← België

Arrest 166656 - Organisatie van de dienst - 15/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.656 Rolnummer: A. 177591/IX-5451 Zaak: Arrest 166656 - Organisatie van de dienst - 15/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-26 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 06:17 Fiche Arrest nr 166.656 van 15 januari 2007 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.656 van 15 januari 2007 in de zaak A. 177.591/IX-

  1. In zake : Stefan SATORY, die woonplaats kiest bij advocaat P. MALUMGRE, kantoor houdende te TESSENDERLO, Lichtveld 55, A2 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Stefan SATORY op 12 oktober 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van het besluit van 9 september 2006 van de minister van Landsverdediging waarbij hij bij ordemaatregel voor de duur van drie maanden geschorst wordt en van het besluit van 28 september 2006 waarbij het voornoemd besluit bekrachtigd wordt; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissingen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 16 november 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5451-1/5 Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MALUMGRE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt: 1.
  3. Verzoeker is beroepsvrijwilliger bij de Krijgsmacht. Hij is bekleed met de graad van korporaal. 1.
  4. Op 8 september 2006 stelt de Divisie Personeel aan de minister van Landsverdediging voor elf militairen, onder wie verzoeker, bij hoogdringendheid te schorsen, omwille van het feit dat tegen hen een gerechtelijk onderzoek loopt met betrekking tot extreemrechtse ideologie en het horen van de betrokkenen, gelet op de ernst van de feiten, te veel tijd zou vergen. 1.
  5. Bij ministerieel besluit van 9 september 2006 wordt verzoeker bij hoogdringendheid geschorst voor een duur van drie maanden. Die beslissing, die het eerste voorwerp uitmaakt van de onderhavi- ge vordering tot schorsing, is als volgt gemotiveerd : “(...) Overwegende dat gelet op de ernst van de ten laste gelegde feiten, betrokken militair bij hoogdringendheid dient geschorst te worden, teneinde de goede werking van Defensie te vrijwaren; Dat betrokkene achteraf zal worden gehoord teneinde de schorsing bij ordemaatregel eventueel te bekrachtigen; Overwegende dat een gerechtelijk onderzoek tegen betrokkene werd ingeleid voor ernstige ten laste gelegde feiten die ruimschoots werden becommentarieerd in de media, derwijze dat de militairen en de ambtenaren van het Departement en zeker de personen waarmee hij samenwerkt, redelijkerwijze geacht worden kennis te hebben genomen van de ten laste gelegde feiten; Dat de aanwezigheid van betrokkene in de krijgsmacht de tucht in het gedrang brengt in zoverre dat het niet uit te sluiten valt dat de militairen en de ambtenaren waarmee hij geacht wordt samen te werken, dit met terughoudend- heid zullen doen wat begrijpelijk is en in voorkomend geval zelfs kunnen weigeren samen te werken met betrokkene; IX-5451-2/5 Dat deze bedenkingen op zich reeds een schorsing bij ordemaatregel rechtvaardigen; Overwegende dat, zoals hierboven reeds werd vastgesteld, de ten laste gelegde feiten uitgebreid besproken werden in de pers; Dat men redelijkerwijze niet kan uitsluiten dat een aanzienlijk deel van de burgerbevolking niet zal begrijpen waarom betrokkene, ondanks de ten laste gelegde feiten, nog steeds aanwezig is in de schoot van Landsverdediging; Dat de aanwezigheid van betrokkene in de schoot van Landsverdediging daarom afbreuk doet aan de goede naam van Landsverdediging, zolang deze feiten hem ten laste gelegd worden; Dat deze bedenkingen op zich eveneens een schorsing bij ordemaatregel rechtvaardigen; Overwegende dat een strafrechtelijk onderzoek op zich kan volstaan om een voorlopige schorsing in het belang van de dienst te rechtvaardigen; Overwegende dat het gerechtelijk onderzoek lopende is en dat het moeilijk is de duur ervan vooraf te bepalen; Dat het bijgevolg logisch is om de maximale duur van schorsing bij ordemaatregel op te leggen, zijnde drie maanden; Dat, in geval van noodzaak, de duur van de schorsing bij ordemaatregel door mij verlengd zal kunnen worden.” 1.
  6. Op 11 september 2006 neemt verzoeker kennis van het besluit van 9 september
  7. Op 14 september 2006 dient hij een verweerschrift in en vult dit op 18 september 2006 aan. 1.
  8. Bij ministerieel besluit van 28 september 2006 wordt het ministerieel besluit van 9 september 2006 bekrachtigd. Dat besluit, dat het tweede voorwerp uitmaakt van de onderhavige vordering tot schorsing, luidt als volgt: “Gelet op de wet van 12 juli 1973 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht, inzonderheid op artikel 14, vervangen door de wet van 15 februari 2005; Gelet op het koninklijk besluit van 11 juni 1974 betreffende het statuut van de vrijwilligers van het actief kader van de krijgsmacht, inzonderheid op artikel 2, gewijzigd bij het koninklijk besluit van 23 juni 2005; Overwegende dat betrokkene bij ministeriële beslissing nummer 87261 van 9 september 2006 bij hoogdringendheid geschorst werd; Overwegende dat betrokkene met de nota HRG-A/D/Tucht-06-062394 van 11 september 2006 op de hoogte werd gebracht dat de schorsing bij ordemaatre- gel naar aanleiding was van het gerechtelijk onderzoek met betrekking tot een extreemrechtse ideologie; Dat hij deze nota voor ontvangst handtekende op 11 september 2006; Overwegende dat betrokkene ondertussen de mogelijkheid geboden werd om een verweer in te dienen, wat hij ook deed op 14 september 2006; Overwegende dat ik niet akkoord kan gaan met de door betrokkene aangehaalde argumenten; Overwegende dat betrokkene stelt dat hij niet gehoord werd; Dat het horen van betrokkene zowel schriftelijk als mondeling kan gebeuren zoals ingeschreven in de beginselen van behoorlijk bestuur; IX-5451-3/5 Dat omwille van het feit dat betrokkene zijn verweer heeft kunnen laten gelden aan de principes van het recht om gehoord te worden werden voldaan; Overwegende dat betrokkene de feiten ontkent; Dat de schorsing bij ordemaatregel een maatregel van orde is en geen uitspraak doet over zijn schuld; Dat het duidelijk is dat het gerechtelijk onderzoek nog lopende is daar betrokkene vrijgelaten werd onder voorwaarden; Dat het bestaan van een gerechtelijk onderzoek tegen betrokkene op zich al voldoende is om hem te schorsen; Dat dit onderzoek zal uitmaken of betrokkene al dan niet doorverwezen wordt naar de rechtbank; Overwegende dat betrokkene zijn goede wijze van dienen, zijn goede beoordelingen en afwezigheid van tuchtstraffen aanhaalt; Dat zijn vroegere goede staat van dienst geen afbreuk doet aan de ernst van de actuele feiten die hebben geleid tot het gerechtelijk onderzoek tegen betrokkene; Overwegende dat betrokkene stelt dat alle persberichten opgeklopt zijn; Dat er zeer ruime media-aandacht geweest is rond deze zaak, derwijze dat de militairen en de ambtenaren van het Departement en zeker de personen waarmee hij samenwerkt, redelijkerwijze geacht worden kennis te hebben genomen van de ten laste gelegde feiten; Dat redelijkerwijze niet kan uitgesloten worden dat een aanzienlijk deel van de burgerbevolking niet zal begrijpen waarom betrokkene, ondanks de ten laste gelegde feiten, nog steeds aanwezig is in de schoot van Landsverdediging; Dat door deze berichten de goede naam van de krijgsmacht in het gedrang komt; Overwegende dat betrokkene verklaart dat de schorsing zware gevolgen zal hebben voor hem; Dat de definitieve rechtstoestand van betrokkene op het einde van de schorsing zal worden vastgesteld en geregulariseerd, naargelang de uitspraak; Dat momenteel het algemeen belang dat beoogd wordt opweegt tegen het individueel belang van betrokkene; Overwegende dat uit de gegevens waar ik momenteel over beschik, inclusief het verweerschrift, niet blijkt dat er geen nadelige invloed zou kunnen zijn voor de tucht of de goede naam van de krijgsmacht;”
  9. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  10. Overwegende dat de preventieve schorsing, die het voorwerp vormt van de onderhavige vordering, ingegaan is op 11 september 2006 en dat zij afgelopen is op 10 december 2006; dat zij op zich, op dit ogenblik aan verzoeker geen nadeel meer berokkent; dat, aangezien een schorsing door de Raad van State enkel voor de toekomst geldt, dergelijk schorsingsarrest niets meer kan veranderen IX-5451-4/5 aan het nadeel dat verzoeker koppelt aan de bestreden beslissingen; dat de vordering om die reden verworpen moet worden, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  12. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien januari 2000 en zeven, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5451-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.656 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.357 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.