← België

Arrest 166871 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 januari 2007 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.871 Rolnummer: A. 153611/XIV-28582 Zaak: Arrest 166871 - Dienst Vreemdelingenzaken - 17/01/2007 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2007-01-24 Raadplegingen: 48 - laatst gezien 2026-06-29 13:45 Fiche Arrest nr 166.871 van 17 januari 2007 Vreemdelingen - Dienst Vreemdelingenzaken Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING ADMINISTRATIE nr. 166.871 van 17 januari 2007 in de zaak A. 153.611/VII-32.420 In zake :

  1. XXX,
  2. XXX, in eigen naam en in naam van hun minderjarig kind, die woonplaats kiezen bij advocaat P. MEULEMANS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Koningin Astridlaan 143 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Binnenlandse Zaken. DE WND. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX en XXX, in eigen naam en in naam van hun minderjarig kind, allen van Oekraïense nationaliteit, op 9 juli 2004 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 april 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) onontvankelijk wordt verklaard, aan de verzoekende partijen ter kennis gebracht op 10 juni 2004; Gezien het verzoekschrift dat de verzoekende partijen op dezelfde dag hebben ingediend om de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van dezelfde beslissingen; Gelet op de artikelen 4 en 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. STERCK, op grond van artikel 26 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dit verslag aan de partijen; VII-32.420-1/7 Gelet op de beschikking van 6 oktober 2006 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 13 december 2006; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. MEULEMANS, die verschijnt voor de verzoekende partijen en van advocaat E. MATTERNE, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De feiten. 1.
  4. De verzoekende partijen dienen op 17 april 2000 een aanvraag in tot het bekomen van een machtiging tot verblijf van meer dan drie maanden op grond van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet. 1.
  5. Op 28 april 2004 neemt de minister van Binnenlandse Zaken een beslissing waarbij deze aanvraag onontvankelijk wordt verklaard. De motivering van deze beslissing luidt als volgt: "De redenen die werden aangehaald waarom de betrokkenen de aanvraag om machtiging tot verblijf niet kunnen indienen via de gewone procedure namelijk via de diplomatieke of consulaire post bevoegd voor de verblijfplaats of de plaats van oponthoud in het buitenland, kunnen niet als uitzonderlijke omstandigheden aanvaard worden en verantwoorden niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Dat betrokkenen vrij goed Nederlands beheersen. van onbesproken gedrag zouden zijn, hier willen werken, zich goed geïntegreerd zouden hebben in het sociaal leven in hun buurt en dat hun kind hier school loopt, is op zich geen uitzonderlijke omstandigheid en verantwoordt niet dat de aanvraag in België wordt ingediend. Hun verblijf was ook slechts toegelaten in het kader van de asielaanvraag en zij wisten dat zij bij een eventuele negatieve beslissing het land dienden te verlaten. Wat de opleiding voor verpleegkundige betreft die mevrouw XXX had aangevat : navraag bij de Karel de Grote Hogeschool te Antwerpen leert dat mevrouw XXX deze studies stopgezet heeft. Dit element kan bijgevolg niet langer weerhouden worden. De problemen in hun land hebben reeds het voorwerp uitgemaakt van een diepgaand onderzoek in het kader vin de asielaanvraag. Deze aanvraag werd afgewezen door de bevestigende beslissing van weigering van verblijf genomen door het Commissariaat-Generaal voor Vluchtelingen en Staatlozen (CGVS) op 05/04/2000 en ter kennis gegeven op 06/04/2000 en 07/04/2000, hoger genoemde problemen kunnen derhalve niet meer worden aanvaard als buitengewone omstandigheden om de aanvraag in toepassing van art. 9 van de wet in België in te dienen. Betrokkenen beroepen zich ook op de medisch toestand van mevrouw XXX. Uit het expertiseverslag van onze controlegeneesheer blijkt dat betrokkene kan reizen en dat zo (...) en medicatie voorhanden zijn in land van herkomst. Gezien het hoge VII-32.420-2/7 opleidingsniveau van (...) betrokkenen mag redelijkerwijze aangenomen worden dat zij de kosten voor de behandeling kunnen dragen. Derhalve kan het medisch motief niet weerhouden worden. Betrokkenen dienen contact op te nemen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM) (...) de vertegenwoordiging van hun land in België ten einde hun terugkeer voor te bereiden. Bijgevolg dienen betrokkenen dringend het Belgisch grondgebied te verlaten en gevolg te geven aan het hen reeds betekende Bevel om het Grondgebied te Verlaten van 11/10/
  6. Gelieve betrokkenen mee te delen dat de onderhavige beslissing vatbaar is voor een beroep tot nietigverklaring en een verzoek tot schorsing bij de Raad van State, overeenkomstig de artikelen 14 en 17 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12.01.
  7. Dit beroep en dit verzoek dienen ingediend te worden binnen de dertig dagen na kennisgeving van de beslissing. Het verzoek tot schorsing dient ingediend bij afzonderlijke akte en ten laatste met het annulatieverzoek. Het beroep tot annulatie en het verzoek tot schorsing dienen gedateerd, getekend door de verzoeker of een advocaat, bij aangetekend schrijven aan de heer Eerste Voorzitter van de Raad van State, Wetenschapstraat 33, 1040 Brussel, overgemaakt te worden. Het indienen van een beroep tot nietigverklaring, noch van een beroep tot schorsing heeft de schorsing van de onderhavige beslissing tot gevolg. Tevens dient hen een afschrift van deze brief overhandigd te worden nadat zij voor kennisname hebben getekend. Een afschrift dient aan mijn diensten te worden teruggestuurd. Gelieve eveneens mevrouw XXX in het bezit te stellen van het verslag van onze controlegeneesheer (gesloten omslag in bijlage). Gelieve te gepasten tijde ter plaatse na te gaan of betrokkenen nog in Uw gemeente verblijven en mij onmiddellijk schriftelijk in kennis te stellen van het resultaat van Uw bevindingen.”. Dit is de bestreden beslissing.
  8. Beoordeling.
  9. Ten aanzien van de toepassing van artikel 26 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. In het verslag stelt de auditeur de toepassing voor van artikel 26 van het hoger genoemde koninklijk besluit. In een enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de materiële motiveringspicht. Zij doet het volgende gelden: “Schending van de beginselen van behoorlijk bestuur, de materiële motiveringsplicht en de machtsafwending en overschrijding

(1)Aangezien verzoekers op 10 april 2000 een verzoek tot regularisatie op humanitaire én medische gronden hebben ingediend hadden met diverse omstandige medische attesten (zie administratief dossier) waaruit blijkt dat tweede verzoekster in België reeds geruime tijd psychothérapie werd gevolgd; Dat ingevolge deze attesten dr Guido De Block werd aangesteld door de Dienst Vreemdelingenzaken dewelke op 20 januari 2004 in zijn verslag uitdrukkelijk stelt VII-32.420-3/7 "Tijdens de raadpleging worden verslagen overhandigd van Exil en van verschillende artsen" alsmede "Vertoont symptomen van cryptotetanie" en als besluit op de vraag ernst van de diagnose : "tamelijk" - zie blz 4 en zijn er eventuele alternatieven voor de behandeling: "neen"; Aangezien werd nagevraagd door dr. De Block of de medicatie in het land van herkomst voorhanden is waarop werd gesteld door de ambassade van België in Oekraine : “Wat betreft psychofarmaka, is hun toegankelijkheid afhankelijk van hun prijs en het inkomen van de patient" Aangezien het Ministerie aldus heeft kunnen vernemen op medisch vlak dat de ziekte tamelijk ernstig is en medicatie enkel toegankelijk voor personen met meer financiële mogelijkheden; Dat evenwel op basis van het schrijven van dr De Block dd 10 februari 2004 het Ministerie heeft geoordeeld dat mevrouw XXX, patiënte, deze wel zal kunnen betalen gezien De Block stelt: "Deze patiënt is epidemioloog, dus reeds bepaald niveau van vorming en mogelijkheden"; Dat de beslissing kennelijk onredelijk wordt gemotiveerd nu het advies letterlijk wordt gevolg terwijl het manifest onlogisch is van een patiënte, die niet kan functioneren in het dagelijks leven en onder zeer strikte behandeling staat, te verwachten dat zij gaat werken om haar medicatie te betalen; Dat dit eens te meer onredelijk is nu de Dienst Vreemdelingenzaken zelf in de bestreden beslissing stelt: "navraag bij de Karel de Grote Hogeschool te Antwerpen leert dat mevrouw Naychuk deze studies stopgezet heeft", wat er inderdaad op wijst dat concluante zeker niet in staat zal zijn om te werken en verantwoordelijkheid op te nemen tov patiënten gezien zij in het land van herkomst epidemiologie heeft gestudeerd; Dat overigens het aan Dr. De Block niet toekomt om advies te verschaffen over de arbeidsmogelijkheden in het land van herkomst van verzoekers zonder rekening te houden met diens eigen bevindingen nl de ernst van de medische toestand; Aangezien bovendien de zorg voor het zoontje volledig door vader Najchuk wordt overgenomen en deze overigens enkel een opleiding heeft van automechanica, zoals zovelen in het land van herkomst en die thans ,werkloos zijn; Dat derhalve de beslissing kennelijk onredelijk is en in strijd met de materiële motiveringsplicht en de beginselen van behoorlijk bestuur; Aangezien verzoekers dan ook, gelet op het voorgaande, de vernietiging vragen van de beslissing van het Ministerie van Binnenlandse Zaken dd. 28 april 2004, betekend op 10 juni 2004, betrekkelijk de onontvankelijk verklaring van de aanvraag tot machtiging van verblijf en bevel op dringend het grondgebied te verlaten;
(2)Aangezien tevens de motiveringsplicht in de bestreden beslissing wordt geschonden nu werd besloten dat de aanvraag onontvankelijk is omdat geen uitzonderlijke omstandigheden worden aangebracht die de aanvraag in België verantwoordt, terwijl er ernstige medische redenen voorhanden zijn (zie hierboven vermeld).”. Uit het administratief dossier blijkt dat de medicatie, nodig om de tweede verzoekende partij te verzorgen, in het land van herkomst vaak ontoegankelijk is voor de gemiddelde burger, in functie van diens inkomen. In de bestreden beslissing gaat de verwerende partij er van uit dat “gezien het hoge opleidingsniveau van betrokkenen (...) redelijkerwijze [mag] worden verwacht dat zij de kosten voor de behandeling kunnen dragen”. Dit motief steunt op een loutere veronderstelling inzake het mogelijk verwerven van inkomsten en een levensstandaard in het land van herkomst en kan, bij VII-32.420-4/7 gebreke van overtuigende bewijsstukken in het administratief dossier, niet als deugdelijk worden bestempeld. Het middel lijkt niet ongegrond te zijn, en komt alleszins niet in aanmerking om in het kader van een “kort debat” als ongegrond te worden afgewezen. Er is bijgevolg geen ernstige grond om in het huidige geval toepassing te maken van artikel 26 van voornoemd koninklijk besluit van 9 juli
  1. Dus zal de zaak moeten worden onderzocht en behandeld overeenkomstig de artikelen 21 tot 25 van het eerdergenoemd koninklijk besluit.
  2. De vordering tot schorsing. In het auditoraatsverslag wordt in subsidiaire orde voorgesteld de vordering tot schorsing te verwerpen wegens gebrek aan ernstige middelen; Gezien de nota van de verwerende partij. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat er ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat het middel ernstig is. De verzoekende partijen zetten met betrekking tot het moeilijk te herstellen ernstig nadeel het volgende uiteen: “Aangezien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zal berokkenen aan verzoekers, zoals herhaaldelijk reeds aanvaard door de rechtspraak; ‘De bevestigende beslissing die dreigt te leiden tot een terugkeer en de voltrekking van de aangevoerde vrees, creëert aldus een moeilijk te herstellen ernstig nadeel’. (...) Aangezien hoe dan ook het recht om niet in zijn vrijheid te worden bedreigd door een onregelmatige uitwijzing een burgerlijk recht is in de zin van artikel 6 van het E.V.R.M. (...) Aangezien het moeilijk te herstellen nadeel er tevens in bestaat dat verzoekers met hun kind dat hier bijna zes jaar verblijft, moeten terugkeren, wat in strijd is met het Kinderrechtenverdrag dat voorziet onder artikel art. 2.
  3. dat de Staten, die partij zijn (in casu ook België), alle passende maatregelen dient te nemen om te waarborgen dat VII-32.420-5/7 het kind wordt beschermd tegen alle vormen van discriminatie of bestraffing op grond van de status van de ouders van het kind. (...) Dat Petro ondertussen bijna vijf jaar in België school loopt. (...).”. De verwerende partij stelt daar tegenover het volgende: “Verzoekers tonen niet op basis van concrete en controleerbare gegevens aan een moeilijk te herstellen ernstig nadeel te zullen ondervinden in geval van onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing.”. Hoewel het betoog van de verzoekende partijen nogal incoherent, verwarrend en soms juridisch onjuist is, kan te dezen het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel worden aangenomen. De dreiging voor een gezin, met een kind dat in België sedert meerdere jaren school loopt en waarvan de moeder ernstig ziek, om op grond van een ondeugdelijk gemotiveerde beslissing te worden teruggeleid naar een land waar de geëigende medische verzorging duur is, maakt een moeilijk te herstellen ernstig nadeel uit. De wettelijke voorwaarden zijn vervuld opdat de Raad van State de schorsing zou kunnen bevelen van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing, BESLUIT: Artikel
  4. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van de minister van Binnenlandse Zaken van 28 april 2004 waarbij de aanvraag om machtiging tot verblijf met toepassing van artikel 9, derde lid van de Vreemdelingenwet onontvankelijk wordt verklaard. Artikel
  5. Het beroep tot nietigverklaring zal desgevallend worden onderzocht en behandeld overeenkomstig hetgeen bepaald is in de artikelen 21 tot 25 van het koninklijk besluit van 9 juli 2000 houdende bijzondere procedureregeling inzake geschillen over beslissingen betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen. VII-32.420-6/7 Artikel 3 De kosten worden voorbehouden. Aldus te Brussel, na beraad, uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien januari tweeduizend en zeven, door de H. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, toegevoegd griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. E. BREWAEYS. VII-32.420-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.166.871 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.