id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.650 Rolnummer: A. 80374/X-8446 Zaak: Arrest 166650 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 12/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-02-15 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:16 Fiche Arrest nr 166.650 van 12 januari 2007 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.650 van 12 januari 2007 in de zaak A. 80.374/X-
- In zake :
- Marina APERS,
- Paul VAN BROECK,
- Willy SAMOY (in de vordering tot schorsing), die woonplaats kiezen bij Advocaat M. STORME, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Verenigingsstraat 28 tegen : het VLAAMSE GEWEST, dat woonplaats kiest bij Advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg
- tussenkomende partij : het GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN, dat woonplaats kiest bij Advocaten D. D'HOOGHE, J. BOUCKAERT en B. SCHUTYSER, kantoor houdende te 1060 BRUSSEL, H. Wafelaertsstraat 47-
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Marina APERS en Paul VAN BROECK op 23 september 1998 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van :
- het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van de speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 juli 1998 "in zoverre het in art. 1 een wijziging (inkrimping) aanbrengt in de zone 'Schorren en polders van de Beneden-Schelde' in de gemeente Beveren (,) meer bepaald (...) de inkrimping van een zgn. vogelrichtlijngebied en/of habitat in de zin van de desbetreffende Europese richtlijnen";
- het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan X-8446-1/12 Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Kruibeke en Lokeren, bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 8 augustus 1998 "in zoverre het bijgevoegde ontwerpplan tot gedeeltelijke herziening van het gewestplan St-Niklaas-Lokeren wordt vastgesteld voor wat betreft de gemeente Beveren (art. 1 van het besluit) en voor zover de aanleg van het Deurganckdok van algemeen belang wordt verklaard (art. 3 van het besluit)";
- "het besluit van de Vlaamse regering d.d. 23 juni 1998 tot wijziging van de aanwijzing als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn van het gebied nr. 6 Schelde- en Durme-estuarium (...) in zoverre het de aanwijzing van bepaalde delen van het gebied nr. 6 'Schelde- en Durme-estuarium' als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn ongedaan maakt."; Gelet op het arrest nr. 87.878 van 7 juni 2000 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 30 juni 2000 ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 17 augustus 2000 ingediend door het GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN; Gelet op de beschikking van 20 september 2000 die de tussenkomst van het GEMEENTELIJK HAVENBEDRIJF ANTWERPEN toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur Ch. BAMPS; Gelet op de beschikking van 1 maart 2006 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 mei 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 14 juni 2006; X-8446-2/12 Gehoord het verslag van Staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van Advocaten M. STORME en I. ROGIERS die verschijnen voor de verzoekende partijen, van Advocaat H. SEBREGHTS die verschijnt voor de verwerende partij, en van Advocaat J. BOUCKAERT die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur A. EYLENBOSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; Overwegende dat de Vlaamse regering bij besluit van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, een aantal gebieden heeft aangeduid als "beschermingszone" in de zin van artikel 4 van voormelde richtlijn; dat bij het eerste bestreden besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 de speciale beschermingszone "Schorren en polders van de beneden-Schelde" gelegen in de gemeente Beveren, wordt ingekrompen, en ter compensatie van die inkrimping, de speciale beschermingszone "Durme en de middenloop van de beneden-Schelde" gelegen in de gemeente Kruibeke, wordt uitgebreid; Overwegende dat de Vlaamse regering bij het tweede bestreden besluit van 23 juni 1998 het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Kruibeke en Lokeren voorlopig heeft vastgesteld; Overwegende dat bij het derde bestreden besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 de Vlaamse regering heeft beslist haar goedkeuring te hechten aan het "voorstel tot aanwijzing van de speciale beschermingszone, gebied nr. 6 Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Wetteren met bijhorende kaartbladen ter vervanging van de kaarten van het gebied nr. 6 goedgekeurd door de Vlaamse regering op 14 februari 1996", in de zin van artikel 6 van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna; X-8446-3/12 Overwegende dat de verzoekende partijen het beroep tot nietigverklaring van drie beslissingen in één verzoekschrift verantwoorden als volgt : "Deze beslissingen zijn nauw samenhangend, aangezien ze alle strekken tot realisatie van éénzelfde projekt, nl. het Deurganckdok en de havenuitbreiding op Linkeroever (projekt dat reeds het voorwerp was van de eerder aangevochten beslissing van de Vlaamse regering van 20-1-1998 (...). Ze zijn niet toevallig op dezelfde dag genomen door dezelfde Vlaamse regering. Het middel dat het meest de grond van de zaak raakt, nl. het vierde middel, zet uiteen dat het dezelfde bepalingen zijn die tegelijk door de drie beslissingen worden geschonden. Bovendien is de ene beslissing precies bedoeld om te proberen de onwettigheid van de andere op te heffen. Het is dan ook onmogelijk de wettigheid van de tweede bestreden beslissing volledig te beoordelen zonder beoordeling van de wettigheid van de eerste en derde bestreden beslissing. Een van de uitdrukkelijke motieven van de tweede bestreden beslissing is precies om de 'compensatie voor de habitat- en vogelrichtlijngebieden' (beslist in de eerste en derde beslissing) te vertalen in bestemmingswijzigingen. Het nadeel dat door beide beslissingen wordt aangericht is eveneens sterk overlappend"; Overwegende evenwel dat zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij aanvoeren dat er een gebrek is aan samenhang tussen de drie bestreden besluiten waardoor het beroep enkel ontvankelijk is in zoverre het is gericht tegen het eerste bestreden besluit; Overwegende dat de verwerende partij en de tussenkomende partij terecht opwerpen dat de eisen van een goede rechtsbedeling worden miskend wanneer de vordering verschillende voorwerpen heeft, waarvoor verschillende wetten en verordeningen gelden, en die afzonderlijke onderzoeken en debatten noodzakelijk maken; dat in een dergelijk geval de vordering slechts ontvankelijk is in zoverre ze het eerste bestreden besluit betreft; Overwegende dat in casu verzoekers in één verzoekschrift de nietigverklaring vorderen van drie beslissingen, met name
- het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van de speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand,
- het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 houdende voorlopige vaststelling van het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Kruibeke en Lokeren, en
- een beslissing die de verzoekende partijen omschrijven als volgt: X-8446-4/12 "het besluit van de Vlaamse regering d.d. 23 juni 1998 tot wijziging van de aanwijzing als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn van het gebied nr. 6 Schelde- en Durme-estuarium (...) in zoverre het de aanwijzing van bepaalde delen van het gebied nr. 6 'Schelde en Durme-estuarium' als speciale beschermingszone onder de Habitatrichtlijn ongedaan maakt"; dat het eerste bestreden besluit beslist tot de inkrimping van het vogelrichtlijngebied nr. 3.
- (lees: 3.6.) "Schorren en polders van de beneden-Schelde", aangeduid op de bijlage 13 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 17 oktober 1988, en tot de uitbreiding van het vogelrichtlijngebied nr. 3.
- (lees: 3.5.) "Durme en middenloop van de Schelde", aangeduid op de bijlage 12 van het besluit van de Vlaamse Executieve van 17 oktober 1988, en dit zoals aangegeven op de bijlagen bij het bestreden besluit; dat het tweede bestreden besluit het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas-Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Kruibeke en Lokeren voorlopig heeft vastgesteld; dat blijkens de notulen van de vergadering van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 het derde bestreden "besluit" de beslissing betreft van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 tot goedkeuring van het in het "Voorstel ter compensatie van het habitat-richtlijngebied 'Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Wetteren'" geformuleerde voorstel tot aanwijziging van de speciale beschermingszone, gebied nr. 6 Schelde- en Durme-estuarium van de Nederlandse grens tot Wetteren met bijhorende kaartbladen ter vervanging van de kaarten van het gebied nr. 6, goedgekeurd door de Vlaamse regering op 14 januari 1996; Overwegende dat de Vlaamse regering bij besluit van 1 juni 1999 het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Kruibeke en Lokeren definitief heeft vastgesteld; dat het tweede bestreden besluit waarbij het ontwerpplan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren op het grondgebied van de gemeenten Beveren, Kruibeke en Lokeren voorlopig werd vastgesteld, derhalve heeft opgehouden te gelden; dat overigens tegen voormeld besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1999 een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging evenals een beroep tot nietigverklaring werden ingesteld; dat, na bij arrest nr. 87.739 van 31 mei 2000 te zijn geschorst, voormeld besluit van 1 juni 1999 bij arrest nr. 120.810 van 24 juni 2003 werd vernietigd; dat het beroep tegen het tweede besluit zonder voorwerp is geworden, en dat de exceptie wat dit besluit betreft dan ook niet meer dient te worden onderzocht; X-8446-5/12 Overwegende dat, daargelaten de vraag of zoals door de verwerende partij en de tussenkomende partij wordt opgeworpen, het derde bestreden "besluit" een "uitvoerbare overheidshandeling betreft die in aanmerking komt om te kunnen worden bestreden met een schorsings- en een annulatie- vordering", de twee overige bestreden "beslissingen" werden genomen op grond van onderscheiden wetgevingen, meer bepaald de eerste bestreden beslissing op grond van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, en de derde bestreden "beslissing" op grond van de richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna; dat zij elk het resultaat zijn van onderscheiden procedures; dat tussen de bestreden beslissingen geen zodanige samenhang kan worden onderkend die toelaat dat bij uitzondering wordt afgeweken van de dwingende vereiste van een goede rechtsbedeling dat slechts één vordering per verzoekschrift kan worden ingesteld; Overwegende dat de verzoekers in hun laatste memorie vragen dat, als de Raad van State tot de conclusie zou komen dat de beroepen tot vernietiging van de eerste en de derde bestreden beslissing niet samenhangend zijn, de volgende prejudiciële vraag gesteld zou worden aan het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen: “Dient het gemeenschapsrecht, en in het bijzonder artikel 10 EG-Verdrag, zo te worden uitgelegd dat het zich verzet tegen de toepassing van een nationale procedureregel krachtens dewelke 2 beslissingen van éénzelfde overheidsorgaan van analoge aard (namelijk inkrimping Vogelrichtlijngebied c.q. Habitatrichtlijngebied) van éénzelfde datum die allebei onder meer beogen een projekt mogelijk te maken dat de natuurlijke kenmerken van een Speciale Beschermingszone in de zin van de vogelrichtlijn (Europese Richtlijn nr. 79/409/EEG van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand) en van een Speciale Beschermingszone in de zin van de Habitatrichtlijn (Europese Richtlijn nr. 92/43/EEG van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna) aantast en die onder meer wegens strijdigheid met art. 6 Habitatrichtlijn worden aangevochten, niet in dezelfde procedure voor de nationale rechter kunnen worden aangevochten, wat een onevenredige bemoeilijking inhoudt van de bescherming van de door die richtlijn gewaarborgde rechten, waartoe immers het geheel van de voor het project relevante beslissingen bij de beoordeling moet kunnen worden betrokken?” Overwegende dat de verzoekers in wezen aanvoeren dat de regeling inzake de samenhang van beroepen voor de Raad van State strijdig is met het gemeenschapsrecht, inzonderheid artikel 10 van het EG-Verdrag; dat evenwel uit de rechtspraak van het Hof van Justitie blijkt dat het gemeenschapsrecht zich niet verzet tegen de toepassing van een nationale procesregel die geen onderscheid maakt X-8446-6/12 naargelang de bestreden handeling een zuiver nationaal karakter heeft dan wel strekt tot de uitvoering van het gemeenschapsrecht, voor zover de uitoefening van de rechten die de belanghebbende in voorkomend geval aan het gemeenschapsrecht ontleent daardoor in de praktijk niet onmogelijk of bijzonder moeilijk wordt gemaakt (zie, o.m. H.J., 8 maart 2001, Metallgesellschaft Ltd, C-397/98 en C-410/98; H.J., 27 februari 2003, Santex, C-327/00; H.J., 2 oktober 2003, Weber’s Wine World, C-147/01); dat de beperking van de mogelijkheid om vorderingen bij eenzelfde akte bij de Raad van State aanhangig te maken, voortvloeiend uit de artikelen 2, § 1, 2/, en 60 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State, aan de genoemde voorwaarden voldoet; dat de desbetreffende regeling immers geldt voor alle soorten vorderingen; dat voorts niets belet dat een verzoeker twee beslissingen als genoemd in de door de verzoekers gesuggereerde prejudiciële vraag bij afzonderlijke beroepen bestrijdt, en dat het instellen van afzonderlijke beroepen de Raad van State dan niet belet om in elk van de zaken de bestreden beslissing te toetsen aan het gemeenschapsrecht; dat de juiste toepassing van het gemeenschaps-recht te dezen zo evident is, dat redelijkerwijze geen ruimte voor twijfel kan bestaan; dat de Raad van State dan ook, op grond van artikel 234, derde alinea, van het EG-Verdrag, niet gehouden is de prejudiciële vraag aan het Hof van Justitie te stellen (zie H.J., 6 oktober 1982, Cilfit, 283/81); Overwegende dat de opgeworpen exceptie van gebrek aan samenhang gegrond is; dat uit de ontstentenis van samenhang volgt dat het beroep tot nietigverklaring enkel ontvankelijk is wat het eerste bestreden besluit betreft; Overwegende dat zowel de verwerende partij als de tussen- komende partij aanvoeren dat het beroep niet ontvankelijk is bij gebrek aan belang; Overwegende dat de verzoekende partijen aanvoeren dat, voor wat de beoordeling betreft van het rechtens vereiste belang, de intern-Belgische procedureregels en beperkingen aan de rechtsbescherming desnoods terzijde geschoven moeten worden voor zover het middelen betreft gegrond op het Europees recht indien ze een daadwerkelijke rechtsbescherming in de weg staan; Overwegende evenwel dat, bij gebreke aan een gemeenschaps- regeling ter zake, het een aangelegenheid van de interne rechtsorde van elke lidstaat X-8446-7/12 is om de procedureregels te bepalen die ertoe strekken de rechten te beschermen die de rechtszoekenden aan het gemeenschapsrecht ontlenen, op voorwaarde dat de desbetreffende regels niet ongunstiger zijn dan die welke voor soortgelijke nationale vorderingen gelden, en zij de uitoefening van de door de communautaire rechtsorde verleende rechten in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk maken; dat de vaststelling van het belang van de rechtszoekende bij een vordering in beginsel een zaak van nationaal recht is, waarbij voormelde beginselen in acht moeten worden genomen; dat aldus de regels met betrekking tot de ontvankelijkheid van een annulatieberoep, inzonderheid deze met betrekking tot het in hoofde van een verzoekende partij vereiste belang, onverkort gelden; Overwegende dat de verzoekende partijen ter zake in essentie aanvoeren dat er een onlosmakelijk verband bestaat tussen de bestreden beslissingen en de voorgenomen realisatie van het Deurganckdok evenals een aantal daarop aansluitende industriezones (met name MIDA I en MIDA II); dat zij ter staving van hun belang samengevat aanvoeren: "het verdwijnen van het Doel-dorp", "ernstige en onherstelbare schade aan het leefmilieu", het "verdwijnen van landbouwgebied" en "de verminderde leefbaarheid van het dorp Kieldrecht"; Overwegende dat een verzoekende partij moet doen blijken van een zeker, persoonlijk en rechtstreeks belang; dat het ingeroepen belang niet mag opgaan in het belang dat iedere burger heeft bij het handhaven van de wettigheid; dat het immers de bedoeling van de wetgever is geweest bij het instellen van de vereiste van het belang om de actio popularis uit te sluiten; Overwegende dat, gelet op hetgeen voorafgaat, enkel dient te worden onderzocht of de verzoekende partijen doen blijken van het rechtens vereiste belang bij het aanvechten van het eerste bestreden besluit; Overwegende dat de Vlaamse regering bij besluit van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, een aantal gebieden heeft aangeduid als "beschermingszone" in de zin van artikel 4 van voormelde richtlijn; dat sommige gebieden over geheel hun oppervlakte werden aangewezen als "beschermingszone", terwijl voor andere gebieden een "gedeeltelijke" bescherming geldt; dat artikel 1, § 3, X-8446-8/12 van voormeld aanwijzigingsbesluit met betrekking tot deze laatste gebieden stelt wat volgt: "Voor de in deze paragraaf vermelde zones komen naast de gebieden die op de gewestplannen, in toepassing van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen, als natuurgebieden, bosgebieden met ecologisch belang en natuurreservaten vermeld zijn, de habitats die in deze paragraaf per zone zijn vermeld in aanmerking"; dat de speciale beschermingszone "Schorren en polders van de beneden-Schelde" werd opgenomen in punt 3.
- van artikel 1, § 3, van het aanwijzingsbesluit; dat dit punt het volgende bepaalt: "De op de bijlage 13 van dit besluit aangegeven zone, gelegen in de gemeenten Antwerpen, Beveren en Sint-Gillis-Waas en bekend onder de naam 'Schorren en polders van de beneden-Schelde': - slikken en brakwaterschorren; - dijken; - kreken en hun oevervegetatie"; dat bij het eerste bestreden besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 de speciale beschermingszone "Schorren en polders van de beneden-Schelde" gelegen in de gemeente Beveren, wordt ingekrompen, en ter compensatie van die inkrimping, de speciale beschermingszone "Durme en de middenloop van de beneden-Schelde" gelegen in de gemeente Kruibeke, wordt uitgebreid; dat dit besluit is gemotiveerd als volgt: "Overwegende dat de herafbakening van het EEG-vogelrichtlijngebied nr. 3.4 'Durme en de middenloop van de Schelde' en nr. 3.5 'Schorren en polders van de Beneden-Schelde' een toename in oppervlakte en een integrale bescherming betekent voor het nieuw vogelrichtlijngebied; Overwegende dat alle belanghebbende partijen in het gebied zich unaniem akkoord verklaren met de voorgestelde nieuwe afbakening van het vogelrichtlijngebied nr. 3.4 'Durme en middenloop van de Schelde' en nr. 3.5 'Schorren en polders van de Beneden-Schelde'"; Overwegende dat de eerste verzoekster woonachtig is te Doel; dat haar eigendom volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Sint-Niklaas - Lokeren, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 november 1978, is gelegen in woongebied; dat zij aanvoert rechtstreeks in haar woon- en leefomgeving te worden getroffen doordat de bestreden beslissingen de "vernietiging van een natuurgebied in de onmiddellijke omgeving van haar woongebied" tot gevolg zouden hebben nu deze beslissingen uitdrukkelijk beogen de voorwaarden te scheppen voor de aanleg van het Deurganckdok en het daarmee samenhangende project van de havenuitbreiding; dat X-8446-9/12 zij inzonderheid verwijst naar het verdwijnen van een aantal "habitats", het isoleren van het natuurreservaat "De Putten" en de negatieve effecten van de voorgenomen projecten op de avifauna; Overwegende dat de woonplaats van de eerste verzoekster niet is gelegen binnen de speciale beschermingszone "Schorren en polders van de beneden-Schelde" zoals deze is aangewezen in voormeld besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 tot aanwijzing van speciale beschermingszones in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van de Europese Gemeenschappen van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, en die bij het eerste bestreden besluit wordt ingekrompen; dat, ook al is het aangevochten besluit een noodzakelijke voorwaarde voor de realisatie van het havenuitbreidings- project, het hiertoe allerminst een voldoende voorwaarde is, en als zodanig geen invloed heeft op de kwaliteit van de woon- en leefomgeving van de eerste verzoekende partij; dat het enkele feit dat het bestreden besluit de mogelijkheid schept tot het nemen van beslissingen ter realisatie van het voormelde project, op zich niet kan volstaan om te doen blijken van het rechtens vereiste zeker, persoonlijk en rechtstreeks belang; Overwegende dat de tweede verzoeker inwoner is van het dorp Kieldrecht; dat hij eigenaar is van een perceel grond gelegen te Beveren in de Arenbergpolder, kadastraal bekend sectie E, nr. 215, en dat hij aanpalende percelen, kadastraal bekend sectie E, nrs. 213 en 214, in pacht heeft; dat hij deze percelen uitbaat als landbouwgronden; dat hij aanvoert dat deze gronden in de Arenbergpolder door de bestreden beslissingen worden bedreigd met onteigening, opspuiting of minstens verdroging, en dat hij als inwoner van Kieldrecht tevens ernstig in zijn woonklimaat wordt getroffen aangezien de bestreden beslissingen er enkel toe strekken het betrokken havenuitbreidingsproject te realiseren, waardoor ook het leefklimaat in de overige polderdorpen, andere dan Doel, in het gedrang komt; Overwegende dat de tweede verzoeker geen concrete gegevens bijbrengt waaruit kan blijken dat het feit dat de door hem geëxploiteerde landbouwgronden het statuut verliezen van speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, van enige invloed kan zijn op de mogelijkheid om de betrokken gronden verder als landbouwgronden te exploiteren; dat het bestreden besluit geen rechtsgrond kan vormen voor de onteigening van deze gronden; dat ook de door de X-8446-10/12 tweede verzoeker gevreesde opspuiting of opdroging van de door hem geëxploiteerde gronden geen rechtsgrond kan vinden in het eerste bestreden besluit; dat de bij voormeld besluit van de Vlaamse regering van 17 oktober 1988 aangewezen speciale beschermingszone in de zin van artikel 4 van de richtlijn 79/409/EEG van de Raad van 2 april 1979 inzake het behoud van de vogelstand, in de omgeving van het dorp Kieldrecht door het bestreden besluit zelfs niet wordt ingekrompen; dat, zoals hiervoor uiteengezet, het enkele feit dat het bestreden besluit de mogelijkheid schept tot het nemen van beslissingen ter realisatie van het voormelde project, op zich niet kan volstaan om te doen blijken van het rechtens vereiste zeker, persoonlijk en rechtstreeks belang; Overwegende dat de verzoekende partijen niet doen blijken van het rechtens vereiste zeker, persoonlijk en rechtstreeks belang bij de vernietiging van het eerste bestreden besluit; dat de exceptie van niet-ontvankelijkheid in dit opzicht gegrond is; BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 867,65 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, de eerste en de tweede verzoekende partij ieder ten belope van 347,06 euro, en de derde verzoekende partij (in de vordering tot schorsing) ten belope van 173,53 euro. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf januari 2007, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : X-8446-11/12 de HH. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, G. DEBERSAQUES, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. J. BOVIN. X-8446-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.650 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2000:ARR.87.878 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div