id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.842 Rolnummer: A. 166117/VII-34601 Zaak: Arrest 166842 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-25 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 13:43 Fiche Arrest nr 166.842 van 17 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.842 van 17 januari 2007 in de zaak A. 166.117/VII-34.601 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat D. PAUWELS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Tolstraat 53 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Senegalese nationaliteit, op 17 september 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 6 juli 2005 tot weigering van regularisatie; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissing; Gelet op de beschikking van 26 september 2005 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 5 september 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 29 november 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-34.601-1/12 Gehoord de opmerkingen van advocaat F. CROENE, die, loco advocaat D. PAUWELS, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat S. DE VRIEZE, die, loco advocaat E. MATTERNE, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur R. VERCRUYSSEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.
- De feiten. 1.
- Op 29 januari 2000 heeft de verzoekende partij een regularisatieaanvraag ingediend op basis van artikel 2, 4/ van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen verblijvend op het grondgebied van het rijk (Regularisatiewet). De verzoekende partij duidde in haar aanvraag niet de taal voor de procedure aan. 1.
- Op 14 juli 2000 stelde het Nederlandstalige secretariaat van de Commissie voor regularisatie vast dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was, en zond de aanvraag met een negatief advies voor beslissing over aan de minister van Binnenlandse Zaken. De verzoekende partij beschikte over een termijn van drie dagen, na kennisgeving van dit negatief advies, om zijn standpunt uiteen te zetten aan de minister. Op 24 oktober 2000 richtte de toenmalige raadsman van de verzoekende partij een schrijven met bijkomende stukken aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
- De Franstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft de verzoekende partij op 23 september 2004, bijgestaan door een raadsman, gehoord en heeft op 9 november 2004 een gunstig advies verleend betreffende haar aanvraag tot regularisatie. 1.
- Bij schrijven van 17 februari 2005 werd de verzoekende partij ingelicht over het feit dat haar aanvraag op 10 maart 2005 moest worden behandeld voor de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie. VII-34.601-2/12 1.
- De verzoekende partij werd door de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie op 10 maart 2005, bijgestaan door haar raadsman, gehoord. Ter zitting werd “(h)et aangetekend schrijven met formeel protest tegen de behandeling voor de Nederlandstalige Kamer (...) bij het dossier gevoegd”. 1.
- De Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie heeft op 25 mei 2005 een ongunstig advies verleend betreffende de aanvraag tot regularisatie van de verzoekende partij. Dit advies luidt als volgt: "Gelet op de beschikking van 03 maart 2005 van de Vice-Eerste Voorzitter van de Commissie, mevrouw Carla Vercammen, met toewijzing van de behandeling van dit ingediende verzoek tot regularisatie aan de Nederlandstalige kamer op de zitting van 10 maart
- Op deze zitting verscheen de verzoekende partij in persoon en werd bijgestaan door zijn raadsman mr Johan Van Kelst die verschijnt loco mr Dirk Pauwels, beiden advocaat aan de balie van Antwerpen, en verzoeker kon worden gehoord. Het ingediende verzoek werd mondeling behandeld en in de landstaal welke de aanvrager gebruikt heeft bij het indienen van zijn aanvraag in overeenstemming met het artikel 10 § 1 van het Koninklijk Besluit van 5 januari
- Voor verzoeker werd op 7 maart 2005 een schrijven toegestuurd door zijn raadsman advocaat Dirk Pauwels waarin het volgende letterlijk te lezen stond: "Cliënt is de proceduretaal niet machtig en heeft reeds voor de Franse proceduretaal gekozen, hetwelk werd bevestigd ter zitting van Chambre F Commission Permanente de Recours des Réfugiés zitting dd. 21 september jl. Cliënt wenst bij deze herhaald zijn keuze voor een Franstalige procedure te herhalen. Cliënt is ook de Nederlandse taal niet machtig en koos evenmin voor de Nederlandse procedure. Hij verzoekt dan ook dat het dossier zou worden toegewezen en verwijst o.m. naar het advies van de Franstalige kamer van de Commissie voor Regularisatie dd. 09 november
- Cliënt protesteert formeel tegen de toewijzing aan een Nederlandstalige Kamer." Er dient hierbij vermeld te worden dat deze Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor Regularisatie niets te maken heeft met de Commission Permanente de Recours de Réfugiés, en zeker onafhankelijk van mekaar bestaan en moeten werken. En vermits dit van algemene bekendheid moet zijn is het dan ook hoogst verwonderlijk dat dit werd vermeld in het geciteerde schrijven en dan nog zonder dat hijzelf daar een bewijsstuk over toevoegde. Er is evenwel artikel 54/4 § 1 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en daarin staat het volgende: "Het onderzoek van de in de artikelen 50 (verklaring vluchteling te zijn) en 51 (verklaring vluchteling te zijn of aanvraag tot erkenning als) bedoelde verklaring of aanvraag geschiedt in het Nederlands of het Frans. De taal van het onderzoek is tevens de taal van de beslissing waartoe het aanleiding geeft alsmede die van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied." Dit betekent dat eenzelfde taal verplicht blijft vanaf het eerste onderzoek bij de Dienst Vreemdelingenzaken tot het einde van de procedure en wat dus uitsluit dat er, zoals de brief van 7 maart 2005 van advocaat Dirk Pauwels wilde laten uitschijnen, een mogelijkheid van taalkeuze of mogelijkheid van wijzigen van de gebruikte taal nog mogelijk zou geweest zijn op de Commission Permanente de Recours. In het dossier dat aan de Commissie voorligt bevindt zich een kopij van een "Avis" betreffende "monsieur Ka Aly" dat als datum 09-11-2004 draagt maar niet vertaald werd naar de hierbij gebruikte proceduretaal. De advocaat Dirk Pauwels verwijst ook niet naar een rechtsregel waarop hij dacht zich te kunnen steunen om de behandeling van het door XXX ingediende verzoek te laten behandelen in een andere dan de Nederlandse taal. Hij eist daarmee voor zijn VII-34.601-3/12 cliënt een recht op waarover een in Antwerpen wonende Belgische onderdaan, of andere inwoner, niet kan beschikken. Er wordt met die vraag voorbijgegaan aan artikel 4 van de Grondwet waarin gesteld wordt dat iedere gemeente deel uitmaakt van een taalgebied en voor Antwerpen is dit onbetwistbaar het Nederlandse taalgebied. En artikel 10 van de Grondwet met een algemene draagwijdte waarbij gesteld wordt dat alle Belgen gelijk zijn voor de wet, en is van toepassing op alle individuele burgers, en een gemeente is een maatschap van burgers verenigd door lokale bindingen. Het artikel 11 van de Grondwet voorziet dat het genot van de rechten en vrijheden toegekend aan de Belgen zonder discriminatie moet verzekerd worden. Volgens artikel 13 van de Grondwet kan niemand tegen zijn wil in worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent hetgeen aan ieder die zich in dezelfde toestand bevindt waarborgt het recht om volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging te worden berecht (Cassatie 1 februari 1984, Arresten Hof van Cassatie 1983-84, 666). Er is de wetgeving op het taalgebruik in bestuurszaken waaronder de wet van 2 augustus 1963, het K.B. van 18 juli 1966 en er is ook de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken. In haar commentaar over artikel 10 van het K.B. van 1999 bevestigde de Raad van State dat het taalgebruik volgens de grondwet alleen bij wet kan geregeld worden. De tekst van dat K.B. moet dus volledig conform zijn met artikel 41 van de gecoördineerde wetten op het gebruik van talen in bestuurszaken en dat is een wetgeving van openbare orde, dus strikt van toepassing en restrictief te interpreteren. De aanvraag tot regularisatie ingediend door XXX gebeurde, op 29 januari 2000 te Antwerpen zonder een uitdrukkelijke keuze voor een taal van de procedure. De aanvraag werd volledig in het Nederlands opgesteld en door verzoeker zelf ondertekend met een woonplaatskeuze en opgave van feitelijke verblijfplaats op hetzelfde adres hetzij te 2060 Antwerpen, gelegen in het ééntalig Vlaamse Gewest. En vermits artikel 10 § 2 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen letterlijk zegt "De procedure vindt plaats in de landstaal die de aanvrager gebruikt heeft bij zijn aanvraag." Dit artikel 10 § 2 is trouwens in overeenstemming met de gecoördineerde wetten 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken meer bepaald het artikel 41 § 1 waarin er staat: "De centrale diensten maken in hun betrekkingen met de particulieren gebruik van die van de drie talen waarvan de betrokkene zich hebben bediend." De bedoeling van de wetgever blijkt nog duidelijker uit de tekst van § 2 van datzelfde artikel 41 en dat zegt: "Aan de private bedrijven, die gevestigd zijn in een gemeente zonder speciale regeling uit het Nederlandse of uit het Franse taalgebied, wordt echter in de taal van dat gebied geantwoord." En de daaropvolgende paragraaf van vermeld artikel 10 § 2 K.B. van 5.1.2000 vervolgde met de tekst: "Indien de aanvrager niet voldoende de taal van de procedure begrijpt, zal de voorzitter, op zijn verzoek een tolk aanwijzen die de eed zal afleggen zoals voorzien in artikel 37 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen." De voor verzoeker gestelde vraag geeft dan ook ernstig aanleiding om te gaan twijfelen of die vraag wel echt te goeder trouw werd gesteld. Het was dan ook, zoals is aangetoond, wettelijk onmogelijk daar op de gevraagde manier op in te gaan. Reeds eerder had de verzoekende partij kennis kunnen nemen van de nota van het onderzoekssecretariaat van 14 juli 2000 en waarin te lezen was dat het bij de aanvraag gevoegde dossier onvolledig was zodat de aanvraag met een negatief advies werd overgemaakt aan de minister in overeenstemming met artikel 12 § 1 van de wet van 22 december
- Het geven van dit advies moest ook van aard zijn om uit te sluiten dat er nadien nog een ander advies zou gegeven geweest zijn omdat dit strijdig zou geweest zijn met het principe van ons recht van "non bis in idem" dat uitsluit dat er tweemaal rechtsgeldig zou geoordeeld worden over eenzelfde feit. Na kennisgeving van dat advies aan de betrokkene beschikte deze vanaf de tussenkomst van de gemeentepolitie over drie dagen om zijn standpunt per aangetekende brief uiteen te zetten aan de minister. VII-34.601-4/12 Op 26 oktober 2000 verstuurde advocaat Kati Verstrepen uit Antwerpen aan de Minister een antwoord op het negatieve advies van het secretariaat. Ze wijst er op dat verzoeker een evenwel niet gedateerde lidkaart van een openbare bibliotheek kon voorleggen als bewijs van een gekend zijn bij een openbare dienst of bestuur. Er wordt gesteld dat er wel een aanwezigheid in het land was op 1 oktober 1999 maar er wordt geen echt nieuw element hierover bijgebracht. Verder werd er gewezen op het niet betwist zijn van zijn identiteit noch over zijn woon- of verblijfplaats of samenstelling van zijn gezin. Omdat er in het dossier geen datum van tussenkomst van de gemeentepolitie kon achterhaald worden mag er dus gesteld worden dat de reactie op het advies reeds werd opgesteld vooraleer de vermelde termijn van drie dagen begon te lopen zodat deze reactie op tijd gebeurd is. De Commissie kon, zoals voorzien is in artikel 14 § 1 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie, kennis nemen van een dossier van betrokkene bij de Dienst Vreemdelingenzaken met het nummer en in welk dossier de gegevens werden genoteerd die aan de overheid bekend geraakten over een aanwezigheid van de betrokken vreemdeling in het Rijk zodat die gegevens ook bekend waren aan de verzoekende partij op wie ze betrekking hebben en waarover ter zitting ook tegensprekelijk werd gehandeld. Dit dossier werd evenwel slechts aangelegd na het indienen van de aanvraag tot regularisatie zodat het geen bevestiging kan geven van een eerdere aanwezigheid van betrokkene in dit land. Het dossier begint met een faxbericht bevattende een verslag van 25 mei 2000 over een vaststelling gedaan door de gemeentepolitie van Beveren waarbij deze de indruk had te maken te hebben met een Carte Consulaire d'Identité dat hen overkwam als een vals stuk en eveneens een Senegalees Permis de Conduire met op de keerzijde drie stempels met de vermelding '12 Avr 2000' en dat verslag eindigde met de vraag in kennis te worden gesteld van de ter zake genomen beslissing. Met dit antwoord lieten ze de onderzochte persoon verder beschikken. Verzoeker was bij die vaststelling in gezelschap van M. N. D. met adres te Antwerpen en die volgens de vermelding gekend was voor prostitutie en staande CBS geseind voor autodiefstal. Hij bestuurde een personenauto waarvan het chassisnummer niet overeenkwam met de boorddocumenten. Er werd melding gemaakt van een mogelijke link, een vermoeden op basis van het gebruikte voertuig, met de vreemdelingen G. M. /14-8-1969 en D. M. /10-1-1986 en Senegalese onderdanen. Verzoeker verklaarde toen te leven van geld dat vrienden hem gaven om daarna ook samen met andere Senegalezen in de regio Antwerpen de verkoop van kleding en juwelen toe te geven. Hij kende geen enkele van de andere op het adres Antwerpen ingeschreven 7 personen bij naam, zegde er te huren van iemand die hij slechts als een zekere Pieter kende maar een contact met de gemeentepolitie Antwerpen had een informatie van niet wonen door verzoeker op dat adres opgeleverd. Verder wordt er alleen nog teruggevonden een schrijven aan de directeur van de gevangenis te Tumhout van 20/10/2004 waarin geschreven wordt dat XXX, geboren te Kaolack op 18/04/1961, onderdaan van Senegal, zonder meer mocht worden vrijgelaten. Er werd geen gedateerde verklaring van verzoeker teruggevonden waarin hij verklaarde dat hij gedurende zijn verblijf in België geen uitwijzingsbevel kreeg. Dit is wellicht ook normaal gezien hij tot bij het indienen van zijn aanvraag tot regularisatie totaal onbekend was gebleven bij de overheid als iemand die in dit land verbleven kon hebben zodat deze hem hierdoor ook geen dergelijk bevel kon geven. De verzoekende partij heeft voor de ingediende aanvraag tot regularisatie van verblijf beroep gedaan op het artikel 2,4/ van de wet van 22 december 1999 hetzij humanitaire redenen kunnen laten gelden en duurzame sociale bindingen in het land ontwikkeld hebben. Bij het indienen van zijn aanvraag tot regularisatie van verblijf vroeg verzoeker dit eveneens voor de met hem samenwonende gezinsleden. Hierbij vermeldde hij dan dat hij gehuwd was in oktober 1990, zonder te er bij te voegen met wie of waar, maar vroeg die regularisatie ook voor zijn partner L. K. van Senegalese nationaliteit geboren in september 1963 te Kaola en voor drie kinderen O. K. van Senegalese nationaliteit VII-34.601-5/12 en geboren op 15 oktober 1994 te Kaola alsook voor K. A. van Senegalese nationaliteit geboren op 7 november 1991 in Kaola. Bij het inroepen van dit artikel 2,4/ moest de betrokken vreemdeling volgens artikel 9, 9/ van de Wet van 22 december 1999 het bewijs leveren van een bestendige aanwezigheid in België die teruggaat tot meer dan zes jaar, of tot meer dan vijf jaar voor een gezin met minderjarige kinderen die op 1 oktober 1999 in België verblijven en die de leeftijd hebben om naar school te gaan, en/of in voorkomend geval het bewijs leveren van een wettig verblijf in België en/of een schriftelijke verklaring waaruit blijkt dat in de loop van vijf jaar voorafgaand aan de aanvraag geen bevel gekregen was om het grondgebied te verlaten. Als een relevant wettig verblijf worden niet beschouwd, het verblijf op grond van een toeristenvisum, het verblijf waartoe de kandidaat-vluchtelingen in afwachting van een beslissing over de ontvankelijkheid van hun asielaanvraag zijn toegelaten en het verblijf waartoe studenten gemachtigd zijn. Over het bestaan van een echtgenote of kinderen die in België zouden hebben verbleven werd er door de verzoekende partij geen enkel stuk aangeboden, of zelfs maar enige verdere vermelding gedaan, zodat er mag aangenomen worden dat ze, indien ze bestonden, nooit in België hebben vertoefd. Verzoeker leverde ook geen enkel bewijs van enige financiële ondersteuning voor hen in de voorbije jaren noch enige ander vorm van contact met hen zodat ze ongetwijfeld als vreemden voor mekaar hebben geleefd. Dit brengt mee dat de minimumtermijn voor een ononderbroken verblijf in dit land voor verzoeker dan moet behouden blijven op een termijn van zes jaar. Bij controle voor de bevestiging van woonst vermelde het politieverslag van februari 2000 dat het onmogelijk was ook maar iets daarvan te controleren in het pand te Antwerpen dat er in een aantal studio's verdeeld was waarvoor 13 regularisatieaanvragen waren binnengekomen maar waar er bij het aanbellen door de kwartieragent nooit werd open gedaan ondanks het feit dat namen van verschillende vreemdelingen op de bel vermeld stonden en er op de eerste verdiep ook effectief enkele Senegalezen woonden. Er werd in kopij een stuk voorgelegd van het Senegalese consulaat te Brussel voor het geven op 28 januari 2000 van een Carte Consulaire aan verzoeker met als beroep chauffeur en het adres Antwerpen. En dit stuk werd dus afgeleverd één dag voor het indienen van zijn verzoek tot regularisatie van verblijf. Hij bezorgde ook kopij van een Carte Nationale d'Identité van de République du Senegal er afgeleverd te Dakar op 16 september 1992 en geldig voor een termijn van tien jaar met als beroep chauffeur. Het regularisatiedossier van verzoeker was door het Parket van de Procureur des Konings te Antwerpen aangeslagen geweest en dit Parket stuurde slechts bij brief van 21 januari 2005 documenten terug aan de Commissie die behoorden tot het regularisatiedossier van verzoeker. Hierdoor werd vertraging veroorzaakt voor het kunnen behandelen door de Commissie van de door verzoeker ingediende aanvraag. Omdat hij zelf verantwoordelijk was voor zijn persoonlijk dossier dat blijkbaar tot wantrouwen aanleiding gaf kan dit gegeven geen aanleiding geven tot een andere behandeling dan hierbij gebeurt. De Commissie kon geen originelen zien van de stukken die na de aanvraag in Antwerpen werden neergelegd en waarmee verzoeker ter kennis wilde brengen dat zijn ambassade in België hem kende sinds 8 februari 1994, dat hij op 4 augustus 1996 een auto Peugeot aankocht te Zwijndrecht en dit deed BTW-vrij als bestemd voor uitvoer en dat hij op 17/02/1998 aan de Nv Hessennatie het bedrag van 2.500 frank had betaald voor het plaatsen van 15 frigo's in een voertuig. Een stuk wil laten geloven dat de naar Africa exporterende firma Nv Van Alphen Shipping hem kende sinds
- De OT Africa Line Limited zou op 22/06/1997 te Antwerpen voor verzoeker een reeds gebruikte auto Renault-Clio hebben verscheept naar Dakar in Senegal. De Commissie kon van geen enkel van deze stukken op een origineel de echtheid ervan toetsen. Wanneer verzoeker zijn aanvraag indiende kon hij alleen een kopij van een identiteitskaart als overtuigingsstuk reeds ter beschikking stellen voor het ondersteunen van zijn aanvraag. Dit stuk kon evenwel ter zitting niet meer worden vertoond voor een toetsing. Ter zitting verklaarde verzoeker dat zijn eigenlijke beroep dit is van vrachtwagenchauffeur maar dat hij momenteel niet werkte maar kon leven dankzij de solidariteit van vrienden. Het origineel van zijn vroeger vertoonde rijbewijs kon VII-34.601-6/12 verzoeker ter zitting ook niet meer voorleggen omdat het volgens zijn afgelegde verklaring reeds in april 2000 was vervreemd. Dit was dus, na de vaststelling van de politie in Beveren in mei 2000, een vreemd en niet overtuigend antwoord. In de loop van het jaar 2001 was verzoeker volgens neergelegde stukken wel voor een erg beperkte duur terug te vinden in het officiële arbeidscircuit. Dat hij zich daarna als een verder werkzoekende officieel wilde laten inschrijven is niet aangetoond. Voor het bestaan van in dit land opgebouwde duurzame sociale bindingen, of de aanwezigheid van humanitaire redenen die in zijnen hoofde bestonden voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie, dit kon door de Commissie niet worden waargenomen. Het enige wat uit het onderzoek als een mogelijkheid is gebleken is het kunnen bestaan hebben van handelsactiviteiten waarbij verzoeker betrokken was maar enig toetsbaar spoor van een verblijf in het land viel niet te ontdekken noch werd dit geloofwaardig gemaakt. Vermits verzoeker verklaarde dat hij destijds van uit Parijs naar België was gekomen, kan er zelfs aangenomen worden dat de beweerde handelsactiviteiten ook bijzonder goed mogelijk konden gebeuren tijdens een hiertoe georganiseerd kortstondig verblijf. Verzoeker deed trouwens geen poging om aan te tonen waar hij precies verbleef tijdens de zes jaar voorafgaand aan het indienen van zijn aanvraag noch hoe hij ergens op een normale wijze, of illegaal, in de Europese Unie was binnen gekomen van uit zijn land van oorsprong. Zo is er evenmin enig toetsbaar element voorhanden dat kon beginnen doen geloven dat betrokkene zich op 1 oktober 1999 ook effectief in dit land bevond. Er mag dus worden gesteld dat verzoeker de duur van een ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het hier indienen van zijn verzoek tot regularisatie van zijn verblijf niet geloofwaardig heeft kunnen maken, meer zelfs dat de twijfel niet kon worden weggenomen voor zijn effectief verblijf in dit land op 1 oktober 1999 hetgeen betekent dat er door verzoeker niet tegemoet gekomen wordt aan essentiële vereisten. Het bestaan van duurzame sociale bindingen of de aanwezigheid van humanitaire reden voorafgaand aan het indienen van zijn verzoek tot regularisatie, of het daarna uitbouwen hiervan, kon evenmin worden waargenomen. Het blijft vanzelfsprekend dat alle tot einde januari 2000 ingediende aanvragen tot regularisatie op grond van gelijkheid dienen behandeld te worden hetgeen betekent dat er voor alle aanvragen rekening moet worden gehouden met de elementen van de situatie zoals deze zich eind januari 2000 voordeed voor de verzoekende partij zoniet zou er mogelijkheid bestaat dat verzoekers die op de eerste zittingen van de Commissie voor behandeling van hun verzoek werden opgeroepen in een nadeliger situatie zouden vertoefd hebben dan diegenen die veel later voor de Commissie konden verschijnen. Volgens de Raad van State is het immers essentieel dat de gehanteerde criteria voor iedere kandidaat dezelfde zijn en op iedere kandidaat op een objectieve en gemotiveerde wijze worden toegepast (arrest nr. 47.908 van 13 juni 1994 in de zaak A.56.802/X-3072 L. De Smet/Belgische Staat). Verzoeker kon op geen enkele wijze laten geloven dat hij zich in dit land echt wilde integreren en alle plichten op zich nemen welke dit dan voor een burger meebrengt om dan ook rechten te kunnen laten gelden, maar integendeel verzoeker liet duidelijk blijken te willen leven op een voor de overheden volledig onbekend blijvende manier en zonder enige wil om zich in de plaatselijke bevolking ais een echte normale burger te willen inschakelen tussen de andere medeburgers. De reeds geciteerde brief van 7 maart 2005 waarbij de raadsman de aandacht trok op het feit dat verzoeker nog steeds de Nederlandse taai niet machtig is, bevestigt het gebrek aan goede wil bij verzoeker om zich ook met het aanleren van de taal van de streek waarin hij leeft, in die streek echt te willen integreren. Aangezien deze vaststellingen hebben geleid tot het hiernavolgend advies dat, na beraadslaging, uitgebracht wordt overeenkomstig artikel 17 van het Koninklijk Besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor Regularisatie en houdende de uitvoering van de Wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen, verblijvend op het grondgebied van het Rijk (Belgisch Staatsblad van 10 januari 2000 p.588-592) en volgens artikel 19 in werking getreden op 10 januari 2000.”. VII-34.601-7/12 1.
- Op 6 juli 2005 heeft de minister van Binnenlandse Zaken de aanvraag tot regularisatie verworpen door zich aan te sluiten bij de overwegingen van het advies van de Nederlandstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie. Dit is de bestreden beslissing.
- Beoordeling. 2.
- In een eerste middel roept de verzoekende partij de schending in van de artikelen 2, 4/ en 9, 9/ van de Regularisatiewet. Zij stelt dat in het advies van de Commissie voor regularisatie ten onrechte het volgende wordt overwogen: “De door verzoeker voortgebrachte stukken en aanvullende stukken leveren niet op afdoende wijze het sluitend bewijs van het daadwerkelijk verblijf van de verzoeker in België in de periode 1 januari 1999 tot 1 oktober
- Deze stukken zijn immers bijzonder vaag en elk officieel stuk of een stuk dat uitsluitsel kan geven ontbreekt”. Verder verwijst de verzoekende partij naar het feit dat “meerdere getuigenissen, mede van personen die de Belgische nationaliteit hebben, werden gevoegd met kopie van identiteitskaart” en waarvan “de verklaringen eenduidig (zijn) en bevestigen dat (de verzoekende partij) ononderbroken in het Rijk heeft verbleven”. De verzoekende partij meent dat de Commissie voor regularisatie deze getuigen kon oproepen teneinde de getuigenissen te zien bevestigen. Ten slotte verwijst de verzoekende partij naar de verklaring van het Senegalees consulaat te Brussel, naar een “gedateerde” lidkaart van de bibliotheek van Antwerpen en naar “diverse commerciële contracten en transacties, alsook naar bewijsstukken waaruit blijkt dat zij “in 2001 enkele maanden op regelmatige wijze heeft gewerkt”. Volgens de verzoekende partij blijkt uit al deze stukken dat zij voldoet aan de wettelijke vereisten voor regularisatie. In het advies van de Commissie voor regularisatie is de overweging die de verzoekende partij aanbrengt en die betrekking heeft op de door haar voorgelegde documenten, niet terug te vinden. Uit het voornoemde advies blijkt evenwel dat, na een uitgebreid onderzoek van de door de verzoekende partij voorgelegde stukken, werd geconcludeerd dat de verzoekende partij haar ononderbroken verblijf van zes jaar voorafgaand aan het indienen van haar aanvraag tot regularisatie niet geloofwaardig heeft gemaakt. Bovendien blijkt uit het administratief dossier dat er geen afschriften van identiteitskaarten bij de afgelegde verklaringen werden gevoegd. Bijgevolg mist de kritiek van de verzoekende partij feitelijke grondslag. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij beweert, blijkt uit het advies van de Commissie voor regularisatie dat de aangebrachte bewijsstukken uitgebreid werden onderzocht en beoordeeld. De verzoekende partij toont echter niet met concrete gegevens aan dat de beoordeling van de Commissie voor regularisatie, en dus van de VII-34.601-8/12 minister van Binnenlandse Zaken, kennelijk onredelijk is in het licht van de artikelen 2, 4/ en 9, 9/ van de Regularisatiewet. Het eerste middel is niet gegrond. 2.
- In een tweede middel roept de verzoekende partij de schending in van artikel 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Zij verwijst hierbij naar haar uiteenzetting van het eerste middel. Zij stelt dat de minister van Binnenlandse Zaken niet motiveert waarom de aangevoerde bewijsstukken vaag en niet dienstig zijn en dat “de bewijskracht van de overgelegde bewijzen wordt genegeerd zonder dat dienaangaande enige overweging wordt gemaakt”. Zij voert ten slotte aan dat binnen éénzelfde Commissie voor regularisatie, op basis van dezelfde feiten, twee verschillende adviezen werden gegeven. De formele motiveringsplicht heeft tot doel de bestuurde in kennis te stellen van de redenen waarom de administratieve overheid de beslissing heeft genomen, zodat kan worden beoordeeld of er aanleiding toe bestaat de beroepen in te stellen waarover hij beschikt. De bestreden beslissing is formeel met redenen omkleed. Uit het verzoekschrift blijkt overigens dat de verzoekende partij de motieven van de bestreden beslissing kende, aangezien ze deze aan een inhoudelijk onderzoek onderwerpt. Zij heeft dan ook geen belang bij het inroepen van een mogelijke schending van de formele motiveringsplicht. De toetsing van de formele motivering houdt in beginsel niet de beoordeling in van de inhoud van de motieven. In de mate waarin de verzoekende partij de materiële motiveringsplicht geschonden acht, slaagt zij er niet in aan te tonen dat de feitelijke vaststellingen van de Commissie voor regularisatie niet correct zijn, noch dat de gevolgtrekkingen die deze daaruit afleidt kennelijk onredelijk zijn. Een verder onderzoek van het middel zou de Raad van State verplichten de feitelijke toedracht van de aanvraag tot regularisatie te beoordelen, wat zaak is van de tot beslissen bevoegde overheid. Wanneer de Raad van State een administratieve beslissing aan de wet toetst, treedt hij immers niet op als rechter in hoger beroep die op aanvraag van de rechtzoekende de ware toedracht van de feiten gaat beoordelen. Hij onderzoekt enkel of de overheid in redelijkheid is kunnen komen tot de door haar gedane vaststelling van feiten en of er in het dossier geen gegevens voorhanden zijn die daarmee onverenigbaar zijn. In het kader van een marginale toetsing wordt de aangeklaagde onwettigheid slechts dan gesanctioneerd wanneer daarover geen redelijke twijfel kan bestaan, m.a.w. wanneer de beslissing kennelijk onredelijk is. De verzoekende partij toont niet aan dat de feiten niet op behoorlijke wijze werden vastgesteld, noch dat de motieven kennelijk onredelijk zijn. VII-34.601-9/12 Het tweede middel is niet gegrond. 2.
- In een derde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het redelijkheidsbeginsel. Zij beweert dat de bestreden beslissing “in kennelijke wanverhouding staat met de feiten waarop de beslissing is gebaseerd” en dat “éénzelfde feitengegeven tot twee diametraal tegenovergestelde beslissingen leidt.”. Uit de bespreking van de twee voorgaande middelen is gebleken dat de verzoekende partij er niet in slaagt aan te tonen dat de beoordeling door de Commissie voor regularisatie en dus ook door de minister van Binnenlandse Zaken, van de door haar overgelegde stukken, kennelijk onredelijk is. Het feit dat de verzoekende partij het niet eens is met hun beoordeling, maakt op zich geen middel tot vernietiging van de bestreden beslissing uit. Het derde middel is niet gegrond. 2.
- In een vierde middel wordt de schending ingeroepen van “de gekozen proceduretaal” en van “de rechten van verdediging”, omdat de zaak, niettegenstaande de Franstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie reeds een positief advies over de aanvraag verleende, toch werd toegewezen aan de Nederlandstalige Kamer van de Commissie en dit “in strijd (is) met een behoorlijk bestuur”. De bestreden beslissing vermeldt terecht het volgende: “De aanvraag tot regularisatie ingediend door XXX gebeurde op 29 januari 2000 te Antwerpen zonder een uitdrukkelijke keuze voor een taal van de procedure. De aanvraag werd volledig in het Nederlands opgesteld en door verzoeker zelf ondertekend met een woonplaatskeuze en opgave van feitelijke verblijfplaats op hetzelfde adres hetzij te 2060 Antwerpen, gelegen in het ééntalig Vlaamse Gewest. En vermits artikel 10, §2 van het koninklijk besluit van 5 januari 2000 betreffende de samenstelling en de werking van de Commissie voor regularisatie houdende de uitvoering van de wet van 22 december 1999 betreffende de regularisatie van het verblijf van bepaalde categorieën van vreemdelingen letterlijk zegt “De procedure vindt plaats in de landstaal die de aanvrager gebruikt heeft bij zijn aanvraag.”. De verzoekende partij brengt geen gegevens aan waaruit kan worden afgeleid dat deze motieven, die steunen op een reglementaire tekst, onwettig zijn. Het vierde middel is bijgevolg niet gegrond. VII-34.601-10/12 2.
- In een vijfde middel voert de verzoekende partij de schending aan van het “non bis in idem”-beginsel. Door, na het advies van de Franstalige Kamer van de Commissie voor regularisatie, alsnog te beslissen dat de aanvraag van de verzoekende partij moet worden behandeld door de de Nederlandstalige Kamer van de Commissie, dient te worden afgeleid dat de Commissie voor regularisatie het Franstalig advies impliciet heeft ingetrokken en vervangen door het Nederlandstalig advies. Daarenboven is er slechts één beslissing genomen over de aanvraag tot regularisatie door de minister van Binnenlandse Zaken, die hiervoor exclusief bevoegd is. De Commissie voor regularisatie heeft in de procedure tot regularisatie enkel een adviserende rol. Het vijfde middel is niet gegrond.
- De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is dus grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, zeventien januari tweeduizend en zeven, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. VII-34.601-11/12 De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-34.601-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.842 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div