id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.655 Rolnummer: A. 62496/IX-464 Zaak: Arrest 166655 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 15/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2026-06-29 13:24 Versie(s): Vertaling FR Vertaling samenvatting(en) DE Fiche Arrest nr 166.655 van 15 januari 2007 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.655 van 15 januari 2007 in de zaak A. 62.496/IX-
- In zake : Jozef BORGERS, wonende te EKEREN, Gerarduslei 12 tegen : De Post. tussenkomende partijen :
- Paul GOUDESEUNE, wonende te DIKSMUIDE, Esenweg 36,
- Ludo VRANCKEN, wonende te LEUVEN, Naamsevest 24,
- Johan VAN BELLEGHEM, wonende te KNOKKE-HEIST, Van Bunnenlaan 21,
- Willy VAN HAUWERMEIREN, wonende te LEDE, Overimpestraat 23,
- Jan WAUTERS, wonende te HOFSTADE, Hofgrachtlaan
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef BORGERS op 24 februari 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissingen van het directiecomité van De Post van 20 december 1994 waarbij Johan VAN BELLEGHEM, Jan WAUTERS, Ludo VRANCKEN, Willy VAN HAUWERMEIREN, Paul GOUDESEUNE, Henri DEMARET en Claudine DELHAIE worden benoemd tot de graad van adviseur (rang 13) bij de centrale diensten van De Post, de eerste vijf op een betrekking van het Nederlandse kader, de laatste twee op een betrekking van het Franse kader; IX-464-1/10 Gezien de verzoekschriften tot tussenkomst van Paul GOUDESEUNE, Ludo VRANCKEN, Johan VAN BELLEGHEM, Willy VAN HAUWERMEIREN en Jan WAUTERS; Gelet op de beschikking van 4 oktober 1998 die de tussenkomsten van Paul GOUDESEUNE, Ludo VRANCKEN, Johan VAN BELLEGHEM, Willy VAN HAUWERMEIREN en Jan WAUTERS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. LEFEVER; Gelet op de beschikking van 23 oktober 1997 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 22 september 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 oktober 2006, die in voortzetting behandeld is in de openbare terechtzitting van 27 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad L. HELLIN; Gehoord de o p mer k ing en van advo caat F. VANDENDRIESSCHE, die verschijnt voor de verwerende partij en van advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de eerste en de vijfde tussenkomende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; IX-464-2/10
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- De raad van bestuur van De Post beslist op 23 februari 1994 de organieke personeelsformatie van De Post te wijzigen. Deze beslissing wordt bekendgemaakt bij lijst 3.0.0.1./2 van 14 juni 1994 en heeft uitwerking met ingang van 1 januari
- 1.
- Bij lijst 3.2.1.1./13 van 14 september 1994 worden vacante betrekkingen van niveau 1 bekendgemaakt van eerste adviseur en van adviseur. Beide soorten van betrekking kunnen zowel door mutatie als door bevordering worden bekleed. 1.
- Verzoeker, op dat ogenblik eerstaanwezend inspecteur, postuleert, in volgorde van voorkeur, voor de vacante betrekkingen van adviseur bij de achtste gewestelijke directie Antwerpen, bij de algemene directie 4, bij de bestuursdirectie 6.2, bij het algemeen bestuur, bij de algemene directie 7 en bij de algemene directie
- 1.
- Het directiecomité van De Post stemt in zijn vergadering van 7 november 1994 in met de voorstellen tot mutaties en bevorderingen tot de betrekkingen van eerste adviseur en adviseur. Verzoeker wordt voor geen enkele betrekking voorgesteld. Jan WAUTERS en Henri DEMARET worden voorgesteld voor de betrekkingen van adviseur bij het algemeen bestuur, Johan VAN BELLEGHEM voor de betrekking van adviseur bij de algemene directie 2, Willy VAN HAUWERMEIREN en Ludo VRANCKEN voor de betrekkingen van adviseur bij de bestuursdirectie 6.2, Paul GOUDESEUNE en Claudine DELHAIE voor de betrekkingen van adviseur bij de algemene directie
- 1.
- De mutatie- en benoemingsvoorstellen worden verzoeker persoonlijk ter kennis gebracht. 1.
- Op 23 november 1994 tekent verzoeker bezwaar aan tegen voornoemde voorstellen. Hij argumenteert dat de kandidaturen bij wege van een model 3 bekendgemaakt hadden moeten worden en er voorts geen omschrijving van de te bezitten capaciteiten en verdiensten werd gegeven, zodat niet kon worden IX-464-3/10 uitgemaakt wat wel en wat niet diende te worden medegedeeld. Hij meent ook in de statutaire schikking gunstiger gerangschikt te zijn dan de geselecteerden voor beide betrekkingen van adviseur bij het algemeen bestuur, dan een van de geselecteerden voor de betrekking van adviseur bij de bestuursdirectie 6.2., dan de geselecteerden voor beide betrekkingen van adviseur bij de algemene directie 7 en dan de geselecteerde voor de betrekking van adviseur bij de achtste gewestelijke directie Antwerpen. Hij besluit dat het directiecomité voorstelt voor de betrekking van adviseur bij de achtste gewestelijke directie Antwerpen iemand te benoemen, die minder lang ervaring heeft dan verzoeker, zowel in niveau 1 als in het achtste gewest, en met als vierde argument dat niet alle vacante betrekkingen worden voorgesteld te begeven. 1.
- Het directiecomité van De Post weerlegt in zijn vergadering van 20 december 1994 onder meer verzoekers bezwaar om volgende reden: “Het directiecomité stelt vast dat het onderhoud met de klagers geen enkel element naar voren heeft gebracht dat door de leden op het ogenblik van het onderzoek der voorstellen niet gekend was. De klachten worden door de leden unaniem afgewezen.” Het beslist de voorgestelde kandidaten tot adviseur te benoemen. 1.
- Bij lijst 3.2.1.1./82 van 27 december 1994 worden de benoemingen waartoe werd beslist door het directiecomité in zijn zitting van 20 december 1994, meegedeeld.
- De ontvankelijkheid van het beroep. Overwegende dat de verwerende partij de Raad van State in kennis heeft gesteld van het feit dat aan Jan WAUTERS, tussenkomende partij, met ingang van 1 november 2004 eervol ontslag is verleend uit zijn functie van adviseur en hem vergund is haar aanspraak op een onmiddellijk pensioen te doen gelden; dat bovendien Henri DEMARET sinds 31 augustus 2005 DE POST heeft verlaten; dat verzoeker bijgevolg de benoeming van de tussenkomende partij Jan WAUTERS en van Henri DEMARET thans niet meer op nuttige wijze kan bestrijden zodat zijn beroep tegen die benoemingen niet meer ontvankelijk is; IX-464-4/10 Overwegende dat de verwerende partij de Raad van State ook in kennis heeft gesteld van het feit dat Claudine DELHAIE met ingang van 1 november 1994 benoemd werd in de hogere graad van eerste adviseur; dat verzoeker deze beslissing niet heeft bestreden; dat hij evenmin, voor zover zulks mogelijk zou zijn, de uitbreiding van het voorwerp van het vernietigingsberoep heeft gevraagd; dat hij ook niet ter zitting is verschenen om dit gebeurlijk te doen of om het voortbestaan van zijn belang te bepleiten; dat de benoeming van Claudine DELHAIE tot eerste adviseur bij ontstentenis van een vernietigingsberoep definitief is geworden; dat hieruit volgt dat verzoeker niet langer van het vereiste belang bij het beroep tegen de benoeming van Claudine DELHAIE in de graad van adviseur doet blijken; dat zijn beroep tegen die benoeming bijgevolg niet meer ontvankelijk is; Overwegende dat Ludo VRANCKEN en Paul GOUDESEUNE, tussenkomende partijen, de Raad van State eveneens in kennis hebben gesteld dat zij inmiddels gereaffecteerd werden, respectievelijk bij het kantoor Leuven 1 en bij de zone Mail in de regio West- en Oost-Vlaanderen; dat beiden derhalve van een betrekking bij het hoofdbestuur zijn overgegaan naar een betrekking in een gewestelijke directie; dat verzoekers vordering bijgevolg ook niet langer ontvankelijk is voor zover ze gericht is tegen de benoemingen van Ludo VRANCKEN en Paul GOUDESEUNE aangezien zijn belang erin bestaat benoemd te kunnen worden in een van de betrekkingen waarvoor hij in volgorde van voorkeur had gepostuleerd, met name die van adviseur bij de achtste gewestelijke directie te Antwerpen, bij de algemene directie 4, bij de bestuursdirectie 6.2, bij de algemene directie 7 en bij de algemene directie 2; dat dit belang voor de voornoemde betrekkingen teloorgegaan is doordat de benoemden voor die betrekkingen, hangende het geding, op een andere plaats zijn geaffecteerd; Overwegende dat aldus het beroep nog slechts ontvankelijk is in zover het gericht is tegen de benoemingen van Johan VAN BELLEGHEM en Willy VAN HAUWERMEIREN;
- De rechtspleging. Overwegende dat de verwerende partij ter zitting een pleitnota en bijkomende stukken wenst neer te leggen; dat de procedureregeling niet voorziet in de neerlegging van een pleitnota; dat de Raad van State de nota van de verwerende partij dan ook niet als een processtuk bij zijn beoordeling moet betrekken; dat IX-464-5/10 evenwel, gezien als de neerslag van de mondelinge uiteenzetting op de terechtzitting, dergelijk stuk zou kunnen bijdragen tot het begrijpen van de uiteenzetting en dat het de behandeling van de zaak ter terechtzitting zou kunnen bespoedigen; dat, vanuit dat oogpunt en met die beperkte waarde, de pleitnota bij de zaak betrokken wordt; dat, daargelaten de vraag of de principes van het contradictoir debat niet uitsluiten dat de partijen ter terechtzitting bijkomende stukken overleggen, de verwerende partij niet aantoont dat zij niet reeds van bij de aanvang van het geding over die stukken beschikte of kon beschikken; dat die stukken uit de debatten worden geweerd;
- Het stellen van een prejudiciële vraag. 4.
- Overwegende dat de verwerende partij ter terechtzitting vraagt dat in ondergeschikte orde aan het Arbitragehof een aantal prejudiciële vragen zouden worden gesteld met betrekking tot een vermeende schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door de artikelen 1 en 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1996; dat zij hierbij verwijst naar haar sedert de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van de overheidsbedrijven gewijzigde opdrachten en activiteiten; 4.
- Overwegende dat de procedure voor de Raad van State in wezen een schriftelijke procedure is; dat derhalve een belangrijke proceshandeling, zoals een verzoek tot het stellen van een prejudiciële vraag uit een procedurestuk moet blijken; dat het voor de verwerende partij mogelijk was om tijdens de uitwisseling van de memories de Raad van State te verzoeken de in haar mondelinge uiteenzetting ter terechtzitting gesuggereerde prejudiciële vragen aan het Arbitragehof voor te leggen; dat zij er thans niet toe komt uiteen te zetten waarom zij zo lang gewacht heeft om deze vragen te stellen terwijl de door haar aangevoerde gewijzigde opdrachten en activiteiten reeds sedert de genoemde wet van 21 maart 1991 bestaan; dat er sinds de uitwisseling van de laatste memories op dat vlak ook geen nieuwe elementen zijn opgedoken die van aard zijn om thans opeens een mogelijke schending van de Grondwet waar te nemen; dat de Raad van State hierbij vaststelt dat de verwerende partij in haar laatste memorie die dateert van 23 december 1997 geen bijkomende opmerkingen wenst te maken op het auditoraatsverslag terwijl dat verslag nochtans concludeert tot de gegrondheid van de vordering op grond van de schending van artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken gecoördineerd op 18 juli 1996; dat een prejudiciële vraag om proceseconomische redenen en omwille van de vereiste van de wapengelijkheid van de procespartijen, in de regel IX-464-6/10 binnen de procedure waarin de partijen kunnen argumenteren moet worden geformuleerd, of minstens in het eerste processtuk waarin zulks mogelijk is; dat in de gegeven omstandigheden het voor het eerst ter terechtzitting gedane verzoek tot het stellen van vragen aan het Arbitragehof om deze redenen als niet ontvankelijk wordt afgewezen;
- Over de gegrondheid. 5.
- Overwegende dat verzoeker een eerste middel ontleent aan de schending van artikel 43 van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, doordat de nieuwe personeelsformatie van De Post gewijzigd is, zoals blijkt uit lijst 3.0.0.1./2 van 14 juni 1994, zonder dat de taalkaders aan die wijziging zijn aangepast en doordat, bij inkrimping van het organiek kader en bij het niet vaststaan van de noodzaak in een welbepaald taalkader te benoemen, de Raad ambtshalve de onwettigheid van een benoeming opwerpt; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord opwerpt dat verzoeker geen middel gebaseerd op een schending van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken kan aanvoeren aangezien zowel verzoeker als de met de bestreden beslissingen benoemden behoren tot dezelfde taalrol; 5.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord verder stelt dat nergens blijkt dat de op 23 februari 1994 vastgestelde personeelsformatie een inkrimping betreft en dat “met klem (moet) worden tegengesproken dat van enige miskenning van de wetten op het gebruik der talen in bestuurszaken sprake is”; 5.
- Overwegende dat, de derde en de vierde tussenkomende partijen in hun memories opwerpen dat verzoeker niet aantoont dat de “taalkaders in de centrale diensten (K.B. d.d. 23 september 1987 (...)) (...) niet werden nageleefd”; dat zij verder argumenteren dat, voor wat betreft de tweede trap van de hiërarchie, het aantal betrekkingen niet werd overschreden met de benoemingen van 20 december 1994 en dat tot benoeming mag worden overgegaan alvorens de taalkaders aan een nieuwe of gewijzigde personeelsformatie kleiner is dan het aantal in de taalkaders voorziene betrekkingen; IX-464-7/10 5.4.
- Overwegende dat een middel gesteund op de schending van de taalwetgeving, aangezien deze van openbare orde is, zelfs ambtshalve moet worden opgeworpen; dat ongeacht het belang van verzoeker bij zulk middel de Raad van State op grond daarvan de bestreden akte kan nietig verklaren; dat de exceptie niet kan worden aangenomen; 5.4.
- Overwegende dat met ingang van 1 januari 1994 op 23 februari 1994 een nieuwe organieke personeelsformatie voor De Post werd uitgevaardigd door haar raad van bestuur; dat uit het administratief dossier niet kan opgemaakt worden of het aantal betrekkingen van elke graad een verschil toont met het vroegere organiek kader waarvoor het taalkader van 23 september 1987 bestond; dat slechts kan vastgesteld worden dat de nieuwe organieke personeelsformatie grondige verschillen vertoont, aangezien de graden 17 tot 15 blijken te zijn afgeschaft en mandaatfuncties in het leven geroepen zijn; dat de Raad van State hieruit afleidt dat het taalkader van 23 september 1987 niet meer aangepast is aan de nieuwe organieke personeelsformatie. 5.4.
- Overwegende dat de bevoegde overheid, wil ze voldoen aan de vereisten van artikel 43, §§ 3 en 5, van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, waaraan de verwerende partij bij artikel 36, juncto artikel 1, van de wet van 21 maart 1991 betreffende de hervorming van sommige economische overheidsbedrijven, expliciet onderworpen is, vóór iedere benoeming de taalkaders aan de wijzigingen in de personeelsformatie moet aanpassen; dat niet wordt betwist dat de taalkaders op het tijdstip van de bestreden benoemingen niet waren aangepast aan de door de beslissing van 23 februari 1994 van de raad van bestuur van De Post tot vaststelling van de organieke personeelsformatie van De Post gewijzigde personeelsformatie, waardoor de omstreden benoemingen in beginsel niet mochten geschieden; Overwegende dat het verweer van de verwerende partij bijgevolg niet ter zake dienend is; dat het eerste onderdeel van het middel gegrond is; dat er geen grond is om de overige middelen te onderzoeken die, gesteld dat ze gegrond zijn, niet tot een ruimere nietigverklaring zouden kunnen leiden, IX-464-8/10 BESLUIT: Artikel
- Vernietigd worden de beslissingen van het directiecomité van 20 december 1994 waarbij Johan VAN BELLEGHEM en Willy VAN HAUWERMEIREN worden benoemd tot adviseur bij de Centrale diensten van DE POST op een betrekking van het Nederlandse kader. Artikel
- Het beroep wordt voor het overige verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 371,85 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor een vijfde. Het door de tweede tussenkomende partij op haar memorie onverschuldigd aangebrachte recht ten belope van 3.000 frank, thans 74,37 euro, dient te worden terugbetaald. Het door de derde tussenkomende partij op haar memorie onverschuldigd aangebrachte recht ten belope van 3.000 frank, thans 74,37 euro, dient te worden terugbetaald. Het door de vierde tussenkomende partij op haar memorie onverschuldigd aangebrachte recht ten belope van 3.000 frank, thans 74,37 euro, dient te worden terugbetaald. IX-464-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien januari 2000 en zeven, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. L. HELLIN. IX-464-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.655 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.