← België

Arrest 166821 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.821 Rolnummer: A. 118268/VII-26081 Zaak: Arrest 166821 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-30 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 13:41 Fiche Arrest nr 166.821 van 17 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.821 van 17 januari 2007 in de zaak A. 118.268/VII-26.081 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. ROBERT, kantoor houdende te 1030 BRUSSEL, Paleizenstraat 154 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Colombiaanse nationaliteit, op 29 maart 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 13 maart 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gelet op het arrest nr. 105.201 van 27 maart 2002 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de genoemde bestreden beslissing wordt verworpen; Gelet op de beschikking van 11 april 2002 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op het administratief dossier; Gezien de memories van antwoord en wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 23 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting van de verzoekende partij teneinde te worden gehoord; VII-26.081-1/8 Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. ROBERT, die verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari

  1. De feiten. 1.
  2. De verzoekende partij is in België binnengekomen op 17 december 2001 en heeft zich op 21 december 2001 vluchteling verklaard. Zij was bij haar binnenkomst in België in het bezit van een nationaal Colombiaans paspoort voorzien van een Schengenvisum, geldig van 13 december 2001 tot 12 januari 2002 en afgeleverd door de Duitse ambassade te Bogotà op 6 december
  3. 1.
  4. Bij fax van 8 januari 2002 vraagt België aan de Duitse autoriteiten een overname van behandeling van de asielprocedure van de verzoekende partij, bij toepassing van de Conventie van Dublin. 1.
  5. Bij fax van 30 januari 2002 laten de Duitse autoriteiten weten dat zij instemmen met de overname van de behandeling van de asielprocedure. Op 6 februari 2002 deelt België aan de Duitse autoriteiten mee dat de overdracht vrijwillig zal plaatsvinden. 1.
  6. De verzoekende partij werd in het bezit gesteld van een doorlaatbewijs, geldig van 6 februari 2002 tot 12 februari 2002, voor de overdracht van België naar Duitsland. 1.
  7. Op 6 februari 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van de verzoekende partij een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Bij arrest nr. 103.762 van 20 februari 2002 wordt de schorsing van deze beslissing bevolen door de Raad van State. VII-26.081-2/8 1.
  8. Op 13 maart 2002 neemt de minister van Binnenlandse Zaken ten aanzien van de verzoekende partij opnieuw een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Deze beslissing wordt op dezelfde dag aan de verzoekende partij betekend. De motivering van de bestreden beslissing luidt als volgt: "(...) Overeenkomstig artikel 51/5 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en in toepassing van artikel 5.
  9. van de Conventie van Dublin van 15 juni 1990 is België niet verantwoordelijk voor de behandeling van de asielaanvraag. De heer XXX is in het bezit van een visum dat werd afgeleverd door de Duitse autoriteiten. De Duitse overheid heeft op 30 januari 2002 ingestemd met de overnameaanvraag. De betrokkene heeft de Belgische staat nooit uitdrukkelijk verzocht om gebruik te maken van haar discretionaire bevoegdheid om de asielaanvraag alsnog in België te behandelen. Ingevolge het arrest van de Raad van State nr. 102.946 van 25 januari 2002 dient de Belgische staat niet ambtshalve, zonder dat haar ter zake concrete gegevens worden vertrekt of zonder dat deze zonder meer voor de hand liggend zijn of uit de aanvraag tot asiel en de overgelegde stukken blijken onderzoeken of, indien de vreemdeling instemt, er redenen zijn om te beslissen het verzoek tot asiel te behandelen. Nochtans werd aan betrokken vreemdeling, tijdens interview bij het departement op 21 december 2001, de mogelijkheid gegeven om te verduidelijken "waarom" zijn asielverzoek door de Belgische autoriteiten zou moeten onderzocht worden (vraag 39: "waarom hebt u België gekozen?"). Uit het summiere antwoord van betrokkene ("zussen verblijven in België") blijkt niet uitdrukkelijk dat hij op een gemotiveerde wijze een verzoek richt aan de Belgische Staat teneinde zijn asielverzoek in België behandeld te zien in afwijking van de in de wet bepaalde regel. Indien zijn verwijzing naar het verblijf van verwanten daarentegen als een impliciet verzoek om zijn asielaanvraag in België behandeld te zien zou moeten beschouwd worden, dan wenst de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse Zaken niet in te gaan op dit verzoek om de volgende redenen: Primo is de verblijfssituatie van de verwanten van de heer XXX (2 zussen: XXX A. en XXX L.) precair. Beide zussen verblijven in het Rijk in het kader van een asielaanvraag. Er bestaat geen zekerheid over het feit dat deze aanvraag zal ingewilligd worden. Indien dit niet het geval zou zijn dan dienen zij het grondgebied te verlaten en dan blijft de betrokkene hoe dan ook alleen achter in Europa. Secundo verblijven de beide zussen respectievelijk reeds bijna 2 jaar en meer dan 3 jaar in België in het kader van een asielaanvraag. Betrokken vreemdeling, die intussen in Colombia verbleef, kan dan ook niet argumenteren een dusdanige band van afhankelijkheid te hebben ten aanzien van deze personen, laat staan een gezinscel te vormen, dat het absolute vereiste is dat hij tijdens de behandeling van zijn asielaanvraag permanent bij deze personen dient te verblijven en een afwijking van de bevoegdheidsregels door de Belgische Staat een absolute vereiste is. (...)". Dit is de bestreden beslissing.
  10. Beoordeling. 2.
  11. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 51/5 en 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen VII-26.081-3/8 (Vreemdelingenwet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, de artikelen 3, 4 en 9 van de Conventie van Dublin van 15 juni 1990 en een kennelijke beoordelingsfout. In een eerste onderdeel van het middel haalt zij aan dat de Belgische Staat de mogelijkheid heeft om een asielaanvraag om humanitaire redenen te behandelen, indien de kandidaat-vluchteling het vraagt. De Belgische Staat zou niet verplicht zijn dat te doen, maar zou wel verplicht zijn om te motiveren waarom die mogelijkheid wordt geweigerd. Dienaangaande stelt de verzoekende partij dat zij het arrest nr. 102.946 van de Raad van State van 25 januari 2002 niet leest als zou zij uitdrukkelijk aan de Belgische autoriteiten moeten vragen om haar asielaanvraag te behandelen. Het zou volstaan de specifieke elementen te vermelden die het gebruik van die appreciatiebevoegdheid rechtvaardigen, wat zij in casu heeft gedaan. De minister van Binnenlandse Zaken zou evenwel geen rekening hebben gehouden met deze elementen. Bovendien zou de Raad van State in zijn arrest nr. 103.762 van 20 februari 2002 reeds geoordeeld hebben dat de motivering van de beslissing van weigering van verblijf van 6 februari 2002 prima facie onvoldoende was, waardoor aan de tegenpartij werd gevraagd van zijn appreciatiebevoegdheid gebruik te maken. In een tweede onderdeel van het middel stelt de verzoekende partij dat het feit dat haar zussen in België als kandidaat-vluchteling verblijven niet als gevolg heeft dat haar verzoek zou moeten worden verworpen. De asielaanvraag van één van haar zussen zou ontvankelijk verklaard zijn, terwijl het dringend beroep van de andere nog hangende is. Bovendien zouden haar twee zussen gehuwd zijn met personen die tot verblijf in het Rijk gemachtigd werden. Bijgevolg zouden zij zich niet in een precaire verblijfssituatie bevinden, daar ze op basis van artikel 10, §1, 4/ van de Vreemdelingenwet ambtshalve tot een verblijf van meer dan drie maanden gemachtigd zijn. In een derde onderdeel van het middel stelt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing haaks zou staan op de eerste beslissing van 6 februari 2002 en het arrest van 20 februari 2002 dat in dezelfde zaak werd geveld. Overeenkomstig artikel 51/5 van de Vreemdelingenwet zijn de Belgische autoriteiten overgegaan tot het vaststellen van de staat die verantwoordelijk is voor de behandeling van het asielverzoek. In casu blijkt dat de Duitse autoriteiten op grond van artikel 5, 2/ van de Conventie van Dublin verantwoordelijk zijn voor de behandeling van de asielaanvraag van de verzoekende partij, vermits zij met een visum voor de Schengenlidstaten, afgeleverd door de Duitse ambassade in Bogotà, het land is binnengekomen. Deze rechtsgrond wordt expliciet in de bestreden beslissing opgenomen en bovendien niet door de verzoekende partij betwist. Artikel 9 van de Conventie van Dublin voorziet in de mogelijkheid dat een lidstaat om redenen van humanitaire aard, in het bijzonder op grond van familiebanden of op culturele gronden, op verzoek van een andere lidstaat en op voorwaarde dat de asielzoeker ermee instemt, een asielverzoek kan behandelen. Een volgens de Dublin-criteria VII-26.081-4/8 niet-verantwoordelijke staat, neemt dan de verantwoordelijkheid voor de asielaanvraag op zich, weliswaar niet op eigen initiatief, maar op verzoek van de verantwoordelijke staat. Deze bepaling heeft enkel betrekking op een verzoek door een andere lidstaat en daarvan is in casu geen sprake. Uit het administratief dossier blijkt immers dat Duitsland niet heeft verzocht dat België betrokken asielaanvraag zou behandelen omwille van redenen van humanitaire aard. Weliswaar is de instemming van de asielzoeker vereist wanneer een andere lidstaat de aanvraag zelf met toepassing van artikel 9 wil behandelen, doch er wordt geen initiatiefmogelijkheid in hoofde van de asielzoeker voorzien. Artikel 9 van de Conventie van Dublin is hier dus niet van toepassing. Artikel 3.4 van de Conventie van Dublin bepaalt dat elke lidstaat het recht heeft om een bij hem ingediend asielverzoek te behandelen, ook al is hij daartoe volgens de Dublin-criteria niet verplicht. Deze mogelijkheid werd in de Vreemdelingenwet geïmplementeerd door artikel 51/5, §
  12. De opname van de behandelingsbevoegdheid door België mag de asielzoeker enkel tot voordeel strekken. De verwerende partij beschikt over een appreciatiebevoegdheid die meebrengt dat zij haar beslissing formeel dient te motiveren op een dusdanige wijze dat de betrokkene geïnformeerd is over de beweegredenen die de overheid ertoe hebben gebracht de beslissing te nemen om de asielaanvraag niet te behandelen. In de bestreden beslissing wordt duidelijk ingegaan op de bijzondere redenen die de verzoekende partij stelt te hebben aangehaald ter staving van de behandeling van haar asielaanvraag door België. De bestreden beslissing is naar behoren formeel met redenen omkleed. De bestreden beslissing vermeldt duidelijk waarom de verwerende partij niet wenst in te gaan op het - al dan niet impliciete - verzoek om haar asielaanvraag in België behandeld te zien. De kritiek van de verzoekende partij, als zou de verwerende partij geen rekening hebben gehouden met de door haar aangehaalde specifieke elementen, kan bijgevolg niet worden aanvaard. Het arrest nr. 103.762 van 20 februari 2002 beveelt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de ten aanzien van de verzoekende partij genomen beslissing van 6 februari 2002 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied te verlaten. De reden hiervoor is dat de beslissing onvoldoende motiveert waarom de minister van Binnenlandse Zaken geen gebruik heeft gemaakt van zijn appreciatiebevoegdheid. Uit dit arrest kan niets anders worden afgeleid. Het feit dat de asielaanvraag van één van de zussen van de verzoekende partij ontvankelijk is verklaard, terwijl het dringend beroep van de andere nog hangende is, doet geen afbreuk aan het motief dat hun verblijfssituatie precair is en er nog steeds geen zekerheid bestaat over het feit of hun asielaanvraag zal worden ingewilligd. Uit geen enkel dossierstuk kan worden afgeleid dat de verzoekende partij zich op het gepaste ogenblik heeft beroepen op het huwelijk van haar zussen met personen die tot het verblijf in België werden gemachtigd. Ook in de verzoekschriften tegen de beslissing van 6 februari 2002 maakte zij enkel melding van het huwelijk van haar ene zus en van het voorgenomen huwelijk van haar VII-26.081-5/8 andere zus zonder erbij te vermelden dat haar schoonbroer en toekomstige schoonbroer tot het verblijf in het land waren gemachtigd. Zo de echtgenoten van een tot verblijf in het Rijk toegelaten of gemachtigde vreemdeling, volgens artikel 10, eerste lid, 4 van de Vreemdelingenwet “van rechtswege” tot een verblijf in het Rijk worden toegelaten, moeten ze, om ervan te kunnen genieten, uitdrukkelijk verklaren zich in een dergelijk geval te bevinden. Het blijkt niet dat de zussen van de verzoekende partij dergelijke verklaringen hebben afgelegd ten tijde van de bestreden beslissing, laat staan dat de verzoekende partij hiervan melding zou hebben gemaakt. De bestreden beslissing ontkent niet dat er nauwe familiebanden bestaan tussen de verzoekende partij en haar zussen. Er wordt enkel gesteld dat er niet “een dusdanige band van afhankelijkheid bestaat (...) dat het een absolute vereiste is dat [zij] tijdens de behandeling van [haar] asielaanvraag permanent bij deze persoon dient te verblijven”, hetgeen het bestaan van nauwe familiebanden uiteraard geenszins uitsluit. De bestreden beslissing staat dus geenszins haaks op de eerste beslissing van 6 februari 2002 en het arrest van 20 februari
  13. Verder zou de bestreden beslissing, volgens de verzoekende partij, geen rekening houden met het feit dat zij ook twee schoonbroers in België heeft en dat zij er samenwoont met een zus en schoonbroer. Tenslotte zou ook geen rekening gehouden zijn met haar jonge leeftijd (19 jaar), die het noodzakelijk zou maken dat zij op de steun van haar familie kan rekenen. De verzoekende partij vroeg haar asielaanvraag in België te laten behandelen, wegens het verblijf alhier van haar zussen. Het volstond -zoals de verwerende partij heeft gedaan- aan te geven waarom dit geen afdoende reden was om de asielaanvraag door de Belgische overheden te doen behandelen. Op andere niet ingeroepen gegevens (zoals de aanwezigheid alhier van schoonbroers, de jonge leeftijd van betrokkene, enz.) diende niet nader te worden ingegaan. Met de loutere verwijzing naar de aanwezigheid van twee schoonbroers in België en het feit dat zij er samenwoont met een zus en schoonbroer en haar jonge leeftijd, toont de verzoekende partij bovendien geen dermate nauwe familieband of bijzonder omstandigheid aan, die tot een bijzondere motivering had moeten leiden waarom haar asielaanvraag niet in België werd behandeld. Op die manier maakt de verzoekende partij niet aannemelijk dat zij een dusdanige band van afhankelijkheid heeft ten aanzien van deze personen, dat zij tijdens de behandeling van haar asielaanvraag permanent bij hen dient te verblijven. Zij toont ook niet in concreto aan dat zij in Duitsland niet op voldoende steun van haar familie zou kunnen rekenen. Zij maakt bijgevolg niet aannemelijk dat de bestreden beslissing op grond van onjuiste feitelijke gegevens, op kennelijk onredelijke of met overschrijding van de ruime appreciatiebevoegdheid is genomen. Het eerste middel is niet gegrond. VII-26.081-6/8 2.
  14. De verzoekende partij voert in een tweede middel de schending aan van het principe van behoorlijk bestuur, van artikel 62 van de Vreemdelingenwet en van de artikelen 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij stelt in wezen dat de bestreden beslissing haar niet toelaat te begrijpen waarom haar asielaanvraag en die van haar zussen, niet als samenhangend worden bestempeld. Om een optimale behandeling van de verschillende asielaanvragen te kunnen verzekeren, zou hetzelfde land, in casu België, de drie dossiers moeten behandelen. Een splitsing zou tot gevolg hebben dat noch de Belgische, noch de Duitse instanties in het bezit zouden zijn van alle dienstige elementen van de dossiers. De verzoekende partij duidt niet aan welk beginsel van behoorlijk bestuur door de bestreden beslissing is geschonden. Het komt niet aan de Raad van State toe dit te specifiëren. De uitdrukkelijke motiveringsplicht zoals omschreven in de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, heeft tot doel de burger, zelfs wanneer een beslissing niet is aangevochten, in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid ze heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De genoemde wet van 29 juli 1991 verplicht de administratieve overheid ertoe in de beslissing de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een ‘afdoende’ wijze. Het begrip ‘afdoende’ impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing. De bestreden beslissing geeft de redenen aan die op het geval van de verzoekende partij zijn afgestemd en waarop de beslissing is gesteund. De verzoekende partij vroeg haar asielaanvraag in België te laten behandelen wegens het verblijf alhier van haar twee zussen, doch niet wegens de verstrengeling van haar aanvraag met die van haar zussen. Op dit gegeven diende de verwerende partij dan ook niet nader in te gaan. De verzoekende partij licht bovendien, noch in het huidig verzoekschrift, noch in de verzoekschriften van 11 februari 2002 en 25 februari 2002, op concrete wijze toe welke dienstige elementen de Belgische of de Duitse instanties niet in bezit zouden hebben omwille van het apart behandelen van de asielaanvragen en toont evenmin in concreto aan waarom het absoluut noodzakelijk zou zijn dat haar asielaanvraag samen met die van haar zussen zou worden behandeld. Bijgevolg maakt zij de aangehaalde schending van de motiveringsplicht niet aannemelijk. Het tweede middel is niet gegrond. VII-26.081-7/8
  15. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd, zodat het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  16. Het beroep tot nietigverklaring wordt verworpen. Artikel
  17. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zeven, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-26.081-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.821 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.105.201 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.