← België

Arrest 166862 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 17/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.862 Rolnummer: A. 140757/VII-30557 Zaak: Arrest 166862 - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen - 17/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-25 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 13:45 Fiche Arrest nr 166.862 van 17 januari 2007 Vreemdelingen - Commissariaat-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.862 van 17 januari 2007 in de zaak A. 140.757/VII-30.557 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, die woonplaats kiezen bij advocaat A. DESWAEF, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Congresstraat 49 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, afkomstig uit voormalig Joegoslavië, op 22 augustus 2003 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van respectievelijk 29 juli 2003 en 28 juli 2003 tot bevestiging van de beslissingen van de minister van Binnenlandse Zaken van 17 juli 2000 tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de beschikking van 8 september 2003 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-30.557-1/6 Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 13 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. GOUBAU, die, loco advocaat A. DESWAEF, verschijnt voor de verzoekende partijen en van attaché D. HANOULLE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. Uit het dossier en de processtukken blijkt dat de zaak zonder verdere voorafgaande maatregelen, in een verkorte procedure, kan worden behandeld zoals voorzien door dit artikel.
  3. De feiten. 1.
  4. De verzoekende partijen kwamen België binnen op 5 december 1999 en verklaarden zich op 6 december 1999 vluchteling. 1.
  5. Op 17 juli 2000 nam de minister van Binnenlandse Zaken de beslissingen tot weigering van verblijf, met bevel om het grondgebied van het Rijk te verlaten. 1.
  6. Op respectievelijk 29 juli 2003 en 28 juli 2003 bevestigt de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen deze beslissingen letterlijk als volgt : Ten aanzien van de eerste verzoekende partij: "A. Vluchtrelaas Volgens uw verklaringen bent u een etnische Albanees afkomstig uit de stad Gjakovë, Kosovo (Servië-Montenegro). Op 2 mei 1999 zijn Servische militairen en politieagenten Gjakovë binnengevallen en kregen alle inwoners van de stad het bevel om te vertrekken. U heeft de volgende dag samen met uw gezin en een vriend Kosovo verlaten, richting Albanië. Aan de grens met Albanië hebben Servische militairen uw VII-30.557-2/6 identiteitsdocumenten afgenomen en verscheurd. In Albanië hebt u één nacht in Kukës verbleven en vervolgens bent u verder getrokken naar Shkodër. In Shkodër liet u zich als vluchteling registreren en verbleef u bij een Albanese familie die u hulp aanbood. Nadat de situatie in Kosovo enigszins gestabiliseerd was, keerde u in juli 1999 alleen terug naar Gjakovë. U zag ter plaatse dat er KFOR-troepen aanwezig waren in Gjakovë en dat uw woning vernield was. Daarom keerde u reeds na drie dagen terug naar Shkodër. In december 1999 besloot u samen met uw echtgenote, Osmani Vera, en uw twee minderjarige kinderen naar België te komen. U wilde niet terugkeren naar Kosovo omdat de oorlog nog maar net voorbij was en er nog gevaar voor mijnen bestond. Bovendien was uw woning vernield en was de gezondheidstoestand van uw echtgenote niet goed. U wenste met uw gezin ook niet langer in Albanië te blijven omdat er geen werk voor u was. Op 5 december 1999 bent u samen met uw echtgenote, XXX en uw twee minderjarige kinderen aangekomen in België, waar u de volgende dag asiel aanvroeg. U verklaarde momenteel niet naar Kosovo te kunnen terugkeren omdat de toestand er nog steeds onstabiel is. U bent in het bezit van een inschrijvingsbewijs als vluchteling in Albanië, uitgereikt op 4 mei 1999 door het UNHCR en de lokale vluchtelingendienst van het Ministerie van de Lokale Besturen van Shkodër, een ander registratieattest van een vluchtelingendienst, dd. 7 mei 1999 en uw Albanese vluchtelingenkaart en die van uw echtgenote, beide uitgereikt door het UNHCR op 5 juli
  7. B. Motivering Er moet worden opgemerkt dat u in uw opeenvolgende verklaringen onvoldoende concrete feiten of elementen hebt aangehaald waaruit kan worden afgeleid dat u bij een eventuele terugkeer naar Kosovo momenteel het risico loopt om persoonlijk en systematisch te worden vervolgd zoals bedoeld in de Vluchtelingenconventie. Zo dient er vooreerst op gewezen te worden dat de (politieke) situatie in uw land van herkomst sinds uw vertrek naar België (juni 1999) dermate fundamenteel gewijzigd is dat de door u ingeroepen vrees omwille van de algemene repressie en geweldplegingen door de Serviërs ten aanzien van de Albanese gemeenschap in Kosovo momenteel niet meer actueel is. Overeenkomstig Resolutie 1244 van de V.N.-Veiligheidsraad, dd. 10 juni 1999, werd de regio immers onder internationaal toezicht en bestuur geplaatst. Sindsdien levert de internationale gemeenschap ernstige inspanningen om de rust en orde in Kosovo te herstellen met het oog op de normalisering van het dagelijkse leven en het garanderen van veiligheid voor alle Kosovaren, ook in uw geboortestreek Gjakovë. In het licht hiervan hebt u ook helemaal niet aannemelijk gemaakt dat u in geval van moeilijkheden na een eventuele terugkeer op dit moment geen beroep zou kunnen doen op de bescherming van de (nieuwe) lokale Albanese autoriteiten in Gjakovë of van de ter plaatse aanwezige vertegenwoordigers van de internationale gemeenschap, zoals UNMIK en KFOR. In dit verband kan nog vermeld worden dat uit uw verklaringen blijkt dat familie van u momenteel in Kosovo woont en dat het lokale bestuur van Gjakovë sinds de gemeenteraadsverkiezingen van eind 2000 gedomineerd wordt door de gematigde “Democratische Liga van Kosovo” (LDK), dat bij de laatste lokale verkiezingen (eind 2002) met 39,97% van de stemmen 17 van de 41 zetels behaalde. Ten slotte kan nog vermeld worden dat sinds de zomer van 1999 vele tientallen etnische Albanezen die omwille van het etnisch geweld uit Kosovo waren weggevlucht, zonder noemenswaardige problemen zijn kunnen terugkeren en momenteel opnieuw ongestoord in Kosovo verblijven. Wat betreft de opmerking van uw advocaat dat u het katholieke geloof aanhangt, heeft u zelf uitdrukkelijk gesteld dat u voor uw vertrek hierdoor geen enkel probleem heeft ondervonden. Bovendien blijkt uit informatie waarover het Commissariaat-generaal beschikt en waarvan een kopie bij het administratief dossier werd gevoegd, dat in Kosovo het katholieke geloof in alle vrijheid door een kleine groep etnische Albanezen wordt beleden en de facto als een officiële godsdienst wordt beschouwd. Daarenboven garandeert de in Kosovo van toepassing zijnde wetgeving de vrijheid van godsdienst en overtuiging en wordt door UNMIK toezicht gehouden op de naleving ervan. De positie van etnisch Albanese katholieken in Kosovo verschilt dan ook niet of nauwelijks van die van de etnisch Albanese moslims. Uit niets blijkt dus dat u bij een eventuele terugkeer problemen zou kennen omwille van uw geloofsovertuiging. VII-30.557-3/6 Het feit dat u in Kosovo geen woning meer zou hebben, is dan weer een probleem van louter socio-economische aard dat als dusdanig niet onder het toepassingsgebied van de Vluchtelingenconventie ressorteert. Voorts dient te worden vastgesteld dat u vanaf begin mei 1999 tot december 1999 (ruim zeven maanden) met uw gezin in Albanië hebt gewoond, waar u en uw echtgenote zich als vluchteling hebben laten registreren. U verklaarde zelf uitdrukkelijk dat u tijdens uw verblijf in Albanië op geen enkel moment noemenswaardige problemen heeft gekend met de plaatselijke bevolking, noch met lokale of met hogere autoriteiten en dat u Albanië hebt verlaten omdat er geen werk was. Hier kan ten slotte nog aan worden toegevoegd dat ook ten aanzien van uw echtgenote, XXX, in het kader van haar dringend beroep door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen. De neergelegde documenten doen geen afbreuk aan bovenstaande vaststellingen aangezien ze enkel uw identiteit en uw verblijf als vluchteling in Albanië kunnen bevestigen, wat op zich helemaal niet betwist wordt. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. Bovendien ben ik de mening toegedaan: dat uw asielaanvraag onontvankelijk is omdat u, nadat u uw land hebt verlaten, meer dan drie maanden in een ander land hebt verbleven en dit hebt verlaten zonder vrees voor vervolging in de zin van artikel 1, A van het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen; Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Ten aanzien van de tweede verzoekende partij: “A. Vluchtrelaas U en uw echtgenoot, XXX XXX, werden door het Commissariaat-generaal uitgenodigd voor een verhoor op 28 maart
  8. Wegens ziekte kon u echter niet aanwezig zijn. Uw echtgenoot legde tijdens zijn verhoor het vereiste medisch attest voor. U heeft echter nagelaten uw antwoord op het verzoek om inlichtingen aan het Commissariaat-generaal over te maken, hoewel uw echtgenoot uitdrukkelijk verklaarde hiervoor te zullen zorgen (verhoorverslag man CGVS, p. 6). B. Motivering Aangezien u uw asielaanvraag volledig steunt op de door uw echtgenoot, XXX XXX, aangehaalde motieven en aangezien in hoofde van deze laatste door mij een bevestigende beslissing van weigering van verblijf werd genomen, kan ten aanzien van u evenmin besloten worden tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. Om dezelfde redenen meen ik bovendien dat het in de gegeven omstandigheden niet noodzakelijk is u alsnog te horen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, bevestig ik de beslissing van de gemachtigde van de Minister van Binnenlandse zaken waarbij u het verblijf op het grondgebied werd geweigerd. Steunend op artikel 52 van de vreemdelingenwet meen ik dat uw asielaanvraag kennelijk ongegrond is. VII-30.557-4/6 Ik meen bovendien dat u in de huidige omstandigheden mag worden teruggeleid naar de grens van het land dat u ontvlucht bent, en waar volgens uw verklaring, uw leven, uw fysieke integriteit of uw vrijheid in gevaar zou verkeren. Behoudens een andere beslissing van de Minister van Binnenlandse zaken of zijn gemachtigde dient u binnen de 5 dag(en), ingaand op de datum van de kennisgeving van deze beslissing het grondgebied te verlaten (Koninklijk Besluit van 19/05/1993: artikel 17, par. 2, al.2.).”. Dit zijn de bestreden beslissingen.
  9. Beoordeling. In een enig middel wordt de schending ingeroepen van artikel 62 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Tevens gewagen de verzoekende partijen van een manifeste beoordelingsfout. De door de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen opgegeven motivering zou niet stroken met de werkelijkheid. Te dezen werd de asielaanvraag van de eerste verzoekende partij onontvankelijk verklaard omdat de aanvraag kennelijk ongegrond was en omdat de verzoekende partij nadat zij haar land had verlaten gedurende meer dan drie maanden in een ander land heeft verbleven en dit land heeft verlaten zonder vrees voor vervolging. De asielaanvraag van de tweede verzoekende partij, die volledig rust op deze van haar echtgenoot werd om die reden kennelijk ongegrond bevonden. De vaststelling met betrekking tot het verblijf van de verzoekende partijen in een ander land volstond om de asielaanvragen onontvankelijk te verklaren. In het zesde onderdeel van het middel leveren de verzoekende partijen kritiek op dit motief, zonder echter het feitelijk gegeven van een ongestoord verblijf in een ander land te betwisten. Hun bewering als zouden zij Albanië zijn uitgezet doet geen afbreuk aan hun verklaringen dat ze daar geen noemenswaardige problemen hebben gekend en toont niet aan dat zij dit land hebben verlaten omwille van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van het verdrag betreffende de status van Vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Conventie van Genève), goedgekeurd bij wet van 26 juni
  10. De verzoekende partijen slagen er niet in aan te tonen dat dit determinerend motief van de bestreden beslissing onwettig is. De verzoekende partijen klagen er tevens over dat zij in Albanië wel, en in België, niet als vluchteling werden erkend, hoewel de criteria dezelfde zijn. Zij tonen echter niet aan dat alle gegevens die zij in beide landen hebben aangebracht dezelfde zijn, zodat de Raad van State die grief niet naar behoren kan beoordelen. VII-30.557-5/6
  11. De verzoekende partijen hebben geen gegrond middel tot nietigverklaring aangevoerd. Er is dus grond om toepassing te maken van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit zodat de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, als accessorium van het beroep tot nietigverklaring, samen met dit beroep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  12. De vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring worden verworpen. Artikel
  13. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zeven, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-30.557-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.862 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.