id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.513 Rolnummer: A. 66432/X-10271 Zaak: Arrest 166513 - Monumenten en Landschappen - 10/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-17 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 13:07 Fiche Arrest nr 166.513 van 10 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Kantmelding Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.513 van 10 januari 2007 in de zaak A. 66.432/X-10.
- In zake :
- Marc VAN DIJCK,
- Carine VETS, die woonplaats kiezen bij Advocaat L. SCHUERMANS, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, de Merodelei 112 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marc VAN DIJCK en Carine VETS op 17 november 1995 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 juni 1995 van de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse handel en Staatshervorming houdende rangschikking als landschap overeenkomstig de bepalingen van de wet van 7 augustus 1931 om reden van historische, weten- schappelijke en esthetische waarde, van het gebied "de vallei van de Steenkesbeek" te Hulshout, zoals afgebakend op bijgaand plan, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 29 augustus 1995; Gelet op het arrest nr. 127.683 van 2 februari 2004 waarbij de debatten worden heropend en het door de Auditeur-generaal aangewezen lid van het Auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door Auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 21 december 2005 die de neerlegging ter griffie van het aanvullend verslag en van het dossier gelast; X-10.271-1/7 Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 10 november 2006; Gehoord het verslag van Staatsraad G. DEBERSAQUES; Gehoord de opmerkingen van Advocaat E. MONTENS die loco Advocaat L. SCHUERMANS verschijnt voor de verzoekende partijen, en van Advocaat I. VANDEN BON die loco Advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat het bestreden besluit tot voorwerp heeft de rangschikking als landschap van het gebied "de vallei van de Steenkesbeek" te Hulshout; dat het bestreden besluit is genomen volgens de wet van 7 augustus 1931 op het behoud van monumenten en landschappen door toenmalig Vlaams Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming Johan SAUWENS; dat dit besluit een aangelegenheid regelt die behoort tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest, op grond van artikel 6, § 1, I , 7/, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen; Overwegende dat de verzoekende partijen in hun laatste memorie de onbevoegdheid van de minister opwerpen, stellende dat de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming niet bevoegd was om het bestreden besluit alleen te treffen, dat het bestreden besluit behoorde tot de bevoegdheid van meer dan een lid van de Vlaamse regering en minstens mede ondertekend diende te worden door de mede bevoegd zijnde ministers; dat het bestreden besluit immers beperkingen aan de rechten van de eigenaars stelt doordat het verbodsbepalingen oplegt die kennelijk raakvlakken vertonen met de op het ogenblik van het bestreden besluit aan respectievelijk de Vlaamse minister van X-10.271-2/7 Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden en aan de Vlaamse Minister van Leefmilieu en Huisvesting toegewezen bevoegdheden; Overwegende dat artikel 2 van het bestreden besluit onder meer bepaalt wat volgt: "(...) Voor de behartiging van het nationaal belang worden de volgende beperkingen aan de rechten van de eigenaars gesteld: A. Is verboden:
- Het oprichten van een gebouw of een constructie of het plaatsen van een inrichting, zelfs uit niet duurzame materialen, die in de grond is ingebouwd, aan de grond is bevestigd of op de grond steun vindt ten behoeve van de stabiliteit en bestemd is om ter plaatse te blijven staan, ook al kan zij uit elkaar genomen worden.
- Het verbouwen of heropbouwen van bestaande gebouwen of constructies, derwijze dat het uitwendig aspect ervan wordt gewijzigd of dat het volume ervan toeneemt.
- Het plaatsen van één of meer verplaatsbare inrichtingen die al dan niet voor bewoning kunnen worden gebruikt, zoals woonwagens, kampeerwagens en afgedankte voertuigen.
- Het aanbrengen van afsluitingen. Het herstellen of vernieuwen van de bestaande afsluitingen is toegelaten. Bovenstaande bepaling is niet van toepassing voor de gebruikelijke weilandomheiningen.
- Het achterlaten van afgedankte voertuigen of schroot, evenals het aanleggen van een opslagplaats voor dergelijke produkten. Het achterlaten van slib.
- Het aanleggen van een vuilnisbelt of het achterlaten van afvalprodukten.
- Het aanbrengen van reclame-panelen of gelijk welke publiciteit.
- Het plaatsen van (ondergrondse en bovengrondse) leidingen.
- Elke activiteit die een belangrijke wijziging van de waterhuishouding voor gevolg kan hebben, inzonderheid het graven van afwaterings- kanalen, het uitvoeren van draineringswerken en wateraftappingen.
- Om het even welk werk dat de aard van de grond, het uitzicht van het terrein of het hydrografisch net zou kunnen wijzigen, inzonderheid het verrichten van opgravingen, boringen of grondwerken, de ontginning van materialen, het aanvoeren van grond, het aanleggen van opspuit- terreinen.
- Het verharden van wegen en paden (met homogeen materiaal zoals koolwaterstofbeton, beton). Het onderhoud en herstel van de bestaande verhardingen is toegelaten.
- Het kweken en uitzetten van dieren die tijdelijk of definitief in het wild kunnen blijven leven, zoals fazanten, patrijzen, damherten en eenden.
- Elke lozing van vloeistoffen of gassen die nadelig kan zijn voor de aanwezige flora en fauna, inclusief het dumpen van drijfmest.
- Elke ingreep die een duurzame wijziging van de vegetatie voor gevolg kan hebben, inzonderheid het ontginnen van heidegebieden, schraallanden, vennen, rietlanden en moerassen.
- Het maaien en afbranden van rietkragen tussen 15 maart en 15 augustus.
- Het betreden van de rietkragen tussen 15 maart en 15 augustus.
- Het gebruik van chemische verdelgingsmiddelen, behalve op de percelen die als akkerland, weiland of boomgaard worden gebruikt.
- Om het even welke activiteit die de rust en de stilte in het gebied zou kunnen verstoren, inzonderheid het houden van testen, oefenritten en X-10.271-3/7 wedstrijden met mechanische voertuigen, het gebruik van vaartuigen met hulpmotor, het kleiduifschieten, het gebruik van modelvliegtuigen met afstandsbediening, het houden van manifestaties. B. Behoudens voorafgaande en schriftelijke toestemming vanwege de Vlaamse minister of zijn gemachtigde is verboden:
- Het plaatsen van bovengrondse en ondergrondse leidingen voor het transport van electriciteit, water, gas en rioolwater en van telefoon- leidingen, dienende voor ter plaatse gevestigde woningen en bedrijven.
- Het vellen, ontwortelen of beschadigen van bomen en heesters, inbegrepen het wegnemen van gesteltakken en hoofdwortels. Bovenstaande bepaling is niet van toepassing op dode en windvallige bomen of niet meer produktieve fruitbomen. Onderhoudswerken zoals snoeien of knotten zijn toegelaten, mits (die) oordeelkundig worden uitgevoerd. Het normale onderhoud van hakhoutbestanden is eveneens toegelaten.
- Het aanplanten van bomen en heesters op de graslanden.
- Het vernietigen of verzamelen van kruidachtige planten, hun bloemen of hun vruchten, met uitzondering van de cultuurgewassen. Bovenstaande bepaling is evenmin van toepassing op het maaien en het afvoeren van het maaisel, het plaggen en afvoeren van de plaggen, het branden.
- Het leggen van gifaas, het gebruik van vuurwapens en klemmen, behalve in het kader van de georganiseerde bestrijding van schadelijke diersoorten." Overwegende dat de artikelen 2 en 3 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 1992 tot delegatie van beslissingsbevoegdheden aan de leden van de Vlaamse regering, zoals zij van toepassing waren op het ogenblik van het nemen van het thans bestreden besluit, bepaalden wat volgt: "Artikel
- Elk lid van de Vlaamse Regering oefent de in dit besluit gedelegeerde beslissingsbevoegdheid uit in aangelegenheden waarvoor het bevoegd is krachtens het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 1992 tot bepaling van de bevoegdheden van de leden van de Vlaamse regering. Art.
- §
- De leden van de Vlaamse regering hebben delegatie voor: 1/ het nemen van beslissingen, rekening houdend met de bevoegdheids- verdeling, voor de toepassing van de wetten, decreten, koninklijke besluiten, ministeriële besluiten, verordeningen en besluiten van de Vlaamse regering; (...) §
- Deze delegatie geldt ook voor beslissingen die door de bevoegde leden van de Vlaamse regering gezamenlijk moeten genomen worden. Art.
- §
- De bij artikel 2 toegestane delegatie aan de leden geldt evenwel niet voor: 1/ het vaststellen van organieke en reglementaire besluiten; (...) 4/ de beslissingen, akkoorden en omzendbrieven die wegens hun onderwerp en hun draagwijdte van die aard zijn dat een andere regering of de nationale regering of beide erbij betrokken zijn; (...)"; X-10.271-4/7 Overwegende dat op het ogenblik van het bestreden besluit het besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 1992 tot bepaling van de bevoegd- heden van de leden van de Vlaamse regering, bepaalde wat volgt: "Artikel
- Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder 'de bijzondere wet', de bijzondere wet tot hervorming der instellingen van 8 augustus 1980 . Artikel
- Dit besluit verdeelt de bevoegdheden in de schoot van de Vlaamse regering met het oog op de voorbereiding en de uitvoering van haar beslissingen. (...) Artikel
- De heer Theo Kelchtermans, lid van de Vlaamse regering, is bevoegd voor: 1/ (...) 2/ de ruimtelijke ordening, zoals vermeld in artikel 6, § 1, I van de bijzondere wet, met uitzondering van de monumenten en de landschappen; (...) Artikel
- De heer Johan Sauwens, lid van de Vlaamse regering, is bevoegd voor: (...) 3/ de monumenten en de landschappen, zoals vermeld in artikel 6, § 1, I, 7/, van de bijzondere wet"; Overwegende dat de toenmalige Vlaamse Minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden bevoegd was voor de ruimtelijke ordening, zoals vermeld in inzonderheid artikel 6, § 1, I, 1/, van de genoemde bijzondere wet; dat dit bevoegdheidsdomein inzonderheid omvat de voorschriften van stedenbouw en ruimtelijke ordening, het inrichten van een stelsel van vergunningen en de daarop betrekking hebbende regels inzake administratieve procedure inbegrepen; Overwegende dat de hiervoor aangehaalde, in het bestreden besluit onder de punten A.1 tot en met A.11 en B.1 en B.2 opgesomde werken, handelingen of functies vergunningplichtige werken, handelingen of functies (kunnen) betreffen in de zin van de toen geldende wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw; dat de bepaling van de voorwaarden waaronder een vergunning wordt verkregen, alsook de daarop betrekking hebbende administratieve procedure derhalve behoren tot het bevoegdheidsdomein van de ruimtelijke ordening en dus tot de bevoegdheid van de minister van Ruimtelijke Ordening, op grond van artikel 6 van voornoemd besluit van 20 oktober 1992; dat derhalve, afgezien van de vraag of - zoals de verwerende partij betoogt in haar laatste memorie - de minister bevoegd voor de bescherming van de landschappen bevoegd is voor het opleggen van noodzakelijke erfdienstbaarheden met het oog op een doelmatige vrijwaring van het definitief beschermde landschap, het opleggen van de X-10.271-5/7 voornoemde beperkingen met een doelstelling van bescherming van het betrokken landschap niet tot de enkele bevoegdheid van de voornoemde minister, bevoegd voor de landschappen, behoort; dat dit "betreden" van de bevoegdheid inzake ruimtelijke ordening verder gaat dan het teweegbrengen van rechtsgevolgen in een domein dat tot de bevoegdheid van een ander lid van de Vlaamse regering behoort en dat het niet het gevolg is van de raakvlakken tussen beide bevoegdheden en regelgevingen; dat ook het door de verwerende partij aangevoerde argument dat de minister bevoegd voor landschappen het onderzoek naar het verlenen van de machtiging zal doen vanuit een andere finaliteit dan die van de minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening, bij gebreke van uitdrukkelijke bepaling ter zake nog niet impliceert dat het aan de eerstgenoemde toekomt zich op het bevoegdheidsdomein van de andere te begeven; dat tot slot de verwijzing door de verwerende partij naar het hiervoor geciteerde artikel 3, § 1, 4/, van het genoemde besluit van de Vlaamse regering van 20 oktober 1992 niet dienend is; dat deze bepaling in een terugkeer naar de gemeenrechtelijke collegiale besluitvorming voorziet voor de in die bepaling vervatte aangelegenheden die, met toepassing van artikel 2 van het genoemde besluit, onder de uitsluitende bevoegdheid van een lid van de regering zouden vallen; Overwegende dat uit het voorgaande volgt dat de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming, bevoegd voor de landschappen, niet bevoegd was om het bestreden besluit alleen te nemen; dat om deze reden het bestreden besluit aangetast is door bevoegdheidsoverschrijding; dat het in laatste memorie opgeworpen middel, dat de onbevoegdheid van de steller van de bestreden handeling betreft en derhalve van openbare orde is, in de aangegeven mate gegrond is; BESLUIT: Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 9 juni 1995 van de Vlaamse Minister van Verkeer, Buitenlandse handel en Staatshervorming houdende rangschikking als landschap overeenkomstig de bepalingen van de wet van 7 augustus 1931 om reden van historische, wetenschappelijke en esthetische waarde, van het gebied "de vallei van de Steenkesbeek" te Hulshout. Artikel
- X-10.271-6/7 Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
- De kantmelding wordt bevolen van dit arrest op de kant van de overschrijving van het rangschikkingsbesluit in de registers van het tweede hypotheekkantoor te Turnhout. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 198,32 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de in artikel 3 van dit arrest vermelde kantmelding komen eveneens ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit: de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-10.271-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.513 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.127.683 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div