapport voor elk milieuonderdeel wordt onderzocht welke milderende maatregelen genomen zouden kunnen worden; dat in deel 9 per onderdeel een schematisch overzicht wordt gegeven van de relevante milieueffecten en de overeenstemmende milderende maatregelen; dat de verzoekers niet duidelijk maken in welk opzicht die beschrijvingen niet beantwoorden aan hetgeen in verband met de beschrijving en de evaluatie van de mogelijke milderende maatregelen op grond van artikel 4.3.7, § 1, 2/, c, is vereist; dat het onderdeel in dit opzicht bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk lijkt; Overwegende dat de verzoekers ook nog aanvoeren dat het milieueffectrapport geen concreet onderzoek bevat naar de effecten van de inplanting van het project op de luchtverontreiniging ten aanzien van de stad Tongeren, dat de luchtverontreiniging onlosmakelijk verbonden is met de stijging van de verkeersdrukte, welke zijn weerslag vooral heeft op de ozonconcentraties in de lucht, dat in het milieueffectrapport zelf wordt erkend dat door toename van de verkeersdrukte een lichte verslechtering van de luchtkwaliteit is te verwachten, dat het milieueffectrapport voorts wijst op een gebrek aan kennis van de bestaande luchtkwaliteit in de omgeving van het project, maar dat dit gebrek aan kennis verholpen had kunnen worden door het aanwerven van een expert terzake; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport door het ontbreken van een afdoende analyse van de te verwachten luchtverontreiniging niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 2/, b, van het decreet van 5 april 1995; X-12.948-12/24 Overwegende dat in het verslag van de Cel MER van 3 november 2005 over het milieueffectrapport wordt opgemerkt: "Binnen de discipline "Lucht" wordt besloten dat de toename van emissies ten gevolge van de verkeerstoename niet onbelangrijk zijn, maar kaderend binnen de huidige verkeerstoestand toch als relatief beperkt kunnen worden beschouwd. Er wordt ingeschat dat in het studiegebied normoverschrijdingen zullen voorkomen in de toekomst met een beperkte negatieve invloed van het Pliniusproject"; dat, gelet op de analyse die het milieueffectrapport i.v.m. het aspect lucht bevat, de verzoekers niet aannemelijk maken dat die beoordeling kennelijk onredelijk is; dat artikel 4.3.7, § 1, 2/, b, van het decreet van 5 april 1995 slechts vereist dat de "waarschijnlijk aanzienlijke" milieueffecten van het voorgenomen project worden beschreven en beoordeeld; dat de verzoekers in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk maken dat het milieueffectrapport verzuimd heeft om "waarschijnlijk aanzienlijke" effecten van het project bedoeld in de bestreden stedenbouwkundige vergunning op de kwaliteit van de lucht te beschrijven en te beoordelen; Overwegende dat de verzoekers voorts aanvoeren dat het milieueffectrapport de te verwachten aanzienlijke en ondraaglijke hinder ten gevolge van het Pliniusproject en ten gevolge van de onderzochte alternatieven niet op afdoende wijze analyseert, en evenmin concreet weergeeft hoe aan de hinder ten gevolge van het genoemde project kan worden tegemoet gekomen; dat zij met name wijzen op de verkeershinder die door het exploiteren van het dagrecreatiepark zal worden veroorzaakt; dat zij aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 2/, b en c, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat het milieueffectrapport de effecten op o.m. het verkeer analyseert; dat, zoals wordt opgemerkt in het verslag van de Cel MER van 3 november 2005, daarbij o.m. wordt vastgesteld dat de verhouding intensiteit/capaciteit ten gevolge van het Pliniusproject voor sommige wegen tot meer dan 80 % zal toenemen, en dat ook voor een aantal kruispunten de capaciteit sterk gereduceerd zal worden; dat bij het onderzoek van de alternatieven eveneens rekening is gehouden met de effecten op het verkeer; dat de verzoekers in de huidige stand van de procedure niet aannemelijk maken dat de informatie vervat in het milieueffectrapport onvoldoende zou zijn, in het licht van de vereisten die daaraan bij artikel 4.3.7, § 1, 2/, b en c, gesteld worden; X-12.948-13/24 Overwegende dat de verzoekers ten slotte aanvoeren dat uit de bij de vergunningsaanvraag gevoegde plannen niet kan worden afgeleid hoe een afdoende buffering zal worden gegarandeerd, dat hieruit volgt dat de impact van het inplanten van het recreatiepark niet op afdoende wijze werd geanalyseerd; dat de verzoekers aanvoeren dat het milieueffectrapport aldus niet voldoet aan artikel 4.3.7, § 1, 2/, b, van het decreet van 5 april 1995; Overwegende dat de verzoekers op dit punt wel kritiek uitoefenen op de bestreden stedenbouwkundige vergunning, maar dat zij niet duidelijk maken in welk opzicht het milieueffectrapport niet beantwoordt aan hetgeen in verband met de beschrijving en de beoordeling van de milieueffecten op grond van artikel 4.3.7, § 1, 2/, b, is vereist; dat het onderdeel in dit opzicht bij gebrek aan nauwkeurigheid onontvankelijk lijkt; 6.2.4. Overwegende dat het eerste onderdeel niet ernstig is; 6.3. Overwegende, wat betreft het tweede onderdeel, dat uit de toelichting ervan blijkt dat de verzoekers in essentie aanvoeren dat de gewestelijke stedenbouwkundige ambtenaar gehandeld heeft met schending van een aantal algemene rechtsbeginselen en van de formele motiveringsplicht, op grond dat hij de bestreden stedenbouwkundige vergunning heeft verleend zonder dat vooraf een afdoend project-milieueffectrapport is opgesteld; Overwegende dat uit het antwoord op het eerste onderdeel blijkt dat de grieven i.v.m. het afdoend karakter van het milieueffectrapport niet ernstig zijn; dat het tweede onderdeel dan ook lijkt uit te gaan van premissen die niet aannemelijk zijn; dat het tweede onderdeel niet ernstig is; 7. Overwegende dat de verzoekers een tweede middel inroepen, afgeleid uit de schending van de artikelen 4, lid 1, en 6, leden 2, 3 en 4, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde fauna en flora (habitatrichtlijn), doordat artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn bepaalt dat de lidstaten op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens een lijst van gebieden voorstellen waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen, en artikel 6 voorziet in de communautaire X-12.948-14/24 bescherming van de door de Commissie, op basis van de door de lidstaten op grond van artikel 4 van de habitatrichtlijn aangemelde gebieden, uiteindelijk aangewezen beschermingszones, terwijl de niet-aanmelding van het projectgebied door het Vlaamse Gewest conform artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn tot gevolg heeft dat het betrokken projectgebied werd onttrokken aan de communautaire rechtsbescherming zoals geformuleerd in artikel 6 van de habitatrichtlijn, met inbegrip van de verplichting tot het opstellen van een passende beoordeling; aan de habitatrichtlijn aldus directe werking dient te worden toegekend en de bestreden beslissing bijgevolg een schending inhoudt van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn daar er geen passende beoordeling heeft plaatsgevonden bij het opmaken van het milieu- effectrapport; Overwegende dat uit de gegevens van het dossier blijkt dat het gebied waarop de bestreden stedenbouwkundige vergunning betrekking heeft, niet gelegen is in een gebied dat de Vlaamse regering met toepassing van artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn bij het hierna genoemde besluit van 24 mei 2002 als speciale beschermingszone heeft voorgesteld, en dat het uiteraard evenmin opgenomen is in de lijst van gebieden van communautair belang, door de Europese Commissie vastgesteld bij beschikking 2004/813/EG van 7 december 2004; dat zich op ongeveer 550 meter van het projectgebied wel een gebied van communautair belang bevindt, met name de "bossen en kalkgraslanden van Haspengouw"; dat in het middel geen grief wordt aangevoerd tegen de beoordeling van de effecten voor het bedoelde habitatrichtlijngebied; Overwegende dat in het middel wel wordt aangevoerd dat de Vlaamse regering het projectgebied zelf niet heeft voorgesteld als speciale beschermingszone, ook al vertoont het alle kenmerken ervan, waardoor het ten onrechte niet onderworpen is aan de verplichting tot het opmaken van een passende beoordeling, in de zin van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn; dat de verzoekers aldus in wezen de onwettigheid aanvoeren van het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002 tot vaststelling van de gebieden die in uitvoering van artikel 4, lid 1, van richtlijn 92/43/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna aan de Europese Commissie zijn voorgesteld als speciale beschermings-zones; X-12.948-15/24 Overwegende dat artikel 4 van de habitatrichtlijn van 21 mei 1992 luidt als volgt: "1. Op basis van de criteria van bijlage III (fase 1) en van de relevante wetenschappelijke gegevens stelt elke Lidstaat een lijst van gebieden voor, waarop staat aangegeven welke typen natuurlijke habitats van bijlage I en welke inheemse soorten van bijlage II in die gebieden voorkomen. Voor diersoorten met een zeer groot territorium komen deze gebieden overeen met de plaatsen, binnen het natuurlijke verspreidingsgebied van die soorten, die de fysische en biologische elementen vertonen welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Voor aquatische soorten met een groot territorium worden deze gebieden alleen voorgesteld indien het mogelijk is een zone duidelijk af te bakenen die de fysische en biologische elementen vertoont welke voor hun leven en voortplanting essentieel zijn. Zo nodig stellen de Lidstaten aanpassingen van de lijst voor in het licht van de resultaten van het in artikel 11 bedoelde toezicht. De lijst wordt binnen drie jaar na kennisgeving van de richtlijn aan de Commissie toegezonden met informatie over elk gebied. Deze informatie omvat een kaart, de naam, de ligging en de oppervlakte van het gebied, alsmede de gegevens die zijn verkregen uit toepassing van de in bijlage III (fase 1) vermelde criteria, en wordt verstrekt op basis van een door de Commissie volgens de procedure van artikel 21 opgesteld formulier. 2. Op basis van de in bijlage III (fase 2) vermelde criteria werkt de Commissie met instemming van iedere Lidstaat voor elk van de vijf in artikel 1, letter
  17. c)onder iii), genoemde biogeografische regio's en voor het gehele in artikel 2, lid 1, bedoelde grondgebied aan de hand van de lijsten van de Lidstaten een ontwerp-lijst van de gebieden van communautair belang uit, waarop staat aangegeven in welke gebieden een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten voorkomen. De Lidstaten waar de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats en een of meer prioritaire soorten in oppervlakte meer dan 5 % van het nationale grondgebied beslaan, kunnen, met instemming van de Commissie, verzoeken dat de criteria van bijlage III (fase 2) voor de selectie van alle gebieden van communautair belang op hun grondgebied flexibeler worden toegepast. De lijst van gebieden van communautair belang, waarop de gebieden met een of meer prioritaire typen natuurlijke habitats of een of meer prioritaire soorten staan aangegeven, wordt door de Commissie vastgesteld volgens de procedure van artikel 21. 3. De in lid 2 genoemde lijst wordt binnen zes jaar na de kennisgeving van deze richtlijn vastgesteld. 4. Wanneer een gebied volgens de procedure van lid 2 tot een gebied van communautair belang is verklaard, wijst de betrokken Lidstaat dat gebied zo spoedig mogelijk, doch uiterlijk binnen zes jaar, aan als speciale beschermingszone en stelt hij tevens de prioriteiten vast gelet op het belang van de gebieden voor het in een gunstige staat van instandhouding behouden of herstellen van een type natuurlijke habitat van bijlage I of van een soort van bijlage II alsmede voor de coherentie van Natura 2000 en gelet op de voor dat gebied bestaande dreiging van achteruitgang en vernietiging. 5. Zodra een gebied op de in lid 2, derde alinea, bedoelde lijst is geplaatst, gelden voor dat gebied de bepalingen van artikel 6, leden 2, 3 en 4"; dat bijlage III bij de habitatrichtlijn een reeks "criteria voor de selectie van gebieden die kunnen worden aangewezen als gebieden van communautair belang en als X-12.948-16/24 speciale beschermingszones" omvat; dat blijkens de punten A en B van fase 1 van deze bijlage het gaat om "criteria voor de beoordeling" van gebieden; dat, zoals het Hof van Justitie in zijn arresten van 11 september 2001, in de zaken C-67/99, Commissie/Ierland, C-71/99, Commissie/Duitsland, en C-220/99, Commissie/Frankrijk, heeft overwogen, de lidstaten bij het voorstellen van gebieden die voor aanwijzing als speciale beschermingszone in aanmerking komen, over "een zekere beoordelingsmarge" beschikken, ook al dienen zij daarbij de in de richtlijn bepaalde criteria in acht te nemen; Overwegende dat de verzoekers het niet-aanmelden van het projectgebied als gebied dat in aanmerking komt voor aanwijzing als speciale beschermingszone betwisten, gelet op de criteria bepaald in bijlage I van de habitatrichtlijn; dat zij niet specifiek verwijzen naar een bepaald type van natuurlijke habitat, vermeld in die bijlage I, noch naar een bepaald daarmee verband houdend criterium, vermeld in bijlage III, fase 1, punt A; dat zij zich beperken tot de algemene opmerking dat bepaalde delen "binnen het recreatiepark (zijn) aangeduid als biologisch waardevol, enerzijds aansluitend op het parkgebied van het kasteel van Betho, anderzijds in het verlengde van het natuurpark van het kasteel van Rooi"; dat zij ook nog aanvoeren dat het rust- en foerageergebied van de speciale beschermingszone "Bossen en kalkgraslanden van Haspengouw" gesitueerd ligt in het open gebied waar het project zal worden uitgevoerd; Overwegende dat de door de verzoekers aangevoerde gegevens geenszins aannemelijk maken dat de Vlaamse regering haar beoordelingsmarge overschreden heeft door het projectgebied niet op te nemen in de opsomming van gebieden in het besluit van de Vlaamse regering van 24 mei 2002; dat het bedoelde besluit dan ook niet genomen lijkt te zijn met schending van artikel 4, lid 1, van de habitatrichtlijn; Overwegende dat, gelet op die voorlopige conclusie, de vraag naar de mogelijke directe werking van artikel 6, lid 3, van de habitatrichtlijn ten aanzien van het projectgebied niet relevant is; Overwegende dat het middel niet ernstig is; 8. Overwegende dat de verzoekers een derde middel inroepen, afgeleid uit de schending van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de X-12.948-17/24 organisatie van de ruimtelijke ordening en van de beginselen van behoorlijk bestuur, meer in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel en het redelijkheids-beginsel, doordat artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening bepaalt dat een duurzame ruimtelijke ontwikkeling inhoudt dat de ruimte wordt beheerd ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat dit de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang brengt, waarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar worden afgewogen, terwijl bij het opstellen van de bestreden beslissing geenszins rekening werd gehouden met een duurzame ruimtelijke ontwikkeling, afhankelijk van de behoeften van de toekomstige generaties, waarbij de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig worden afgewogen, rekening houdend met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen op lange termijn voor het leefmilieu, de sociale, economische en culturele consequenties, en de bestreden beslissing derhalve een schending inhoudt van artikel 4 van het decreet van 18 mei 1999, en terwijl uit het redelijkheidsbeginsel volgt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist, en dat de kern van elke discretionaire bestuursbeslissing bestaat uit de belangenafweging die het bestuur dient te doen, en terwijl een zorgvuldige besluitvorming inhoudt dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist; 8.1. Overwegende dat de verzoekers in de toelichting bij het middel een eerste onderdeel ontwikkelen, aanvoerend dat de vergunningsaanvraag kadert binnen de realisatie van het Pliniusproject en dat voorafgaand aan de bedoelde aanvraag voor de betrokken site is aangevangen met de opmaak van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius, dat dit plan door de provincieraad definitief is vastgesteld op 15 maart 2006 en door de bevoegde Vlaamse minister is goedgekeurd op 18 mei 2006, dat het goedkeuringsbesluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 juni 2006, dat het bestreden besluit is genomen op 23 mei 2006, d.i. op een ogenblik dat het besluit tot goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan nog niet was bekendgemaakt en nog niet in werking was getreden; dat de verzoekers voorts aanvoeren dat de vergunningverlenende overheid reeds was overgegaan tot het organiseren van een openbaar onderzoek van 24 maart tot 22 april 2006, d.i. in X-12.948-18/24 een periode dat het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan nog niet was goedgekeurd door de minister, dat de overheid het openbaar onderzoek aldus voorbarig heeft georganiseerd, dat zij de functie van het openbaar onderzoek bovendien grotendeels heeft ondermijnd, gezien een definitief goedgekeurd provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan ontbrak en bijgevolg niet ter inzage kon worden gelegd, en het voor de belanghebbenden dan ook niet mogelijk was een bezwaar met een volledige kennis van zaken in te dienen; dat de verzoekers concluderen dat het voor de vergunningverlenende overheid onmogelijk was de goede plaatselijke ordening te beoordelen, daar een definitieve versie van een van de doorslaggevende planningsinstrumenten ontbrak, en zij bijgevolg onwetend was over mogelijke aanpassingen aan de bestemmingsvoorschriften en bijhorende bepalingen die door de Vlaamse regering zouden worden aangebracht; Overwegende dat in de motieven van het bestreden besluit uitdrukkelijk wordt gesteund op het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius, goedgekeurd door de minister op 18 mei 2006; dat de gewestelijke stedenbouw- kundige ambtenaar te dezen op dat plan mocht steunen zodra het was goedgekeurd, zonder op de bekendmaking van het goedkeuringsbesluit te moeten wachten; Overwegende dat het openbaar onderzoek over de aanvraag tot het verkrijgen van de bestreden vergunning is gehouden nadat het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan aan een openbaar onderzoek was onder-worpen (van 6 november 2005 tot 6 januari 2006), en nadat dit plan definitief was goedgekeurd door de provincieraad (op 15 maart 2006); dat de enkele omstandigheid dat het plan nog niet was goedgekeurd door de Vlaamse minister niet belette dat de verzoekers en eventueel andere belanghebbenden met kennis van zaken een bezwaar konden indienen tegen de ontworpen constructie, zo nodig voorzien van een voorbehoud wat het lot van het plan betrof; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de verzoekers in de huidige stand van de rechtspleging niet aannemelijk maken dat het voor de vergunningverlenende overheid onmogelijk was om de goede plaatselijke ordening te beoordelen; dat het onderdeel niet ernstig is; 8.2. Overwegende dat de verzoekers in de toelichting bij het middel een tweede onderdeel ontwikkelen, aanvoerend dat voor het ruimtelijk uitvoeringsplan X-12.948-19/24 Plinius, dat het ruimere kader vormt van de procedure die geleid heeft tot de bestreden stedenbouwkundige vergunning, geen plan-milieueffect-rapport, maar enkel een project-milieueffectrapport is opgesteld, dat die werkwijze onwettig is, zoals de verzoekers hebben aangetoond in hun beroepen tot vernietiging en vorderingen tot schorsing van dat provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan, dat, gelet op het gebrek aan analyse van de milieueffecten van het bedoelde plan, geen adequate toetsing van de vergunningsaanvraag aan de goede ruimtelijke ordening mogelijk was; Overwegende dat de verzoekers tegen het volgen van het zogenaamde "integratiespoor" bij de milieueffectrapportage over het ontwerp van provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius soortgelijke grieven hebben ontwikkeld in hun vorderingen tot schorsing van de tenuitvoerlegging van dat plan zelf; dat de Raad van State die grieven bij arrest nr. 166.511 van heden niet ernstig heeft bevonden; dat de Raad hierbij in het bijzonder verwijst naar het in dat arrest gegeven antwoord op het eerste middel, tweede en derde onderdeel; dat de aldaar ontwikkelde redenen volstaan om te concluderen dat ook het thans besproken onderdeel niet ernstig is; 8.3. Overwegende dat de verzoekers in de toelichting bij het middel een derde onderdeel ontwikkelen, aanvoerend dat de artikelen 14 en 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende het natuurbehoud en het natuurlijk milieu de zorgplicht en het standstillbeginsel in verband met de natuur opleggen, dat bij de beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning rekening dient te worden gehouden met de ruimere omgeving, dat, aangezien bij de huidige vergunningsaanvraag geen concrete invulling van de zorgplicht en van het standstillbeginsel werd vooropgesteld, ook bij de beoordeling van die aanvraag en in het bijzonder bij de toetsing aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening geen afdoende garanties van de naleving van beide principes werden ingebouwd, dat bijgevolg moet worden besloten dat geenszins kan worden afgeleid of een duurzame ontwikkeling tot stand zal worden gebracht; Overwegende dat de zorgplicht bedoeld in artikel 14, eerste lid, van het decreet van 21 oktober 1997 is opgelegd aan degenen die handelingen verrichten of daartoe opdracht geven; dat de genoemde bepaling niet van toepassing lijkt op een vergunningverlenende overheid; X-12.948-20/24 Overwegende dat de zorgplicht bedoeld in artikel 16, § 1, van het decreet van 21 oktober 1997 o.m. is opgelegd aan de gewestelijke stedenbouw- kundige ambtenaar, wanneer deze een aanvraag tot het verkrijgen van een stedenbouwkundige vergunning dient te beoordelen; dat de verzoekers evenwel geen concrete gegevens aanbrengen waaruit zou blijken welke natuurelementen in de onmiddellijke of de ruimere omgeving door de ontworpen constructie schade zouden lijden, en welke de aard van die schade zou zijn; dat zij in de huidige stand van de rechtspleging dan ook niet aannemelijk maken dat de gewestelijke stedenbouw- kundige ambtenaar zou tekortkomen aan de verplichting bedoeld in de genoemde decreetsbepaling, of dat hij de goede ruimtelijke ordening in dit opzicht op een kennelijk onredelijke wijze zou beoordelen; Overwegende dat het onderdeel niet ernstig is; 8.4. Overwegende dat de verzoekers in de toelichting bij het middel een vierde onderdeel ontwikkelen, aanvoerend dat in het kader van de bestreden beslissing niets te vinden is over de mogelijke repercussies die de inplanting van een themapark heeft op de omgeving en de bewoners in de onmiddellijke nabijheid, dat evenmin aan de hand van het neergelegde project-milieueffectrapport kan worden afgeleid hoe aan deze impact zal worden verholpen, dat bij de uiteenzetting van het eerste onderdeel van het eerste middel reeds is aangetoond dat geenszins een afdoende evaluatie is doorgevoerd met betrekking tot de inplanting van het project op de weerhouden site en de hieraan verbonden effecten, dat uit het milieueffect- rapport dan ook niet kan worden afgeleid of er een verenigbaarheid is met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en de vergunningverlenende overheid, gezien het gebrek aan informatie, evenmin een afdoende analyse hiertoe kon doorvoeren; Overwegende dat het bestreden besluit in verband met de verenigbaarheid van de geplande werken met de stedenbouwkundige voorschriften en met de onmiddellijke omgeving o.m. de volgende overwegingen bevat: "De aanvraag is volledig in overeenstemming met het PRUP Plinius, dat definitief werd vastgesteld door de Provincieraad van Limburg op 15 maart 2006 en goedgekeurd door de Vlaamse regering op 18 mei 2006. Het ontwerp voldoet immers -mits opvolging van de onderscheiden voornoemde adviezen- aan de ruimtelijke en landschappelijke randvoorwaarden zoals ze zijn vastgelegd in het verordenend grafisch plan en bijhorende stedenbouwkundige voorschriften. De landschappelijke inkleding en buffering naar de omgeving toe kadert volledig in het landschappelijk afwegingskader dat n.a.v. het PRUP is opgemaakt. De aangegeven materialen voor de gebouwen en de verhardingen zijn aanvaardbaar daar voldoende evenwicht is gevonden tussen X-12.948-21/24 de specifieke opties van het project en de globale ruimtelijke en landschappelijke context. De aanvraag werd getoetst aan de bepalingen van het milieueffectrapport. Mits opvolging van de voorwaarden, zoals gesteld in de adviezen van de verschillende diensten, wordt hieraan voldoende voldaan"; Overwegende, in zoverre het onderdeel aan het bestreden besluit verwijt dat het is genomen zonder dat de inplanting van het ontworpen themapark in alle opzichten concreet is getoetst aan de goede ruimtelijke ordening, dat uit de aangehaalde overwegingen blijkt dat de aanvraag is getoetst aan de stedenbouw- kundige opties vervat in het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan Plinius; dat de voorschriften van dat plan dermate gedetailleerd zijn dat zij aan de vergunning- verlenende overheid nauwelijks nog enige beoordelingsruimte laten met betrekking tot de verenigbaarheid van een themapark met de goede ruimtelijke ordening; dat, nu het ontwerp "volledig in overeenstemming met het PRUP Plinius" wordt geacht, de vergunning in beginsel kon worden verleend, en de verwijzing naar de overeenstemming van de aanvraag met dat ruimtelijk uitvoeringsplan in beginsel kon volstaan ter verantwoording van de afgifte van de vergunning; dat de verzoekers geen omstandigheden aanvoeren die te dezen zouden dwingen tot een nader onderzoek van de aanvraag; Overwegende, in zoverre het onderdeel aan het bestreden besluit verwijt dat het steunt op een milieueffectrapport dat geen afdoende evaluatie van de milieueffecten bevat en dat de vergunningverlenende overheid dan ook niet de mogelijkheid biedt om de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening te beoordelen, dat grieven i.v.m. de inhoud van het milieueffectrapport in het antwoord op het eerste middel niet ernstig zijn bevonden; dat de verzoekers in de huidige stand van de rechtspleging dan ook niet aannemelijk maken dat het milieueffectrapport door zodanige gebreken is aangetast dat geen behoorlijke beoordeling van de verenigbaarheid van het project met de goede ruimtelijke ordening mogelijk geweest zou zijn; Overwegende dat het onderdeel niet ernstig is; 9. Overwegende dat niet is voldaan aan een van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen; dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen; X-12.948-22/24 BESLUIT: Artikel 1. De zaken A. 175.066/X-12.948, 175.067/X-12.949, 175.068/X-12.950, 175.069/X-12.951, 175.213/X-12.960 en 175.214/X-12.961 worden gevoegd. Artikel 2. De verzoeken tot tussenkomst van de nv STRABAG BELGIUM, de nv PLINIUS en de nv PLINIUS VASTGOED in de administratieve korte gedingen worden ingewilligd. Artikel 3. De vorderingen tot schorsing worden verworpen. Artikel 4. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomsten in de schorsingsprocedure, bepaald op 1.625 euro, komen ten laste van de nv STRABAG BELGIUM ten belope van 750 euro, van de nv PLINIUS ten belope van 750 euro, en van de nv PLINIUS VASTGOED ten belope van 125 euro. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. X-12.948-23/24 De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. P. LEMMENS. X-12.948-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.512 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.