← België

Arrest 166839 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.839 Rolnummer: A. 145895/VII-31308 Zaak: Arrest 166839 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-25 Raadplegingen: 50 - laatst gezien 2026-06-29 13:43 Fiche Arrest nr 166.839 van 17 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.839 van 17 januari 2007 in de zaak A. 145.895/VII-31.308 In zake : XXX, verblijvende te 2830 WILLEBROEK, tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Marokkaanse nationaliteit, op 24 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 21 november 2003 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 1 december 2003; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 7 januari 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-31.308-1/4 Gelet op de beschikking van 13 september 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. BORGONIE, die, loco advocaat G. MEEUS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.

  1. De feiten. 1.
  2. De verzoekende partij huwde op 24 januari 2000 met A. T., van Tunesische nationaliteit. 1.
  3. Bij vonnis van 30 januari 2003 sprak de Rechtbank van eerste aanleg te Mechelen de nietigverklaring van dit huwelijk uit, omdat A. T. gehuwd was met een Belgische onderdane. 1.
  4. Op 16 juni 2003 werd aan de verzoekende partij het bevel gegeven om het grondgebied te verlaten, met beslissing tot terugleiding naar de grens en vrijheidsberoving te dien einde. 1.
  5. Op 17 juni 2003 diende de verzoekende partij een aanvraag in tot machtiging van verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet, die op 19 juni 2003 onontvankelijk werd bevonden door de minister van Binnenlandse Zaken. VII-31.308-2/4 1.
  6. Op 14 juli 2003 dient de verzoekende partij opnieuw een aanvraag in tot machtiging van verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. 1.
  7. Op 21 november 2003 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de bestreden beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet wordt geweigerd. Deze beslissing is letterlijk als volgt gemotiveerd : "(...) het feit dat betrokkene was gehuwd met de heer T. A., het kind van betrokkene aan astma lijdt, het financieel niet ruim heeft om terug te keren naar het land van herkomst om de aanvraag daar aan te vragen, vormen geen buitengewone omstandigheden om de aanvraag in België te kunnen rechtvaardigen. Het huwelijk van betrokkene werd door de Belgische autoriteiten nietig verklaard. Betrokkene kan een beroep doen op haar partner of de in België bestaande hulpverlening, o.a. IOM, om de terugreis mede te financieren. Er werden geen medische attesten voorgelegd waaruit blijkt dat de verzorging niet in het land van herkomst kan worden verdergezet. De aanvraag kan in het land van herkomst worden ingediend. (...).”. Dit is de bestreden beslissing.
  8. Beoordeling. In een enig middel roept de verzoekende partij de schending in van artikel 24.1 van het internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind van 20 november 1989 (IVRK), goedgekeurd bij wet van 25 november 1991, waarin wordt bepaald dat elk kind recht heeft op de best mogelijke verzorging, en van artikel 8 van het Europees verdrag van 4 november 1950 tot bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), goedgekeurd bij wet van 13 mei
  9. De verzoekende partij voert aan dat haar jongste kind aan astma lijdt en dat het niet kan worden verzorgd in het land van herkomst. Ten slotte levert zij ook kritiek op de in kracht van gewijsde gegane nietigverklaring van haar huwelijk. De kritiek die de verzoekende partij uit op de door de Rechtbank van eerste aanleg van Mechelen uitgesproken nietigverklaring van haar huwelijk, kan niet dienstig worden ingeroepen. Artikel 20 van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat middelen van nietigheid niet kunnen worden aangewend tegen vonnissen. Los van de vraag of het IVRK al dan niet rechtstreekse werking heeft in de Belgische rechtsorde, kan worden volstaan met de vaststelling dat de verzoekende partij nalaat medische attesten voor te leggen waaruit zou blijken dat de bestreden beslissing artikel 24.1 IVRK zou schenden. VII-31.308-3/4 De verzoekende partij voert niet aan dat de minister van Binnenlandse Zaken artikel 9 van de Vreemdelingenwet zou hebben geschonden. Te dezen is er bijgevolg sprake van een rechtmatige toepassing van de Vreemdelingenwet en kan er dus geen schending van artikel 8 EVRM en van het privé-leven van de verzoekende partij zijn. De verzoekende partij toont overigens niet aan dat de bestreden maatregel in een onredelijk verband staat tot het beoogde doel.
  10. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is dus grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  11. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  12. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zeven, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-31.308-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.839 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.