id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.608 Rolnummer: A. 139521/XIV-16065 Zaak: Arrest 166608 - Dienst Vreemdelingenzaken - 12/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-24 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 06:16 Fiche Arrest nr 166.608 van 12 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.608 van 12 januari 2007 in de zaak A.139.521/XIV-16.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. HOOYBERGHS, kantoor houdende te 2300 TURNHOUT, Kasteelstraat 6, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. ------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 1 april 1953 en van Pakistaanse nationaliteit, op 23 juli 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 12 juli 2003 houdende bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op dezelfde dag; Gelet op de beschikking van 27 augustus 2003 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, op grond van artikel 23, van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 13 december 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; XIV-16.065-1/11 Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN, die loco Advocaat S. HOOYBERGHS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat C. DECORDIER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de feitelijke gegevens van de zaak. 1.
- Op 30 januari 2000 diende de verzoekende partij een regularisatieaanvraag in op basis van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk. 1.
- Op 12 juli 2001 verwierp de minister van Binnenlandse Zaken deze aanvraag tot regularisatie. De verzoekende partij diende een beroep tot nietigverklaring in tegen betreffende beslissing bij de Raad van State. Deze zaak die ter griffie bekend staat onder nr. G/A. 109.669/E-1088 is nog steeds hangende. 1.
- Op 25 september 2001 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, betekend. 1.
- Op 29 maart 2002 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). 1.
- Op 18 september 2002 wordt de aanvraag om machtiging tot verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. 1.
- Op 28 oktober 2002 dient de verzoekende partij een nieuwe aanvraag in om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van Vreemdelingenwet. 1.
- Op 16 januari 2003 wordt de aanvraag om machtiging tot verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. De verzoekende partij diende bij de Raad van State een beroep tot nietigverklaring in tegen deze beslissing. Bij arrest nr. 154.039 van 23 januari 2006 werd het door de verzoekende partij ingediende beroep door de Raad van State verworpen. XIV-16.065-2/11 1.
- Op 12 juli 2003 werd de verzoekende partij bij een controle van de politie van de regio Turnhout aangetroffen in een nachtwinkel, waar zij illegaal werd tewerkgesteld. Op 13 juli 2003 werd aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten betekend. Dit is het bestreden bevel waarvan de motivering als volgt luidt : “(...) artikel 7, eerste lid, 1/: verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: geen geldig paspoort en geen geldig visum. (...).”.
- Over de gegrondheid van de zaak. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert dat luidt als volgt: “EERSTE MIDDEL: NIET AFDOENDE MOTIVERING SCHENDING VAN ARTIKEL 62 VAN DE WET VAN 15 DECEMBER 1980 BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED, HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN SCHENDING VAN ARTIKEL 3 VAN DE WET VAN 29 JULI 1991 BETREFFENDE DE UITDRUKKELIJKE MOTIVERING VAN DE BESTUURSHANDELINGEN
- Het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten vormt op geen enkele manier een antwoord op de motieven van de aanvraag tot machtiging tot verblijf die verzoeker op 28 oktober 2002 heeft ingediend. Verzoeker heeft inderdaad op 28 oktober 2002 omwille van zijn verder verslechterende medische situatie een aanvraag tot machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 ingediend. (stuk 3) Het ontvangstbewijs voor deze aanvraag werd op 13 november 2002 opgemaakt. (stuk 2) Na deze aanvraag en de aflevering van het ontvangstbewijs heeft verzoeker geen beslissing mogen ontvangen vanwege de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten werd onlosmakelijk verbonden met het ontvangstbewijs d.d. 13 november 2003 (zie stukken 1 & 2). Het is alleen al daardoor duidelijk dat het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten dient te worden aanzien als een antwoord op deze aanvraag. Het bevat nochtans geen enkele motivering die een antwoord vormt op de argumenten die verzoeker heeft uiteengezet in de aanvraag van 28 oktober
- Het verwijst bovendien nergens naar deze aanvraag.
- Evenmin antwoordt de bestreden beslissing op de stukken die door verzoeker werden overgemaakt samen met de aanvraag tot machtiging tot verblijf. Nochtans heeft verzoeker tal van medische attesten overgemaakt waaruit de gegrondheid van zijn aanvraag bleek. Het is duidelijk dat de bestreden beslissing geenszins als afdoende gemotiveerd kan worden beschouwd.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord hieromtrent het volgende stelt: “2.1 Betreffende een eerste middel van de verzoekende partij. In een eerste middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van: - art. 62 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, - art. 3 van de Wet dd. 29.07.
- Ter ondersteuning van het eerste middel stelt de verzoekende partij dat ‘het bestreden bevel op geen enkel manier een antwoord vormt op de motieven van de aanvraag tot machtiging die verzoeker op 28.10.2002 heeft ingediend’ XIV-16.065-3/11 Tevens stelt de verzoekende partij dat ‘We bestreden beslissing evenmin antwoordt op de stukken die door verzoeker werden overgemaakt samen met de aanvraag tot machtiging tot verblijf’. De verwerende partij merkt dienaangaande vooreerst op dat een onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds de beslissing dd. 16.01.2003 van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken houdende de verwerping van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet en anderzijds, de aan verzoeker ter kennis gebrachte akte, houdende het bevel om het grondgebied te verlaten. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij kennelijk aanneemt, dient de aan hem op 12.07.2003 ter kennis gebrachte akte, houdende het bevel om het grondgebied te verlaten, geen antwoord te bieden op de stukken en motieven die de verzoekende partij zou hebben aangebracht ter staving van zijn aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.
- Immers, verzoeker werd van een dergelijk antwoord voorzien in de beslissing dd. 16.01.2003 van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken houdende de verwerping van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet (stuk 315 van het administratief dossier). De in casu bestreden akte, houdende het bevel om het grondgebied te verlaten, die niet meer is dan het logisch gevolg van het verwerpen van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf en diens illegaal verblijf in het Rijk, hoeft geenszins de motieven te bevatten waarom de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken besliste verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf te verwerpen. De in de in casu bestreden akte, houdende het bevel om het grondgebied te verlaten, opgenomen overwegingen die, (tezamen met de vermelding van de toepasselijke wetsbepaling) de motivering van de bestreden beslissing uitmaken, volstaan overigens om de bestreden beslissing ten genoege van recht met motieven te onderbouwen. De overwegingen laten verzoeker immers toe om te achterhalen om welke redenen de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken besliste aan verzoeker bevel te geven het grondgebied te verlaten, zodat het doel is bereikt dat met het bestaan van de betrokken formele motiveringsverplichting wordt beoogd. De door verzoeker bedoelde wetsartikelen houden immers verband met de verplichting om bestuurshandelingen formeel te motiveren, en hebben als zodanig tot doel om de bestuurde toe te laten te achterhalen waarom een voor hem ongunstige beslissing is genomen, derwijze dat hij zich, met de ter beschikking staande rechtsmiddelen, kan verweren tegen die beslissing door aan te tonen dat de in de motivering tot uitdrukking gebrachte motieven juridisch niet opgaan (R.v.St. nr. 45.899, 31.1.1994, Arr. R.v.St. 1994, z.p.). In casu is aan deze vereiste terdege voldaan, nu verzoeker o.b.v. de in de bestreden beslissing opgenomen overwegingen weet dat aan hem bevel werd gegeven om het grondgebied te verlaten aangezien hij in het Rijk verblijft zonder houder te zijn van de vereiste documenten (art. 7, eerste lid, l/ van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980). In zoverre de verzoekende partij nog poneert dat hij na het indienen van de aanvraag om machtiging tot verblijf ‘geen beslissing heeft mogen ontvangen vanwege de Federale Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde’ laat de verwerende partij nog gelden dat ook al ware verzoekers desbetreffende kritiek gegrond, deze geenszins de eventuele nietigverklaring van de in casu bestreden akte, houdende het bevel om het grondgebied te verlaten, zou kunnen verantwoorden, temeer nu uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat: - op 16.01.2003 wel degelijk een beslissing werd genomen aangaande verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf door de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken (stuk 315 van het administratief dossier), - op 16.01.2003 aan de gemeente Turnhout instructie werd geven de voormelde beslissing ter kermis te brengen van de verzoekende partij (stuk 317 van het administratief dossier), zoals hierboven reeds werd uiteengezet, een onderscheid dient te worden gemaakt tussen enerzijds de beslissing dd. 16.01.2003 van de gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken houdende de verwerping van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf in toepassing van het art. 9, 3/ lid van de Vreemdelingenwet en anderzijds, de aan verzoeker ter kennis gebrachte akte, houdende het bevel om het grondgebied te verlaten, De verwerende partij is gelet op het bovenstaande de mening toegedaan dat verzoekers eerste middel niet kan worden aangenomen.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert: “EERSTE MIDDEL: NIET AFDOENDE MOTIVERING XIV-16.065-4/11 SCHENDING VAN ARTIKEL 62 VAN DE WET VAN 15 DECEMBER 1980 BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED, HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN SCHENDING VAN ARTIKEL 3 VAN DE WET VAN 29 JULI 1991 BETREFFENDE DE UITDRUKKELIJKE MOTIVERING VAN DE BESTUURSHANDELINGEN
- Het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten vormt op geen enkele manier een antwoord op de motieven van de aanvraag tot machtiging tot verblijf die verzoeker op 28 oktober 2002 heeft ingediend. Verzoeker heeft inderdaad op 28 oktober 2002 omwille van zijn verder verslechterende medische situatie een aanvraag tot machtiging tot verblijf in toepassing van artikel 9, lid 3 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 ingediend. (stuk 3) Het ontvangstbewijs voor deze aanvraag werd op 13 november 2002 opgemaakt. (stuk 2) Na deze aanvraag en de aflevering van het ontvangstbewijs heeft verzoeker geen beslissing mogen ontvangen vanwege de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde alvorens het bestreden bevel werd betekend. Het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten werd onlosmakelijk verbonden met het ontvangstbewijs d.d. 13 november 2002 (zie stukken 1 & 2). Het is alleen al daardoor duidelijk dat het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten dient te worden aanzien als een antwoord op deze aanvraag. Het bevat nochtans geen enkele motivering die een antwoord vormt op de argumenten die verzoeker heeft uiteengezet in de aanvraag van 28 oktober
- Het verwijst bovendien nergens naar deze aanvraag. Thans stelt verwerende partij dat het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten geen antwoord diende te bieden op de aanvraag van verzoeker van 28 oktober 2002, aangezien hierover op 16 januari 2003 een beslissing zou genomen zijn. Verwerende partij gaat er evenwel aan voorbij dat, voor zover deze beslissing op 16 januari 2003 zou genomen zijn, deze alleszins niet ter kennis was gebracht van verzoeker. Dit gebeurde slechts op 24 november
- Het wekt verwondering dat de kennisgeving niet gebeurde op 12 juli 2003, datum waarop verwerende partij wel het bestreden bevel betekende aan verzoeker en waarop het perfect mogelijk was de beslissing te betekenen aan verzoeker. Indien immers reeds op 16 januari 2003 een beslissing zou genomen zijn over de aanvraag van 28 oktober 2002, stond niets in de weg om deze op 12 juli 2003 ter kennis te brengen van verzoeker. Nochtans duurt het toch nog tot 24 november 2003 alvorens verzoeker hierover een beslissing ontvangt. Dit is allesbehalve een redelijke termijn. Deze beslissing werd door de Dienst Vreemdelingenzaken op 17 november 2003 doorgefaxt aan de stad Turnhout. (zie stuk 18, datum faxverzending bovenaan) Verzoeker is dan ook de overtuiging toegedaan dat de datum van 16 januari 2003 niet waarheidsgetrouw is en ‘pour besoin de la cause’ werd geantidateerd.
- De bestreden beslissing antwoordt evenmin op de stukken die door verzoeker werden overgemaakt samen met de aanvraag tot machtiging tot verblijf. Nochtans heeft verzoeker tal van medische attesten overgemaakt waai-uit de ontvankelijkheid en gegrondheid van zijn aanvraag bleek. Het is duidelijk dat de bestreden beslissing geenszins als afdoende gemotiveerd kan worden beschouwd
- Conclusie is dat de opgegeven motivering slechts een façade is die niet aan het dossier is aangepast, zodat de uitdrukkelijke motiveringsplicht wel degelijk speelt. Alleszins is de motivering van de bestreden beslissing opzichtens de motieven en de stukken van de aanvraag d.d. 28 oktober 2003 niet afdoende. Het eerste middel is dus gegrond.”; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; 2.1.
- Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die XIV-16.065-5/11 beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij van oordeel is dat het thans bestreden bevel om het grondgebied te verlaten dient te worden beschouwd als een antwoord op de door haar op 28 oktober 2002 ingediende aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van Vreemdelingenwet; dat ze voortbouwende op deze redenering dienvolgens aanvoert dat de bestreden beslissing niet afdoende is gemotiveerd aangezien ze geen antwoord bevat op de door haar in haar aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf aangehaalde medische argumenten; 2.1.
- Overwegende dat de in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een “afdoende” wijze; dat het begrip “afdoende” impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de bestreden beslissing duidelijk het determinerend motief aangeeft op grond waarvan de beslissing is genomen; dat immers in de motivering van de bestreden beslissing wordt verwezen naar de toepasselijke rechtsregel en het feit dat de verzoekende partij niet in het bezit is van een geldig paspoort en een geldig visum; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op welke juridische en feitelijke gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; XIV-16.065-6/11 Overwegende dat in de motivering van het bestreden bevel wordt verwezen naar artikel 7, lid 1, 1/ van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet): verblijft in het Rijk zonder houder te zijn van de vereiste documenten: geen geldig paspoort en geen geldig visum; dat de thans bestreden beslissing een louter bevel is om het grondgebied te verlaten en niet kan worden beschouwd als een beslissing omtrent de aanvraag om machtiging tot verblijf; dat immers op 16 januari 2003 de door de verzoekende partij op 28 oktober 2002 ingediende aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk werd verklaard; dat het door haar ingediende annulatieberoep bij de Raad van State tegen betreffende beslissing bij arrest nr. 154.039 van 23 januari 2006 door de Raad van State werd verworpen; dat in casu de bestreden beslissing werd genomen in overeenstemming met voornoemde wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, aangezien zij aldus de feitelijke en juridische overwegingen vermeldt die eraan ten grondslag liggen; dat die motivering draagkrachtig en bijgevolg afdoende en deugdelijk is; dat het eerste middel niet gegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat luidt als volgt: “TWEEDE MIDDEL SCHENDING VAN ARTIKEL 7 VAN DE WET VAN 15 DECEMBER 1980 BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED, HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN, SCHENDING VAN SUBSTANTIELE HETZIJ OP STRAFFE VAN NIETIGHEID VOORGESCHREVEN VORMVEREISTEN & MACHTSOVERSCHRIJDING De bestreden beslissing vermeldt de toepassing van artikel 7 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dit artikel verleent de ‘Minister of zijn gemachtigde’ de bevoegdheid om een bevel te geven om het grondgebied te verlaten. De bestreden beslissing vermeldt dat het bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. Er wordt nergens enige naam vermeld van deze ‘gemachtigde’ noch een handtekening ervan Evenmin wordt verduidelijkt welke beslissing (van welke datum?) van deze ‘gemachtigde’ wordt ten uitvoer gebracht. Het is uiteraard substantieel dat verzoeker kan nagaan of de beslissing wel genomen werd door de daartoe bevoegde overheid. In casu is dit onmogelijk. Waar niet kan gecontroleerd worden of de bestreden beslissing afkomstig is van (een gemachtigde van) de Minister van Binnenlandse Zaken, is de politie regio Turnhout haar bevoegdheid te buiten gegaan. De politie regio Turnhout heeft immers zelf geen bevoegdheid om een bevel om het grondgebied te verlaten te nemen.”; Overwegende dat de verwerende partij in de memorie van antwoord hieromtrent het volgende stelt: “2.2 Betreffende een tweede middel van de verzoekende partij. In een tweede middel beroept de verzoekende partij zich op een vermeende schending van het art. 7 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, alsook stelt hij dat er sprake zou zijn van machtsoverschrijding. XIV-16.065-7/11 Ter ondersteuning van het tweede middel voert de verzoekende partij aan dat ‘We bestreden beslissing vermeldt dat het bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken’ terwijl er ‘nergens een naam wordt vermeld, noch een handtekening’ en ‘evenmin wordt verduidelijkt welke beslissing (van welke datum?) van de gemachtigde wordt ten uitvoer wordt gelegd’. De verwerende partij merkt dienaangaande vooreerst op dat verzoeker in zijn tweede middel enkel en alleen kritiek uit op eventuele onregelmatigheden betreffende de kennisgeving van de in casu bestreden beslissing. De verwerende partij merkt op dat een eventuele ‘gebrekkige’ kennisgeving de geldigheid van een beslissing niet aantast, doch enkel en alleen een invloed kan hebben op de aanvang van de termijn om beroep in te stellen bij de Raad van State (cf. R.v.St. nr. 103.242, 05.02.2002) De onregelmatige kennisgeving van een beslissing van een administratief rechtscollege maakt immers niet noodzakelijk een schending van een substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven pleegvorm uit (cf. R.v.St. nr. 20.300, 29.4.80, Arr. R.v.St. 1980, 596). In casu heeft de beweerde ‘gebrekkige’ kennisgeving verzoeker niet belet om tijdig een verzoekschrift tot nietigverklaring in te dienen, zodat verzoeker niet kan stellen dat het vermeende gebrek in de kennisgeving hem enig nadeel zou hebben berokkend. Verzoekers kritiek, vervat in het tweede middel, ook al ware deze gegrond-qoud non-, verantwoordt derhalve geenszins de eventuele nietigverklaring van de bestreden beslissing. Daarenboven dient er op te worden gewezen dat uit de stukken van het administratief dossier genoegzaam blijkt dat het bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen in uitvoering van de beslissing dd. 16.01.2003 van adjunct-adviseur Clijmans Linda, gemachtigde van de Federale Minister van Binnenlandse Zaken, houdende de verwerping van verzoekers aanvraag om machtiging tot verblijf en de beslissing dat ‘We vreemdeling gevolg dient te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten’ (stuk 315 van het administratief dossier). Daarbij dient er op te worden gewezen dat, indien de voormelde beslissing al niet ter kennis zou zijn gebracht aan verzoeker niettegenstaande aan de gemeente Torhout instructies ter zake werden overgemaakt, betrokkene steeds kennis kan nemen van de stukken het administratief dossier waarvan de verzoekende partij inzage kan verkrijgen. Naar oordeel van de verwerende partij is er geen sprake van een schending van het art. 7 van de Vreemdelingenwet dd. 15.12.1980, noch van enige machtsoverschrijding. De verwerende partij is gelet op het bovenstaande de mening toegedaan dat verzoekers tweede middel niet kan worden aangenomen.”; Overwegende dat de verzoekende partij in haar memorie van wederantwoord als volgt repliceert: “TWEEDE MIDDEL SCHENDING VAN ARTIKEL 7 VAN DE WET VAN 15 DECEMBER 1980 BETREFFENDE DE TOEGANG TOT HET GRONDGEBIED, HET VERBLIJF, DE VESTIGING EN DE VERWIJDERING VAN VREEMDELINGEN, SCHENDING VAN SUBSTANTIELE HETZIJ OP STRAFFE VAN NIETIGHEID VOORGESCHREVEN VORMVEREISTEN & MACHTSOVERSCHRIJDING
- De bestreden beslissing vermeldt de toepassing van artikel 7 van de wet van 15 december 1980, betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. Dit artikel verleent de ‘Minister of zijn gemachtigde’ de bevoegdheid om een bevel te geven om het grondgebied te verlaten. De bestreden beslissing vermeldt dat het bevel om het grondgebied te verlaten werd genomen door de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken. Er wordt nergens enige naam ‘vermeld van deze 'gemachtigde’ noch een handtekening ervan. Evenmin wordt verduidelijkt welke beslissing (van welke datum?) van deze ‘gemachtigde’ wordt ten uitvoer gebracht. Het is uiteraard substantieel dat verzoeker kan nagaan of de beslissing wel genomen werd door de daartoe bevoegde overheid. In casu is dit onmogelijk. Waar niet kan gecontroleerd worden of de bestreden beslissing afkomstig is van (een gemachtigde van) de Minister van Binnenlandse Zaken, is de politie regio Turnhout haar bevoegdheid te buiten gegaan. De politie regio Turnhout heeft immers zelf geen bevoegdheid om een bevel om het grondgebied te verlaten te nemen. Verwerende partij stelt dat het tweede middel enkel een kritiek op de kennisgeving van de beslissing inhoudt. Dit is onjuist. XIV-16.065-8/11 Artikel 7 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 kent de bevoegdheid tot het geven van een bevel om het grondgebied te verlaten enkel toe aan de ‘Minister of zijn gemachtigde’. Het is de minister zelf of zijn gemachtigde die het bevel om het grondgebied te verlaten dient te geven. Het bevel zoals dit voorligt (stuk l), werd gegeven door een niet nader vermelde persoon van de politie regio Turnhout. Dit is onwettig en tast de geldigheid van het bevel zelf aan. Verwerende partij stelt verder dat uit de stukken van de administratieve dossier blijkt dat het bevel om liet grondgebied te verlaten werd genomen in uitvoering van de beslissing d.d. 16.01.2003 van adjunct-adviseur Clijmans Adinda, houdende de verwerping van de aanvraag van verzoeker tot machtiging tot verblijf Vooreerst dient vastgesteld dat de bestreden beslissing geen enkele verwijzing maakt naar de beslissing d.d. 16.01.2003' en evenmin naar de naam of hoedanigheid van de gemachtigde van de minister die deze beslissing zou genomen hebben. Bovendien was er geen kennisgeving aan verzoeker gebeurd van deze beslissing ‘dd 16.01.2003’ en gebeurde deze kennisgeving om onbegrijpelijke wijze - in de veronderstelling dat de beslissing inderdaad reeds genomen was - evenmin op 12 juli
- De beslissing ‘dd 16.01.2003’, betekend op 24.11.2003, vermeldt dat verzoeker ‘gevolg dient te geven aan het bevel om het grondgebied te verlaten hem op heden eerder betekend’. Met ‘bevel om het grondgebied te verlaten hem eerder betekend’ wordt de thans bestreden beslissing bedoelt. Hiermee is duidelijk dat de beslissing die op 24.11.2003 aan verzoeker betekend werd, helemaal niet vóór het thans bestreden bevel genomen werd. Hoe kan immers een beslissing van januari 2003 verwijzen naar een beslissing van juli 2003? Het wordt nogmaals duidelijk dat de beslissing ‘dd 16.01.2003’ geantidateerd werd. Tenslotte dient opgemerkt dat het verweer niets verandert aan het gegeven dat het bestreden bevel zelf diende te worden gegeven door de minister of zijn gemachtigde. Verwerende partij stelt tenslotte ‘Daarbij dient er op te worden gewezen dat, indien de voormelde beslissing al niet ter kennis zou zijn gebracht aan verzoeker niettegenstaande aan de gemeente Torhout instructies ter zake werden overgemaakt, betrokkene steeds kennis kan nemen van de stukken het administratief dossier waarvan verzoekende partij inzage kan verkrijgen.’ Nieuw is dat de gemeente Torhout de beslissing ‘dd. 16.01.2003’ ter kennis diende te brengen. De mogelijkheid van verzoeker om thans inzage te nemen in het administratieve dossier verandert niets aan de gegrondheid van het tweede middel. Uit dit dossier blijkt evenmin dat het bestreden bevel werd genomen door een daartoe bevoegde persoon. Het middel is gegrond. Voor het overige verwijst verzoeker naar het inleidend verzoekschrift tot nietigverklaring.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 7 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), van substantiële hetzij op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten, en machtsoverschrijding opwerpt; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in essentie aanvoert dat nergens enige naam of handtekening vermeld staat van “de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken” die de bestreden beslissing zou hebben genomen; dat evenmin verduidelijkt wordt op welke datum deze gemachtigde van de minister de beslissing zou hebben uitgevaardigd; dat desgevallend de politie van de regio Turnhout haar bevoegdheid is te buiten gegaan aangezien ze zelf niet de bevoegdheid heeft om een bevel om het grondgebied te verlaten uit te vaardigen; 2.2.
- Overwegende dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat de verzoekende partij op 12 juli 2003 om 21u10 door de politie van de regio Turnhout werd aangetroffen in een nachtwinkel, waar ze illegaal werd tewerkgesteld; dat naar aanleiding XIV-16.065-9/11 daarvan een “administratief verslag vreemdelingencontrole” werd opgesteld; dat uit dit administratief verslag blijkt dat op 13 juli 2003 door de Dienst Vreemdelingenzaken werd beslist een bevel om het grondgebied te verlaten uit te vaardigen; dat zulks wordt bevestigd in het door de politie van de regio Turnhout opgestelde proces-verbaal; dat dit proces- verbaal de volgende uitdrukkelijke vermelding bevat: “Op datum van 12 juli 2003 om 21.50 uur stellen wij de permanentiedienst van (de) Dienst Vreemdelingenzaken te BRUSSEL per faxbericht in kennis van de feiten. Van hun dienst ontvangen wij op 13 juli 2003 om 01.00 uur volgende richtlijnen: betrokkene het bevel te geven om het grondgebied binnen de 5 dagen te verlaten.”; dat uit het door de verzoekende partij bij haar verzoekschrift gevoegde stuk nr. 1 verder blijkt dat het bestreden bevel om het grondgebied te verlaten bovenaan de vermelding bevat: “13.JUL.2003 0:58 PERMANENCE 022746610”; dat uit deze vermelding afkomstig van het faxtoestel van de permanentiedienst van de Dienst Vreemdelingenzaken nogmaals kan worden afgeleid dat het bestreden bevel wel degelijk werd genomen door de daartoe bevoegde autoriteiten; dat het feit dat desondanks op het bevel om het grondgebied te verlaten vermeld staat dat de betekening plaatsvond op 12 juli 2003, niet anders kan worden afgedaan dan als een materiële vergissing; dat gelet op de hierboven aangehaalde overwegingen en gelet op het zeer vroege uur (0u58) waarop de bestreden beslissing op 13 juli 2003 aan de politie van de regio Turnhout werd doorgefaxt, met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid kan worden besloten dat de politiebeambte vergeten was de stempel op de datum van die dag te zetten; dat het tweede middel niet gegrond is;
- Overwegende dat de verzoekende partij geen gegrond middel tot nietigverklaring heeft aangevoerd; dat derhalve het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-16.065-10/11 Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-16.065-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.608 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.