← België

Arrest 166860 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.860 Rolnummer: A. 152666/VII-32298 Zaak: Arrest 166860 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 13:44 Fiche Arrest nr 166.860 van 17 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.860 van 17 januari 2007 in de zaak A. 152.666/VII-32.298 In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat P. VAN ROMPAEY, kantoor houdende te 2260 WESTERLO, Zandberg 19 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Bulgaarse nationaliteit, op 6 juli 2004 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 juni 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard en van het bevel van de minister van Binnenlandse Zaken van 3 juni 2004 om het grondgebied van het Rijk te verlaten, aan de verzoekende partij ter kennis gebracht op 10 juni 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partij op dezelfde dag heeft ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 29 juli 2004 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.298-1/8 Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 13 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. BOLLEN, die, loco advocaat P. VAN ROMPAEY, verschijnt voor de verzoekende partij en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.

  1. De feiten. 1.
  2. De verzoekende partij kwam België binnen op 22 juni 2001 waar zij zich op 24 augustus 2001 vluchteling verklaarde. Op 24 augustus 2001 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. Op 19 oktober 2001 bevestigde de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissing. 1.
  3. Op 29 oktober 2001 diende de verzoekende partij een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. 1.
  4. Op 12 juli 2002 stelde de door de minister van Binnenlandse Zaken aangestelde controlegeneesheer in zijn verslag dat de verzoekende partij niet terug kon naar het land van herkomst en dat hij de situatie opnieuw wenste te beoordelen in juli
  5. 1.
  6. Op 20 augustus 2002 nam de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk werd verklaard. Tegelijkertijd werd door de minister van Binnenlandse Zaken beslist “het bevel om het grondgebied te verlaten driemaandelijks te verlengen vanaf 01/08/2002 tot 31/07/2003". VII-32.298-2/8 1.
  7. Op 15 juli 2003 verzocht de minister van Binnenlandse Zaken de controlegeneesheer om een “her-evaluatie van de medische toestand” van de verzoekende partij. 1.
  8. Op 1 september 2003 stelde de controlegeneesheer aan de Belgische ambassadeur te Sofia een aantal vragen omtrent de mogelijkheid van behandeling van de verzoekende partij in Bulgarije. 1.
  9. Op 16 september 2003 ontving de controlegeneesheer een antwoord van de Belgische ambassade te Bulgarije. 1.
  10. Op 22 september 2003 besliste de minister van Binnenlandse Zaken dat “het bevel om het grondgebied te verlaten (kon worden) verlengd (...) vanaf 01/09/2003 tot 30/11/2003". 1.
  11. Op 2 december 2003 deelde de minister van Binnenlandse Zaken aan de raadsman van de verzoekende partij mee dat niet langer kon worden overgegaan tot een verlenging van het aan zijn cliënt betekende bevel om het grondgebied te verlaten. 1.
  12. Op 29 maart 2004 dient de verzoekende partij een nieuwe aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. 1.
  13. Op 19 mei 2004 zendt de raadsman van de verzoekende partij nog een aantal overtuigingsstukken aan de minister van Binnenlandse Zaken. 1.
  14. Op 1 juni 2004 stelt de controlegeneesheer opnieuw een verslag op. 1.
  15. Op 3 juni 2004 neemt de minister van Binnenlandse Zaken de beslissing waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf onontvankelijk wordt verklaard. Deze beslissing wordt aan de verzoekende partij betekend op 10 juni
  16. Dit is de eerste bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: VII-32.298-3/8 “(...) Reden(en): De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkene de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kan indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden en verantwoorden niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Dat betrokkene alhier volledig geïntegreerd zou zijn en perfect Nederlands zou spreken, is op zich niet uitzonderlijk en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. De betrokkene wist dat zijn verblijf enkel werd toegestaan in het kader van de asielaanvraag en dat hij bij een negatieve beslissing het land zou dienen te verlaten. De aanvraag is hoofdzakelijk gebaseerd op de medische problematiek van de heer XXX. De stelling van onmogelijkheid tot correcte medicamenteuze behandeling in land van herkomst werd voorgelegd aan onze controlegeneesheer. In zijn advies herbevestigt onze controlegeneesheer dat terugkeer mogelijk is. Wat het financiële aspect van de behandeling betreft: in de aanvraag wordt niet aangetoond dat de heer XXX op geen enkel familielid in land van herkomst zou kunnen rekenen om hem te steunen. Voorts heeft de heer XXX een universitair diploma alsook werkervaring in land van herkomst, en zal de behandeling van en de zorg voor visueel gehandicapten in Bulgarije in de toekomst enkel verbeteren. Bulgarije is immers kandidaat EU-lidstaat voor 2007, waartoe het de criteria van Kopenhagen dient te respecteren (een stabiele democratie hebben die de rechtstaat, de eerbiediging van de mensenrechten en de bescherming van de minderheden waarborgt; over een functionerende markteconomie beschikken; en de gemeenschappelijke regels, normen en beleidsmaatregelen aanvaarden die het corpus van EU-wetgeving vormen). (...) In de aanvraag wordt ook niet aangetoond dat er geen enkele organisatie zou zijn (in het bijzonder NGO’s) op wiens hulp de heer XXX beroep zou kunnen doen. Nochtans zijn deze wel degelijk aanwezig en werkzaam in Bulgarije, o.a. (...). Betrokkene heeft een noodzakelijke heelkundige ingreep ondergaan in België. Indien in de toekomst in het land van herkomst een bepaalde heelkundige ingreep zich zou opdringen die aldaar niet zou kunnen uitgevoerd worden, kan betrokkene hiervoor in het land van herkomst bij de Belgische vertegenwoordiging een visumaanvraag indienen. Derhalve kan het medisch motief niet weerhouden worden. Betrokkene dient contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) en/of de Bulgaarse vertegenwoordiging in België, ten einde zijn terugkeer voor te bereiden. (...).”. 1.
  17. Eveneens op 10 juni 2004 wordt aan de verzoekende partij een bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten, betekend. Dit is de tweede bestreden beslissing waarvan de motivering luidt als volgt: “(...) Betrokkene verblijft langer in het Rijk dan de overeenkomstig artikel 6 bepaalde termijn of slaagt er niet in het bewijs te leveren dat hij deze termijn niet overschreden heeft (wet 15.11.80 - art. 7, alinea 1, 2/) (...).”. VII-32.298-4/8
  18. Beoordeling. De verzoekende partij voert in haar vijf middelen een schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van artikel 3 van het Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM), goedgekeurd bij wet van 13 mei 1955, van artikel 7 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, opgemaakt te New York op 19 december 1966 (BuPo-Verdrag), goedgekeurd bij wet van 15 mei 1981 en van het zorgvuldigheidsbeginsel. Daarnaast verwijt de verzoekende partij de minister van Binnenlandse Zaken machtsoverschrijding. Meer bepaald voert de verzoekende partij aan dat de noodzakelijke geneesmiddelen niet in Bulgarije beschikbaar zijn. De verzoekende partij voegt er vervolgens aan toe dat, voor zover deze geneesmiddelen toch verkrijgbaar zouden zijn op de Bulgaarse markt, deze voor haar “de facto onbetaalbaar” zouden zijn. Wat de verzoekende partij de minister van Binnenlandse Zaken eerst en vooral verwijt in de eerste bestreden beslissing, is niet in te gaan op het feit dat de voor haar noodzakelijke medicijnen ‘Cosopt’ en ‘Lumigan’ in Bulgarije niet beschikbaar zijn. Er dient te worden opgemerkt dat deze kritiek feitelijke grondslag mist. In het bij de eerste bestreden beslissing gevoegde verslag van de controlegeneesheer, worden immers een aantal alternatieve medicijnen opgesomd die wel verkrijgbaar zijn in het land van herkomst. De verzoekende partij toont met geen enkel concreet element de onjuistheid aan van de overweging van de controlegeneesheer waarbij deze de medicijnen ‘Timoptol’, ‘Trusopt’, ‘Xalatan’ en ‘Travatan’ aanduidt als alternatieven voor de door de verzoekende partij in België gebruikte geneesmiddelen ‘Cosopt’ en ‘Lumigan’. De verzoekende partij voert daarnaast ook kritiek aan ten aanzien van de overweging van de controlegeneesheer waarbij deze stelt dat “Lumigan (ook kan worden) meegegeven voor één jaar” omdat dit medicijn “binnen deze periode (...) ook in Bulgarije beschikbaar (zal) zijn”. De verzoekende partij voert aan dat hierover geen zekerheid bestaat aangezien de controlegeneesheer zich enkel heeft geïnformeerd “bij onbekende collega’s artsen”, doch niet bij de fabrikant van het geneesmiddel. Volgens de verzoekende partij is deze laatste de enige die “terzake uitsluitsel (kan) geven”. Ongeacht de vraag of deze kritiek van de verzoekende partij al dan niet terecht is, dient te worden opgemerkt dat de desbetreffende overweging van de controlegeneesheer slechts een bijkomende opmerking uitmaakt, aangezien, zoals hierboven is gebleken, de controlegeneesheer reeds in alle redelijkheid heeft gewezen op het voorhanden zijn van alternatieve geneesmiddelen. VII-32.298-5/8 De verzoekende partij gaat vervolgens in op de overwegingen die de minister van Binnenlandse Zaken in de eerste bestreden beslissing maakt met betrekking tot “het financiële aspect van de behandeling”. Zo verwijt de verzoekende partij de minister van Binnenlandse Zaken haar “geen bijkomende vragen (te hebben) gesteld met betrekking tot de mogelijkheid om de noodzakelijke medicatie (...) door derden te kunnen laten aankopen”. De verzoekende partij betracht met deze kritiek met andere woorden een omkering van de bewijslast. De vreemdeling moet klaar en duidelijk in zijn aanvraag vermelden welke de buitengewone omstandigheden zijn die hem verhinderen zijn verzoek bij de diplomatieke dienst in het buitenland in te dienen. Uit zijn uiteenzetting moet duidelijk blijken waarin het ingeroepen beletsel precies bestaat. De verzoekende partij heeft in haar aanvraag niet gerept over de afwezigheid van potentieel helpende familieleden in het land van herkomst. De minister van Binnenlandse Zaken kon zulks dan ook in alle redelijkheid in de eerste bestreden beslissing vaststellen, temeer nu de verzoekende partij in haar verzoekschrift niet met enig concreet element aantoont dat de vaststelling van de minister van Binnenlandse Zaken niet zou stroken met de werkelijkheid. Bovendien beperkt de verwerende partij zich, wat het “financiële aspect van de behandeling” betreft, niet tot deze ene overweging, doch wijst zij in de eerste bestreden beslissing ook op het feit dat de verzoekende partij beschikt over “een universitair diploma alsook (over) werkervaring in (het) land van herkomst”, alsmede op het feit dat “de behandeling van en de zorg voor visueel gehandicapten in Bulgarije”, gelet op de nakende toetreding van Bulgarije tot de Europese Unie en de hierbij horende aanvaarding van de in de eerste bestreden beslissing aangehaalde “criteria van Kopenhagen”, “in de toekomst enkel (zal) verbeteren”. De verzoekende partij verwijt de minister van Binnenlandse Zaken hierbij “onvoldoende onderzoek (te hebben) verricht naar (haar) effectieve arbeidsmogelijkheden”. Met name wijst de verzoekende partij op haar leeftijd en op haar visuele problemen. De verzoekende partij beperkt zich tot een aantal hypothetische beweringen omtrent haar beweerde zwakke positie op de Bulgaarse arbeidsmarkt. Zij toont hiermee echter niet aan dat het onjuist of kennelijk onredelijk is van de minister van Binnenlandse Zaken om te wijzen op het feit dat de verzoekende partij beschikt over “een universitair diploma alsook (over) werkervaring in (haar) land van herkomst”. VII-32.298-6/8 Inzake de nakende toetreding van Bulgarije tot de Europese Unie, komt de verzoekende partij dan weer niet verder dan de opmerking dat zulks “geen afbreuk doet aan het feit dat de noodzakelijke medicatie thans niet ter beschikking is in Bulgarije”. Deze opmerking van de verzoekende partij is echter niet pertinent aangezien er enerzijds, en zoals hierboven reeds is gebleken, wel degelijk alternatieve geneesmiddelen verkrijgbaar zijn op de Bulgaarse markt, en er anderzijds dient te worden opgemerkt dat de overweging betreffende het nakende E.U.-lidmaatschap van Bulgarije door de minister van Binnenlandse Zaken louter wordt gelinkt aan de hierbij horende aanvaarding van de zogenaamde “criteria van Kopenhagen”, waaruit de minister van Binnenlandse Zaken enkel algemene conclusies trekt betreffende een betere toekomst inzake “de behandeling van en de zorg voor visueel gehandicapten in Bulgarije”. Nergens in de eerste bestreden beslissing worden aan de nakende toetreding van Bulgarije tot de Europese Unie gevolgen gekoppeld voor wat betreft het al dan niet voorhanden zijn van bepaalde geneesmiddelen op de Bulgaarse farmaciemarkt. Waar de verzoekende partij ten slotte nog opmerkt dat in de eerste bestreden beslissing “geen enkele verwijzing wordt gegeven naar de kostprijs van de noodzakelijke medicatie en de tussenkomst ervan”, dient te worden opgemerkt dat, zo zulks vanuit letterlijk oogpunt weliswaar juist is, de minister van Binnenlandse Zaken in de eerste bestreden beslissing in dit verband desalniettemin - naast de hierboven reeds besproken overwegingen met betrekking tot het “financiële aspect van de behandeling” - ook nog verwijst naar de aanwezigheid van een groot aantal niet-gouvernementele organisaties “op wiens hulp de heer XXX (in Bulgarije) beroep zou kunnen doen”. De verzoekende partij voert als dusdanig geen kritiek aan ten aanzien van deze laatste overweging van de minister van Binnenlandse Zaken. De verzoekende partij somt in het verzoekschrift weliswaar nog een aantal gegevens op ter ondersteuning van de door haar aangehaalde precaire financiële situatie (zoals bv. het feit dat zij uit de echt gescheiden is, dat zij een minderjarige dochter heeft, dat er geen derden zijn op wie zij kan terugvallen, en dat zij in Bulgarije slechts over een maandelijks inkomen beschikte van vijftig euro). Bij de beoordeling van de materiële motiveringsplicht, is de Raad van State niet bevoegd om zijn beoordeling van de gegrondheid van de aanvraag in de plaats te stellen van die van de administratieve overheid. De Raad van State is in de uitoefening van zijn wettelijk toezicht enkel bevoegd na te gaan of deze overheid bij de beoordeling van de aanvraag is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan niet in onredelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. VII-32.298-7/8 De verzoekende partij voert dan ook ten onrechte aan dat de minister van Binnenlandse Zaken geen of onvoldoende rekening zou hebben gehouden met de beweerde “de facto onbetaalbaar(heid)” van de voor de verzoekende partij noodzakelijke medicijnen. De verzoekende partij slaagt er dan ook niet in een schending van de in haar middelen aangehaalde bepalingen en beginselen aannemelijk te maken.
  19. De verzoekende partij heeft geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is dus grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  20. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  21. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zeven, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-32.298-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.860 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.