id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.572 Rolnummer: A. 176702/XII-4866 Zaak: Arrest 166572 - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 11/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 06:16 Fiche Arrest nr 166.572 van 11 januari 2007 Openbaar ambt - Plaatselijk openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.572 van 11 januari 2007 in de zaak A. 176.702/XII-
- In zake : Martin DEPOORTER, die woonplaats kiest bij advocaat J.-B. Petitat, wonende te Sint-Kruis, Sportstraat 49 tegen : de STAD BRUGGE, die woonplaats kiest bij advocaat A. Lust, wonende te Sint-Andries, Burggraaf de Nieulantlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Martin Depoorter op 12 september 2006 heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van 24 maart 2006 van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge om hem met ingang van 1 april 2006 naar de brandweer over te plaatsen en van de beslissing van 14 april 2006 van hetzelfde college om de eerste beslissing te handhaven; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur B. Thys; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 13 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; XII-4866-1/6 Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van advocaat V. Petitat, die loco advocaat J. B. Petitat verschijnt voor verzoeker, en van advocaat J. Bouckaert, die loco advocaat A. Lust verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur B. Thys; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de stadssecretaris van de stad Brugge op 28 mei 2003 tegen verzoeker, technisch medewerker van de dienst Infrastructuur en Ruimtelijke Ordening (hierna : DIRO), een tuchtverslag opstelt wegens onder meer gebrekkige taakuitvoering, het lastig vallen van collega’s en het sturen van een brief met opmerkingen over zijn chef naar de Vlaamse overheid; dat het verslag finaal uitmondt in de oplegging, bij beslissing van 6 februari 2004 van het college van burgemeester en schepenen, van de tuchtstraf van de schorsing gedurende een maand; dat op 21 november 2003 het college van burgemeester en schepenen, op voorstel van de hoofdingenieur-directeur van DIRO, besluit om verzoeker te belasten met de taken van “aanwijzer bij het kadaster”, met als standplaats de kantoren van het kadaster aan de Lange rei; dat gemotiveerd wordt dat “het niet evident is dat betrokkene [...] zijn vroegere taken kan opnemen op dezelfde lokatie als vroeger” en dat de verant- woordelijke van het kadaster voor de buitendiensten bevestigt dat hij de opdrachten zo kan organiseren “dat er geen consultaties door betrokkene moeten gebeuren op de dienst bouwvergunningen”; Overwegende dat op 24 september 2004 de waarnemende directeur van de administratie van het kadaster verzoeker gunstig evalueert over de periode van 1 december 2003 tot 31 augustus 2004 en meedeelt dat het de bedoeling is dat hij nog meer gekwalificeerde opdrachten zal krijgen, bij de uitvoering waarvan hij automatisch meer in contact zal komen met onder andere de technische dienst; dat de verwerende partij met een schrijven van 22 november 2004 vraagt om de contacten met stadspersoneel van DIRO “zoveel mogelijk te vermijden en deze indien mogelijk te laten gebeuren door Michèle Mosar en Ivan Kerckhove”; Overwegende dat de gewestelijke directeur van de administratie van het kadaster op 23 januari 2006 aan het stadsbestuur vraagt om de samenwerking met verzoeker per 1 februari 2006 stop te zetten; dat, verwijzend naar een brief van eerstaanwezend inspecteur Noppe waarin wordt gemeld dat Yvan Kerckhove op XII-4866-2/6 1 februari 2006 met pensioen gaat en Michèle Mosar slechts deeltijds werkt, onder meer wordt gemotiveerd dat “de beperkingen, die door het stadsbestuur zelf werden opgelegd aan de heer Depoorter, maken dat betrokkene de hem specifiek voorbehouden taken niet mag uitvoeren”; dat het college van burgemeester en schepenen op 24 maart 2006 beslist verzoeker met ingang van 1 april 2006 naar de stedelijke brandweerdienst over te plaatsen; dat het college, na bezwaar van verzoeker, op 18 april 2006 zijn beslissing van 24 maart 2006 handhaaft; Overwegende dat verwerende partij de ontvankelijkheid van de vordering betwist; dat een onderzoek van en een uitspraak over de ontvankelijkheid zich alleen zouden opdringen indien aan de grondvoorwaarden voor een schorsing voldaan mocht zijn, hetgeen zoals hierna zal blijken niet het geval is; Overwegende dat krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; Overwegende, met betrekking tot de tweede voorwaarde, dat naar eis van artikel 17, § 3, tweede lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State en van artikel 8, tweede lid, 5/, van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, de uiteenzetting van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel in principe in de vordering tot schorsing dient te gebeuren; dat er a fortiori geen rekening kan worden gehouden met de informatie, zoals in verzoekers brief van 29 november 2006, die pas na de sluiting van de debatten is gegeven; dat de vordering tot schorsing met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel vermeldt : “
- In casu veroorzaakt de onmiddellijk tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor verzoeker.
- De bestreden beslissing moet immers worden beschouwd als onredelijk langdurig aanhoudende ordemaatregel die werd genomen op grond van een reeds ondergane tuchtmaatregel.
- Verzoeker werd bij beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge van 12 september 2003 een tuchtsanctie van schorsing voor een maand met inhouding van wedde opgelegd, wegens een inbreuk op de hiërarchische gehoorzaamheidsplicht, op de verplichting tot loyale en integere ambtsuitoefening en het gebruik van de vrijheid van meningsuiting op een loyale en integere wijze (stuk 31). Deze beslissing werd vernietigd door de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en XII-4866-3/6 ambtenarenzaken bij besluit van 9 december 2003, enerzijds wegens verjaring en anderzijds wegens gebrekkige motivering (stuk 31).
- Het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge heeft hierop de tuchtprocedure hernomen en bij beslissing van 6 februari 2004 dezelfde tuchtsanctie opgelegd. Deze tuchtsanctie werd bevestigd bij besluit van de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken van 28 april 2004 (stuk 32). In afwachting van deze tuchtprocedure werd verzoeker bij wijze van ordemaatregel overgeplaatst van de dienst infrastructuur en ruimtelijk ordening overgeplaatst naar het kadaster te Brugge, onder de voorwaarde dat hij niet elke dag op de dienst infrastructuur en ruimtelijke ordening zou verschijnen (stukken 1 en 2).
- Niettegenstaande het feit dat verzoeker de hierboven vermelde tuchtsanctie bevestigd bij besluit van de Vlaamse minister van binnenlandse aangelegenheden, cultuur, jeugd en ambtenarenzaken van 28 april 2004, heeft ondergaan en verzoeker door het diensthoofd hoofd van het kadaster gunstig werd geëvalueerd o.m. op het vlak van hiërarchische gehoorzaamheid, verantwoordelijkheid en motivatie, heeft het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge met de bestreden beslissing de voorwaarden van de ordemaatregel van 21 november 2003 gehandhaafd. Het is precies omwille van hef feit dat verzoeker niet elke dag op de dienst infrastructuur en ruimtelijke ordening mocht verschijnen dat een zijn verdere aanstelling op het kadaster onmogelijk was : ‘Doch door de beperkingen, die door het stadsbestuur zelf werden opgelegd aan de heer Depoorter, maken dat de betrokkene de hem specifiek voorbehouden taken niet mag uitvoeren’ (stuk 9).
- Hierdoor ontstaat voor verzoeker een moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel waarbij zelf na een ondergane tuchtsanctie nog impliciet doch zeker uitspraak wordt gedaan over zijn schuld door het opleggen van een impliciet doch zekere nieuwe ordemaatregel.
- In principe neemt de Raad van State aan voor ordemaatregelen, zoals preventieve schorsingen en dus a fortiori overplaatsingen dat het nadeel in dergelijke gevallen wordt hersteld door een vernietigingsarrest. Slechts uitzonderlijk is dit anders indien de verzoekende partij concrete gegevens aanbrengt, eigen aan de bijzondere omstandigheden van de zaak, welke het tegendeel aantonen (R.v.St. nr. 146.719 van 27 juni 2005, Goyvaerts; R.v.St. nr. 85.870 van 13 maart 2000, Aerts).
- In casu moet worden vastgesteld dat verzoeker naast het hiervoor vermelde ernstige morele nadeel door de bestreden beslissing tevens een nakende carrièremogelijkheid wordt ontnomen.
- Verzoeker werd na de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Brugge van 21 november 2003 aangesteld als ‘aanwijzer’ bij het kadaster. De facto kreeg hij met deze functie een toezichthoudende functie toebedeeld naast het diensthoofd van het kadaster (stuk 19). Na zijn positieve evaluatie en nieuwe werkorganisatie in het kadaster zou verzoeker nog meer gekwalificeerde opdrachten toebedeeld krijgen (stukken 4 en 5). Met de bestreden beslissing wordt hem deze carrièremogelijkheid ontnomen. Aan dit verlies aan carrièremogelijkheid zit eveneens een ernstig financieel nadeel verbonden. Verzoeker zou hierdoor immers belanden van een loonschaal B1 (25.314,57 EUR) in een loonschaal B4 (29.700 EUR) (stuk 33).
- Tenslotte veroorzaakt de bestreden beslissing met de nieuwe overplaatsing van verzoeker naar de brandweer een ernstig verlies aan expertise die verzoeker tijdens 2,5 jaar heeft opgebouwd in het schatten en vaststellen van kadastrale inkomens enerzijds en anderzijds een ernstige meerinspanning tot herscholing na 26 jaar dienstanciënniteit. De taken waarmee verzoeker in zijn nieuwe functie (brandpreventie) sluiten immers geenszins aan bij zijn vroegere taken als aanwijzer bij het kadaster”; XII-4866-4/6 Overwegende dat verzoeker zodoende een drievoudig nadeel doet gelden; Overwegende dat in de eerste plaats wordt betoogd dat de bestreden beslissingen verzoeker een moreel nadeel berokkenen doordat zij te beschouwen zouden zijn als een “onredelijk langdurig aanhoudende ordemaatregel die werd genomen op grond van een reeds ondergane tuchtmaatregel”; dat dit nadeel bezwaarlijk voor ernstig in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan worden gehouden; dat immers verzoeker géén bezwaren lijkt te hebben tegen de verderzetting van zijn tewerkstelling in de kantoren van het kadaster, wijl die tewerkstelling alleszins niet mínder -dan, volgens zijn zeggen, de bestreden beslissingen- lijkt ingegeven door de feiten waarvoor hij tuchtrechtelijk gestraft werd; dat, integendeel, verzoeker kennelijk vrágende partij ervoor is dat zijn tewerkstelling in de kantoren van het kadaster verlengd wordt; dat dit van aard is de ernst van het besproken morele nadeel, ten gevolge van een “onredelijk langdurig aanhoudende ordemaatregel die werd genomen op grond van een reeds ondergane tuchtmaatregel”, zo al niet geheel te ondergraven, dan toch in elk geval danig te doen relativeren; dat bovendien het nadeel niet moeilijk te herstellen is; dat verzoeker zelf opmerkt dat het slechts in uitzonderlijke gevallen niet door een vernietigingsarrest hersteld wordt; dat hij evenwel geen uitzonderlijke omstandigheden aannemelijk maakt; dat inzonderheid het tweede en het derde nadeel dat verzoeker aanvoert, niet deze omstandigheden opleveren; Overwegende dat een tweede nadeel het mislopen van “een nakende carrièremogelijkheid” en van het daaraan verbonden financieel voordeel betreft; dat evenwel niet wordt verduidelijkt wat de betrokken mogelijkheid precies behelst; dat verzoeker terzake niet verder komt dan een verwijzing naar “nog meer gekwalificeerde opdrachten” die hem in het vooruitzicht zijn gesteld; dat hij al evenmin laat begrijpen waarop hij zich steunt voor zijn bewering dat hij door de carrièremogelijkheid in loonschaal B4 terecht zou zijn gekomen; dat bijkomende tekst en toelichting des te meer noodzakelijk was waar volgens verwerende partij promotie en een weddeverhoging -behoudens via de anciënniteitsregeling- enkel mogelijk zijn nadat verzoeker eerst in proeven zou zijn geslaagd; dat de Raad onvoldoende informatie wordt verstrekt opdat het besproken nadeel als ernstig en moeilijk te herstellen kan worden beoordeeld; Overwegende dat hetzelfde ook geldt voor het derde aangevoerde nadeel, te weten, eensdeels, het verlies van de expertise die verzoeker tijdens 2,5 jaar XII-4866-5/6 op het kadaster opdeed en, anderdeels, de meerinspanning tot herscholing waartoe hij voor zijn nieuwe functie inzake brandpreventie verplicht is; dat verzoeker noch het verlies in expertise, noch de inspanning tot herscholing waartoe hij beweerdelijk gehouden is, aan de hand van concrete, verifieerbare gegevens inzichtelijk maakt en staaft; dat gratuite beweringen niet het voor een schorsing vereiste nadeel kunnen verantwoorden; Overwegende dat uit het verzoekschrift niet blijkt dat verzoeker ten gevolge van de bestreden beslissing riskeert een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te lijden; dat aldus alvast één van de twee cumulatieve grondvoorwaarden voor een schorsing niet is vervuld; dat deze vaststelling volstaat om de vordering te verwerpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf januari 2007, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-4866-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.572 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2011:ARR.214.281 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.