← België

Arrest 166711 - Organisatie van de dienst - 16/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.711 Rolnummer: A. 178507/IX-5461 Zaak: Arrest 166711 - Organisatie van de dienst - 16/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-18 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2026-06-29 13:27 Fiche Arrest nr 166.711 van 16 januari 2007 Openbaar ambt - Organisatie van de dienst Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.711 van 16 januari 2007 in de zaak A. 178.507/IX-

  1. In zake : Angelo DECEUNINCK, die woonplaats kiest bij advocaat W. VANDENBUSSCHE, kantoor houdende te HARELBEKE, Tuinstraat 37 tegen : de Politiezone Dentergem/Ingelmunster/Meulebeke/Oostroze- beke/Wielsbeke (MIDOW). --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Angelo DECEUNINCK op 15 november 2006 heeft ingediend om de schorsing te vorderen van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 18 september 2006 van het politiecollege van de Politiezone Dentergem/Ingelmunster/Meulebeke/Oostrozebeke/Wielsbeke (MIDOW) waarbij hij voorlopig geschorst wordt gedurende vier maanden met inhouding van 10% van zijn wedde, met het verbod om de lokalen te betreden en het verbod om de personeelsleden van de zone, inzonderheid de vrouwelijke personeelsleden, ongewenst te storen; Gezien het gelijktijdig ingediende verzoekschrift, waarbij dezelfde verzoekende partij de vernietiging vordert van dezelfde beslissing; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur H. COLIN; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 19 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 januari 2007; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; IX-5461-1/4 Gehoord de opmerkingen van advocaat W. VANDENBUSSCHE, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. LIETAER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat verzoeker hoofdinspecteur van politie is in de politiezone MIDOW; dat het politiecollege hem, in het kader van gerechtelijke opsporingsonderzoeken en een onderzoek door de Algemene Inspectie van de Federale en de Lokale Politie aangaande het plegen van valsheid in geschriften, inbreuk op de wetgeving inzake de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en andere inbreuken op de strafwet, op 18 september 2006 overeenkomstig artikel 59 tot 65 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten, voorlopig geschorst heeft voor een periode van vier maanden met inhouding van 10% van zijn wedde en met een verbod tot toegang van de politielokalen en tot ongewenst storen van de -inzonderheid de vrouwelijke- personeelsleden van de zone; dat die beslissing, die het voorwerp vormt van de onderhavige vordering, aan verzoeker ter kennis gebracht is en uitvoering gekregen heeft op 18 september 2006;
  3. Overwegende dat overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging kan worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  4. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat verzoeker erop wijst dat de bestreden “preventieve tuchtsanctie” zijn rechten van verdediging in een latere straf- of tuchtprocedure zal benadelen omdat er een vooroordeel zal uit voortvloeien, dat zijn goede naam met de dag meer geschonden wordt en zijn gezagsfunctie in het gedrang komt, nu hij het voorwerp vormt van insinuaties, verdachtmakingen en roddels en dat hij ook op privégebied nadeel lijdt, in die zin dat hij in de zomer van 2006 gehuwd is en de klachtenregen tegen hem dat huwelijk IX-5461-2/4 onder druk zet en hij geen sociaal leven meer heeft omdat hij voortdurend uitgevraagd wordt over “de ganse situatie”; 3.2.
  5. Overwegende dat, in het licht van de vaststelling dat de vordering betrekking heeft op een schorsing die slechts vier maanden duurt en de vordering ingesteld is bijna twee maanden nadat de preventieve schorsing uitwerking gekregen heeft, de uiteenzetting van verzoeker ongeloofwaardig overkomt; 3.2.
  6. Overwegende dat een preventieve schorsing een bewarend karakter heeft, dat zij niet tuchtrechtelijk van aard is en dat er ook geen uitspraak mee wordt gedaan over de schuld van verzoeker, maar dat zij uitsluitend gericht is op de goede werking van de dienst; dat dergelijke maatregel in beginsel geen nadeel doet ontstaan dat niet hersteld zal worden door een vernietigingsarrest of door de intrekking ervan bij toepassing van artikel 65 van de tuchtwet; dat het aan de verzoeker toekomt om aan te tonen dat bijzondere redenen verantwoorden dat in zijn geval van die algemene regel afgeweken wordt; Overwegende dat verzoeker de bestreden beslissing kwalificeert als een “preventieve tuchtsanctie”, die zijn rechten van verdediging in een strafprocedure of een tuchtprocedure hypothekeert, die zijn terugkeer in het korps steeds moeilijker maakt en die er mee voor verantwoordelijk is dat zijn huwelijk en zijn sociaal leven ernstig belast worden; dat evenwel, als gezegd, de preventieve schorsing geen uitspraak bevat over de schuld van verzoeker, maar dat zij hem enkel uit de dienst verwijderd houdt omdat er tegen hem onderzoeken worden gevoerd en zijn aanwezigheid het dienstbelang zou schaden; dat voorts het nadeel dat verzoeker aanvoert uitgaat van een verkeerde perceptie, door hemzelf en door zijn omgeving, van de juridische draagwijdte van de bestreden maatregel; dat een schorsing van de bestreden beslissing ook geen halt kan toeroepen aan de onderzoeken die tegen hem worden gevoerd en aan de zogenaamde klachtenregen die zijn huwelijk en zijn sociaal leven zouden bedreigen; dat verzoeker aldus helemaal niet aantoont dat zijn geval zich buiten het gewone situeert; dat het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aldus niet aangetoond is;
  7. Overwegende dat de tweede grondvoorwaarde waaronder de Raad van State de schorsing van de tenuitvoerlegging kan bevelen, niet vervuld is, IX-5461-3/4 BESLUIT: Artikel
  8. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
  9. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien januari 2000 en zeven, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-5461-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.711 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.179.260 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.