← België

Arrest 166767 - Overheidsopdrachten - 16/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.767 Rolnummer: A. 179425/XII-4954 Zaak: Arrest 166767 - Overheidsopdrachten - 16/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 13:36 Fiche Arrest nr 166.767 van 16 januari 2007 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE. nr. 166.767 van 16 januari 2007 in de zaak A. 179.425/XII-

  1. In zake : de BV MAZON, vennootschap naar Nederlands recht die woonplaats kiest bij advocaten R. Peeters en D. Aerts, kantoor houdende te Overijse, Brusselsesteenweg 506 tegen : de BELGISCHE STAAT, vertegenwoordigd door de minister van Mobiliteit, die woonplaats kiest bij advocaten J. Vanden Eynde en B. Van Hyfte, kantoor houdende te 1050 Brussel, Kroonlaan
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de BV Mazon op 15 december 2006 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van “de beslissing van de Belgische Staat van de Minister van Mobiliteit van 26 november 2006 waarbij de offerte vanwege de verzoekende partij als technisch niet conform wordt beschouwd en waarbij de overheidsopdracht voor de levering van 851.000 kentekenplaten en 20.250 duplicaten van kentekenplaten aan het Directoraat-Generaal Mobiliteit en Verkeersveiligheid werd gegund aan Office Technique des Markings alsmede (minstens impliciet) van de beslissing van de Belgische Staat van de Minister van Mobiliteit van 17 mei 2006 houdende vaststelling van het bestek (BC/PLA/0602) voor levering van kentekenplaten en bij samenhang het bestek BC/PLA/0602 zelf”; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 18 december 2006 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 januari 2007, om 10.30 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; XII-4954-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat D. Aerts, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat B. Van Hyfte, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur P. Barra; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; De gegevens van de zaak Overwegende dat de gegevens van de zaak kunnen worden samengevat als volgt :
  3. De in het geding zijnde opdracht wordt in het Publicatieblad van de Europese Gemeenschappen van 1 juni 2006 aangekondigd op grond van bestek BC/PLA/
  4. Dit bestek vervangt het ingetrokken initiële bestek BC/PLA/0601 waaromtrent rechtsstrijd was gevoerd voor de Raad van State onder meer door de verzoekende partij, uitmondend in het arrest nr. 157.364 van 6 april
  5. De te dezen meest relevante bepalingen uit het bestek BC/PLA/0602 kunnen als volgt worden geschetst. De opdracht wordt gegund volgens de procedure van de algemene offerteaanvraag. Het voorwerp ervan is de levering van kentekenplaten aan de FOD Mobiliteit en Vervoer. Het is een opdracht volgens prijslijst. De levering omvat de aanmaak, verpakking, transport en aflevering van twee categorieën , een categorie 1 die 12 types van originele kentekenplaten en een categorie 2 die duplicaten van 10 types van kentekenplaten van categorie 1 omvat. De opdracht heeft een looptijd van één jaar met mogelijkheid tot verlenging met tweemaal een jaar. De vermoedelijke hoeveelheid van 1 jaar voor categorie 1 is 851.000 en is 20.250 voor categorie
  6. Onder punt 6.1.
  7. van het bestek wordt over de aluminiumplaat onder meer gesteld dat de kentekenplaten vervaardigd zijn uit aluminiumplaat van het type EN AW-1050A H/22, overeenkomstig de normen EN-
  8. XII-4954-2/11 Onder hoofdstuk 8 - “Proeven” wordt onder meer vermeld : “8.1.
  9. Overeenstemming tekens (18 proefplaten) Verificatie van de overeenstemming van vorm en kleur van de tekens op de ingediende proefplaten met de tekens beschreven in de technische bijlage. De kleur wordt in principe geverifieerd op basis van vergelijkende modellen (zie punt 8.2.2.4.) [...] 8.2.1.
  10. De aanbestedende overheid behoudt zich het recht voor, om bij een laboratorium naar haar keuze, over te gaan tot metingen en proeven op de geleverde stalen. Het doel van deze metingen en proeven is : 1/ - het opsporen van technisch niet conforme stalen; 2/ - bij de technisch conforme stalen, een objectieve vergelijking uitvoeren van de aangeboden stalen. Evenwel, indien metingen of proeven, bij alle inschrijvers, in die mate negatieve resultaten aangeven dat geen enkel offerte als technisch conform kan beschouwd worden, kan de aanbestedende overheid aan elke regelmatige inschrijver nieuwe stalen en proefplaten vragen om op deze de ongunstige beoordeelde metingen en proeven over te doen. [...] 8.2.2.
  11. Chromaticiteit (24 stalen ref. 7.2.2.3., desgevallend stalen ref. 7.2.2.4.) De trichromatische coördinaten van de folie van de proefstukken zijn begrepen binnen de grenzen van de zone bepaald door de respectievelijke overeenkomstige coördinaten vastgesteld in de respectievelijke tabellen van de technische bijlagen. De kleur bezit de aangeduide minimale luminatiefactor. Voornoemde vereisten zijn deze van publicatie CIE 39-2 : ‘Recommendations for surface colours for visual signaling’ voor dagwaarneming. De kleur wordt gemeten onder een belichtingshoek van 45/, een waarnemingshoek van 0/ en via een spectrofotometrische methode volgens de aanbevelingen van publicatie CIE 15:2004 ‘Colorimetry’. De kleurberekeningen worden uitgevoerd met lichtbronstandaard D 65 van de CIE. Ingeval van twijfel bij het bepalen van de kleur van de tekens van de plaat zoals voorzien in 8.1.1., zullen eveneens de trichromatische coördinaten van minstens één teken per twijfelachtige proefplaat worden bepaald. Ze zullen worden vergeleken met de zone begrensd door de coördinaten van de tabellen van de respectievelijke technische bijlagen. 8.2.2.
  12. Interpretatie metingen van de uitslagen inzake catadioptrie en chromaticiteit De metingen voor het bepalen van de retroreflectiecoëfficiënt en de trichromatische coördinaten van een bepaalde kleur van de folie worden telkens uitgevoerd op drie proefstukken van 100 x 100 mm. De metingen voor het bepalen van de trichromatische coördinaten van de kleur van de tekens worden uitgevoerd op drie afgewerkte platen, proefplaten genoemd. Zo de metingen op al de proefstukken of proefplaten tenminste dezelfde uitslagen als de voorgeschreven waarden geven, wordt de partij aangenomen of de inschrijving nog steeds als technisch conform beschouwd. Zo de metingen op één enkel proefstuk een negatieve uitslag geven, worden zij op drie andere proefstukken of op één andere proefplaat overgedaan. Zo de metingen op één of meerdere proefstukken of proefplaten andermaal negatieve uitslagen geven, weigert de aanbestedende overheid in principe de partij of beschouwt zij de inschrijving als technisch niet conform. In het XII-4954-3/11 tegengestelde geval wordt de partij aangenomen of de inschrijving nog steeds als technisch conform beschouwd. Indien echter de metingen voor alle inschrijvers dusdanige negatieve uitslagen geven dat alle inschrijvers dienen geweigerd te worden, kan de aanbestedende overheid aan alle regelmatige inschrijvers nieuwe proefstukken en proefplaten vragen om de kritisch bevonden metingen te herdoen op die nieuwe stalen”. Onder punt 9.
  13. worden de vier gunningscriteria weergegeven; het bedrag van de offerte (44 punten), de kwaliteit van het product (36 punten), de leveringstermijn voor de eerste gedeeltelijke levering van kentekenplaten (categorie 1) (10 punten) en de leveringstermijn voor de levering van de duplicaten (categorie 2) (10 punten). In de voormelde publicatie CIE 15:2004 wordt onder 5.2.
  14. en 5.2.
  15. telkens een procedure beschreven voor de meting van de kleur van de tekens, namelijk de “forty-five degree annular/normal geometry (45/a:0/)” en de “forty-five degree directional/normal geometry (45/x:0/)”.
  16. Er worden twee offertes ingediend : één door de verzoekende partij en één door de NV Office Technique des Markings (OTM). De opening der offertes grijpt plaats op 17 juli
  17. De proefplaten worden onder meer op kleur van de tekens (er zijn drie kleuren: groen, rood en blauw) getest door het laboratorium CVBA “Centraal Laboratorium voor Elektriciteit (C.L.E.)”. 4.
  18. Een eerste test grijpt plaats op 8 september
  19. Wat de platen van OTM betreft wordt vastgesteld dat de chromaticiteitswaarden van de groene en rode tekens zich binnen de gestelde grenswaarden situeren, die van de blauwe niet, maar daar toch zeer dichtbij komen. Wat de platen van de verzoekende partij betreft wordt vastgesteld dat de chromaticiteit zich voor de drie kleuren buiten de grenswaarden situeert. 4.
  20. Een tweede test vindt plaats op 26 oktober
  21. Ditmaal wordt vastgesteld, wat de platen van OTM betreft, dat elke kleur van de tekens aan de grenswaarden voldoet. Betreffende de kleuren van de verzoekende partij wordt vastgesteld dat geen enkele kleur voldoet met licht voorbehoud voor twee groene XII-4954-4/11 tekens waarvan (“les coordonnées mesurées sont en dehors des limites du cahier des charges mais se situent dans l’incertitude de mesure”).
  22. Hierop beslist de bevoegde minister op 23 november 2006 de opdracht te gunnen aan NV Office Technique des Markings voor een bedrag van 1.659.410,94 euro inclusief BTW. In deze beslissing zit de eerste bestreden beslissing vervat. Hij overweegt hierbij onder meer hetgeen volgt : “gelet op het feit dat bij de chromaticiteitstest uitgevoerd op de tekens van de door de firma OTM aangeboden stalen van kentekenplaten de waarden van de trichromatische coördinaten voor het blauw (internationale kentekenplaten) buiten de grenzen vallen van de in het Bijzonder Bestek bepaalde beperkingen; (bijlage 6/1) gelet op het feit dat bij de chromaticiteitstest uitgevoerd op de tekens van de door de firma MAZON aangeboden stalen van kentekenplaten de waarden van de trichromatische coördinaten voor alle kleuren buiten de grenzen vallen van de in het Bijzonder bestek bepaalde beperkingen; (bijlage 6/2) gelet op het feit dat, in dat geval, geen van beide offertes als technisch conform kan beschouwd worden; gelet op het feit dat overeenkomstig punt 8.2.1.
  23. van het Bijzonder Bestek, indien metingen of proeven, bij alle inschrijvers, in die mate negatieve resultaten aangeven dat geen enkel offerte als technisch conform kan beschouwd worden, kan de aanbestedende overheid aan elke regelmatige inschrijver nieuwe stalen en proefplaten vragen om op deze de ongunstige beoordeelde metingen en proeven over te doen. gelet op het feit dat op 18/10/2006, beide inschrijvers derhalve gevraagd werden nieuwe stalen van kentekenplaten aan te bieden om ervan de kleuren van de tekens aan een tweede chromaticiteitstest te onderwerpen; (bijlage 6/3) gelet op het feit dat bij deze tweede chromaticiteitstest uitgevoerd op de tekens van de door de firma OTM aangeboden stalen van kentekenplaten de waarden van de trichromatische coördinaten van alle kleuren binnen de grenzen vallen van de in het Bijzonder bestek bepaalde beperkingen; (bijlage 6/4) gelet op het feit dat bij deze tweede chromaticiteitstest uitgevoerd op tekens van de door de firma MAZON aangeboden stalen van kentekenplaten de waarden van de trichromatische coördinaten voor alle kleuren buiten de grenzen vallen van de in het Bijzonder bestek bepaalde beperkingen; (bijlage 6/5) gelet op het feit dat, in dat geval en overéénkomstig punt 8.2.2.
  24. van het Bijzonder bestek de offerte afgegeven door de firma MAZON als technisch niet conform dient te worden beschouwd; gelet op het feit dat derhalve alleen de offerte afgegeven door de firma OTM technisch conform is en volledig aan alle bepalingen van het Bijzonder bestek beantwoordt”. XII-4954-5/11
  25. De verzoekende partij wordt door de verwerende partij van die beslissing in kennis gesteld met een brief gedagtekend op 1 december 2006, aan de post afgegeven op 6 december 2006; Exceptie betreffende de tweede bestreden beslissing
  26. Overwegende dat de verwerende partij in een exceptie betoogt dat de vordering niet ontvankelijk want laattijdig is in zoverre zij de schorsing van de tenuitvoerlegging beoogt van het bestek BC/PLA/0602 en de beslissing houdende vaststelling van dat bestek; Overwegende dat de exceptie wordt aanvaard; dat de verzoekende partij op het ogenblik van het indienen van haar beroep al meer dan zestig dagen kennis heeft van het bestek; dat zulks kan worden afgeleid uit de indiening van haar offerte op 14 juli 2006; dat dit echter vooral blijkt uit het feit dat de verzoekende partij reeds op 29 juni 2006 een vordering heeft ingesteld tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het voormelde bestek en de beslissing tot vaststelling ervan - vordering die bij arrest nr. 161.206 verworpen werd; dat hierna de vordering enkel nog wordt besproken in zoverre ze de eerste bestreden beslissing betreft, waarbij de offerte van de verzoekende partij als technisch niet conform wordt verklaard; De grondvoorwaarden tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid
  27. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoer- legging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen;
  28. Overwegende, wat de tweede voorwaarde betreft, dat de verzoekende partij een eerste middel steunt op “de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, schending van de motiveringsverplichting, van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige XII-4954-6/11 opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten; artikel 12 van het EG-verdrag (gelijkheidsbeginsel); schending van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; schending van het gelijkheidsbeginsel”; dat zij daartoe nader betoogt dat artikel 6.1.
  29. van het bestek BC/PLA/0602 eist dat de platen vervaardigd zijn uit aluminiumplaat type EN AW1050A H/22 overeenkomstig de normen EN- 485, dat in het eerder geldend bestek BC/PLA/0601 er sprake was van aluminium “samengesteld uit 99,5 % half-hard overeenkomstig de norm P21.00 van het Belgisch instituut voor Normalisatie, erkend bij K.B. van 29 januari 1959", dat de offerte van de firma OTM vermeldt dat haar platen vervaardigd zijn volgens bestek BC/PLA/0601 en dat de offerte van OTM dienvolgens niet regelmatig is aangezien het verkeerde type aluminium is gebruikt; Overwegende dat de verwerende partij antwoordt dat de offerte van OTM op geen ogenblik verwijst naar de norm P21.00, dat omzeggens op elke bladzijde van haar offerte OTM naar het bestek BC/PLA/0602 verwijst, dat sporadisch in de offerte wordt verwezen naar het oude bestek BC/PLA/0601 maar zulks dan gevolg is van een materiële schrijffout, dat de verzoekende partij zich in haar offerte trouwens aan eenzelfde fout bezondigt bijvoorbeeld wat de retroreflecterende film betreft; Overwegende dat bij nazicht van de offerte van OTM het lijkt dat zoals de verwerende partij aangeeft de voormelde verkeerde verwijzingen op verschrijvingen berusten waaruit niet mag worden afgeleid dat aldus de verbintenis van deze inschrijver ten aanzien van het bestek BC/PLA/0602 zou zijn aangetast; dat immers in de eerste plaats er op de brief die de offerte begeleidt enkel sprake is van bestek BC/PLA/0602; dat voorts ook op de eerste bladzijde van de offerte in de hoofding sprake is van bestek BC/PLA/0602; dat weliswaar op diezelfde bladzijde ook naar het oude bestek BC/PLA/0601 wordt verwezen betreffende de gebezigde materialen maar meteen ook wat de aluminiumplaten betreft naar de producent Novelis; dat in het attest van de aluminiumleverancier Novelis bij de offerte van OTM er wel degelijk sprake is van legering (“Werkstoff/alloy/alliage”) 1050A wat op het eerste gezicht lijkt overeen te stemmen met het gevraagde type onder punt 6.1.
  30. van het bestek BC/PLA/0602; dat in het attest van Novelis bij de offerte van de verzoekende partij er trouwens ook sprake is van legering “1050”; dat de verzoekende partij in elk geval het attest van Novelis bij de offerte OTM niet betwist wat de op dit attest vermelde legering betreft; dat het middel niet ernstig is; XII-4954-7/11
  31. Overwegende dat de verzoekende partij een tweede middel steunt op “schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; schending van de motiveringsverplichting; schending van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en artikel 110, §§ 1 en 2, van het koninklijk besluit van 6 januari 1996; schending van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; schending van het gelijkheidsbeginsel”; dat daartoe in een eerste onderdeel wordt betoogd dat het bestek (8.1.
  32. - 8.2.2.4.) stelt dat de verificatie van de vorm en kleur van de tekens op de proefplaten gebeurt op basis van vergelijkende modellen en dat in geval van twijfel de trichromatische coördinaten van minstens één teken worden bepaald, dat dus pas in geval van twijfel de trichromatische coördinaten worden vastgesteld, dat de verwerende partij te dezen niet aantoont dat er twijfel was en meting noodzakelijk, dat deze twijfel niet bestond, dat in de bestreden beslissing ook niet wordt verduidelijkt welke vergelijkende modellen gehanteerd werden; dat in een tweede, ondergeschikt, onderdeel, betoogd wordt dat, mocht de Raad menen dat er toch metingen nodig waren, het bestek inzake de bepaling van de chromaticiteit naar de aanbevelingen verwijst van publicatie CIE 15:2004 “colorimetry” voor wat betreft de meting van een kleur met lichtbronstandaard D65 onder een belichtingshoek van 45/en een waarnemingshoek 0/, dat er alsdan echter twee procédés mogelijk zijn volgens Cie 15:2004 namelijk met een ringvormig verspreid licht en met een licht vanuit één punt (“azimuth hoek”), dat het bestek daaromtrent de te kiezen methode niet verduidelijkt zodat de beide procédés evenwaardig zijn, dat naar hetgeen aan de verzoekende partij mondeling is medegedeeld het laboratorium van de verwerende partij de azimuth methode heeft gebruikt en tot de conclusie kwam dat de kleuren niet voldeden, dat de verzoekende partij het Duitse Institüt für Lackprüfung gevraagd heeft de kleuren te meten en dat aldaar - bij ringvormig licht - de kleuren wel voldeden bij de metingen zodat de proefplaten wel conform waren; dat de verzoekende partij in ondergeschikte orde daaromtrent de aanwijzing van een deskundige vraagt; dat de verzoekende partij er ten slotte op wijst dat het hier in wezen om een minder belangrijk voorschrift gaat dat niet kan leiden tot onregelmatigheid; Overwegende dat de verwerende partij bij het eerste onderdeel opmerkt dat er wel degelijk een visuele proef is gebeurd en deze twijfel opleverde en bij het tweede onderdeel, dat de uitgevoerde proeven tot een voor de verzoekende partij negatief resultaat leidden, dat het optredend laboratorium beschikt over een erkenning door de Belgische en de Europese overheden, dat geen gegeven van die XII-4954-8/11 aard wordt bijgebracht over het Duitse laboratorium ingeschakeld door de verzoekende partij, dat het voorts te dezen een technisch complexe problematiek betreft, waarvoor de aanstelling van een deskundige is vereist die niet in een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden ingepast, dat de proefplaten van de beide inschrijvers aan dezelfde proeven werden onderworpen; Overwegende, wat het eerste onderdeel betreft, dat in de eerste plaats de verwerende partij een stuk aanbrengt waaruit zou moeten blijken dat de visuele controle gebeurde; dat de relevantie van die controle echter lijkt te moeten worden gerelativeerd; dat immers in het bestek een beschrijving wordt gegeven van de waardenvork waartussen de verschillende kleuren zich dienen te bevinden; dat dit het fundamentele kleurcriterium lijkt, en niet de visuele controle door mensenogen die slechts subjectieve waarnemingen zijn en waarbij de minste twijfel over de kleurenwaarden, in de geest van het bestek, lijkt te mogen en voor een zorgvuldige opdrachtgevende overheid lijkt te moeten leiden naar de wetenschappelijke proef; Overwegende, wat het tweede onderdeel betreft, dat het bestek inderdaad niet lijkt aan te geven welk procédé (azimuth dan wel ringlicht) dient te worden aangewend; dat de uitgevoerde analyse van Laborelec blijkbaar onder dezelfde omstandigheden werd toegepast op de beide betrokken offertes; dat de vraag of andere resultaten worden verkregen naargelang het procédé, waaromtrent de verzoekende partij een verklaring van een fabrikant van kleurmeetsystemen voorlegt, van dermate technische aard lijkt dat de Raad van State niet bij machte is die vraag te beslechten zonder deskundige ondersteuning; dat de aanwijzing van een deskundige echter niet in te passen is in de huidige procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat de verwerende partij niet kan worden verweten relevante informatie te hebben miskend nu de resultaten van het Duitse laboratorium pas met de huidige procedure worden voorgebracht; dat in die omstandigheden niet aangenomen lijkt te kunnen worden dat de beweringen van de verzoekende partij in het middel een dusdanige twijfel opleveren dat deze zonder deskundigenonderzoek een schorsing zou rechtvaardigen; dat zulks des te meer geldt aangezien de verzoekende partij zoals hiervoor onder randnummer 7 reeds vastgesteld, voor de Raad van State het bestek op het technisch vlak reeds in twijfel heeft kunnen trekken en dus ruim de tijd en de mogelijkheid heeft gehad om, voordat de thans bestreden beslissing werd genomen, de nu aangebrachte discussie over de beide mogelijke procédés aan te gaan; dat het middel niet ernstig is; XII-4954-9/11
  33. Overwegende dat de verzoekende partij een derde middel steunt op “ schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet; schending van artikel 1, § 1, van de wet van 24 december 1993, schending van artikel 12 van het EG-verdrag; schending van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur; schending van het gelijkheidsbeginsel”; dat zij daartoe doet gelden dat het bestek onduidelijk is en dienvolgens onwettig omdat er niet voldoende precies kan uit worden afgeleid volgens welke methode de kleur van de tekens dient te worden gemeten, dat de publicatie CIE 15:2004 immers in twee methoden voorziet voor de meting van de kleur onder een belichtingshoek van 45/ en een waarnemingshoek van 0/, dat Laborelec slechts één methode heeft gebruikt, dat de bedoelde criteria dus vaag en onduidelijk zijn en de verzoekende partij hebben misleid; Overwegende dat de verwerende partij tegenwerpt dat CIE 15:2004 wel in tien methoden voorziet, dat het laboratorium als gespecialiseerde instelling zelf dient te bepalen welke procedure ze hanteren, dat de methode die het Duitse laboratorium heeft gehanteerd eerder geschikt is voor retroreflecterende tekens, dat te dezen de betrokken tekens niet van die aard zijn, dat het middel een zuiver technische kwestie wil doen beslechten, niet geschikt voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid; Overwegende dat het middel, zoals het tweede middel, zich wegens de technische inslag ervan, zich niet leent tot de uiterst snelle en daardoor uiterst summiere toetsing die inherent is aan een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat het opnieuw overigens aan de verzoekende partij vrijstond die discussie over de metingsmethodes reeds eerder te voeren; dat het middel niet ernstig is; Overwegende dat geen van de middelen ernstig is; dat dienvolgens niet is voldaan aan de tweede van de door het voormelde artikel 17 voorgeschreven voorwaarden: dat die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen, BESLUIT: Artikel
  34. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. XII-4954-10/11 Artikel
  35. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien januari 2007, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-4954-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.767 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.