id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.541 Rolnummer: A. 172549/VII-35948 Zaak: Arrest 166541 - Milieuvergunningen - 11/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-16 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 13:12 Fiche Arrest nr 166.541 van 11 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.541 van 11 januari 2007 in de zaak A. 172.549/VII-35.948 In zake : Greet DECLERCK-NOTELÉ, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERSTRAETEN, kantoor houdende te LEUVEN, Vaartstraat 70 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaten G. MARTYN en F. VINCKE, kantoor houdende te AVELGEM, Doorniksesteenweg 82 tussenkomende partij : de b.v.b.a. VERHAEREN BETON EN ASFALT, die woonplaats kiest bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Greet DECLERCK-NOTELÉ op 2 mei 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2006 waarbij de beroepen ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 september 2005, houdende het verlenen aan de b.v.b.a. VERHAEREN BETON EN ASFALT van de vergunning voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk te Grimbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en het beroepen besluit tot verlening van de milieuvergunning wordt bevestigd, met dien verstande dat het gebruik van aardgas voor de werking van de asfaltbetoncentrale verplicht wordt gesteld en de bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden; Gezien de nota van de verwerende partij; VII-35.948-1/25 Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 30 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 30 november 2006; Gehoord het verslag van kamervoorzitter M.-R. BRACKE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. VERSTRAETEN, die verschijnt voor verzoekster, van advocaat F. VINCKE, die verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaten C. GYSEN en G. LAENEN, die verschijnen voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. SOURBRON; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De rechtspleging 1.
- Overwegende dat met een verzoekschrift van 23 mei 2006 de b.v.b.a. VERHAEREN BETON EN ASFALT vraagt om in voorliggend kort geding te mogen tussenkomen; dat, aangezien de bestreden milieuvergunning haar werd verleend, zij een evident belang heeft om in de zaak tussen te komen; dat haar verzoek kan worden ingewilligd; 1.
- Overwegende dat ter terechtzitting de tussenkomende partij een nieuw stuk bevattende een geluidsstudie en gedateerd 29 november 2006 neerlegt; dat verzoekster vraagt om dit stuk uit de debatten te weren; dat op dat verzoek kan worden ingegaan;
- De feiten Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat: VII-35.948-2/25 2.
- Op 29 april 2005 dient de b.v.b.a. VERHAEREN BETON EN ASFALT bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant een aanvraag in voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk z/n te Grimbergen. Tot het voorwerp van de aanvraag behoort in concreto: S de opslag van 10.580 ton bitumen, freesasfalt en asfalt; S het lozen van 57,6 m3/uur - 14.550 m3/jaar bedrijfsafvalwater in oppervlaktewa- ter; S één transformator met een nominaal vermogen van 1.000 kVA; S het stallen van vijf voertuigen; S één compressor en een koelinstallatie met een totale geïnstalleerde drijfkracht van 18,5 kW; S de opslag van 480 liter gassen (zuurstof, propaan en acetyleen) in verplaatsbare recipiënten; S de opslag van 378 kg schadelijke, corrosieve, irriterende en oxyderende stoffen (antikleef, antivries en reinigingsproducten); S de opslag van 60.000 l gasolie in een bovengrondse dubbelwandige houder; S de opslag van 1.328 l P4-producten (smeerolie) en 1.000 l afvalolie; S een brandstofverdeelinstallatie met één slang; S een laboratorium voor kwaliteitscontrole; S een inrichting voor het behandelen van metalen, met een geïnstalleerde totale drijfkracht van 10 kW; S een asfaltbetoncentrale met een totaal vermogen van 973 kW; S de opslag van minerale producten op een terrein met een totale oppervlakte van 2,09 ha; S twee stookinstallaties (droog- en paralleltrommel), met een thermisch vermogen van respectievelijk 20 MW en 9,7 MW. 2.
- Tijdens het openbaar onderzoek van de aanvraag worden 27 bezwaarschriften ingediend waarin de bezwaarindieners ondermeer wijzen op stofhinder, geurhinder en verkeersoverlast ten gevolge van de exploitatie van de inrichting. VII-35.948-3/25 2.
- Met een besluit van 8 september 2005 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde milieuvergunning voor een termijn van twintig jaar. De milieuvergunning wordt afhankelijk gesteld van de naleving van de volgende bijzondere voorwaarden: "Artikel 1: Ingevolge art. 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient er geen meetgoot geplaatst te worden maar een controleput na het bufferbekken. Artikel 2: In afwijking van de sectorale bepalingen zal gewerkt worden vanaf 5.00 uur en desgevallend ‘s nachts en tijdens de weekends. De nachtwerkzaamheden (voor 5.00u) dienen beperkt te worden tot 50 nachten/jaar. Het aantal weekenddagen incl. feestdagen dient beperkt tot max.
- Artikel 3: Alle preventieve maatregelen opgenomen in bijlage D.4.1.6/E en bijlage D.4.10/4.11 (energiestudie) van de milieuvergunningsaanvraag dienen onverminderd uitgevoerd te worden. Artikel 4: Om de verkeersafwikkeling van en naar de inrichting op een voor de omgeving zo gunstig mogelijke wijze te laten verlopen, dient de exploitant een bedrijfsvervoersplan betreffende het te volgen traject van het wegtransport op te stellen waarin rekening gehouden wordt met het advies van het College van Burgemeester en Schepenen van Grimbergen. Artikel 5: De laadplaats voor transportwagens van warm asfalt dient zodanig bouwkun- dig aangepast te worden dat de vrijkomende emissies afgezogen kunnen worden en verspreid via de schoorsteen. Artikel 6: De stoffilters dienen jaarlijks onderhouden en zo nodig vervangen te worden. Artikel 7: Om stofhinder te voorkomen dienen over het ganse terrein sprinklers geïnstalleerd te worden. Artikel 8: Binnen een termijn van 1 jaar na de datum van onderhavige beslissing dient de exploitant een rapport op te stellen waarin de overschakeling op aardgas onderzocht wordt. Dit rapport dient overgezonden te worden aan de bestendige deputatie en aan de Afdeling Milieu-inspectie". 2.
- Tegen voormeld besluit worden volgende beroepen ingesteld bij de Vlaamse minister bevoegd voor het leefmilieu: a. Het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Grimbergen stelt op 27 september 2005, nadien vervolledigd op 12 oktober 2005, beroep in. VII-35.948-4/25 b. Op 10 oktober 2005 wordt beroep ingesteld door de aanvrager van de milieuvergunning. Het beroep is gericht tegen de als bijzondere vergunnings- voorwaarde opgelegde beperking van het aantal weekenddagen waarop gewerkt mag worden. De exploitant streeft namelijk naar een verdubbeling van het aantal vergunde weekenddagen (van 10 naar 20). c. Bart LAEREMANS, Steven DUPONT, Marie-Claire WACHTELAER en Marc COENEN dienen op 14 oktober 2005, in hun hoedanigheid van inwoner en gemeenteraadslid van de gemeente Grimbergen, een beroepschrift in. d. Op 17 oktober 2005 dient Ria TURCKSIN, gemeenteraadslid te Grimbergen, beroep in. e. Op 18 oktober 2005 stelt de v.z.w. BOND BETER LEEFMILIEU VLAAN- DEREN beroep in. f. Eveneens op 18 oktober 2005 stellen de advocaten Peter DE SMEDT en Colin DE BEIR, namens 251 omwonenden van de geplande inrichting, waaronder verzoekster, beroep in bij de Vlaamse minister van Leefmilieu. 2.
- In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen verleend: a. Door de afdeling Natuur wordt op 8 november 2005 meegedeeld dat de exploitatie van de inrichting "naar alle waarschijnlijkheid geen significante gevolgen heeft op natuurwaarden waarvan de wijzigingen vergunningsplichtig is of op natuurgebieden die in uitvoering van het gewestelijk beleid als prioritair te beschermen beschouwd worden". In een later advies van 1 december 2005 komt de afdeling Natuur daarop terug en stelt zij dat wel een negatieve impact verwacht kan worden op het nabijgele- gen natuurgebied "Domein van Borgt". Teneinde de verwachte negatieve impact te beperken wordt aangedrongen op het gebruik van de best beschikbare technieken voor asfaltbetoncentrales en op de aanleg van een groenscherm tussen de inrichting en het betrokken natuurgebied. b. De Vlaamse Milieumaatschappij verleent op 21 en 23 november 2005 een viertal adviezen die allen gunstig zijn over de vergunningsaanvraag. c. Het advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van 28 november 2005 is eveneens gunstig. Dit advies wordt hierna in extenso weergegeven: "De huidige aanvraag betreft het bekomen van een milieuvergunning voor de exploitatie van een nieuwe inrichting, zijnde een asfaltbetoncentrale. VII-35.948-5/25 Volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. van 7 maart 1977) is de inrichting gelegen in een industriegebied (artikel 7.
- van het K.B. dd. 28 december 1972). De industriegebieden zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone. Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten, namelijk: bankagent- schappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslag- plaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop. Voor de plaats in kwestie bestaat er geen goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg, noch een behoorlijk vergunde niet-vervallen verkaveling. Het terrein is verbonden met de Westvaartdijk via een 240 m lange inrit. Het projectgebied wordt begrensd langs noordelijke, zuidelijke en oostelijke zijde door industriegebied en langs de westelijke zijde, aan de overkant van de Fabriekstraat en de Humbeeksesteenweg, ligt het natuurpark 'Van Borght' met daarachter - op een afstand van ongeveer 200 meter van de geplande inrichting - een woongebied. Het terrein ligt langs westelijke zijde tevens parallel met het kanaal Brus- sel-Willebroek. Deze ligging biedt als voordeel dat de grondstoffen (zand en stenen) voor 90% via het kanaal zullen kunnen worden aangevoerd. Bij besluit van de bestendige deputatie van 8 september 2005 werd de milieuvergunning verleend voor een termijn van 20 jaar. Door de exploitant zelf wordt beroep aangetekend maar dat heeft enkel betrekking op artikel 2 opgelegd in de bijzondere vergunningsvoorwaarden, inzake de werkzaamheden. De uitbater verzoekt een afwijking en vraagt om maximum 20 weekenddagen te mogen werken in plaats van de opgelegde 10 weekenddagen met de bedoeling om mobiliteitsproblemen, die ecologisch en economisch nadelig zijn te vermijden. Dit element op zich heeft weinig of geen impact op de ruimtelijke ordening, hoewel het ook afhangt van aard en locatie van de aan- en afvoerrou- tes van grondstoffen en producten (bvb. als die door woongebied lopen). Daarnaast werd ook door derden, o.a. omwonenden, het college van burgemeester en schepenen, een milieuvereniging..., beroep aangetekend tegen voornoemde beslissing. De aangehaalde elementen in deze beroepsschriften hebben in hoofdzaak betrekking op: stof- en geurhinder, toenemende verkeerslast, de ligging in de nabijheid van een natuurgebied, gezondheidsrisico's en dergelijke, zaken die vooral van milieutechnisch aard zijn of met de uitbating te maken hebben en eveneens op zich geen ruimtelijke ordeningsaspecten betreffen, gelet op de geldende gewestplanbestemming ter plaatse. Gelet op de verenigbaarheid van de inrichting met de voor het terrein geldende planologische voorschriften, wordt over de aanvraag een gunstig advies uitgebracht. Het voorstellen van de voorwaarden, nodig om de hinder van de inrichting te beperken tot een voor de woon- en natuurlijke omgeving aanvaardbaar niveau, behoort tot de bevoegdheid van de Afdeling Milieuvergunningen". d. De afdeling Milieuvergunningen adviseert op 2 december 2005 gunstig over de vergunningsaanvraag, mits de in eerste aanleg opgelegde voorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden. VII-35.948-6/25 e. Door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie wordt op 5 december 2005 voorgesteld om de ingestelde beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren. De vergunning zou verleend kunnen worden mits de exploitatievoorwaarden gewijzigd en aangevuld worden en mits de inrichting zal werken op aardgas. 2.
- Met een besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2006 worden de ontvankelijk bevonden beroepen gedeeltelijk gegrond verklaard. Het beroepen besluit wordt in dier voege gewijzigd dat, primo, de verplichting wordt opgelegd om aardgas te gebruiken voor de werking van de asfaltbetoncentrale en, secundo, de bijzondere exploitatievoorwaarden, eensdeels, worden gewijzigd waardoor het aantal weekenddagen waarop werkzaamheden mogen plaatsvinden wordt uitgebreid tot maximaal 20 dagen en, anderdeels, worden aangevuld met zeven bijkomende voorwaarden. Ingevolge voormeld besluit zien de bijzondere exploitatievoor- waarden er als volgt uit: "Artikel 1: Ingevolge art. 4.2.5.1.1.§1 van Vlarem II dient er geen meetgoot geplaatst te worden maar een controleput na het bufferbekken. Artikel 2: In afwijking van de sectorale bepalingen zal gewerkt worden vanaf 5.00 uur en desgevallend 's nachts en tijdens de weekends. De nachtwerkzaamheden (voor 5.00u) dienen beperkt te worden tot 50 nachten/jaar. Het aantal weekenddagen, inclusief feestdagen dient beperkt tot maximaal
- Artikel 3: Alle preventieve maatregelen opgenomen in bijlage D.4.1.6/E en bijlage D.4.10/4.11 (energiestudie) van de milieuvergunningsaanvraag dienen onverminderd uitgevoerd te worden. Artikel 4: Om de verkeersafwikkeling van en naar de inrichting op een voor de omgeving zo gunstig mogelijke wijze te laten verlopen, dient de exploitant een bedrijfsvervoersplan betreffende het te volgen traject van het wegtransport op te stellen waarin rekening gehouden wordt met het advies van het College van Burgemeester en Schepenen van Grimbergen. Artikel 5: De laadplaats voor transportwagens van warm asfalt dient zodanig bouwkun- dig aangepast te worden dat de vrijkomende emissies afgezogen kunnen worden en verspreid via de schoorsteen. Mede op basis van de resultaten van de geurstudie van 18 november 2005, wordt de laadplaats voorzien van snelsluitende poorten aan beide zijden. Artikel 6: De stoffilters dienen jaarlijks onderhouden en zo nodig vervangen te worden. Artikel 7: VII-35.948-7/25 Om stofhinder te voorkomen dienen over het ganse terrein sprinklers geïnstalleerd te worden. Artikel 8: Binnen een termijn van 1 jaar na de datum van onderhavige beslissing dient de exploitant een rapport op te stellen waarin de overschakeling op aardgas onderzocht wordt. Dit rapport dient overgezonden te worden aan de bestendige deputatie en aan de Afdeling Milieu-inspectie. Artikel 9: De droogtrommel dient ingekapseld te worden volgens de bepalingen vermeld in de geluidsstudie van 25 november
- De zeefinstallatie en de paralleltrom- mel dienen eveneens ingekapseld te worden. Artikel 10: De aanvoer van grondstoffen (met uitzondering van bitumen, recyclage-asfalt en vulstof) dient te gebeuren via het kanaal. Artikel 11: De opslag van fijn zand, kalksteen en porfier dient overdekt te worden. Artikel 12: Er dient een veeginstallatie voorzien te worden die de verharde oppervlakte regelmatig reinigt. Artikel 13: De schouw dient een hoogte te hebben van minstens 39 m. Artikel 14: De opslagbunkers aan de zijkanten van het terrein dienen een hoogte te hebben van minstens 3 m. Artikel 15: Binnen de maand na inwerkingtreding van de installatie dient een controle- meetprogramma met betrekking tot de luchtemissies opgestart te worden";
- De ontvankelijkheid van de vordering 3.1.
- Overwegende dat de tussenkomende partij opwerpt dat de vordering onontvankelijk is om reden dat verzoekster zou hebben nagelaten om tijdig een verzoekschrift tot nietigverklaring van het bestreden besluit in te dienen; 3.1.
- Overwegende dat verzoekster wel degelijk gelijktijdig met de vordering tot schorsing een verzoekschrift tot nietigverklaring van het bestreden besluit heeft ingediend; dat de exceptie derhalve feitelijke grondslag mist; 3.2.
- Overwegende dat in een tweede exceptie, vanuit meerdere invalshoeken, de tussenkomende partij betwist dat verzoekster over het in rechte vereiste belang beschikt; dat zij vooreerst stelt dat de woonplaats van verzoekster niet op ongeveer 200 meter van de geplande inrichting gelegen is, maar op "meer dan 383 meter", en dat, gelet op dergelijke afstand, er geen sprake meer zou zijn van wonen in de "onmiddellijke" omgeving van de hinderlijke inrichting; dat zij vervolgens betoogt dat verzoekster niet over een "geoorloofd" belang beschikt omdat VII-35.948-8/25 ze zich wetens en willens is komen vestigen in de buurt van een bedrijvenzone; dat zij ten slotte doet gelden dat het belang van verzoekster niet persoonlijk is, daar zij in werkelijkheid zou fungeren als spreekbuis van de politieke partij GROEN ! - haar echtgenoot zou woordvoerder zijn van de afdeling Grimbergen - en dat aldus aan de basis van de vordering louter partijpolitieke motieven zouden liggen, zodat het hier gaat om een "actio popularis"; 3.2.2.
- Overwegende dat, opdat een derde die opkomt tegen de vergunning voor de exploitatie van een hinderlijke inrichting belang zou hebben, hij moet aantonen of minstens aannemelijk maken dat hij hinder of nadeel kan ondervinden door de exploitatie; dat de afstand tussen de woon- of verblijfplaats van de omwonende en de plaats waar de hinder zijn oorsprong vindt daarbij wel een belangrijk objectief criterium uitmaakt; dat de grootorde van die afstand afhangt van de concrete gegevens van de zaak, inzonderheid van de aard en de kenmerken van de vergunde inrichting; dat te dezen bezwaarlijk kan worden ontkend dat een asfaltbetoncentrale een intrinsiek hinderlijke inrichting is die milieuhinder teweeg kan brengen in een ruimere omgeving; dat bovendien de tussenkomende partij niet aantoont dat het volstrekt uitgesloten is dat de bewoners van het nabijgelegen woongebied enig nadeel zouden ondervinden door de vestiging van een nieuwe industriële inrichting in hun omgeving; dat, zelfs indien de tussenkomende partij gelijk heeft waar zij stelt dat verzoekster op 383 meter van de inrichting woonachtig zou zijn, dan nog in alle redelijkheid kan worden aangenomen dat zij rechtstreekse hinder ondervindt van de exploitatie van de betoncentrale; 3.2.2.
- Overwegende dat, met betrekking tot het geoorloofd karakter van het belang, kan worden volstaan met de opmerking dat het van geen belang is dat verzoekster zich is komen vestigen in een omgeving die historisch gezien een industrieel karakter heeft; dat zulks van geen invloed is op de wettigheid van het belang; 3.2.2.
- Overwegende dat, wat betreft de opwerping dat verzoekster geen persoonlijk belang heeft, er op gewezen kan worden dat het persoonlijk karakter van haar belang afdoende kan steunen op de hoedanigheid van omwonende van de inrichting, zodat de beweerde partijpolitieke motieven geen directe relevantie vertonen; 3.2.2.
- Overwegende dat de exceptie in geen van haar onderdelen opgaat; VII-35.948-9/25 3.3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij in een derde exceptie opwerpt dat de vordering laattijdig zou zijn ingesteld omdat verzoekster reeds vanaf 24 februari 2006 feitelijke kennis zou hebben van het verlenen van de bestreden milieuvergunning; dat de tussenkomende partij zulks afleidt uit het gegeven dat op 25 februari 2006 een bericht in de krant "Het Nieuwsblad" is verschenen met als titel "Furieuze reacties op milieuvergunning asfaltcentrale"; 3.3.
- Overwegende dat het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu waarbij uitspraak wordt gedaan over een beroep tegen een in eerste aanleg genomen beslissing over een milieuvergunningsaanvraag krachtens artikel 52, 4/, b), van het Vlarem I-besluit bekendgemaakt dient te worden door aanplakking; dat voor diegenen die voor de kennisneming van de uitspraak in beroep aangewezen zijn op de voorgeschreven bekendmaking ervan door aanplakking, zoals verzoekster, de termijn van 60 dagen om bij de Raad van State beroep in te stellen aanvangt na afloop van de bekendmakingsperiode; dat te dezen blijkt dat het bestreden besluit door aanplakking bekendgemaakt werd van 2 maart 2006 tot en met 31 maart 2006, zodat verzoekster met het gelijktijdig indienen van de vordering tot schorsing en het verzoekschrift tot nietigverklaring op 2 mei 2006, de in artikel 4 van het procedurere- glement bepaalde verjaringstermijn van zestig dagen ruim heeft gerespecteerd; dat, gelet op de plicht tot bekendmaking, het van geen belang is te weten vanaf wanneer verzoekster feitelijke kennis zou hebben gehad van het bestreden besluit, nog daargelaten de vaststelling dat de tussenkomende partij de beweerde feitelijke kennisname steunt op weinig overtuigende elementen, te weten krantencommentaar; dat de derde exceptie evenmin kan worden bijgetreden; 3.4.
- Overwegende dat in een vierde exceptie de tussenkomende partij opwerpt dat het schorsingsverzoek twaalf middelen bevat, bestaande uit diverse onderdelen die gebaseerd zijn op "tientallen" rechtsgronden, hetgeen zou conflicteren met de notie "ernstig middel"; dat zij ook doet gelden dat door de handelswijze van verzoekster haar rechten van verdediging geschonden zouden worden; dat zij verwijst naar het arrest nr. 121.690, VAN HERCK, van 15 juli 2003 waarin de Raad van State in gelijkaardige zin zou hebben geoordeeld; 3.4.
- Overwegende, vooreerst, dat de tussenkomende partij zich niet dienstig kan beroepen op het aangehaalde arrest VAN HERCK alleen al omdat dat arrest gewezen werd in een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzake- lijkheid; dat het in casu een "gewone" schorsingsprocedure betreft; dat wordt VII-35.948-10/25 vastgesteld dat middels het verzoekschrift tot tussenkomst dat niet minder dan 105 pagina's telt, de tussenkomende partij in staat is geweest zich ten volle tegen voorliggend schorsingsverzoek te verweren; dat de exceptie niet opgaat;
- De ernstige middelen Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 4.
- Overwegende dat verzoekster in het tweede middel de schending aanvoert van het zorgvuldigheidsbeginsel; dat zij het middel als volgt toelicht: "
- Het zorgvuldigheidsbeginsel houdt in dat het bestuur zijn beslissing op een zorgvuldige wijze dient voor te bereiden en de beslissing dient te stoelen op een concrete feitenvinding. zie ter zake R.v.St. Lobyn nr 16217, 30 januari 1974
- In casu heeft de milieuvergunningsaanvraag betrekking op een perceel dat volgens het gewestplan gelegen is in 'gebied voor watergebonden activiteiten' (gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse goedgekeurd bij Koninklijk besluit van 7 maart 1977, Besluit Vlaamse Regering 17.7.2000, artikel 21 B.S. 11.11.2000) In het bestreden besluit wordt ervan uit gegaan dat het gelegen is in 'industriegebied'; Dit is terug te vinden op pg 8 van het bestreden besluit en is onjuist; Verzoekende partij voegt bij haar dossier kopij van het gewestplan zoals terug te vinden op de website van www.ruimtelijkeordening.be, hetgeen verwijst naar de website van GEO-Vlaanderen. (stuk 7). Zie tevens: http://geo-vlaanderen.gisvlaanderen.be/geovlaanderen/gwp/help/leg/leggew.pdf Aangezien het besluit aldus gebaseerd is op een verkeerd feit en dus niet zorgvuldig is voorbereid, is het bestreden besluit onwettig"; dat verzoekster het derde middel ontleent aan de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (Vlarem I) en de motiveringsverplichting als algemeen "beginsel van behoorlijk bestuur"; dat zij doet gelden wat volgt: VII-35.948-11/25 "Zoals toegelicht onder het vorige middel gaat het bestreden besluit er ten onrechte van uit dat het gelegen is in een industriegebied, terwijl het gelegen is 'een gebied voor watergebonden activiteiten'; Door verzoekende partij werd dit in haar beroepsschrift (pagina 15) ook aangegeven; Het bestreden besluit schendt het recht, zoals hierboven aangegeven, gezien het het bezwaar vanwege verzoekende partij gewoon naast zich neerlegt; Het bestreden besluit schendt het recht zoals hierboven omschreven gezien ze in haar motivering er manifest van uit gaat dat de exploitatie gelegen is in een industriegebied quod certe non, minstens doordat het op geen enkele manier antwoordt op het bezwaar van verzoekende partij in haar verzoekschrift; (zie onder andere pagina 8 bestreden besluit)"; 4.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota het tweede middel als volgt weerlegt: "Verzoekende partij stelt dat de minister ten onrechte zijn beslissing steunt op een beoordeling als 'industriegebied', daar waar het in realiteit om een gebied gaat voor bedrijven met een watergebonden karakter. Een zorgvuldige besluitvorming houdt in dat de toepasselijke regels op de relevante feiten moeten toegepast worden, wat in casu is geschied. De feitelijke gegevens waarmee de Minister rekening gehouden heeft, zijn alle feitelijke gegevens die door de verzoekende partij en de beroepsindieners verstrekt werden. De passage omtrent industriegebied heeft verder geen gevolgen. Integendeel wordt het watergebonden karakter van de inrichting van meet af aan en doorheen de ganse procedure aangetoond door de vaststelling dat 90% van de grondstoffen via het kanaal worden aangevoerd en wordt deze vaststelling geconsolideerd door ze als bijzondere voorwaarde op te leggen. De beroepsindieners hadden precies de vraag gesteld of de inrichting wel gekwalifi- ceerd kon worden als een watergebonden bedrijf, aangezien naar hun oordeel het bedrijf onvoldoende toegang had tot de Westvaartdijk. Er is dus geen sprake van onzorgvuldig overheidshandelen wegens onvolledi- ge feitenvinding. De Minister heeft integendeel het juiste voorschrift van het watergebonden karakter strikt nageleefd door het als voorwaarde op te leggen. Uit de hogervermelde argumentatie blijkt bovendien dat de Minister juist wel de toepasselijke reglementering op de inrichting van de verzoekende partij zorgvuldig heeft toegepast"; dat, wat het derde middel betreft, zij volgende repliek geeft: "Dit middel herneemt grotendeels het vorige. Verzoekende partij stelt dat de Minister de bezwaren naast zich zou hebben neergelegd en niet zou hebben geantwoord. Dit wordt ten zeerste betwist. 'De wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen vereist niet dat de beslissing uitdrukkelijk de redenen vermeldt waarom de ingewonnen adviezen - of sommige ervan - niet worden gevolgd of dat een antwoord wordt gegeven op elk van de in beroep aangevoerde argumenten. Het is noodzakelijk doch voldoende dat de beslissing duidelijk de redenen doet kennen die haar verantwoorden en waaruit kan worden afgeleid waarom de adviezen in andersluidende zin niet worden gevolgd en de in beroep verdedigde stellingen niet worden aangenomen. De overheid is er in de regel niet toe gehouden, ten aanzien VII-35.948-12/25 van elk ingenomen standpunt, te specifiëren 'op welke onderzoekingen of rapporten' zij zich daarvoor baseert.' Zoals hiervoren, bij het tweede middel is uiteengezet, is er gedurende de hele procedure aandacht besteed aan het aspect 'watergebondenheid'. Men kan onmogelijk gaan stellen dat de Minister een beslissing zou hebben genomen op basis van het criterium 'industriegebied', zoals verzoekende partij zou voorhou- den"; 4.3.
- Overwegende dat, voorafgaand op de concrete repliek op de middelen, de tussenkomende partij in haar verzoekschrift tot tussenkomst een aantal "preliminaire" opmerkingen formuleert die betrekking hebben op de middelen in het algemeen; dat zij met name betoogt dat complexe en/of technische middelen zich niet lenen tot een "snelle" toetsing van hun ernstig karakter, terwijl nochtans de mogelijkheid van een snelle toetsing wezenlijk verbonden is met de aard van het administratief kort geding, dat sommige middelen niet werden opgeworpen in het initieel bezwaarschrift en, ondergeschikt, dat verzoekster akkoord bleek te gaan met bepaalde milieuvergunningsvoorwaarden, dat het toekennen van een milieuvergun- ning zaak is van discretionaire bevoegdheid van de overheid en de rechter niet mag doordringen"in het domein van het beleid" en, ten slotte, dat het in casu in wezen gaat om een "politieke strijd voor het algemeen belang" uitgaande van de partij GROEN! en dat de vordering misbruik van rechtsgang betekent; 4.3.
- Overwegende dat de tussenkomende partij met betrekking tot het tweede middel volgende repliek geeft: "5.2.
- In hoofdorde: onontvankelijkheid van het middel Er wordt door verzoekende partij geenszins betwist dat de inrichting verenigbaar is met de door het gewestplan voorziene bestemming 'gebied voor watergebonden bedrijven'. Naast een belang bij de vordering tot schorsing zelf, is een belang bij elk van de door verzoeker aangevoerde middelen nochtans vereist, waarvoor dezelfde voorwaarden inzake griefhoudendheid en het bestaan van een persoonlijk en rechtsreeks voordeel gelden (S. DE TAEYE, Procedures voor de Raad van State, Mechelen, Kluwer, 3 ed., 2003,85). Verzoekende partij heeft er geen belang bij een onwettigheid aan te voeren die haar geen persoonlijk nadeel heeft berokkend (R.v.St., NV Albama, nr. 80.309, 19 mei 1999) Het eerste onderdeel van het middel is dan ook onontvankelijk bij gebrek aan belang, minstens niet ernstig. 5.2.
- In ondergeschikte orde: repliek ten gronde Ingevolge artikel
- §
- van de gecoördineerde wetten op de Raad van State doet Uw Raad uitspraak, bij wijze van arresten, over de beroepen tot nietigver- klaring wegens overtreding van hetzij substantiële, hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormen, overschrijding of afwending van macht, ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden. VII-35.948-13/25 Prima facie blijkt echter dat in casu de verwijzing door de bestreden beslissing naar het bestemmingsvoorschrift 'industriegebied' zoals dit voorafgaandelijk aan de wijziging door het Besluit van 17 juli 2000 gewestplan Brus- sel-Halle-Vilvoorde van toepassing was, louter een materiële vergissing betreft. Door verzoekster werd reeds tijdens de beroepsprocedure bezwaar ingediend aangaande de overeenstemming van de exploitatie met de eigen aanwijzingen en voorschriften van het van toepassing zijnde bestemmingsgebied opgeworpen dewelke door de Minister in de bestreden beslissing (p.17 al. 2) afdoende weerlegd werden: 'Overwegende dat de grondstoffen voor 90% via het kanaal zullen worden aangevoerd; dat in de overeenkomst van het bedrijf met de NV Zeekanaal betreffende het gebruik, van de waterweg de watergebon- denheid van het bedrijf wordt gevestigd;' Verzoekster tot tussenkomst betwist bovendien op geen enkele wijze het watergebonden karakter van de inrichting. Uit het bovenstaande volgt dan ook onomstotelijk dat de bestreden beslissing de toetsing van de vergunningsaanvraag aan het juiste bestemmingsgebied zowel materieel als formeel gemotiveerd heeft en enkel een materiële vergissing sensu strictu werd begaan hetgeen geenszins tot nietigheid van de bestreden beslissing kan leiden nu het in casu geen schending van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvoorwaarde behelst. Van enige schending van het zorgvuldigheidsbeginsel waardoor de bestreden beslissing met nietigheid behept is kan dan ook geen sprake zijn. Zoals reeds gesteld werd de inrichting bij de behandeling van de bezwaren wel degelijk gemotiveerd getoetst aan het juiste bestemmingsvoorschrift. Tevens zijn verzoekende partijen tegen de beslissing kunnen opkomen middels onderhavige procedure. Uw Raad neemt dan ook aan dat een schending van het zorgvuldigheidsbe- ginsel - quod certe non in casu - niet steeds tot een vernietiging moet leiden (R.v.St., Vanhoutte, nr. 141.633, 7 maart 2005)"; dat, wat het derde middel betreft, de tussenkomende partij als volgt repliceert: "Vooreerst bepalen de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen dat eenzijdige rechtshandelingen met individuele strekking die uitgaan van een bestuur en die beogen rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd, dat in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moeten worden vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen en dat deze afdoende moeten zijn. Artikel 6 van dezelfde wet bepaalt echter dat deze 'slechts van toepassing is op de bijzondere regelingen waarbij de uitdrukkelijke motivering van bepaalde bestuurshandelingen is voorgeschreven, in zoverre deze regelingen minder strenge verplichtingen opleggen'. Uit een en ander volgt dat op het stuk van de motiveringsverplichting de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshande- lingen een wet van suppletoire aard is waarvan de toepassing in casu geen doorgang kan vinden nu de zelf door verzoekster ingeroepen artikelen 17 en 52, 3/ Vlarem I in een eigen motiveringsverplichting voorzien. 3.- In tegenstelling met de beweringen van verzoekende partij voldoet de bestreden beslissing wel degelijk aan de door het milieuvergunningsdecreet en Vlarem I opgelegde motiveringsverplichting. Door Uw raad worden geen al te hoge of al te formalistische eisen gesteld aan de motiveringsplicht (LANCKSWEERDT, E., 'De milieurechtspraak van de Raad van State', T.M.R., 1995-96, 455). VII-35.948-14/25 De motiveringsverplichting impliceert enkel dat een vergunningsbesluit een antwoord op een algemene of impliciete wijze dient te bevatten op de in beroep naar voren gebrachte argumenten en dat de betrokken bestuurde in de beslissing de motieven moet kunnen aantreffen op grond waarvan ze werd genomen, ondermeer opdat hij met kennis van zaken zou kunnen uitmaken of het aangewezen is de beslissing met een annulatieberoep te bestrijden (R.v.St., Loontjes, 53.664, 12 juni 1995). Door de bestreden beslissing werden de bezwaren van verzoekster weldegelijk gemotiveerd weerlegd waarbij in het bijzonder de inrichting getoetst werd aan haar watergebonden karakter (p. 17 al. 2): 'Overwegende dat de grondstoffen voor 90% via het kanaal zullen worden aangevoerd; dat in de overeenkomst van het bedrijf met de NV Zeekanaal betreffende het gebruik, van de waterweg de watergebon- denheid van het bedrijf wordt gevestigd;'"; 4.4.
- Overwegende, wat de "preliminaire" opmerkingen betreft, dat deze, althans wat het tweede en derde middel betreft, niet opgaan om volgende redenen: S het onderzoek van het tweede en het derde middel nopen allerminst tot een "complexe discussie met een uitgesproken technisch karakter"; voor het overige kan worden verwezen naar de bespreking van de vierde ontvankelijkheidsexcep- tie; S de middelen die in het kader van een annulatie- of schorsingsprocedure voor de Raad van State op ontvankelijke wijze kunnen worden aangevoerd, moeten niet beperkt blijven tot de "middelen" of bezwaren die aangevoerd werden in het kader van de administratieve beroepsprocedure tegen de in eerste aanleg genomen beslissing over een vergunningsaanvraag; deze "preliminaire" opmerking blijkt bovendien niet te gelden voor het tweede en het derde middel aangezien de tussenkomende partij zelf aangeeft dat in het beroepschrift wel werd ingegaan op de schending van "artikel 2 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening", de "onverenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening" en de schending van de "wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering"; ten slotte heeft verzoekster zich in haar beroepschrift niet akkoord verklaard met het verlenen van de milieuvergunning; in het collectief beroepschrift wordt immers gesteld:"In ondergeschikte orde: ingeval, ondanks de hierboven genoemde wettigheidsbezwaren, de milieuvergun- ning per impossibile toch zou (kunnen) worden verleend, de door beroepers in voorliggend beroepschrift voorgestelde bijzondere voorwaarden alsdusdanig op te leggen én de gevraagde (en door de bestendige deputatie toegestane) afwijking op de sectorale voorwaarden betreffende de werkuren te weigeren"; VII-35.948-15/25 S de marginale controle van de Raad van State op de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid door het bestuur staat er niet aan in de weg dat de Raad van State de wettigheid van een bestuursbeslissing kan sanctioneren; de hierna onderzochte middelen hebben overigens geen uitstaans met de apprecia- tiebevoegdheid van de verwerende partij; S de opmerkingen met betrekking tot de beweerde politieke motieven in hoofde van verzoekster vallen volledig samen met hetgeen reeds werd opgeworpen in verband met de ontvankelijkheid van de vordering (zie de tweede ontvankelijk- heidsexceptie); 4.4.
- Overwegende dat het tweede en het derde middel prima facie als volgt beoordeeld kunnen worden: Het "in hoofdorde" geformuleerde argument van de tussenkomen- de partij omtrent de onontvankelijkheid van het middel mist feitelijke grondslag aangezien verzoekster in het vierde en het vijfde middel wel degelijk betwist dat de inrichting verenigbaar is met de bestemming van "gebied voor watergebonden bedrijven". De verwerende partij en de tussenkomende partij betwisten niet dat de inrichting volgens het toepasselijke gewestplan niet alleen gelegen is in een industriegebied maar ook in een gebied voor watergebonden bedrijven, zoals bedoeld in artikel 21 van de aanvullende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Halle- Vilvoorde-Asse, ingevoegd bij besluit van de Vlaamse regering van 17 juli
- Het desbetreffend aanvullend stedenbouwkundig voorschrift luidt als volgt: "Artikel 21 - Gebied voor watergebonden bedrijven Dit gebied is bestemd voor de vestiging van bedrijven waarvan de werking op één of andere wijze verbonden is met de aanwezigheid van waterinfrastruc- tuur. Er kan pas een stedenbouwkundige vergunning voor nieuwe bedrijven worden verleend nadat de overheid het gebied heeft ingericht. Bij de inrichting van het gebied wordt aandacht besteed aan het karakter van het terrein, de aard van de activiteiten, de omvang van de bebouwing, het architectu- raal karakter, de breedte en de wijze van aanleg van de omringende bufferzone. Bestaande niet-watergebonden bedrijven kunnen verder ontwikkelen in het gebied. Ze kunnen echter niet worden vervangen door andere niet-watergebon- den bedrijfsactiviteiten". VII-35.948-16/25 Met betrekking tot de toetsing van de vergunningsaanvraag aan de toepasselijke gewestplanvoorschriften bevat het bestreden besluit de volgende motieven: "Gelet op de ligging van de inrichting in industriegebied volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, goedgekeurd bij koninklijk besluit van 7 maart 1977; Gelet op het gunstige advies van 28 november 2005 van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen van de administratie Ruimtelijke Ordening, Huisvesting en Monumenten en Landschappen van het departement Leefmilieu en Infrastructuur; Gelet op het feit dat de inrichting gelegen is op een afstand van circa 200 m van een woongebied ander dan een woongebied met landelijk karakter; Overwegende dat volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse (K.B. van 7 maart 1977) de inrichting gelegen is in een industriegebied; dat voor de plaats in kwestie er geen goedgekeurd gemeentelijk plan van aanleg, noch een behoorlijk vergunde niet-vervallen verkaveling bestaat; dat bijgevolg vanuit oogpunt van de stedenbouwkundige en ruimtelijke aspecten gesteld kan worden dat de exploitatie van de inrichting die het voorwerp van de voormelde milieuvergunningsaanvraag uitmaakt, verenigbaar is met de toepasselijke ruimtelijke en stedenbouwkundige voorschriften". In bovenstaande motieven wordt enkel vermeld dat de inrichting volgens het toepasselijke gewestplan gelegen is in een industriegebied. Van het aanvullend stedenbouwkundig voorschrift "gebied voor watergebonden bedrijven" is daarentegen geen sprake. Bij de milieuhygiënische beoordeling van de vergunningsaanvraag wordt wel ingegaan op de watergebondenheid van de geplande asfaltbetoncentrale. Aldaar wordt immers overwogen dat de "grondstoffen voor 90 % via het kanaal zullen worden aangevoerd" en dat "in de overeenkomst van het bedrijf met de NV Zeekanaal betreffende het gebruik van de waterweg de watergebondenheid van het bedrijf wordt bevestigd". De aangehaalde motieven staan evenwel volledig los van de stedenbouwkundige toetsing van de vergunningsaanvraag, maar worden gedaan in de context waarbij de door de inrichting teweeggebrachte verkeersproblematiek wordt beoordeeld. Nog daargelaten de vaststelling dat voormelde motieven duidelijk neergeschreven zijn in het kader van de milieuhygiënische toetsing van de milieuver- gunningsaanvraag en niet in een stedenbouwkundige context, is het al dan niet watergebonden karakter van de geplande activiteiten prima facie slechts één aspect van het aanvullend voorschrift "gebied voor watergebonden bedrijven". Bij de samenvatting in het bestreden besluit van de in de beroepschriften gestelde aanspraken en bezwaren, staat te lezen dat het "betreffende gebied (...) niet (werd) ingericht” - in het vierde middel voert verzoekster overigens aan dat de inrichting van VII-35.948-17/25 het gebied voor watergebonden bedrijven nog niet is vastgelegd in een bijzonder plan van aanleg, zoals nochtans zou worden vereist door het betrokken aanvullend voorschrift van het gewestplan -, dat de beroepen beslissing "in strijd (is) met het gewestplan" en dat de inrichting "getoetst (werd) aan het verkeerde bestemmings- voorschrift, zijnde industriegebied". Prima facie kan bij lezing van het bestreden besluit geen antwoord worden gevonden op die essentiële, in beroep naar voor gebrachte argumenten. Dat het zou gaan om een "louter materiële vergissing", zoals de tussenkomende partij betoogt, overtuigt prima facie niet. Het gebrek aan toetsing aan de toepasselijke aanvullende bestemmingsvoorschriften van het gewestplan, die in principe dezelfde rechtskracht hebben als de bestemmingsvoorschriften die genoemd worden in het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972, kan niet louter herleid worden tot een materiële vergissing maar raakt de interne wettigheid van de genomen beslissing. In het tijdens de beroepsprocedure uitgebracht advies van de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen wordt trouwens evenmin melding gemaakt van het betrokken aanvullend gewestplanvoorschrift. Het tweede en het derde middel zijn in de aangegeven mate ernstig;
- Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 5.
- Overwegende dat, met betrekking tot de voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel, in het verzoekschrift tot schorsing het volgende wordt uiteengezet: "Verzoekende partij geeft blijk van het vereiste belang en het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit berokkent een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan verzoekende partij. Verzoekende partij is een natuurlijke persoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreekse hinder kan ondervinden, zoals omschreven in art. 49 §1, 4/ Vlarem I. 2.
- Verzoekende partij brengt ter staving kaarten bij, waarop de afstand tussen de woning van verzoekende partij en de exploitatie is aangegeven. Mevr. Declerck woont in het dichtstbijgelegen woongebied, op 200 meter van de exploitatie. Voor de goede orde wordt benadrukt dat het cijfer van 200 meter is gemeten tot op de hoek van het woongebied/de straat waar zij woonachtig is, zodat zij in reële termen iets verder woonachtig is. Dit belet niet dat zij een zeker belang en moeilijk te herstellen ernstig nadeel heeft. Op p.9 van het bestreden Besluit wordt aangegeven dat er een afstand is van 200 meter. VII-35.948-18/25 Dat verzoekende partij belang heeft, nadeel ondergaat en hinder zal ondervinden blijkt ook uit het feit dat de tegenpartij in haar Besluit het beroep van verzoekende partij ontvankelijk bevond, hetgeen impliceert dat tegenpartij aanvaardt dat verzoekende partij rechtstreeks hinder ondervindt van de exploitatie. De exploitant heeft dit nooit betwist. 2.
- Ernstig nadeel Verzoekende partij zal volgende vormen van ernstig nadeel, ernstige hinder ondergaan.
- verkeershinder: In het bestreden besluit wordt er uitgegaan van 6800 transportbewegingen; Het bestreden besluit gaat tevens uit van een productie van 150.000 ton asfalt dat kan afgevoerd worden in vrachtwagens van 25 ton (maximale belading), hetgeen resulteert in 6000 transportbewegingen; Er blijven slechts 800 transportbewegingen over voor de aanvoer van bitumen, vulstoffen en toevoer van recyclageasfalt; De productie van asfalt bestaat voor 50% uit recyclageasfalt hetgeen neer zou komen op 75.000 ton; Het maximaal beladen van een vrachtwagen met 25 ton per vrachtwagen impliceert 3000 transportbewegingen; Deze eenvoudige berekening toont aan dat het maximum aantal transportbewe- gingen dat voorop werd gesteld, zijnde 6800 onmogelijk met de realiteit kan overeenstemmen bij een productie van 150.000 ton asfalt; In ieder geval is hiermee aangetoond dat er sowieso een groot aantal transportbewegingen van zware vrachtwagens gaan bijkomen; dit zal onvermijdelijk een ernstige invloed hebben op de leefwereld van verzoekende partij.
- geurhinder In de vergunningsaanvraag zelf wordt reeds aangegeven (p. 17) dat geur sterk verbonden is met de emissie van VOS en in een asfaltcentrale tal van bronnen van VOS-en geuremissies aanwezig zijn;
- geluidshinder: In de studie van Verhas, opgemaakt in opdracht van de exploitant zelf wordt toegegeven (p. 18) dat de geluidshinder zal toenemen en dat het niet verwonder- lijk is dat de bewoners angstvallig zijn voor de geluidshinder
- emissies van fijn stof/stofhinder: zowel transport als op- en overslag van zand en stenen zal aanleiding geven tot stofhinder Bovendien blijkt dat qua fijn stof het standpunt van AMINAL niet onbelang- rijk is. AMINAL stelt vast dat de norm van fijn stof reeds overschreden wordt en vroeg om de emissiegrenswaarde voor stof te beperken tot 20mg/Nm3 door middel van een bijzondere voorwaarde. De Minister heeft dit in zijn bestreden Besluit nagelaten. AMINAL stelt in haar advies ook vast dat in het nabijgelegen meetstation de betrokken grenswaarde reeds 40 maal werden overschreden; 'Overwegende dat in de EG-richtlijn 1999/30/EG betreffende grens- waarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stokstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht, wordt gesteld dat vanaf l januari 2005 de daggrens van 50 mg/m3 PM10 niet meer dan 35 keer per jaar mag worden overschreden; dat in het jaar 2005 deze waarde in een nabijgelegen meetstation reeds 40 maal werd overschreden;'
- visuele hinder ten gevolge van de hoogte van de schoorsteen
- uitstoot van schadelijke stoffen: Uitgaande van de aangevraagde produktie van 150 000 ton asfalt/jaar, zal de betrokken inrichting, uitgaande van de gegevens vooropgesteld in het eerder vermelde eindrapport van de VITO, jaarlijks ongeveer 234.000 kg schadelijke stoffen emitteren, waaronder polycyclische aromatische koolwaterstoffen VII-35.948-19/25 (PAK's), dioxines, fijn stof, koolstofmonoxide, vluchtige organische stoffen (VOS), zwaveldioxides en stikstofoxiden. Meer bepaald kan op basis van de in het eindrapport van de VITO ter beschikking gestelde informatie gesteld worden dat de exploitatie van de betrokken inrichting aanleiding zal geven tot de uitstoot van volgende hoeveel- heden schadelijke stoffen: S fijn stof: 900 kg/jaar; S koolstofmonoxide: 75.000 kg/jaar; S PAK's: 40,5 kg/jaar; S dioxines: 7,05 mg/jaar; S Vluchtige Organische Stoffen: 3600 tot 9000² kg/jaar; S stikstofoxiden en zwaveldioxiden: 10.500 kg/jaar resp. 144.000 kg/jaar.
- In het algemeen dient opgemerkt te worden dat al deze vormen van hinder zich ook zullen voordoen op rustmomenten, zijnde tijdens de weekends en op feestdagen; Het bestreden Besluit heeft het aantal productiedagen daar trouwens verdubbeld van 10 tot 20 dagen.
- Tenslotte is het gebied reeds erg belast. Dit blijkt uit het advies van de Gemeente d.d. 30.1.
- dat rekening houdt met de zware milieubelasting die het desbetreffende gebied ondergaat: 'er kan gesteld worden dat de maximale draagkracht reeds ruimschoots is overschreden.' De Minister zelf geeft aan in zijn persverklaring dat hij de hinder van de omwonenden erkent: '(...)ik maximaal willen tegemoet komen aan de terechte verzuchtingen van de omwonenden' (stuk 16) Deze hierboven omschreven nadelen zijn ernstig en zullen de leefomgeving van verzoekende partij drastisch veranderen. Een asfaltcentrale, die behoort tot de klasse 1 inrichtingen, is bij uitstek een erg hinderlijke inrichting voor de omgeving. In Wilsele, nabij Leuven, heeft de asfaltcentrale haar deuren moeten sluiten na uitgebreide klachten van buurtbewoners inzake verkeershinder, stankhinder, stofhinder, enz... Verzoekende partij brengt hieromtrent aparte stukken bij die aantonen dat de hinder die zij wellicht zal ondervinden, zich in concreto heeft voorgedaan in Wilsele. (stuk 19) Ten slotte dient verwezen naar de feitelijke uiteenzetting en de hinder die de exploitant elders veroorzaakte. 2.
- Het nadeel is daarenboven moeilijk te herstellen. Milieuhinder, waaronder geluidshinder is bij uitstek een nadeel dat niet te herstellen is. Hetzelfde kan gesteld worden van geurhinder, uitstoot van schadelijke stoffen, stofhinder, verkeershinder. Deze vormen van hinder zijn niet financieel waardeerbaar, doen zich onmiddellijk voor en worden onmiddellijk ondergaan. Dit kan alleen voorkomen worden indien Uw Raad beslist tot de schorsing van de tenuitvoerlegging van het betrokken Besluit"; 5.
- Overwegende dat in de nota van de verwerende partij het volgende wordt gesteld: "Verzoekende partij roept als moeilijk te herstellen ernstig nadeel stofhinder, geluidshinder, verkeershinder en geurhinder in. VII-35.948-20/25 Het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een aparte wettelijke voorwaarde om tot schorsing te kunnen besluiten, m.a.w. een grondvoorwaarde. Verzoekende partij mag zich niet beperken tot het weergeven van vaagheden en algemeenheden, maar moet concrete gegevens aanbrengen die erop wijzen welk persoonlijk moeilijk te herstellen ernstig nadeel zij precies ondergaat of dreigt te ondergaan. Verzoekende partij dient precieze en concrete aanduidingen te verschaffen omtrent de aard en omvang van het nadeel. Wanneer de verzoekende partij er zich toe beperkt de gevolgen op te sommen die de bestreden beslissing voor hem heeft, maar verzuimt aan te tonen dat, in de veronderstelling dat het door haar aangevoerde nadeel 'ernstig' is, het nadeel tevens 'moeilijk te herstellen' is, wordt geen omschrijving gegeven van het rechtens vereist moeilijk te herstellen nadeel. ‚ Nog onafgezien van de vraag of deze nadelen zich effectief zullen voordoen, wat ten zeerste betwist wordt nu het tegengesproken wordt door de deskundige verslagen, moet worden vastgesteld dat dit nadelen betreft die in het geheel niet moeilijk te herstellen zijn. Op het ogenblik dat de exploitatie gestaakt wordt houden onmiddellijk - en vanzelf - de stofhinder, de geluidshinder, de verkeershinder en de geurhinder op. De voorwaarde van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is een cumulatieve voorwaarde: Het nadeel moet zowel ernstig zijn als moeilijk te herstellen. Vooral dit laatste element dient in huidige zaak kritisch te worden beschouwd: Uit niets blijkt dat de - eventuele ! - hinder ook maar een paar uren langer zou duren dan het ogenblik van het stopzetten van de exploitatie. ‚ Ook de ernst van de nadelen die men inroept is ten zeerste voor betwisting vatbaar. Zoals blijkt uit de verslagen van de deskundigen, betreft het een installatie die in se op veel punten zelfs beter is dan de best beschikbare technieken, en is het zo dat het veeleer de reeds bestaande oudere industriële infrastructuur in het gebied is die de hinder veroorzaakt. De verkeershinder wordt ingeroepen. Evenwel zal verzoekende partij in het geheel geen last hebben van de verkeershinder, nu zij in de Kievit- straat woont en er door die straat, zelfs door de hele wijk, geen enkel transport passeert. Het verkeer rijdt over de Westvaartdijk, en verzoekende partij heeft daar geen last van. De geurhinder tenslotte kan onmogelijk als 'ernstig' weerhouden worden. Er zijn tal van bijzondere voorwaarden (afdekking van vrachtwa- gens, evacuatie van dampen, bitumen wordt in geïsoleerde tanks aangele- verd en wordt verpompt in plaats van met perslucht, er wordt niet gewerkt met het additief 'Trinidad', ...) en de maatregelen worden beschouwd als de Best Beschikbare Technieken. De geluidshinder blijkt al evenmin 'ernstig' in de zin van art. 17, §2 van de wet op de Raad van State. Er ligt een uitgebreide studie voor, waar besloten wordt dat het niet de asfaltcentrale is die voor de geluidsoverlast zorgt. De bijzondere voorwaarden van inkapseling van de installatie zijn stevige garanties. Verzoekende partij woont trouwens al te veraf om enig geluid waar te nemen. Overigens was verzoekende partij op het ogenblik van het neerleggen van het verzoekschrift wellicht nog onwetend van het feit dat de bouwvergunning van 28 april 2006 als voorwaarde oplegt dat er uitgang dient genomen worden rechtstreeks naar de Westvaartdijk. Er zullen dus geen extra vrachtwagens langs de wijk van verzoekende partij passeren. De stofhinder waarop men zich beroept kan onmogelijk als ernstig worden aanzien. Het is inderdaad niet zo dat er enige overschrijding van een norm dreigt. Met de huidige overschrijdingen van de daggrens heeft de vergunde partij uiteraard niets te maken. Verzoekende partijen stellen dat het opportuun is om een emissiegrenswaarde van 20 mg/Nm³ op te leggen VII-35.948-21/25 als voorwaarde, maar anderzijds bestaat er op heden een controlesysteem voor stof en heeft de vergunde partij de garantie van de fabrikant van de stoffilters dat de emissie niet meer dan 20 mg/Nm³ zal bedragen. Overigens zou de betreffende asfaltcentrale slechts voor 0,04% (vier tienduizendsten) van de stofuitstoot in het gebied verantwoordelijk zijn. Dit is te verwaarlo- zen. De visuele hinder tengevolge van de schoorsteen is voor verzoekende partij onbestaand, nu zij daar zowat zeshonderd meter vandaan woont. De uitstoot van schadelijke stoffen. Verzoekende partij haalt cijfers aan maar motiveert niet in het minst hoe zij daar in concreto last van zou kunnen hebben. Overigens is het ook zo dat de werkelijke cijfers pas bekend zullen zijn na inwerkingstelling, want huidige centrale zal de meest milieuvriendelijke van het land zijn. Dat er ook tijdens een aantal weekends gewerkt wordt, kan voor verzoekende partij niet als een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden ingeroepen. Geluids- of verkeershinder kan zij op een dergelijke afstand niet ondervinden, terwijl de andere vormen hetzij onbestaand zullen zijn, hetzij geen verschil zullen uitmaken of het nu in de week dan wel tijdens het weekend is"; 5.
- Overwegende dat in een zeer uitgebreide uiteenzetting die ruim 26 pagina’s beslaat de tussenkomende partij poogt aan te tonen dat niet voldaan is aan onderhavige schorsingsvoorwaarde; dat de standpunten van de tussenkomende partij als volgt kunnen worden samengevat: S verzoekster zou "geen enkel nadeel" lijden door de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit; S het nadeel zou niet persoonlijk zijn (de tweede ontvankelijkheidsexceptie (supra) wordt hier herhaald en toegespitst op het moeilijk te herstellen ernstig nadeel); S het aangevoerde nadeel zou niet voldoende duidelijk en concreet worden omschreven; in het verzoekschrift wordt de exacte afstand tot de inrichting niet aangegeven; verzoekster zou niet wonen in de onmiddellijke nabijheid van de geplande installatie; S verkeershinder zou hypothetisch zijn aangezien de aanvoer van de grondstoffen voor 90 % over het kanaal zal gebeuren en de aan- en afvoerroute over de weg een traject over de Westvaartdijk zou volgen en dus niet door het woongebied zou lopen; S uit onafhankelijk uitgevoerde simulaties zou blijken dat er geen geurhinder te verwachten is in het nabijgelegen woongebied; geluidshinder ten gevolge van het vrachtverkeer is niet te verwachten; S stofhinder door de manipulatie van de grondstoffen zou beperkt blijven tot de site zelf; VII-35.948-22/25 S de inrichting zorgt niet voor een significante bijdrage aan de verspreiding van fijn stof; S er zal slechts 150 dagen per jaar gewerkt worden; S eventuele visuele hinder vloeit niet voort uit de milieuvergunning maar uit de stedenbouwkundige vergunning; S er zou geen rechtstreeks causaal verband bestaan tussen de aangevoerde nadelen en de bestreden milieuvergunning; de nadelen zouden "in wezen" voortspruiten uit de gewestplanbestemming van industriegebied; S de bestreden milieuvergunning is afhankelijk gesteld van de naleving van "aanzienlijke hinderbeperkende maatregelen en voorwaarden" in het bijzonder om stofemissies, verkeershinder en geurhinder tegen te gaan; de opgelegde exploitatievoorwaarden zouden voldoende waarborgen bieden opdat de hinder beperkt blijft tot een aanvaardbaar niveau; S het ernstig karakter van het beweerde nadeel zou worden tegengesproken door de vaststelling dat verzoekster "tot de uiterste datum" gewacht zou hebben alvorens het schorsingsverzoek in te dienen; 5.
- Overwegende dat verzoekster op 383 meter van de inrichting woonachtig is; dat in alle redelijkheid kan worden aangenomen dat de exploitatie van een asfaltbetoncentrale ernstige hinderlijke effecten kan teweegbrengen in een ruimere omgeving, ook al zijn er een aantal hinderbeperkende voorwaarden aan de exploitant opgelegd; dat bij de beoordeling van het ernstig karakter van het nadeel er niet kan worden omheen gegaan dat de bestreden milieuvergunning afwijkende bijzondere voorwaarden ten gunste van de exploitant bevat; dat alzo de werkzaamhe- den elke werkdag mogen aanvangen vanaf 05.00 uur, dat 50 dagen per jaar ook nachtwerkzaamheden plaatsvinden en dat ook toelating wordt verleend om op 20 weekenddagen te exploiteren; dat verzoekster aannemelijk maakt dat haar leef- en woonkwaliteit ernstig zal worden aangetast door de exploitatie van de in het geding zijnde inrichting;
- Overwegende dat is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen, BESLUIT: VII-35.948-23/25 Artikel
- Het verzoek tot tussenkomst van de b.v.b.a. VERHAEREN BETON EN ASFALT in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
- Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 23 februari 2006 waarbij de beroepen ingesteld tegen het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 8 september 2005, houdende het verlenen aan de b.v.b.a. VERHAEREN BETON EN ASFALT van de vergunning voor het exploiteren van een asfaltbetoncentrale, gelegen aan de Westvaartdijk te Grimbergen, gedeeltelijk gegrond worden verklaard en het beroepen besluit tot verlening van de milieuvergunning wordt bevestigd, met dien verstande dat het gebruik van aardgas voor de werking van de asfaltbetoncentrale verplicht wordt gesteld en de bijzondere vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd en aangevuld met bijkomende voorwaarden. Artikel
- Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het geschorste besluit. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf januari tweeduizend en zeven, door : VII-35.948-24/25 Mevr. M.-R. BRACKE, kamervoorzitter, Mevr. E. IMPENS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. M.-R. BRACKE. VII-35.948-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.541 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.177.641 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div