id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.620 Rolnummer: A. 147971/XIV-18734 Zaak: Arrest 166620 - Dienst Vreemdelingenzaken - 12/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-24 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 06:16 Fiche Arrest nr 166.620 van 12 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.620 van 12 januari 2007 in de zaak A. 147.971/XIV-18.
- In zake : XXX, wonende te 2060 ANTWERPEN, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, geboren op 23 maart 1973 en van Joegoslavische nationaliteit, op 24 februari 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 januari 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 11 februari 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 2 maart 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemde- lingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. STERCK, d.d. 18 mei 2006, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; XIV-18.734-1/15 Gelet op de beschikking van 26 oktober 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op woensdag 13 december 2006 om 10.00 uur; Gehoord het verslag van Staatsraad Ch. BAMPS; Gehoord de opmerkingen van Advocaat M. OGUMULA, die loco Advocaat M. SAMPERMANS verschijnt voor de verzoekende partij, en van Advocaat A. DE MEU, die loco Advocaat E. MATTERNE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Overwegende dat de voornaamste gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De verzoekende partij komt België binnen op 10 september 1999 en verklaart zich vluchteling op dezelfde dag. 1.
- Op 18 juli 2000 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
- Op 8 november 2001 bevestigt de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 1.
- Het beroep ingesteld tegen voormelde beslissing werd bij arrest nr. 151.514 van 22 november 2005 door de Raad van State verworpen. 1.
- Op 27 december 2001 dient de verzoekende partij een aanvraag in om machtiging tot verblijf op basis van artikel 9, derde lid, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet). De verzoekende partij dient bovendien twee addenda in op respectievelijk 4 maart 2003 en op 30 juni
- 1.
- Op 21 januari 2004 wordt de aanvraag om machtiging tot verblijf door de minister van Binnenlandse Zaken onontvankelijk verklaard. Dit is de bestreden beslissing, waarvan de motieven luiden als volgt: “(...) XIV-18.734-2/15 Onder verwijzing naar de aanvraag om machtiging tot verblijf die bij U werd ingediend door XXX + echtgenote XXX + 2 kinderen nationaliteit : Joegoslavië (Servië-Montenegro) geboren te Ruselehein op 23/03/1973 ex-kandidaat vluchtelingen in toepassing van art. 9, alinea 3, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, deel ik U mede dat dit verzoek onontvankelijk is. Reden(en) : Er werden geen uitzonderlijke omstandigheden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland. Dat betrokkenen zich geïntegreerd hebben, dat de Nederlandse taal machtig zijn en hiervoor cursussen gevolgd hebben, dat zij nooit een inbreuk gepleegd hebben tegen de Belgische openbare orde, dat ze een ruime vrienden- en kennissenkring hebben opgebouwd en dat ze werkwillig zijn, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een art. 9 van de vreemdelingenwet in België verantwoorden. De betrokkenen wisten dat hun verblijf enkel werd toegestaan in het kader van de asielaanvraag en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten, De elementen met betrekking tot hun integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform art. 9,2 van de vreemdelingenwet wordt ingediend. Dat de minderjarige kinderen van de betrokkenen schoolgaand zijn, verandert niets aan bovenstaande vaststelling. Wat de scholing van de kinderen betreft wordt er geen enkel element aangebracht dat aantoont dat deze niet tijdelijk kan worden verdergezet in het land waar de aanvraag om machtiging tot verblijf dient aangevraagd te worden. De scholing van de kinderen vergt immers geen bijzonder onderwijs, noch een infrastructuur die niet ter plaatse zou aanwezig zijn. De discriminatoire problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art.9 van de wet in België in te dienen. De aangehaalde moeilijke situatie in het land is van algemene aard en verhindert niet dat talrijke andere Joegoslaven terugkeren. De vermeende vrees voor een terugkeer, zelf een tijdelijke, wordt met geen enkel nieuw element gestaafd. Bijgevolg wordt de redenering van het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen terzake gevolgd. Wat het inroepen van het EVRM betreft dient ten eerste opgemerkt te worden dat art. 8 hier niet van toepassing is. De verplichting om via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland de aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen geldt immers voor het hele gezin en er is dus geen sprake van het verbreken van de familiale banden. Ten tweede wat de vermeende schending van art3 van het EVRM slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden. Hiervoor dienen verzoeker hun beweringen te staven met een begin van bewijs terwijl in casu het enkel bij een bewering blijft en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op artikel 3 EVRM. De algemene bewering wordt niet toegepast op de eigen situatie. Bijgevolg dienen betrokkenen dringen het Belgisch grondgebied te verlaten. (...).”. 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij een eerste middel aanvoert, dat als volgt luidt: “Schending van de wet betreffende uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen (Wet 29/07/1991) ‘Deze wet schrijft voor dat de overheid op straffe van onwettigheid van de beslissing in de akte die de beslissing zelf bevat ook de motivering voor deze beslissing moet opnemen; Deze motivering moet bestaan uit de juridische en feitelijke overwegingen die aan de beslissing ten grondslag liggen; De motivering moet daarenboven afdoende zijn. Om afdoende te zijn moet zij manifest op de beslissing betrekking hebben, duidelijk, nauwkeurig en volledig en voldoende zijn. Krachtens tevens deze wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandeling- en is het substantiële vormvereiste dat motivering - en dan nog noodzakelijkerwijze een juiste en juridisch aanvaardbare motivering - gebeurt van de door de overheid genomen beslissingen. XIV-18.734-3/15 ‘L’exigence de la motivation d’une décision est destinée à ce que l’intéressé ait parfaitement connaissance des raisons qui la justifient’. (Cons. Etat, 12 mai 1989, arrêt nr. 32.560, R.A.C.E., 1989) ‘Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of niet -plausibele motivering, stereotiepe, geijkte of gestandaardiseerde motiveringen zijn niet afdoende (VAN HEULE, D., Vluchtelingen : Een overzicht na de Wet van 6 mei 1993, Gent, Mys en Breesch, 1993, 78 en VAN HEULE, D., De Motiveringsplicht en de Vreemdelingenwet, T.V.R., 199312,67-71)’. In verband met artikel 9 alinea 3 van de Wet van 15/12/1980 heeft de Raad van State zich al herhaaldelijk uitgesproken over de vereiste het uitzonderlijk karakter van de omstandigheden in concreto na te gaan, en dat de beslissing die een uitspraak doet op het verzoek gemotiveerd moet zijn in zulke mate dat het de werkelijkheid van een onderzoek weerspiegelt. ‘Le caractère exceptionnel des circonstances allégués par Fetranger doit être concrètement examiné par l’autorité dans chaque cas d'espèce ... La décision qui statue sur la demande doit être motivée et que la motivation doit refléter la réalité de l'examen’ (RvS n'86.390 du 29 mars 2000). De bestreden beslissing ter zake is het voorbeeld van een vage, onduidelijke, onnauwkeuri- ge, ongeldige of niet-plausibele motivering waardoor zij haar vereiste van duidelijke motivatie niet naleeft. Ten eerste beperkt de bestreden beslissing zich door te stellen dat de zeer goede integratie van de verzoekers niet als uitzonderlijke omstandigheden kan worden beschouwd. Dat inderdaad een verzoekschrift conform artikel 9 par. 3 van de Vreemdelingenwet normalerwijze door de vreemdeling moet worden gedaan bij de Belgische diplomatieke of consulaire post in het land van herkomst. Dat de Vreemdelingenwet hierop echter een uitzondering voorziet, waardoor de vreemdeling in buitengewone omstandigheden een machtiging tot verblijf kan vragen vanuit zijn verblijfplaats in België. Dat het begrip ‘buitengewone omstandigheden’ echter nergens omschreven is in de wet zodanig dat de bevoegdheid van de Minister louter discretionair is. Dat de bestreden beslissing echter niet motiveert waarom de aangehaalde humanitaire redenen de aanvraag van verzoekers niet zouden rechtvaardigen. Dat de ‘buitengewone omstandigheden’ van geval tot geval dienen bekeken te worden en telkens opnieuw dienen getoetst te worden bij ieder nieuw ingediend verzoekschrift. Dat de bestreden beslissing in casu nagelaten heeft om de ‘humanitaire redenen’ te toetsen. Zij stelt louter zonder bijkomende motivering dat het volgen van Nederlandse lessen, talrijke Belgische vrienden hebben, schoolgaande kinderen hebben, geen uitzonderlijke omstandigheden of humanitaire vormen, quod non. Dat ook de voorbereidende werken niet duidelijk maken wat onder ‘buitengewone omstandigheden’ moet worden begrepen doch dat in eik geval de nadruk gelegd wordt op ‘humanitaire redenen’ Dat de Raad van State bij arrest nr. 73.025 dd. 9 april 1998 bepaalde dat buitengewone omstandigheden geen omstandigheden van overmacht zijn (R.v. St. nr 73.025, 9 april 1998, R.v.St., 1998, 69). Op dat punt bepaalt trouwens de omzendbrief van 9 oktober 1997 betreffende de toepassing van artikel 9 lid 3 Vreemdelingenwet dat : ‘De betrokkene moet aantonen dat het onmogelijk of bijzonder moeilijk is om terug te keren naar zijn land van herkomst of naar een land waar hij tot verblijf is toegelaten, om de betrokken machtiging aan te vragen.’ Dat verzoekers omwille van hun etnische afkomst niet kunnen terugkeren. Dat de Raad van State tevens herhaaldelijk stelde dat er een belangenafweging dient te gebeuren tussen ‘enerzijds het doel en de gevolgen van de administratieve voorschriften voorzien in artikel 9,2 de lid Vw. en anderzijds de min of meer gemakkelijke toepassing ervan en de ongemakken die dit veroorzaakt in een concreet geval’. Dat wanneer die ongemakken niet in verhouding staan tot het beoogde doel en beoogde gevolgen, dan is de administratieve handeling ‘buitengewoon’ nadelig voor de betrokkene en kan hij buitengewone omstandigheden inroepen. Betreffende de duur van het verblijf en de integratie in de Belgische maatschappij, beslist de ministeriële omzendbrief van 19 februari 2003, dat die elementen niet op zich uitzonderlijke omstandigheden vormen. Wat in tegenstelling betekent dat die elementen wel als uitzonderlijke omstandigheden kunnen worden beschouwd, afhankelijk van elk soortgeval, als die elementen terug te vinden zijn met andere elementen. Dat dit in hoofde van verzoeker alsmede in hoofde van zijn echtgenote en kinderen zeker het geval is gelet op het feit dat er in hun hoofde een combinatie van elementen bestaan (zoals het kennen van één der landstalen, schoolgaande kinderen hebben, ... ) die wel de uitzonderlijke omstandigheden rechtvaardigen. Dat het belangrijk is te herhalen dat de kinderen zich sinds jaren hebben aangepast aan het Belgisch schoolprogramma, waarvan de verschillen met het opleidingssysteem in het land van herkomst onverenigbaar schijnen te zijn. XIV-18.734-4/15 Ten tweede stelt de bestreden beslissing dat de problemen die verzoeker aanhaalt reeds het voorwerp uitgemaakt hebben van een diepgaand asielonderzoek. Dat het niet opgaat dat de bestreden beslissing louter om haar negatieve beslissing te staven, verwijst naar de motieven en verklaringen die verzoeker tijdens zijn asielprocedure aanhaalt. Dat de asielprocedure van verzoeker niet samenhangt met zijn ingediend verzoek conform artikel 9 par. 3 van de Vreemdelingenwet. Dat het afwijzen van een kandidaat vluchteling in de zin van de Conventie van Genève niet automatisch een afwijzing kan inhouden van een kandidaat regularisatie. Dat een ‘onmogelijkheid tot terugkeer’ niet noodzakelijk moet samenhangen met een asielprocedure in de zin van de Conventie van Genève. Dat wanneer bijvoorbeeld iemand zijn hoofd gezocht wordt door de drugsmaffia deze geen beroep kan doen op de Vluchtelingencon- ventie maar wel uitstekend in aanmerking kan komen voor de categorie ‘onmogelijkheid tot terugkeer’... Indien verzoeker voor een formaliteit zou dienen terug te keren dit tevens een schending zou betekenen van artikel 1 van het verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, aangenomen te New York op 10 december 1984, ondertekend door België op 4 februari 1985, bekrachtigd bij wet dd. 9juni 1999, B.S. 28 oktober 1999, met name iedere handeling waardoor opzettelijk hevige pijn of hevig leed, lichamelijk dan wel geestelijk, wordt toegebracht aan een persoon met zulke oogmerken als om van hem of van een derde inlichtingen of een bekentenis te verkrijgen, hem te bestraffen voor een handeling die hij of een derde heeft begaan of waarvan hij of een derde wordt verdacht deze te hebben ondergaan, of hem of een derde te intimideren of ergens toe dwingen dan wel om enigerlei reden gebaseerd op discriminatie van welke aard ook, wanneer zulke pijn of zulk leed wordt toegebracht door of op aanstichten van dan wel met instemming of gedogen van een overheidsfunctionaris of andere persoon die in een officiële hoedanigheid handelt. Dat de bestreden beslissing niet zomaar haar weigeringbeslissing kan motiveren op basis van de hele gevoerde asielprocedure. Dat het leven van een mens primeert op het vervullen van een formaliteit (namelijk deze aanvraag richten via de Belgische Ambassade of Consulaat uit het land van herkomst). Dat deze beslissing derhalve steunt op onjuiste of op juridisch onaanvaardbare motieven en derhalve met machtsoverschrijding is genomen (R.v.St., 4 maart 14960, Brinkhuysen, nr. 7681; R.v.St., 30 september 1960, lanssens, nr. 8094; R.v.St., 23 november 1965, stad Oostende, nr. 11.519).”; 2.1.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota als volgt repliceert: “Eerste middel ‘Schending van de wet betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen.’ Verzoeker stelt dat de bestreden beslissing niet aangeeft waarom de aangehaalde humanitaire redenen de aanvraag van verzoekers niet zou rechtvaardigen. Hij stelt dat zij omwille van hun etnische afkomst niet kunnen terugkeren en dat de duur van het verblijf en de graad van integratie, samen genomen met het aanleren van één van de landstalen en het schoolgaan van de kinderen, wel degelijk uitzonderlijke omstandigheden kunnen zijn. Vooral de aanpassing van de kinderen aan het Belgisch schoolprogramma een omstandigheid die in rekening moet worden gebracht. Tenslotte meent verzoeker dat de onmogelijkheid tot terugkeer niet noodzakelijk moet samenhangen met de asielprocedure. Hij besluit dat de bestreden beslissing slechts ondersteund wordt door onjuiste of juridisch onaanvaardbare motieven. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden door te verwijzen naar de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf waarin verzoeker zich beriep op de argumenten die het gezin aanhaalde ter gelegenheid van de asielaanvraag. Verder werden geen argumenten aangehaald, naast een verwijzing in het algemeen naar integratie. Ter gelegenheid van de aanvullingen van 4 maart en 30 juni 2003 werd nogmaals de nadruk gelegd op de etnische afkomst, op de theoretische tussenkomst van de Verenigde Naties en op de integratie. Zoals terecht wordt gesteld in de bestreden beslissing zijn de elementen van integratie niet buitengewoon: de meeste asielzoekers doen inspanningen tijdens het gedoogd verblijf om de taal te leren en de kinderen gaan naar school, ook omdat de schoolplicht hen daartoe verplicht. De voordelen van het gedoogd verblijf moeten opgeven is uiteraard een nadelig gevolg van het negatief afsluiten van de asielprocedure, doch een niet te vermijden gevolg, daar de afgewezen asielzoeker geen verblijfsrecht heeft. In tegendeel bestaat de verplichting het grondgebied van het Rijk te verlaten, feit dat hen bekend is en dat zij niet kunnen ontlopen door de situatie als nadelig te omschrijven Het eerste middel is niet ernstig.”; XIV-18.734-5/15 2.1.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste middel de schending aanvoert van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen; Overwegende dat, wat de ingeroepen schending van de motiverings- plicht betreft, de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel heeft betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft; dat uit het verzoekschrift blijkt dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt; dat de verzoekende partij bijgevolg de schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, zodat het middel vanuit dit oogpunt wordt onderzocht; Overwegende dat het bij de beoordeling van de motiveringsplicht niet tot de bevoegdheid van de Raad van State behoort zijn beoordeling van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid; dat de Raad van State in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd is na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen; Overwegende dat het hoofdmotief van de bestreden beslissing erin bestaat dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden heeft ingeroepen die de aanvraag in België kunnen rechtvaardigen; Overwegende dat artikel 9 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) als volgt luidt: “Om langer dan de in artikel 6 bepaalde termijn in het Rijk te mogen verblijven, moet de vreemdeling die zich niet in één der in artikel 10 voorziene gevallen bevindt, daartoe gemachtigd worden door de Minister van Binnenlandse Zaken of zijn gemachtigde. Behoudens de in een internationaal verdrag, in een wet of in een koninklijk besluit bepaalde afwijkingen, moet deze machtiging door de vreemdeling aangevraagd worden bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland. In buitengewone omstandigheden kan die machtiging door de vreemdeling worden aangevraagd bij de burgemeester van de plaats waar hij verblijft; deze zendt ze over aan de Minister van Binnenlandse Zaken of aan diens gemachtigde. In dat geval zal ze in België worden afgegeven.”; Overwegende dat als algemene regel geldt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of XIV-18.734-6/15 zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden hem evenwel wordt toegestaan die aanvraag te richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aang- evraagd; Overwegende dat de buitengewone omstandigheden, waarvan sprake in artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet niet mogen verward worden met de argumenten ten gronde die kunnen worden ingeroepen om een verblijfsmachtiging te bekomen; dat de toepassing van artikel 9, derde lid, met andere woorden een dubbel onderzoek inhoudt : 1/ wat de regelmatigheid of de ontvankelijkheid van de aanvraag betreft: of er buiten- gewone omstandigheden worden ingeroepen om het niet aanvragen van de machtiging in het buitenland te rechtvaardigen en zo ja, of deze aanvaardbaar zijn. Zo dergelijke buitengewone omstandigheden niet blijken voorhanden te zijn, kan de aanvraag tot het bekomen van een verblijfsmachtiging niet in aanmerking worden genomen; 2/ wat de gegrondheid van de aanvraag betreft: of er reden is om de vreemdeling te machtigen langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven. Desbetreffend beschikt de Minister over een ruime appreciatiebevoegdheid; dat vooraleer te onderzoeken of er voldoende grond is om de verzoekende partij een voorlopige verblijfsmachtiging toe te kennen, de verwerende partij dient na te gaan of haar aanvraag wel regelmatig werd ingediend, te weten of er aanvaardbare buitengewone omstandigheden werden ingeroepen om de afgifte van de verblijfsmachtiging in België te verantwoorden; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn aanvraag bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waaruit het ingeroepen beletsel precies bestaat; Overwegende dat in casu de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard, hetgeen betekent dat de buitengewone omstandigheden die de verzoekende partij heeft ingeroepen om te verantwoorden waarom zij geen aanvraag om machtiging tot verblijf in haar land van oorsprong heeft ingediend, niet werd aanvaard of bewezen; dat de verwerende partij in de bestreden beslissing hieromtrent volgende motieven opgeeft: - dat betrokkenen zich geïntegreerd hebben, dat zij de Nederlandse taal machtig zijn en hiervoor cursussen gevolgd hebben, dat zij nooit een inbreuk gepleegd hebben tegen de Belgische openbare orde, dat ze een ruime vrienden- en kennissenkring hebben opgebouwd en dat ze werkwillig zijn, vormen geen uitzonderlijke omstandigheden die het indienen van een artikel 9 van de Vreemdelingenwet in België verantwoorden; XIV-18.734-7/15 - de betrokkenen wisten dat hun verblijf enkel werd toegestaan in het kader van de asielaanvraag en dat ze bij een negatieve beslissing het land zouden dienen te verlaten; de elementen met betrekking tot haar integratie kunnen het voorwerp uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform artikel 9, tweede lid, van de Vreemde- lingenwet ingediend wordt; - dat de minderjarige kinderen van de betrokkenen schoolgaand zijn, verandert niets aan bovenstaande vaststelling; wat de scholing van de kinderen betreft wordt er geen enkel element aangebracht dat aantoont dat deze niet tijdelijk kan worden verdergezet in het land waar de aanvraag om machtiging tot verblijf dient aangevraagd te worden; de scholing van de kinderen vergt immers geen bijzonder onderwijs, noch een infrastructuur die niet ter plaatse zou aanwezig zijn; - de discriminatoire problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag; deze aanvragen werden afgewezen; hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen; - de aangehaalde moeilijke situatie in het land is van algemene aard en verhindert niet dat talrijke andere Joegoslaven terugkeren; de vermeende vrees voor een terugkeer, zelfs een tijdelijke, wordt met geen enkel nieuw element gestaafd; bijgevolg wordt de redenering van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen terzake gevolgd; - wat het inroepen van het E.V.R.M. betreft dient ten eerste opgemerkt te worden dat artikel 8 hier niet van toepassing is; de verplichting om via de gewone procedure, namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, de aanvraag om machtiging tot verblijf in te dienen geldt immers voor het hele gezin en er is dus geen sprake van het verbreken van de familiale banden; - ten tweede, wat de vermeende schending van artikel 3 van het E.V.R.M. betreft dient opgemerkt te worden dat de bescherming verleend via artikel 3 van het E.V.R.M. slechts in uitzonderlijke gevallen toepassing zal vinden; hiervoor dienen verzoekers hun beweringen te staven met een begin van bewijs, terwijl in casu het enkel bij een bewering blijft, en dit niet kan volstaan om een inbreuk uit te maken op artikel 3 van het E.V.R.M.; de algemene bewering wordt niet toegepast op de eigen situatie; Overwegende dat de verzoekende partij in een eerste onderdeel aanvoert “dat de bestreden beslissing (...) niet motiveert waarom de aangehaalde humanitaire redenen (haar) aanvraag (...) niet zouden rechtvaardigen”; Overwegende dat vooreerst dient te worden opgemerkt dat de kritiek van de verzoekende partij feitelijke grondslag mist waar ze aanvoert dat “de bestreden beslissing zich (beperkt) door te stellen dat de zeer goede integratie van verzoekster niet als een uitzonderlijke omstandigheid kan worden beschouwd”; dat immers uit de bestreden beslissing blijkt dat de minister van Binnenlandse Zaken wel degelijk is ingegaan op de door XIV-18.734-8/15 de verzoekende partij in haar aanvraag aangehaalde argumenten; dat de minister van Binnenlandse Zaken evenwel heeft geoordeeld dat betreffende argumenten geen buiten- gewone omstandigheden vormen in de zin van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingen- wet; dat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat “ de elementen met betrekking tot haar integratie (...) het voorwerp (kunnen) uitmaken van een onderzoek op het moment dat de aanvraag conform art. 9, 2 van de vreemdelingenwet ingediend wordt”; dat de minister van Binnenlandse Zaken hiermee bevestigt dat de integratie van de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheid vormt in de zin van artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingen- wet aangezien betreffende integratie louter betrekking kan hebben op het eventuele gegrondheidsaspect van haar aanvraag; dat de gegrondheid van haar aanvraag evenwel op dit ogenblik nog niet aan de orde is aangezien de bestreden beslissing louter een uitspraak doet over de ontvankelijkheid ervan; dat de verzoekende partij dienvolgens niet aantoont dat de overweging van de bestreden beslissing betreffende haar integratie kennelijk onredelijk is, zodat ze geenszins een schending van de motiveringsplicht aannemelijk maakt; Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede onderdeel kritiek voert ten aanzien van de overweging waarbij de minister van Binnenlandse Zaken omtrent de problemen in haar land van herkomst, aanhaalt dat deze reeds het voorwerp hebben uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag; dat de verzoekende partij van oordeel is dat het niet opgaat dat in de bestreden beslissing, louter om haar negatieve beslissing te staven, wordt verwezen naar de motieven en verklaringen die ze tijdens haar asielprocedure aanhaalde; dat ze er in dit verband op wijst dat haar asielprocedu- re niet samenhangt met haar ingediend verzoek conform artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; Overwegende dat de in artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen neergelegde uitdrukkelijke motiveringsplicht tot doel heeft de bestuurde, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt; dat de artikelen 2 en 3 van de genoemde wet van 29 juli 1991 de overheid ertoe verplichten in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een "afdoende" wijze; dat het begrip "afdoende" impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing; dat de plicht tot uitdrukkelijke motivering niet inhoudt dat de beslissende administratieve overheid de motieven van de gegeven redenen van de beslissing moet vermelden; dat zij dus niet “verder” dient te motiveren; dat derhalve de uitdrukkelijke motivering niet inhoudt dat de beslissende overheid voor elke overweging in haar beslissing het “waarom” ervan dient te vermelden; dat de verzoekende partij niet duidelijk maakt op welk punt deze motivering haar niet in staat stelt te begrijpen op welke XIV-18.734-9/15 juridische en feitelijke gegevens de door haar bestreden beslissing is genomen derwijze dat hierdoor niet zou zijn voldaan aan het doel van de formele motiveringsplicht; Overwegende dat aangaande de door de verzoekende partij aangevoerde problemen in haar land van herkomst in de bestreden beslissing wordt gesteld dat “de discriminatoire problemen in het land van herkomst hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader van de asielaanvraag. Deze aanvragen werden afgewezen, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van artikel 9 van de wet in België in te dienen.” en dat “De aangehaalde moeilijke situatie in het land is van algemene aard en verhindert niet dat talrijke andere Joegoslaven terugkeren. De vermeende vrees voor een terugkeer, zelfs een tijdelijke, wordt met geen enkel nieuw element gestaafd. Bijgevolg wordt de redenering van het Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen terzake gevolgd.”; dat uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat bij beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 18 juli 2000 het verblijf werd geweigerd en dat bij beslissing van 8 november 2001 van de Commissaris-generaal voormelde beslissing werd bevestigd en haar asielaanvraag werd afgewezen omwille van het feit dat ze “geen gevolg (had) gegeven binnen de maand aan vraag om inlichtingen vervat in de brief die (haar) aangetekend werd verstuurd (...) op (haar) gekozen woonplaats”; dat in casu overeenkomstig artikel 52, §2, 4/ van de Vreemdelingenwet haar asielaanvraag onontvankelijk werd verklaard omdat de verzoekende partij binnen de maand na de verzending geen gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inlichtingen en daarvoor geen geldige reden heeft opgeven; dat immers wanneer de verzoekende partij bij aangetekende brief op haar gekozen woonplaats wordt uitgenodigd door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen om haar asielrelaas te komen toelichten, de verzoekende partij wordt verzocht om, in geval van overmacht, het bewijs van de ingeroepen overmacht en de elementen ter ondersteuning van haar asielaanvraag, binnen de maand volgend op de oproeping, per aangetekend schrijven over te maken aan de Commissaris-generaal; dat de oproepingsbrief duidelijk vermeldt dat de status van vluchteling kan worden geweigerd wegens afwezigheid van antwoord op het verzoek om inlichtingen, ondanks het bewijs van overmacht; dat bijgevolg diegene die een asielaanvraag indient, ertoe gehouden is zijn volledige medewerking te verlenen en elke vraag tot inlichtingen van de bevoegde instanties dient te beantwoorden; dat het dienvolgens aan de houding van de verzoekende partij zelf te wijten is dat zij haar asielmotieven niet kon uiteenzetten op het Commissariaat-generaal omdat zij, zonder geldige reden, geen gevolg heeft gegeven, binnen de maand, aan de vraag om inlichtingen vervat in de aangetekende brief van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen; dat deze handelwijze vragen doet rijzen omtrent het belang dat de verzoekende partij stelde in haar asielaanvraag en omtrent het gebruik dat ze wenste te maken van de voorhanden zijnde beroepsmogelijkheden om haar asielrelaas nader toe te lichten; dat deze houding bovendien des te meer klemt met haar beweerde vrees voor terugkeer naar haar land van herkomst vanwege haar vermeende discriminatoire problemen; dat de verzoekende partij derhalve XIV-18.734-10/15 geenszins aannemelijk maakt dat de minister van Binnenlandse Zaken, ter beoordeling van de door de verzoekende partij in haar aanvraag om machtiging tot verblijf aangehaalde vrees voor terugkeer naar haar land van herkomst, niet in alle redelijkheid kon verwijzen naar de door haar in haar asielprocedure aangehaalde verklaringen; dat de verzoekende partij geenszins aantoont dat betreffende overweging van de minister van Binnenlandse Zaken kennelijk onredelijk zou zijn; dat het eerste middel, in zijn geheel, ongegrond is; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel aanvoert dat als volgt luidt: “
- Schending van artikel 8 E.V.R.M. De bestreden beslissing schendt artikel 8 E.V.R.M. doordat zij over de toepassing hiervan zwijgzaam blijft en daardoor niet afdoend is in de zin van artikel 9.3 van de wet van 15/12/
- Terwijl de Raad van State bij arrest 49821 dd. 13107/1993 (Dr. Des Etrangers 1994, n/ 77, blz.27) verklaard heeft dat artikel 8 van het E.V.R.M. van toepassing is in het kader van artikel 9 par. 3 van de wet van
- De bestreden beslissing moet dus rekening houden met het sociaal en economisch welzijn die verzoekers in ons land hebben opgericht in de zin van artikel 8 van het E.V.R.M.. Doordat de bestreden beslissing het ‘kennen van één der landstalen’, of ‘schoolgaande kinderen hebben’ verwerpt als uitzonderlijke omstandigheid zij hier weerom in haar motiveringsplicht te kort schiet. De bestreden beslissing aanschouwt ter zake het feit dat de kinderen van verzoekers al geruime tijd het Belgische schoolprogramma volgen niet als een belemmering om verschillende maanden, en waarschijnlijk jaren, terug te keren naar hun land van herkomst wachtend op een verblijfsvergunning.”; 2.2.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende repliceert: “Tweede middel ‘Schending van artikel 8 E.V.R.M.’ Volgens verzoeker werd geen rekening gehouden met het sociaal en economisch welzijn dat zij hebben opgebouwd tijdens hun verblijf, evenmin met de realiteit van de moeilijkheden die de kinderen zullen ondervinden door het onderbreken van hun schoolactiviteiten. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat gezegd artikel niet kan worden ingeroepen in het kader van de bestreden beslissing, zoals werd aangegeven. Het verlies van de voordelen is, zoals hoger uiteengezet, het gevolg van de wettelijke verplichting het grondgebied te verlaten na het negatief afsluiten van de asielaanvraag. Het tweede middel is niet ernstig.”; 2.2.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een tweede middel de schending aanvoert van artikel 8 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden, ondertekend op 4 november 1950 te Rome, en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955 (E.V.R.M.); Overwegende dat artikel 9, derde lid, van de Vreemdelingenwet als algemene regel stelt dat een machtiging om langer dan drie maanden in het Rijk te verblijven door een vreemdeling moet worden aangevraagd bij de Belgische diplomatieke of consulaire post die bevoegd is voor zijn verblijfplaats of zijn plaats van oponthoud in het buitenland; dat in buitengewone omstandigheden het hem evenwel toegestaan wordt die aanvraag te XIV-18.734-11/15 richten tot de burgemeester van zijn verblijfplaats in België; dat dus enkel wanneer er buitengewone omstandigheden aanwezig zijn om het niet afhalen van de machtiging bij de Belgische diplomatieke of consulaire vertegenwoordigers in het buitenland te rechtvaardigen, de verblijfsmachtiging in België kan worden aangevraagd; dat de vreemdeling klaar en duidelijk in zijn aanvraag moet vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen; dat uit zijn uiteenzetting duidelijk moet blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat; dat de bestreden beslissing er niet toe strekt het gezinsleven van de verzoekende partij te verhinderen of te bemoeilijken; dat de beslissing enkel inhoudt dat de verzoekende partij geen buitengewone omstandigheden doet gelden die haar vrijstellen om haar aanvraag om machtiging tot verblijf volgens de geëigende procedure, meer bepaald vanuit haar land van herkomst, in te dienen; dat waar de verzoekende partij vooreerst opwerpt dat in de bestreden beslissing geen rekening wordt gehouden met het “sociaal en economisch welzijn” dat ze in België heeft opgebouwd, de vaststelling volstaat dat het door de verzoekende partij opgeworpen “welzijn” niet wordt beschermd door artikel 8 van het E.V.R.M.; dat waar de verzoekende partij tot slot opwerpt dat ze één der landstalen kent en dat haar kinderen in België naar school gaan, er dient te worden vastgesteld dat haar betoog hieromtrent op generlei wijze een schending van voormeld artikel aannemelijk maakt; dat bijgevolg niet wordt ingezien hoe de bestreden beslissing artikel 8 van het E.V.R.M. zou schenden; dat het tweede middel eveneens ongegrond is; 2.3.
- Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel aanvoert dat als volgt luidt: “3 Schending van de wet van 22/12/1999 Tevens is er manifest dwaling van beoordeling van het concept ‘uitzonderlijke omstandighe- den’ te vinden in het licht van de geest van de wet van 22/12/
- Al is de wet niet toepasselijk op zich aan de situatie van verzoeker, geeft zij aanduidingen over de geest van wat beschouwd moet worden als een uitzonderlijke omstandigheid. In die zin heeft de Raad van State al herhaaldelijk de wet van 22/12/1999 opgeroepen in regularisatieprocedures gebaseerd op artikel 9 par. 3 van de wet van 15/12/1980 (o.a. R.v.S., 6 maart 2001, Rev. Dr.Etr., 2001, 217). In die wet vervult een vreemdeling, met kinderen, en die humanitaire redenen en duurzame sociale bindingen (artikels 2,4/ en 9,9/) kan voortbrengen, de voorwaarden om zijn verblijf in België te regulariseren. Dat de heer Auditeur CUVELIER in een advies ten gronde de vereiste van een duidelijke motivering in twijfel trekt wanneer ze beschouwt dat het schoolbezoek van kinderen geen uitzonderlijke omstandigheid is en tegelijkertijd door de Minister van Binnenlandse Zaken wordt beschouwd als voldoend om zowel als eerste als het tweede criterium (art. 2,1/ en 4/; en artikel 9,9/) te vervullen van de wet van 22/12/1999 betreffende de regularisatie van sommige categorieën van vreemdelingen verblijvend op het Belgisch grondgebied. De heer Auditeur besluit dat het verschil in behandeling moeilijk te verantwoorden is zelfs al was de toepassing van de wet van 1999 beperkt in tijd. (Avis donné en l’audience publique du 28 février 2001, Rev. & Etr., 2001, 219). Dat verzoekers aan al deze voorwaarden vervullen en zodoende bevinden zij zich dus in een identieke situatie als de mensen die een regularisatieprocedure hebben ingediend op basis van de bovengenoemde wet. In het licht van de wet van 22/12/1999 heeft de bestreden beslissing in casu dus manifest het concept uitzonderlijke omstandigheid slecht geïnterpreteerd.”; XIV-18.734-12/15 2.3.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende repliceert: “Derde middel ‘Schending van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk.’ Verzoeker stelt de voorwaarden te vervullen die werden vooropgesteld voor gezinnen met schoolgaande kinderen en stelt dat het verschil in besluitvoering niet te verantwoorden is, zelfs al was de regularisatiewet bedoeld voor een beperkte toepassing in de tijd. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat de aanvraag om machtiging tot voorlopig verblijf niet werd ingediend in toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk met als gevolg dat het bestuur de criteria eigen die wet bezwaarlijk kon toepassen. Het derde middel is niet ernstig.”; 2.3.
- Overwegende dat waar de verzoekende partij in casu de schending aanvoert van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet), de vaststelling volstaat dat betreffende wet, zoals tevens zelf wordt aangegeven door de verzoekende partij, niet van toepassing is op voorliggende zaak, vermits de aanvraag van de verzoekende partij niet gebaseerd was op enig artikel van voormelde Regularisatiewet, doch wel op artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet; dat het derde middel dienvolgens niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij een vierde middel aanvoert dat als volgt luidt: “
- Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur : Zorgvuldigheidsplicht ‘Bij de vaststelling en waardering van de feiten, waarop het besluit rust, moet de nodige zorgvuldigheid worden betracht (SUETENS, L.P. en BOES, M., Administratief Recht, Leuven, ACCO, 1990, 31)’. ‘Ambtenaren mogen zich niet gedragen als slecht geprogrammeerde automaten (R.v.St., REESKENS, nr. 20.602, 30 september 1980, R.W., 1981-1982, 36, met noot LAMBRECHTS, W.). De Raad van State eist dat de overheid tot haar voorstelling van de feiten (R.v.St. SPELEERS, nr. 21.037, 17 maart 1981) en tot de feitenvinding (R.v.St., VAN KOUTER, nr. 21.094,17 april 1981) komt met inachtneming van de zorgvuldigheidsplicht. Uit de zorgvuldigheidsplicht bij de feitenvinding vloeit voort dat in beginsel geen feiten als bewezen of niet bewezen worden beschouwd zonder bij de betrokkene direct en persoonlijk inlichtingen te vragen of hem in de gelegenheid te stellen de stukken over te leggen die naar zijn oordeel zijn voorstelling van de feiten of van zijn toestand geloofwaardig maken (R.v.St., THIJS, nr. 24.651, 18 september 1984, R.W., 19841985, 946) - (LAMBRECHTS, W., Geschillen van bestuur, 43). De bestreden beslissing is veel te algemeen en bijgevolg komt men tekort aan de zorgvuldigheidsplicht. Uit al de voorgaanden blijkt dat de bestreden beslissing niet juist of juridisch aanvaardbaar is en dat zij steunt op onjuiste, juridische onaanvaardbare en onwettige motieven en dat zij derhalve niet behoorlijk naar recht gemotiveerd is. Het is dan ook zeer duidelijk aangetoond dat de bestreden beslissing ten onrechte besluit tot het onontvankelijk verklaren van verzoekers’ asielaanvraag gelet op de hierboven genoemde motivering. Dat de motivering die de bestreden beslissing aanhaalt manifest ontoereikend is en derhalve faalt zij in rechte.”; XIV-18.734-13/15 2.4.
- Overwegende dat de verwerende partij in de nota het volgende repliceert: “Vierde middel ‘Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur: zorgvuldigheidsplicht.’ Volgens verzoeker diende bijkomende informatie te worden gevraagd door het bestuur. De verwerende partij heeft de eer daarop te antwoorden dat het administratief dossier volledig is, de oorspronkelijke aanvraag werd aangevuld met bijkomende informatie en er geen elementen worden aangevoerd die een andere beslissing zouden hebben kunnen uitlokken.”; 2.4.
- Overwegende dat de verzoekende partij in een vierde middel de schending van de zorgvuldigheidsplicht aanvoert; Overwegende dat het zorgvuldigheidsbeginsel aan de minister van Binnenlandse Zaken de verplichting oplegt zijn beslissingen zorgvuldig voor te bereiden en te stoelen op een correcte feitenvinding; dat de verzoekende partij zich in casu beperkt tot de stelling dat de bestreden beslissing “veel te algemeen is”, doch verzuimt betreffende blote bewering op enigerlei wijze uit te werken en toe te lichten; dat waar de verzoekende partij voor het overige verwijst naar datgene wat werd uiteengezet in haar eerste, tweede en derde middel, kan worden volstaan met een verwijzing naar de bespreking van betreffende middelen; dat dienvolgens de verzoekende partij enige schending van de zorgvuldigheids- plicht geenszins aannemelijk maakt; dat het vierde middel niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden; Overwegende dat de verzoekende partij geen middel heeft aangevoerd dat tot de nietigverklaring van de bestreden beslissingen kan leiden; dat er derhalve grond is om toepassing te maken van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; dat de vordering tot schorsing, als accessorium van de nietigverklaring, derhalve samen met het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, XIV-18.734-14/15 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari tweeduizend en zeven, door : Mevr. Ch. BAMPS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, de H. J. CASNEUF, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. Ch. BAMPS. XIV-18.734-15/15 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.620 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.