← België

Arrest 166826 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.826 Rolnummer: A. 168460/VII-35081 Zaak: Arrest 166826 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-30 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2026-06-29 13:42 Fiche Arrest nr 166.826 van 17 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.826 van 17 januari 2007 in de zaak A. 168.460/VII-35.081 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat R. JESPERS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Nigeriaanse nationaliteit, op 25 november 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 5 november 2004 waarbij hij wordt uitgesloten van de toepassing van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Regularisatiewet) en van het bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten van 26 oktober 2005; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 15 december 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-35.081-1/6 Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. CALLEWAERT, die, loco advocaat R. JESPERS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat C. DECORDIER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.

  1. De feiten 1.
  2. De verzoekende partij heeft op 21 januari 2000 een regularisatieaanvraag ingediend op basis van de Regularisatiewet. 1.
  3. Op 5 november 2004 sluit de Minister van Binnenlandse Zaken de verzoekende partij uit van de toepassing van de Regularisatiewet. Dit is de eerste bestreden beslissing. De motivering ervan luidt als volgt: “De Minister van Binnenlandse zaken, (...) Overwegende dat betrokkene op 16.08.1989 naar België komt en zich op 21.08.1989 vluchteling verklaart; Overwegende dat hij op 27.10.1989 een beslissing tot weigering van verblijf met een bevel om het grondgebied te verlaten krijgt, hem betekend op 23.03.1990; Overwegende dat op 23.05.1990 het bevel om het grondgebied te verlaten ingetrokken werd en hem een maandelijks verlengbaar attest van immatriculatie werd afgeleverd; Overwegende dat op 09.05.1990 de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen een gunstig advies verleent met betrekking tot verblijf en dat op 20.05.1994 wordt beslist tot start van het onderzoek ten gronde en tot toelating tot verblijf; VII-35.081-2/6 Overwegende dat op 21.03.1995 de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen beslist tot weigering van de hoedanigheid van vluchteling, beslissing hem betekend op 07.04.1995; Overwegende dat hem op 12.09.1996 een bevel om het grondgebied te verlaten (Bijlage 13) wordt betekend; Overwegende dat hij op 27.09.1996 een beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen indient tegen het bevel om het grondgebied te verlaten dd. 12.09.1996 en dat de Vaste Beroepscommissie zich op 20.12.1996 onbevoegd verklaart; Overwegende dat betrokkene op 24.01.1997 een schorsend beroep tegen de beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen dd. 21.03.1995 indient bij de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen; Overwegende dat de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen op 22.04.1997 het beroep ontvankelijk doch ongegrond verklaart en de betrokkene de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling weigert en dat hem op 06.05.1997 een bevel om het grondgebied te verlaten wordt betekend; Overwegende dat betrokkene op 29.04.1998 een aanvraag tot regularisatie van verblijf in toepassing van artikel 9§3 van de Wet van 15 december 1980 indient; Overwegende dat betrokkene op 02.03,2000 van ambtswege wordt afgevoerd; Overwegende dat op 28.07.2000 de Commissie voor regularisatie een positief advies aan de Minister overgemaakte; Overwegende dat betrokkene in 1991 of 1992 een heupoperatie onderging en dat op 16 november 1998 een revisie van het linker acetabulum met een Burch-Schneider ring plaats vond: Dr. Van Den Abbeele, orthopedisch chirurg, meldt op 17 mei 2002 dat de gang van betrokkene bemoeilijkt is en dat hij opnieuw een kruk gebruikt; Overwegende dat hij op 09.11.1999 door de Correctionele rechtbank van Antwerpen wordt veroordeeld tot een definitief geworden gevangenisstraf van 4 maanden wegens diefstal op heterdaad betrapt, met geweld of bedreiging; Overwegende dat uit de voorgaande feiten blijkt dat hij, door zijn persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad; Overwegende dat hij dienvolgens een gevaar voor de openbare orde of de nationale veiligheid betekent;”.
  4. Op 26 oktober 2005 ontving de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Dit is de tweede bestreden beslissing. De motivering daarvan luidt al volgt: “(...) Reden van de beslissing Verblijft langer in het Rijk dan de vastgestelde termijn volgens artikel 6 of kan het bewijs niet leveren dat deze termijn niet overschreden werd (artikel 7, al. 1, 2/ van de wet van 15/12/1980). Motivatie in feite: Betrokkene werd uitgesloten door een Ministeriële beslissing van 05/11/2004 van de wet van 22/12/99 in toepassing van de artikel 5 en
  5. Indien dit bevel niet opgevolgd wordt, loopt betrokkene gevaar, onverminderd rechtsvervolging overeenkomstig artikel 75 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen, naar de grens te worden geleid en te dien einde te worden opgesloten gedurende de periode die strikt noodzakelijk is voor de uitvoering van de maatregel overeenkomstig artikel 27 van dezelfde wet. (...).”. VII-35.081-3/6
  6. Beoordeling. 2.
  7. De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van artikel 5 van Regularisatiewet, van het begrip openbare orde, van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Tevens wordt de schending van het recht van verdediging aangevoerd. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. Uit het verzoekschrift blijkt overigens dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Zij heeft dan ook geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht. De toetsing van de formele motivering houdt in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven. Artikel 5 van de Regularisatiewet luidt als volgt : "De in artikel 2 bedoelde vreemdelingen die naar het oordeel van de minister een gevaar betekenen voor de openbare orde of de nationale veiligheid, zijn van de toepassing van deze wet uitgesloten.". Uit deze bepaling volgt dat de minister van Binnenlandse Zaken enkel dient na te gaan of de aanvrager een gevaar betekent voor de openbare orde. Hierbij dient voor ogen te worden gehouden dat met de wet van 22 december 1999 een gunstmaatregel werd in het leven geroepen. Uit de bestreden beslissing blijkt waarom de minister van oordeel is dat de aanvrager een gevaar betekent voor de openbare orde. Er wordt verwezen naar het feit dat betrokkene "wegens diefstal op heterdaad betrapt, met geweld of bedreiging" werd veroordeeld tot een definitief geworden gevangenisstraf van 4 maanden. Uit de door de minister in overweging genomen feiten blijkt aldus dat de verzoekende partij, door haar persoonlijk gedrag, de openbare orde heeft geschaad, en dat zij dienvolgens een gevaar betekent voor de openbare orde en de nationale veiligheid. De verwerende partij komt dus tot dit besluit mede op basis van het gedragspatroon van de verzoekende partij en niet enkel op grond van haar strafrechtelijke veroordeling alleen. Het is niet kennelijk onredelijk vanwege de verwerende partij, voornamelijk op basis van de zwaarte van de straf, te oordelen dat de verzoekende partij nog steeds een gevaar voor de openbare orde vormt. Het is evenmin kennelijk onredelijk te oordelen dat wie, door een gedrag als dit van de verzoekende partij, de openbare orde schaadt, niet alleen een zeer ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt, maar ook een gevaar oplevert voor de openbare orde. Uit artikel 5 van de Regularisatiewet blijkt bovendien niet dat de minister van Binnenlandse Zaken VII-35.081-4/6 enige afweging dient te maken, bijvoorbeeld aangaande de medische toestand van de aanvrager, indien hij van oordeel is dat deze een gevaar betekent voor de openbare orde. Het recht van verdediging is niet zonder meer van toepassing in het kader van de procedure tot regularisatie, die van administratieve aard is. Het eerste middel is niet gegrond. 2.
  8. In een tweede middel voert de verzoekende partij nogmaals de schending aan van artikel 62 van de Vreemdelingenwet, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het recht van verdediging. Zij stelt in wezen dat in de eerste bestreden beslissing niet wordt gemotiveerd waarom met haar brief van 28 juni 2005 geen rekening is gehouden. Wat betreft de schending van het recht van verdediging kan verwezen worden naar hetgeen hieromtrent is gesteld onder de bespreking van het eerste middel. De brief van 28 juni 2005 dateert duidelijk van na de bestreden beslissing van 5 november 2004 zodat de minister van Binnenlandse Zaken deze brief niet kon betrekken in zijn beslissing. Hij diende dus niet te motiveren waarom hij geen rekening hield met deze brief. Het tweede middel is niet gegrond.
  9. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is dus grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. De vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, wordt als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep verworpen, VII-35.081-5/6 BESLUIT: Artikel
  10. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  11. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zeven, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-35.081-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.826 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.